id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.682 Rolnummer: A. 241446/VII-42441 Zaak: Arrest 263682 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-03 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-16 03:24 Fiche Arrest nr 263.682 van 23 juni 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.682 van 23 juni 2025 in de zaak A. 241.446/VII-42.441 In zake : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST- VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Engelse Wandeling 2 F5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Lambert kantoor houdend te 9620 Zottegem Meersstraat 64 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0416 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 1 februari 2024 in de zaak 2223-RvVb-0576-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 4 juni
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-42.441-1/13 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 27 november 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 juni
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Eva Ver Elst, die loco advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Luc Lambert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- B. vraagt op 16 oktober 2017 een stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van een woning die is opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. Het college van burgemeester en schepenen van Geraardsbergen verleent de vergunning. De verwerende partij tekent hiertegen bestuurlijk beroep aan. VII-42.441-2/13 3.
- Met een besluit van 28 juni 2018 verwerpt de verzoekende partij het bestuurlijk beroep en verleent zij de vergunning. Na beroep van de verwerende partij vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) dat vergunningsbesluit met een arrest van 17 september
- 3.
- De administratieve procedure wordt hernomen. Bij besluit van 16 januari 2020 verwerpt de verzoekende partij het bestuurlijk beroep en verleent zij opnieuw de vergunning. Na beroep van de verwerende partij vernietigt de RvVb dat vergunningsbesluit met een arrest van 29 april
- 3.
- De administratieve procedure wordt een tweede maal hernomen. Bij besluit van 15 juli 2021 verwerpt de verzoekende partij het bestuurlijk beroep en verleent zij opnieuw de vergunning. Na beroep van de verwerende partij vernietigt de RvVb dat vergunningsbesluit met een arrest van 8 september
- 3.
- De administratieve procedure wordt een derde maal hernomen. Bij besluit van 9 februari 2023 verwerpt de verzoekende partij het bestuurlijk beroep en verleent zij opnieuw de vergunning. De verwerende partij stelt hiertegen een vernietigingsberoep in bij de RvVb. 3.
- Met het bestreden arrest vernietigt de RvVb de vergunningsbeslissing van 9 februari 2023, en stelt de RvVb zijn arrest in de plaats van de nieuw te nemen beslissing en weigert de stedenbouwkundige vergunning. VII-42.441-3/13 IV. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.1.10 van het decreet van 12 juli 2013 ‘betreffende het onroerend erfgoed’ (hierna: onroerenderfgoeddecreet), de artikelen 1.1.4 en 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), en artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet).
- In het eerste onderdeel van het middel voert de verzoekende partij aan dat de RvVb de bevoegdheid van de verzoekende partij bij de beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening, en bij het maken van de onroerenderfgoedtoets, onterecht beperkt tot een gebonden bevoegdheid, en een eigen feitelijke beoordeling van het aangevraagde maakt die de contouren van zijn wettigheidstoezicht te buiten gaat. Volgens de verzoekende partij blijkt uit het bestreden arrest dat de RvVb een nieuwe feitelijke beoordeling heeft gemaakt en haar verkeerdelijk beticht van het in vraag stellen van de inventarisatie van het onroerend erfgoed. De RvVb zou zich gedragen als een vergunningverlenend orgaan dat tot een volledige herbeoordeling komt van het aangevraagde. Hij zou in werkelijkheid oordelen dat er quasi geen mogelijkheid is om de vergunning alsnog te verlenen, en buiten zijn door artikel 105 van het omgevingsvergunningsdecreet opgedragen rechterlijk wettigheidstoezicht treden. De RvVb zou hebben verzuimd om alle doorslaggevende elementen in ogenschouw te nemen en op die wijze na te gaan of de verzoekende partij op basis van de juiste feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de erfgoedwaarden de sloop van de constructies niet verhinderen. Hij zou dan ook in deze enkel hebben kunnen vaststellen dat de VII-42.441-4/13 verzoekende partij de vergunningsaanvraag aan een volledig en omvattend onderzoek heeft onderworpen, zowel op het vlak van legaliteit als de opportuniteit én dat zij hierbij rekening heeft gehouden met de aandachtspunten die door de RvVb eerder werden opgenomen. De beoordeling van het pertinente karakter van de redenen die de verzoekende partij alsnog als aanvaardbaar acht om de sloop te verantwoorden, behoren volgens haar exclusief tot haar appreciatiebevoegdheid. De RvVb stelt volgens de verzoekende partij zijn beoordeling van de eisen van de goede ruimtelijke ordening in de plaats van die van de bevoegde overheid.
- In het tweede onderdeel van het middel voert de verzoekende partij aan dat de RvVb een te verregaande invulling heeft gegeven aan het gezag van gewijsde van zijn eigen arresten, en door deze interpretatie elke vorm van discretionaire beoordelingsmarge van de verzoekende partij beknot. In tegenstelling tot wat de RvVb voorhoudt, was er volgens de verzoekende partij in casu geen sprake van een schending van het gezag van gewijsde. Uit het eerdere vernietigingsarrest zou niet blijken dat niet naar aanvullende informatie kon worden verwezen, maar enkel dat de verzoekende partij in haar nieuwe beslissing afdoende dragende motieven diende op te nemen die haar standpunt konden ondersteunen. De verzoekende partij zou dan ook zeer duidelijk, helder en uitgebreid gemotiveerd hebben waarom zij van mening is dat de woningen kunnen worden gesloopt, met name omdat de erfgoedwaarden op vandaag beperkt zijn. Dit standpunt zou bevestigd worden door de aanvullende informatie. Door te oordelen dat het gezag van gewijsde hier geschonden is, heeft de RvVb volgens de verzoekende partij een onredelijke en al te verregaande invulling gegeven aan het gezag van gewijsde dat effectief voortvloeit uit de voorgaande arresten, wat een onaanvaardbare impact zou hebben op de discretionaire bevoegdheid van de verzoekende partij.
- In een derde onderdeel van het middel voert de verzoekende partij aan dat de RvVb de erfgoedwaarden uit de inventaris onterecht als obligaat doorwerkend beschouwt, en de interpretatiemogelijkheden van deze erfgoedwaarden beperkt, waardoor de noodzakelijke belangenafweging die tot de VII-42.441-5/13 exclusieve bevoegdheid van de verzoekende partij behoort, niet kan worden uitgevoerd. De verzoekende partij zet uiteen dat, anders dan het bestreden arrest aanneemt, zij niet de inhoud van de inventaris betwist. Zij zou in de vergunningsbeslissing een weloverwogen analyse hebben gemaakt van de erfgoedwaarden op het moment van inventarisatie en de erfgoedwaarden die op vandaag nog aanwezig zijn. De RvVb zou de opname in de inventaris echter als een vaststaand feit lijken te beschouwen in die zin dat elke vorm van aantasting van deze erfgoedwaarden van rechtswege uitgesloten zou zijn. Uit artikel 4.1.10 van het erfgoeddecreet en artikel 4.3.1 VCRO zou nochtans volgen dat de verzoekende partij over een duidelijk afgelijnde discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Het uitoefenen van die bevoegdheid zou verschillen van het leveren van kritiek op de inventaris. Door de gemaakte beoordeling van de aanwezige erfgoedwaarden te lezen als een kritiek op de inventaris, miskent de RvVb volgens de verzoekende partij de beoordelingsbevoegdheid uit artikel 4.1.10 van het erfgoeddecreet en artikel 4.3.1 VCRO. De RvVb zou uitgaan van een foutieve draagwijdte van de bescherming van de inventaris : de inventaris wordt immers niet altijd zo opgesteld dat uitspraak wordt gedaan over het nut van het bewaren of behouden van de opgenomen erfgoedwaarden. Het zou enkel aan de verzoekende partij toekomen om het nut van het behoud van de erfgoedwaarden te beoordelen. Door zich hier alsnog over uit te spreken, zou de RvVb zich begeven op het beleidsveld en binnen de contouren van de beoordelingsbevoegdheid van de verzoekende partij. De verzoekende partij besluit dat de RvVb zijn bevoegdheid heeft geschonden door de draagwijdte van de erfgoedwaarden en de inventarisatie zelf te beoordelen en in die zin tot het oordeel te komen dat er sprake is van een in beginsel gebonden bevoegdheid en dat de verzoekende partij -door hier anders over te oordelen- de inventarisatie zelf in twijfel zou hebben getrokken. VII-42.441-6/13 Beoordeling
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 1.1.4 VCRO. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Artikel 105, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt: “De uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg, of de aktename of de niet-aktename van een melding, vermeld in artikel 111, kan bestreden worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO.” Het bestreden arrest doet uitspraak over een beroep dat gericht wordt tegen een in laatste bestuurlijke aanleg genomen beslissing over een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, een handeling die niet door artikel 105 van het omgevingsvergunningsdecreet wordt geviseerd. Het middel mist dan ook de vereiste nauwkeurigheid in zoverre het in elk van de drie onderdelen een schending aanvoert van artikel 105, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet). VII-42.441-7/13 In zoverre de verzoekende partij de Raad van State met de aangevoerde schending van artikel 4.1.10 van het erfgoeddecreet en artikel 4.3.1 VCRO uitnodigt om opnieuw te beoordelen of de deputatiebeslissing op afdoende wijze rekening heeft gehouden met de impact van de aangevraagde handelingen op de erfgoedwaarden en -kenmerken van het onroerend goed dat op de inventaris is opgenomen, en op afdoende wijze de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening heeft beoordeeld, is het middel niet ontvankelijk.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 37, § 2, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC) en van artikel 63 van het omgevingsvergunningsdecreet. Het middel komt op tegen de beslissing van de RvVb om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen vergunningsbeslissing, en de stedenbouwkundige vergunning te weigeren. De verzoekende partij viseert volgende overwegingen van het bestreden arrest: “De [RvVb] beschikt in functie van een efficiënte geschillenbeslechting en mits het respecteren van de scheiding der machten over een beperkte substitutiebevoegdheid. Hij kan zijn arrest in de plaats stellen van de bestreden beslissing, en desgevallend zelf de gevraagde stedenbouwkundige vergunning weigeren, voor zover de [verzoekende partij in cassatie] in dit kader als vergunningverlenende overheid slechts beschikt over een gebonden bevoegdheid. Hieronder worden ook de gevallen van feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid verstaan die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier. (artikel 37, §2 DBRC-decreet). VII-42.441-8/13 […] In het meest recente vernietigingsarrest van 8 september 2022 werd een bevel opgelegd , omdat de [verzoekende partij in cassatie] opnieuw enkele motieven aanhaalde die de [RvVb] in de twee voorgaande arresten reeds beoordeelde als onregelmatig. De [verzoekende partij in cassatie] werd bevolen: - concreet rekening te houden met de erfgoedkenmerken van de boerenarbeidershuisjes zoals ze worden opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed en in dat licht de sloop af te wegen ten opzichte van de op vandaag bestaande erfgoedwaarde van het pand nr. 45; - bij de herbeoordeling geen rekening te houden met het motief dat de panden onvoldoende erfgoedwaarde bezitten om ze op te nemen als beschermd monument. Bij de bovenstaande bespreking van het middel is vastgesteld dat de motieven in de bestreden beslissing hoofdzakelijk gelijk of gelijkaardig zijn aan de vorige beslissing van de [verzoekende partij in cassatie] en dat de bijkomende nieuwe motieven geen verantwoording voor de sloop kunnen bieden. […] Hoewel [de verzoekende partij in cassatie] dus over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, blijkt dat ze geen aanvaardbare verantwoording kan geven voor het verlenen van de gevraagde vergunning. […] De bestreden beslissing is deels een herhaling van haar eerdere beoordeling. Verder wordt geen bijkomende pertinente en draagkrachtige motivering toegevoegd. Hieruit moet de [RvVb] noodzakelijk afleiden dat er materieel gezien geen motieven bestaan die een vergunning kunnen verantwoorden. Hierdoor is de appreciatiebevoegdheid van [de verzoekende partij in cassatie] feitelijk volledig uitgehold, zodat ze de aanvraag in het licht van de toets van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en de onroerenderfgoedtoets noodzakelijk moet weigeren. Gelet op deze vaststelling bestaat er in hoofde van [de verzoekende partij in cassatie] een gebonden bevoegdheid, en wordt er overgegaan tot indeplaatsstelling overeenkomstig artikel 37, §2 DBRC-decreet.” Volgens de verzoekende partij oordeelt de RvVb aldus dat zij in de toekomst niet in staat zal zijn om bij hervergunning een bijkomende pertinente en draagkrachtige motivering toe te voegen, en loopt de RvVb hierdoor vooruit op de feiten. Met dergelijke beoordeling ontneemt de RvVb elke vorm van beoordelingsbevoegdheid aan de verzoekende partij, wat volgens de verzoekende partij allerminst strookt met artikel 37, § 2, DBRC en de ratio legis. Door de bevoegdheid van de verzoekende partij te beschouwen als een gebonden bevoegdheid, wordt eveneens afbreuk gedaan aan het devolutieve karakter van de VII-42.441-9/13 herbeoordeling die zij moet uitvoeren in graad van bestuurlijk beroep na vernietiging van de bestreden beslissing. Uit het bestreden arrest blijkt volgens de verzoekende partij niet dat sprake is van een feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheid. De beoordeling van de aanwezige erfgoedwaarde en de belangenafweging ten aanzien van de beoogde sloop zou een bijzonder feitelijke afweging vormen, die ook onderhevig is aan ruimtelijke en tijdsgebonden wijzigingen. De arresten van de RvVb hebben volgens de verzoekende partij allerminst tot gevolg dat nu een welbepaalde verplichte beslissing moet genomen worden. Het beperkte karakter van de subsitutiebevoegdheid wordt dus volgens de verzoekende partij niet geëerbiedigd in het bestreden arrest. Beoordeling
- In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 63 van het omgevingsvergunningsdecreet. Bovendien wordt de gebeurlijke toepassing van deze bepaling niet toegelicht in het licht van de vaststelling dat het bestreden arrest uitspraak doet over een beroep dat gericht wordt tegen een in laatste bestuurlijke aanleg genomen beslissing over een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, en niet voor een omgevingsvergunning. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Artikel 37 DBRC luidt: “§
- Als de verwerende partij na een gehele of gedeeltelijke vernietiging gehouden is een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen, beveelt een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), de verwerende partij om met inachtneming van de overwegingen die in zijn uitspraak zijn opgenomen, een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: VII-42.441-10/13 1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen worden bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing betrokken; 2° welbepaalde procedurele handelingen worden vóór de nieuwe beslissing gesteld; 3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven worden niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing betrokken. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), verbindt aan het bevel, opgelegd in het eerste lid, een ordetermijn voor de uitvoering ervan. De ordetermijn, vermeld in het tweede lid, wordt geschorst zolang een cassatieberoep, gericht tegen het arrest van het Vlaams bestuursrechtscollege dat dit bevel bevat, aanhangig is bij de Raad van State. §
- Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing. Onder het geval, vermeld in het eerste lid, worden ook de gevallen van feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid verstaan die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier.
- De RvVb stelt met toepassing van artikel 37, § 2, DBRC het bestreden arrest in de plaats van de te nemen beslissing. Hij stelt daartoe vast dat de deputatie zich bevindt in een geval van “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” in de zin van artikel 37, § 2, tweede lid, DBRC. Met de gevallen van “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” heeft de decreetgever gevallen geviseerd “waarbij de oorspronkelijk discretionaire bevoegdheid door de concrete omstandigheden is verdampt/versmald, opgebruikt”: “De vernietiging van de eerste beslissing of de daaropvolgende herstelbeslissingen kan uitwijzen dat motieven die de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, zonder meer niet bestaan. Uiteindelijk rest er dan geen keuzemogelijkheid meer, maar wel nog een rechtsplicht voor de overheid. In welke mate de overheid naar aanleiding van een injunctie hiertoe meerdere kansen moet krijgen om een gedegen uitspraak te doen voor zij haar beoordelingsvrijheid helemaal heeft verbeurd, hangt af van de concrete omstandigheden van de zaak.” (Parl.St. Vl. Parl. 2020-21, nr. 699/1, 13-14) VII-42.441-11/13
- Als cassatierechter is de Raad van State niet bevoegd om opnieuw de feitelijke omstandigheden van de zaak te beoordelen (artikel 14, § 2, RvS-wet). Wel kan de Raad van State onderzoeken of de RvVb het wettelijk begrip “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” heeft miskend door aan de vastgestelde feiten het gevolg te verbinden dat de vergunningverlenende overheid haar appreciatiebevoegdheid heeft verloren. Het bestreden arrest stelt vast dat de verzoekende partij met de bestreden beslissing “voor de vierde maal en na drie eerdere vernietigingsarresten van de [RvVb] beslist om het aangevraagde te vergunnen”, dat de “bestreden beslissing (…) deels een herhaling (is) van (de) eerdere beoordeling (van de verzoekende partij)”, en dat hierin “geen bijkomende pertinente en draagkrachtige motivering wordt toegevoegd”. Het bestreden arrest stelt daarbij meer in het bijzonder vast: “De [RvVb] stelt samengevat voor de voorliggende bestreden beslissing vast dat: - [de verzoekende partij in cassatie] de contextwaarde (en het beeldbepalende karakter dat er deel van uitmaakt) opnieuw betwist door te verwijzen naar de ligging van het pand in de tweede bouwlijn; - de bouwfysische toestand van de beweerde ‘vervallen’ of ‘verdwenen’ erfgoedkenmerken voor de vierde keer op rij niet wordt aangetoond; - [de verzoekende partij in cassatie] daarentegen erkent dat de erfgoedkenmerken nog aanwezig zijn, maar zij deze niet dusdanig waardevol acht dat ze moeten bewaard blijven; - [de verzoekende partij in cassatie] de renovatiemoeilijkheden niet als motief kan hanteren om de vergunning te verlenen; - [de verzoekende partij in cassatie] de meerwaarde van de nieuwe invulling niet afweegt tegen het verlies van erfgoedwaarden aangezien er geen aanvraag voorligt voor een nieuwe invulling; - het dossier en het verzoekschrift aantonen dat de erfgoedkenmerken zoals beschreven in de inventaris nog aanwezig zijn; - [de verzoekende partij in cassatie] niet bevoegd is op de opname van het pand in de vastgestelde inventaris te betwisten.” VII-42.441-12/13 De RvVb miskent niet de draagwijdte van het wettelijk begrip “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” wanneer hij uit deze feitelijke omstandigheden afleidt dat de appreciatiebevoegdheid van de verzoekende partij “feitelijk volledig [is] uitgehold, zodat ze de aanvraag in het licht van de toets van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en de onroerenderfgoedtoets noodzakelijk moet weigeren.”
- In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.441-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.682 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div