id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.681 Rolnummer: A. 242261/IX-10484 Zaak: Arrest 263681 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 23/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-23 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-16 03:24 Fiche Arrest nr 263.681 van 23 juni 2025 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.681 van 23 juni 2025 in de zaak A. 242.261/IX-10.484 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 juni 2024, strekt tot de nietigverkla- ring van “de beslissing van de Universiteit Gent om [verzoeker] niet voor te dragen voor verlenging van zijn mandaat als deeltijds (10%) hoofddocent vanaf 1 oktober 2024, zoals blijkt uit een e-mail d.d. 22 april 2024 gericht aan de PhD-studenten van verzoeker, met verzoeker in kopie […] en bevestigd in het schrijven van de rector van de UGent aan de raadsman van verzoeker d.d. 5 juni 2024”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. IX-10.484-1/14 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 juni 2025. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende par- tij, is gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 29 juni 2018 wordt verzoeker door het bestuurscollege van de UGent, ten vroegste vanaf 1 oktober 2018 en tot 30 september 2024, aangesteld in de graad van deeltijds (10%) docent tweede salarisschaal aan de faculteit Inge- nieurswetenschappen en Architectuur. Hij wordt aangesteld voor een opdracht van academisch onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienst- verlening in het vakgebied persoonlijke dosimetrie en biomonitoring binnen de vakgroep Informatietechnologie. In die hoedanigheid is hij lid van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) van de verwerende partij. Omdat verzoeker bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onder- zoek (FWO) een Pegasusmandaat heeft tot 31 mei 2020 dat niet gecumuleerd kan worden met een mandaat als deeltijds docent, wordt de aanvang van de vóórver- melde aanstelling uitgesteld naar 1 juni 2020. IX-10.484-2/14 Vanaf 1 juni 2020 wordt verzoeker ook aangesteld als senior- postdoctoraal onderzoeker bij het Bijzonder Onderzoeksfonds van de UGent en nadien bij het FWO vanaf 1 oktober 2020. In oktober 2023 beëindigt verzoeker zijn FWO post-doc mandaat vroegtijdig en vertrekt hij naar de Verenigde Staten, waar hij thans als professor verbonden is aan de City University of New York. 3.2. Met een e-mail van 9 januari 2024 wordt aan de vakgroepvoor- zitter meegedeeld dat binnen de vakgroep de tijdelijke aanstellingen van twee ZAP- leden – onder wie verzoeker – en drie gastprofessoren op 30 september 2024 aflo- pen en wordt gevraagd om, indien er heraanstellingen gewenst zijn, tegen uiterlijk 1 maart 2024 het verslag van de vakgroepraadvergadering met de bespreking van de gemotiveerde voorstellen tot heraanstelling te willen bezorgen aan de faculteit. 3.3. Eind februari 2024 wordt het jaarlijks beleidsplan EA05 2024- 2028 van de vakgroep opgesteld. In dit plan is over de strategische visie en de daaruit voortvloeiende beleidslijn in verband met heraanstellingen en benoemingen van deeltijdse ZAP-profielen het volgende te lezen: “2. Deeltijdse ZAP-profielen De vakgroep bevestigt haar visie om, in de huidige context, deeltijdse ZAP- mandaten, bedoeld om een hoofdzakelijk onderzoeksprofiel uit te bouwen, met een onderwijsopdracht die zich vooral richt op gespecialiseerde keuze- vakken op masterniveau, te beperken tot een 10%-mandaat. Deze beperking biedt de mogelijkheid om ZAP-perspectief te bieden in meerdere onder- zoeksdisciplines waarin de vakgroep wenst te investeren. De 10%-mandaten zijn vanuit strategisch oogpunt bedoeld om een aantal be- loftevolle onderzoekers de kans te bieden hun onderzoeksloopbaan verder uit te bouwen. Deze mandaten zijn bedoeld als hefboom te fungeren, waarbij de betrokkenen binnen de vakgroep de facto een belangrijk percentage (en bij voorkeur voltijds) van hun tijd actief zijn. Op die manier kunnen zij dan ook (beperkt) voor onderwijs ingezet worden, en kunnen ze voornamelijk actief zijn rond het begeleiden van doctoraten en fondsenwerving. Fondsenwerving is in dit kader een belangrijk aandachtspunt, en het deeltijds ZAP-statuut is hierbij dikwijls een vereiste. Vanuit deze strategische visie zal de vakgroep dan ook volgende beleidslijn hanteren i.v.m. heraanstellingen/benoemingen van deeltijdse collega’s: (
- i)indien de deeltijdse ZAP-mandataris verder structureel betrokken is bij de IX-10.484-3/14 activiteiten van de vakgroep, wordt de beleidsruimte voor heraanstelling voorzien. Deze heraanstelling is uiteraard op voorwaarde van positieve eva- luatie van de activiteiten van de mandataris. Deze structurele betrokkenheid kan zich o.m. uiten in een tewerkstelling in vast verband bij een strategische onderzoekspartner van de vakgroep (via een wel uitgebouwde onderzoeks- alliantie met deze partner). Indien reglementair mogelijk, wordt tevens de omzetting van aanstelling naar benoeming aangevraagd, om het vertrouwen in een duurzame samenwerking tussen de vakgroep en deze mandataris te bevestigen. (
- ii)indien de deeltijdse ZAP-mandataris verder niet structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep, wordt de heraanstelling niet automatisch aangevraagd. Enkel indien een belangrijke strategische meerwaarde (bv. via het inbrengen van expertise door de mandataris die in de vakgroep (nog) niet aanwezig
- is)kan aangetoond worden, zal de heraanstelling door de vakgroep aangevraagd worden.” Een voorstel van dit beleidsplan wordt ter voorbereiding van de vergadering van de vakgroepraad van 21 februari 2024 aan de leden van deze raad – waartoe verzoeker behoort – gestuurd op 16 februari 2024 (versie 1). Verzoeker is tijdens de bespreking van het voorstel van beleids- plan op 21 februari 2024 afwezig. Aangepaste versies van het beleidsplan worden nadien nog op 22 en 23 februari 2024 (versies 2 en 3) gestuurd naar de leden van de vakgroepraad. Verzoeker formuleert geen opmerkingen. De definitieve versie van het beleidsplan (versie 4) wordt op 26 februari 2024 verstuurd aan de leden van de vakgroepraad. 3.4. Op 28 februari 2024 wordt een elektronische vergadering van de vakgroepraad georganiseerd. Tijdens deze vergadering beslist de vakgroepraad om voor één ZAP-lid en één gastprofessor waarvan de deeltijdse aanstelling eind sep- tember 2024 eindigt een gemotiveerd voorstel tot hernieuwing van de aanstelling in te dienen bij de faculteit. Voor de andere sub 3.2 bedoelde docenten van wie de aanstelling eveneens afloopt, onder wie verzoeker, wordt geen hernieuwing van de aanstelling voorgesteld. Van deze vergadering wordt een verslag opgesteld. IX-10.484-4/14 Verzoeker, die voormelde vergadering bijwoont, krijgt de kans om opmerkingen met betrekking tot de inhoud van het verslag te formuleren, maar doet dit niet. 3.5. Op 22 april 2024 stuurt de vakgroepvoorzitter aan de PhD-stu- denten van verzoeker een e-mail, met verzoeker in kopie, waarin wordt meegedeeld dat de aanstelling van verzoeker aan de UGent op 30 september 2024 een einde neemt en dat de vakgroep niet heeft voorgesteld om zijn aanstelling te verlengen omdat het een aanstelling van 10% betreft en verzoeker niet structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep. 3.6. Op 8 mei 2024 vraagt de raadsman van verzoeker aan de vak- groepvoorzitter “om per kerende en uiterlijk binnen de 14 dagen vanaf heden te bevestigen dat [zijn] communicatie d.d. 22 april ll. een vergissing betreft en dat [verzoeker] wel degelijk heraangesteld wordt als deeltijds (10%) hoofddocent van de UGent vanaf 1 oktober 2024” en stelt hem “voor zover als nodig uitdrukkelijk in gebreke”. 3.7. Op 5 juni 2024 beantwoordt de rector van de UGent voormeld schrijven als volgt: “Ik verwijs naar uw schrijven van 8 mei 2024 waarin u vraagt dat [verzoeker] wordt heraangesteld als deeltijds (10%) hoofddocent van de UGent vanaf 1 oktober 2024 en dat de UGent erkent dat de communicatie van 22 april 2024 een vergissing betreft. Ik wil uitdrukkelijk bevestigen dat het hier niet om een vergissing gaat. Vooreerst wens ik in te gaan op de datum van aanstelling van [verzoeker]. U schrijft dat [verzoeker] met ingang van 1 oktober 2018 werd aangesteld in de graad van (10%) docent aan de faculteit Ingenieurswetenschappen en Archi- tectuur. Dit was inderdaad de bedoeling. Gelet op het feit dat [verzoeker] over een PEGASUS mandaat beschikte tot en met 31 mei 2020, wat onvere- nigbaar bleek te zijn met enige andere betaalde aanstelling, werd er beslist de indiensttreding te verlaten. De werkelijke indiensttreding ging pas in op 1 juni 2020. Het lijkt me noodzakelijk om van correcte informatie te vertrek- ken. Ik verduidelijk ook graag de regelgeving inzake hernieuwing van de tijde- lijke aanstelling van een ZAP-lid die van essentieel belang is in de voorlig- gende casus. Artikel V.28, 2de lid Codex Hoger Onderwijs (CHO) bepaalt het volgende: ‘Een lid van het zelfstandig academisch personeel met een IX-10.484-5/14 deeltijdse opdracht kan ofwel benoemd worden, ofwel tijdelijk worden aan- gesteld voor hernieuwbare termijnen van ten hoogste 6 jaar’. Artikel 6, § 2 van het Reglement van de UGent betreffende de benoeming of aanstelling, de bevordering, de evaluatie en het beroep van de leden van het Zelfstandig Academisch Personeel neemt hetzelfde op als het CHO […]. De regelgeving is duidelijk: er is geen verplichting tot heraanstellen, er is enkel een mogelijkheid tot heraanstellen voorzien. De aanstelling van uw cli- ent loopt gewoon af op de voorziene einddatum, in casu 30 september 2024. Er is geen sprake van ontslag, de aanstelling wordt beëindigd door het aflo- pen van de termijn. Ik verduidelijk ook graag dat een niet heraanstelling geen actieve beslissing vergt. Vandaar dat [verzoeker] ook geen afzonderlijke schriftelijke kennisgeving van een gemotiveerde beslissing inzake de niet hernieuwing van zijn aflopend ZAP-mandaat heeft ontvangen. U verwijst naar een engagementsverklaring d.d. 31 maart 2022 waarin de vakgroepvoorzitter […] aan de directie Onderzoeksaangelegenheden van de UGent liet weten dat de heraanstelling is voorzien in het beleidsplan van de vakgroep. Als de UGent overgaat tot de heraanstelling van een tijdelijk aangesteld ZAP-lid, gebeurt dit aan de hand van een gemotiveerd voorstel van de vak- groepraad die het voorstel bezorgt aan de faculteit […]. De afdeling Werving en Selectie legt dit voorstel met advies van de faculteitsraad voor aan het Bestuurscollege, die een beslissing neemt. De engagementsverklaring is bovendien gericht aan het FWO, waarbij gega- randeerd zou worden dat [verzoeker] de volledige projectduur aanwezig zou zijn om het project te begeleiden. Dit project werd uiteindelijk goedgekeurd, maar is door [verzoeker] niet opgenomen. Bovendien beëindigde [verzoeker] zelf vroegtijdig zijn FWO post-doc mandaat. Dit document is hier dan ook niet relevant, laat staan dat daaruit zou kunnen afgeleid worden dat enige toezegging zou zijn gedaan met betrekking tot de hernieuwing van de deel- tijdse ZAP-aanstelling van uw cliënt. In het beleidsplan 2024-2028 van de vakgroep Informatietechnologie, wat jaarlijks wordt vernieuwd en goedgekeurd, is opgenomen dat een heraanstel- ling niet automatisch wordt aangevraagd indien de deeltijdse ZAP-mandata- ris verder niet structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep, maar enkel indien een belangrijke meerwaarde kan aangetoond worden. Het gaat bv. om het inbrengen van expertise door het tijdelijk ZAP-lid die in de vakgroep (nog) niet aanwezig is. Het voorstel van beleidsplan werd intern afgetoetst binnen de vakgroepraad. Uw cliënt, lid van deze vakgroepraad, werd van het voorstel in kennis gesteld per mail van 16 februari 2024, 22 februari 2024, 23 februari 2024 en ten slotte 26 februari 2024. Uw cliënt heeft hierop niet gereageerd. De beslissing van uw cliënt om tussenkomst te vragen van Trustpunt, een procedure in te leiden voor de Commissie Wetenschappelijke Integriteit, en de gedragscode aangaande gebruik van het onderzoekslaboratorium binnen de onderzoeksgroep WAVES (waarnaar u verwijst in uw schrijven), zijn af- gehandeld of nog lopende conform de regelgeving ter zake en hebben hoe- genaamd geen impact gehad op noch mede aanleiding geweest tot de niet- heraanstelling van [verzoeker] na 30 september 2024. Zijn tijdelijk mandaat loopt gewoon af. IX-10.484-6/14 […] De UGent kan dan ook niet ingaan op de vraag tot heraanstelling van [ver- zoeker] als deeltijds (10%) hoofddocent vanaf 1 oktober 2024.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties van de verwerende partij 4.1. De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is ratione materiae omdat het geen administratieve rechtshandeling tot voorwerp heeft. Zij argumenteert dat de beëindiging van de aanstelling van verzoeker geen oorsprong vindt in een beslissing van de faculteit, maar het gevolg is van het feit dat de aanstelling tijdelijk van aard is en van rechtswege vervalt bij het bereiken van de einddatum, zijnde 30 september 2024. Nergens in het ZAP-reglement is in dergelijk geval in een beslissingsmoment voorzien, noch in een recht op hernieu- wing van de aanstelling. De faculteit dient dus niet te beslissen. Zij hernieuwt niet, noch weigert zij de hernieuwing van de aanstelling. Verzoeker heeft ook aan de vakgroep of de faculteitsraad geen vraag tot hernieuwing van zijn mandaat gesteld, zodat dit geen argument is om te stellen dat de vakgroep of de faculteitsraad hier- over een beslissing heeft genomen. Evenmin haalt verzoeker een rechtsgrond aan die de verwerende partij ertoe zou verplichten een beslissing te nemen over de al dan niet hernieuwing. De bestreden ‘beslissing’ kan dan ook niet worden be- schouwd als een handeling die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan verzoeker. Zijn rechtstoestand is geenszins in ongunstige zin gewijzigd. Verzoeker kan, zo vervolgt de verwerende partij, ook niet ver- trouwen op een automatische aanvraag van de heraanstelling. Zij verwijst in dat verband naar het beleidsplan 2024-2028, waarvan verzoeker in kennis is gesteld. In dat beleidsplan wordt bepaald dat indien de deeltijdse ZAP-mandataris verder niet structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep, de heraanstelling niet automatisch wordt aangevraagd. Enkel indien een belangrijke strategische meerwaarde kan worden aangetoond, zal de heraanstelling door de vakgroep wor- den aangevraagd. Welnu, nergens in het verzoekschrift toont verzoeker aan dat hij IX-10.484-7/14 structureel betrokken is bij de vakgroep of een belangrijke strategische meerwaarde voor de vakgroep biedt. Hij voert dit in geen van zijn middelen aan. 4.2. Voorts werpt de verwerende partij op dat het beroep laattijdig is ingesteld. Zij argumenteert dat verzoeker reeds op 26 februari 2024, minstens op 28 februari 2024, ervan op de hoogte was dat hij niet zou worden heraangesteld. Op 28 februari 2024 heeft de vakgroepraad immers advies verleend over de her- aanstelling en benoeming van de deeltijdse ZAP-collega’s. Verzoeker is – als ZAP- lid van de vakgroep – op 26 februari 2024 in kennis gesteld van het ontwerp van het verslag. In het verslag wordt verzoeker niet voorgesteld voor heraanstelling of benoeming en verzoeker heeft daar geen opmerkingen op geformuleerd. 5. In haar laatste memorie onderstreept de verwerende partij dat de beëindiging van verzoekers mandaat het gevolg is van het verstrijken van de duur- tijd ervan die is bepaald in de aanstelling van verzoeker en dat zij hierover geen beslissing diende te nemen. Enkel een hernieuwing van het mandaat vereist een uitdrukkelijke nieuwe beslissing door het bestuurscollege, na goedkeuring door de faculteit van het gemotiveerd voorstel tot hernieuwing geformuleerd door de vak- groepraad. Zelfs indien moet worden aangenomen dat er een impliciete be- slissing is genomen om zijn mandaat niet te hernieuwen, heeft verzoeker naar het oordeel van de verwerende partij geen belang bij het aanvechten van die beslissing aangezien hij op geen enkel moment een gemotiveerde aanvraag heeft ingediend met het oog op de hernieuwing van zijn mandaat en hij geen recht op een automa- tische hernieuwing van dit mandaat kan laten gelden. Volgens de verwerende partij beweert verzoeker ten onrechte dat hij pas op 22 april 2024 op de hoogte is gebracht van het feit dat zijn aanstelling niet zou worden verlengd. Verzoeker is immers in kennis gesteld van het beleids- plan 2024-2028 – waarin is bepaald dat mandaten enkel zullen worden verlengd in zoverre de mandaathouder verbonden is met de activiteiten van de vakgroep of een strategische alliantie tussen de vakgroep en de werkgever van de mandaathouder IX-10.484-8/14 aanwezig is – en van het vakgroepraadverslag dat de uitdrukkelijke heraanstelling van sommige ZAP-leden bevat, maar niet van verzoeker. Verzoeker kon op zowel het beleidsplan als op het vakgroepraadverslag opmerkingen formuleren, maar hij heeft dit nagelaten. Dat hij op 8 mei 2024 een aanvraag tot verlenging zou hebben geformuleerd kan dan ook niet overtuigen. De verwerende partij verwijst naar een e-mail van 18 maart 2024 van de vakgroepvoorzitter aan verzoeker en een e-mail van 21 maart 2024 van de HR-adviseur aan verzoeker waaruit blijkt dat zijn aan- stelling niet zou worden verlengd. Verzoeker heeft daar geen enkel gevolg aan ge- geven. Hij is derhalve in gebreke gebleven om enige actie te ondernemen om er- voor te zorgen dat de vakgroepraad niet alleen voor zijn twee collega’s maar ook voor hem een gemotiveerd voorstel tot hernieuwing van zijn aflopend mandaat zou formuleren. Beoordeling 6. Met huidig beroep vraagt verzoeker de nietigverklaring van de beslissing van de verwerende partij om hem niet voor te dragen voor de hernieu- wing van zijn tijdelijke aanstelling. 7. In haar eerste exceptie stelt de verwerende partij in wezen dat zij geen beslissing heeft genomen met betrekking tot de niet-heraanstelling van ver- zoeker. Nergens in de reglementering is voorzien dat zij hierover een beslissing moet nemen. Verzoeker heeft ook zelf geen vraag tot hernieuwing van zijn man- daat gesteld die zij zou hebben afgewezen. Evenmin kan verzoeker, gelet op het beleidsplan 2024-2028 van de vakgroep, vertrouwen op een automatische aanvraag tot heraanstelling. Bijgevolg is er geen aanvechtbare rechtshandeling. Zoals hierna zal blijken, kan die argumentatie niet worden bijge- vallen. 8. Eind februari 2024 heeft de vakgroep haar beleidsplan 2024- 2028 opgesteld. Daarin heeft de vakgroep zich ertoe bepaald om inzake heraanstel- lingen en benoemingen van deeltijdse ZAP-mandatarissen de volgende beleidslijn IX-10.484-9/14 te hanteren. Indien de deeltijdse ZAP-mandataris verder structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep, wordt in de beleidsruimte voor heraanstelling voorzien. Indien de deeltijdse ZAP-mandataris verder niet structureel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep, wordt de heraanstelling niet automatisch aan- gevraagd. Enkel indien een belangrijke strategische meerwaarde kan worden aan- getoond – bijvoorbeeld een expertise in hoofde van de mandataris die in de vak- groep nog niet aanwezig is – zal de heraanstelling door de vakgroep worden aan- gevraagd. 9.1. Op 9 januari 2024 is de vakgroep ervan in kennis gesteld dat de tijdelijke aanstellingen van twee ZAP-leden – onder wie verzoeker – en drie gast- professoren op 30 september 2024 een einde nemen en is gevraagd om, indien er heraanstellingen gewenst zijn, tegen 1 maart 2024 het verslag van de vakgroep- raadvergadering met de bespreking van de gemotiveerde voorstellen tot heraanstel- ling te bezorgen aan de faculteit. 9.2. Gevolg gevend aan die vraag heeft de vakgroepraad op 28 febru- ari 2024 beslist om voor één ZAP-lid en één gastprofessor een gemotiveerd voor- stel tot hernieuwing van de aanstelling in te dienen bij de faculteit. Daaruit volgt, zoals de verwerende partij in de memorie van ant- woord en haar laatste memorie herhaaldelijk te kennen geeft, dat impliciet is beslist dat voor de andere drie leden met een aflopend deeltijds mandaat – onder wie ver- zoeker – de hernieuwing van de aanstelling niet wordt gevraagd. De verwerende partij erkent dat zij daarbij toepassing heeft gemaakt van de in het beleidsplan 2024-2028 vervatte richtlijn inzake heraanstellingen en benoemingen van deel- tijdse ZAP-mandatarissen. De verwerende partij heeft met andere woorden op dat moment impliciet maar zeker de situatie van verzoeker onderzocht en geoordeeld dat verzoeker verder niet structureel betrokken is bij de activiteiten van de vak- groep en evenmin een belangrijke strategische meerwaarde levert zodat dus niet om zijn heraanstelling wordt gevraagd. IX-10.484-10/14 9.3. De impliciete beslissing van de vakgroepraad om verzoeker niet voor te dragen voor hernieuwing van zijn aanstelling is in dat licht minstens een verzoeker grievende vόόrbeslissing en is bijgevolg aanvechtbaar. 10. Dat verzoeker zelf niet om de hernieuwing van zijn aanstelling heeft gevraagd is in de hier voorliggende omstandigheden niet van aard om hem het belang bij het beroep te ontzeggen. Geen enkele regel eist immers dat verzoeker zelf om de hernieuwing van zijn aflopend tijdelijk mandaat moet vragen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat verzoeker geen op- merkingen heeft geformuleerd bij het beleidsplan 2024-2028 en bij de beslissing van de vakgroepraad van 28 februari 2024 waarbij voor twee collega’s – en niet voor hem – een gemotiveerd voorstel tot hernieuwing van de aanstelling wordt ingediend. Dit ontzegt verzoeker niet het belang om in het kader van huidig beroep aan te voeren dat de verwerende partij onterecht (impliciet) heeft beslist om niet de hernieuwing van zijn aanstelling te vragen. 11. In dat verband kan worden vastgesteld dat de verwerende partij ten onrechte opwerpt dat verzoeker in geen van zijn middelen betwist dat hij niet structureel betrokken is bij de vakgroep of geen belangrijke strategische meer- waarde voor de vakgroep biedt. Er blijkt immers dat verzoeker in het verzoekschrift bij de uiteenzetting van het eerste middel betwist dat hij niet betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep en dat hij aanvoert dat de verwerende partij reeds te kennen had gegeven dat hij een belangrijke strategische meerwaarde biedt. Ook in zijn navolgende processtukken argumenteert verzoeker uitgebreid en met voor- beelden dat hij wel betrokken is bij de activiteiten van de vakgroep en een strate- gische meerwaarde levert. Die al dan niet terechte overtuiging van verzoeker ver- klaart overigens wellicht waarom hij passief is gebleven bij de besprekingen van het beleidsplan. 12. Ten overvloede bedenkt de Raad van State dat de verwerende partij aan verzoeker terecht niet verwijt dat hij enkel een vóórbeslissing om hem niet voor te dragen voor hernieuwing van zijn aanstelling heeft aangevochten en IX-10.484-11/14 niet een eindbeslissing van het bestuurscollege, aangezien uit niets blijkt en de ver- werende partij evenmin beweert dat zijn dossier nog ter eindbeslissing aan het be- stuurscollege is voorgelegd. De weigering om verzoeker voor te dragen verhindert aldus de facto zelfs dat over zijn aanstelling door het bestuurscollege wordt beslist. 13. Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat verzoeker op ontvanke- lijke wijze ratione materiae de beslissing mag aanvechten waarbij hij niet wordt voorgedragen voor heraanstelling van zijn mandaat als deeltijds (10%) hoofddo- cent zoals die beslissing impliciet blijkt uit de voordracht van zijn twee collega’s door de vakgroepraad van 28 februari 2024. Anders dan verzoeker het ziet, blijkt de door hem bestreden be- slissing niet uit de andere communicaties die hij bij de omschrijving van het voor- werp van zijn beroep vermeldt. De e-mail van de vakgroepvoorzitter van 22 april 2024, waarin verzoeker de bestreden beslissing ziet, is niet meer dan een loutere mededeling aan de PhD-studenten van verzoeker dat verzoekers aanstelling een einde neemt en dat de vakgroep niet heeft voorgesteld om zijn aanstelling te verlengen. Die e-mail voegt niets toe aan de rechtsorde en creëert uit zichzelf geen rechtsgevolgen die een onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkenen aan verzoeker. Deze medede- ling kan dan ook niet op een ontvankelijke wijze bij de Raad van State worden aangevochten. Ook het schrijven van de rector van de UGent van 5 juni 2024 kan niet worden beschouwd als een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevol- gen te doen ontstaan of te beletten dat ze tot stand komen. Deze brief geeft enkel antwoord op de vragen om verduidelijking die in de brief van de raadsman van verzoeker van 8 mei 2024 worden gesteld en kan om die reden evenmin op een ontvankelijke wijze bij de Raad van State worden aangevochten. 14. Enkel de impliciete beslissing van de vakgroepraad van 28 fe- bruari 2024 is een aanvechtbare beslissing. IX-10.484-12/14 15. Met deze precisering wordt de eerste exceptie van de verwerende partij verworpen. 16. In haar tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat het beroep laattijdig is aangezien verzoeker reeds op 26 of 28 februari 2024 kennis had van de beslissing om de hernieuwing van zijn aanstelling niet voor te stellen. 17. In het auditoraatsverslag heeft de verwerende partij kunnen lezen dat aangezien de beslissing van de vakgroepraad van 28 februari 2024 niet de be- roepsmogelijkheid bij de Raad van State, noch de daarbij in acht te nemen vorm- voorschriften en termijnen bevat, met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de in artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot bepaling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bedoelde termijn van zestig dagen pas een aanvang heeft genomen vier maanden nadat verzoeker van de be- slissing in kennis is gesteld, zodat het beroep tijdig is ingesteld. 18. In haar laatste memorie weerspreekt de verwerende partij terecht deze analyse niet. Er mag dan ook worden aangenomen dat zij haar exceptie niet langer handhaaft. 19. Het auditoraatsverslag is beperkt tot een onderzoek van de ex- cepties van de verwerende partij. Aangezien deze excepties niet de oplossing van de zaak mogelijk maken, is er reden om het debat te heropenen en het bevoegde lid van het auditoraat te belasten met het aanvullend onderzoek van de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. IX-10.484-13/14 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig juni tweeduizend vijfentwin- tig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.484-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.681 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.578 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div