← België

Arrest 263685 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.685 Rolnummer: A. 241653/VII-42474 Zaak: Arrest 263685 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-03 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-16 03:25 Fiche Arrest nr 263.685 van 23 juni 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.685 van 23 juni 2025 in de zaak A. 241.653/VII-42.474 In zake : de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischofsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. XXX
  2. XXX
  3. XXX
  4. XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tijl Delrue kantoor houdend te 8500 Kortrijk Stationsstraat 8 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Jef Goffings kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het cassatieberoep, ingesteld op 9 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0527 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 7 maart 2024 in de zaak 2223-RvVb-0214-A. VII-42.474-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  6. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 14 juni
  7. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Het Vlaamse Gewest heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 augustus
  8. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 18 oktober 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 juni
  9. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Tjörven Masil, die loco advocaat Tijl Delrue verschijnt voor de verwerende partijen, en advocaat Jef Goffings, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.474-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  10. De tussenkomende partij verleent op 10 oktober 2022 aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor riolerings-, wegenis-, infra- en terreinaanlegwerken aan de Coupure Rechts (tussen de Papegaaistraat en de Contributiestraat) en aan een klein deel van de Contributiestraat (tussen de Coupure Rechts en de Brugsepoortstraat) te Gent. 3.
  11. De verwerende partijen stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tot vernietiging van de beslissing van 10 oktober
  12. Met het bestreden arrest vernietigt de RvVb deze beslissing, en beveelt hij de tussenkomende partij om een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag. IV. Onderzoek van het tweede middel tot cassatie Uiteenzetting van het middel
  13. De verzoekende partij voert de schending aan van : - de artikelen 8.1.1, 4° en 5°, 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC) ; - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet) ; - het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur ; VII-42.474-3/15 - artikel 2.3.6.4, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II).
  14. Het middel komt op tegen de beslissing van het bestreden arrest dat het eerste onderdeel van het tweede annulatiemiddel, gegrond is. Het bestreden arrest besluit tot die gegrondheid op grond van volgende motieven: “1.1 In het eerste middelonderdeel voeren de [verwerende partijen in cassatie] in essentie aan dat de technische onmogelijkheid tot aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel, wat de normaal te verkiezen aanpak is, niet wordt aangetoond en niet afdoende gemotiveerd wordt waarom voor een gemengd systeem wordt gekozen. 1.2 De [verwerende partijen in cassatie] beroepen zich in het eerste middelonderdeel op een schending van de motiveringsplicht. […] Een vergunningverlenende overheid kan haar beslissing (onder meer) motiveren door verwijzing naar een advies op voorwaarde dat: 1) de inhoud van het advies kenbaar is voor de bestuurde; 2) het advies zelf afdoende gemotiveerd is ; 3) de inhoud van het advies wordt bijgetreden in de uiteindelijke beslissing ; 4) er geen tegenstrijdige beslissingen zijn ; en 5) het advies waarnaar verwezen wordt, voldoet aan de formele en materiële zorgvuldigheidsplicht, namelijk dat het inhoudelijk en naar wijze van totstandkoming zorgvuldig is. 1.3 De [verwerende partijen in cassatie] gaan ervan uit dat in de regel bij heraanleg van rioleringssystemen gekozen moet worden voor een gescheiden stelsel. De [tussenkomende en verzoekende partijen in cassatie] verzetten zich niet tegen dit uitgangspunt en voeren enkel aan dat hiervan afgeweken kan worden. In de bestreden beslissing wordt de keuze voor een gemengd rioleringssysteem als volgt gemotiveerd op pagina 13: […] In deze ‘Motiveringsnota gemengd stelsel Coupure_v20220225’ wordt de keuze voor een gemengd stelsel als volgt gemotiveerd: […] Het verslag van de ‘coördinatievergadering 25/11/2020” wordt als bijlage bij de vermelde motiveringsnota gevoegd. De voor het project in kwestie relevante passages daaruit luiden: […] Noch in de bestreden beslissing, noch in de ‘Motiveringsnota gemengd stelsel Coupure_v20220225’ waarnaar de bestreden beslissing verwijst, noch in het verslag van ‘coördinatievergadering 25/11/2020’ wordt afdoende onderbouwd waarom op wettige wijze afgeweken kan worden van de VII-42.474-4/15 verplichting om bij heraanleg van rioleringen te kiezen voor een [gescheiden] stelsel. De vermelde motiveringsnota verwijst naar overleg met ‘Erfgoed, alle aanwezige nutsmaatschappijen en De Lijn’ waaruit ‘is gebleken dat de aanwezige beschermde bomen, de door nutsleidingen verzadigde parkeerstrook en de geplande monoliet betonnen trambedding de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel gezien plaatsgebrek, niet toelaat’, maar laat na dit te documenteren. Het besluit van het overleg waarnaar deze motiveringsnota verwijst, slaat op een overleg met nutsmaatschappijen, De Lijn en Erfgoed zijn niet betrokken. Het verslag in kwestie geeft aan dat vele nutsleidingen buiten gebruik zijn en verwijderd zullen worden en men een enkele leiding omwille van de kostprijs niet wil verplaatsen. Nergens is terug te vinden waarom er plaatsgebrek is. Men wijst op de kostprijs voor het verplaatsen van een leiding, maar geeft niet aan waarom dit een afdoende reden is om af te wijken van de verplichting een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zoals blijkt uit artikel 2.3.6.4, tweede lid, VLAREM II, en evenmin waarom dit tot plaatsgebrek aanleiding geeft. Door in de bestreden beslissing louter te verwijzen naar stukken die zelf niet afdoende motiveren waarom afgeweken kan worden van de verplichting om bij heraanleg voor een gescheiden rioleringsstelsel te kiezen, motiveert de [tussenkomende partij in cassatie] dit punt in de bestreden beslissing niet op afdoende wijze. 1.
  15. Het eerste middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond.”
  16. In een eerste onderdeel van het middel voert de verzoekende partij aan dat artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC worden geschonden doordat het bestreden arrest niet antwoordt op de exceptie van niet- ontvankelijkheid van het annulatiemiddel die zij als volgt had opgeworpen in haar schriftelijke uiteenzetting voor de RvVb: “Onontvankelijkheid : Geen belang bij de kritiek Omdat geen omgevingsvergunning nodig is voor deze handelingen, is de kritiek inzake de gemengde riolering onontvankelijk. Zodoende hebben verzoekende partijen geen belang bij deze kritiek [Artikel 35, derde lid, 1° DBRC-decreet] : ‘De door haar gevorderde vernietiging kan aan de verzoekende partij immers geen voordeel meer verschaffen aangezien na een eventuele vernietiging de verwerende partij niets anders meer zou kunnen doen dan vaststellen dat de aanvraag is vrijgesteld van vergunningsplicht’[RvVb 8 mei 2018 nr RvVb/A/1718/0800]. Een vergunningsaanvraag kan ook niet worden geweigerd, op grond van een van vergunning vrijgestelde handeling [RvVb 5 augustus 2021 nr RvVb-A- VII-42.474-5/15 2021-1243]. Ook hieruit volgt dat verzoekende partijen geen belang bij deze kritiek hebben.”
  17. In het tweede onderdeel van het middel wijst de verzoekende partij erop dat de tussenkomende partij in haar antwoordnota voor de RvVb had uiteengezet: “Daarnaast bestaat er geenszins een verplichting tot gescheiden riolering. Er bestaat in werkelijkheid geen enkele regel die een uitgebreid en doorgedreven alternatieven onderzoek oplegt. De [tussenkomende partij in cassatie] verwijst daarenboven eveneens naar de bestreden beslissing in haar geheel alsook naar de integrale inhoud van deze antwoordnota. De [tussenkomende partij in cassatie] heeft bijgevolg voldoende uitgebreid en duidelijk benadrukt waarom er wordt gekozen voor een gemengde riolering. In de context van de discretionaire bevoegdheid waarover de [tussenkomende partij in cassatie] beschikt, zal [de RvVb] willen vaststellen dat zij tot een redelijke beslissing is gekomen en dit bovendien met respect van de grenzen van de aan haar toegewezen appreciatiebevoegdheid.” De verzoekende partij wijst ook op volgende passages in de schriftelijke uiteenzetting die zij bij de RvVb heeft ingediend: “Deze nota wijst in eerste instantie op het feit dat de projectzone niet in onderzoeksgebied VMM (paars) ligt. [Verwerende partijen in cassatie] betwisten op dit punt niet. Er bestaat te dezen ook geen verplichting tot gescheiden riolering. Het Besluit dd. 10 maart 2006 van de Vlaamse Regering houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen, vormt de juridische basis voor de opmaak van: - de zoneringsplannen [Art. 1, 6° Besluit dd. 10 maart 2006 : ‘het zoneringsplan : het plan dat een onderscheid maakt tussen de gebieden met collectieve sanering en de gebieden met individuele sanering. In het centrale gebied werd reeds in collectieve sanering voorzien.’ Het zoneringsplan deelt het grondgebied van de gemeente op, onder meer in het reeds gerioleerde gebied. De Coupure Rechts is gearceerd en maakt deel uit van het centraal gebied [Art. 1, 8° Besluit dd. 10 maart 2006 : “het centrale gebied : het deel van het gemeentelijk grondgebied dat geheel of gedeeltelijk wordt afgevoerd naar een of meer agglomeraties.” VII-42.474-6/15 In het centraal gebied is er in de straat een afvalwaterriolering aanwezig die verbonden is met een operationele waterzuiveringsinstallatie. In dit gebied geldt een aansluitplicht op riolering. Subafdeling 4.2.8.
  18. van Vlarem II, dat de normen inzake het lozen van huishoudelijk afvalwater in het centrale gebied bepaalt, legt geen plicht op inzake de gescheiden riolering. Een volledige scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, is krachtens art. 4.2.1.3., § 4 Vlarem II, in principe pas verplicht op het ogenblik dat een gescheiden riolering wordt aangelegd of heraangelegd. - de gebiedsdekkende uitvoeringsplannen [Art. 1, 7° Besluit dd. 10 maart 2006 : ‘het uitvoeringsplan : het plan dat de uitvoering en de timing van de projecten regelt met betrekking tot de gemeentelijke en de bovengemeentelijke saneringsverplichting, evenals de noodzakelijke afstemming van de projecten.’] In het gebiedsdekkend uitvoeringsplan wordt vastgesteld welke saneringsprojecten (riolering of [individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater]) binnen een bepaalde gemeente nog moeten uitgevoerd worden, welke projecten het meest prioritair zijn en wie de projecten dient uit te voeren binnen welke timing. Een uitvoeringsplan omvat ook de aanduiding van de gebieden waar kan afgeweken worden van de beleidsmatige verplichting tot de aanleg van een gescheiden stelsel. Als beleidstaak […] geldt dat bij aanleg en heraanleg van een openbare riolering een gescheiden stelsel moet worden aangelegd, tenzij anders bepaald in het uitvoeringsplan [Art. 2.3.6.4., tweede lid Vlarem II]. De uitzondering op de aanleg van een gescheiden stelsel kan worden verleend indien het gebied reeds is voorzien van riolering en opgenomen op de GUP-kaart van de gemeente : - in een zone waar het behoud van een optimaal gemengd stelsel mogelijk is (gebied met bruine inkleuring) of - in een zone waar verder onderzoek nodig is naar het type stelsel (zone met fuchsia inkleuring).[…] Indien het gebied niet is opgenomen in één van de hogervermelde zones op de GUP-kaart kan van de beleidsplicht tot aanleg van een gescheiden stelsel enkel worden afgeweken indien de gemeente of rioolbeheerder een gemotiveerde afwijking op basis van een detailhemelwaterplan (of gelijkwaardig) van het betrokken gebied indient bij de ecologische toezichthouder. In werkelijkheid volstaat het bovenstaande om vast te stellen dat het de aanvrager van de vergunning vrijstaat om een gemengd stelsel als voorwerp van de aanvraag te maken. Verdere verantwoording is hiervoor niet nodig.” en: “Bovendien spreekt Arcadis de bevindingen van Farys niet tegen : - p. 18 Beschrijvende nota VII-42.474-7/15 ‘de keuze voor een gemengd stelsel is omwille van het feit dat de riolering onder de trambaan komt te liggen. Onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat er omwille van vele nutsleidingen in Coupure Rechts geen ruimte is in de parkeerstrook om daar een riolering aan te leggen (zowel onder voetpad als parkeerstrook ligt het vol met nutsleidingen. Doordat de riolering noodzakelijkerwijs onder de trambaan komt te liggen, moet ze mantoegankelijk gemaakt worden ten behoeve van mogelijke herstellingen. De opbouw van de trambedding is namelijk een dik pakket van 80 cm dik in gewapend beton en laat niet toe om in geval van breuk, verstopping of ander gebrek, dit van buitenaf te herstellen. Bijkomend zou dit ook de exploitatie van de tram hinderen. Om die reden wordt een mantoegankelijke riolering aangelegd van 1200 zodat het herstel van binnenuit kan gebeuren. Tevens dienen de deksels van de riolering buiten de tramsporen te worden aangelegd en kan dit enkel in de midden van de rijbaan ingevolge het smalle profiel. Het aantal leidingen dat kan aangelegd worden is dus beperkt tot één buis. Deze wijze van aanleg is in Gent de standaard manier van werken onder trambanen.’ Bij ‘gemengd’ plaatst Arcadis de opmerking ‘Waarom kunnen die niet verlegd worden? Tijdsbestek te kort? Financieel? Technisch?’. Deze opmerking is in werkelijkheid enkel een vraag, niet meer [noch] minder. Het antwoord op deze vraag is dat er juridische en technische redenen zijn, nl. dat er juridisch geen verplichting tot het gebruik van een gescheiden stelsel geldt en dat de aanleg daarvan technisch niet mogelijk is.” Volgens de verzoekende partij miskent de RvVb de bewijskracht van de antwoordnota van de tussenkomende partij en van haar eigen schriftelijke uiteenzetting door te oordelen dat noch de tussenkomende partij, noch zijzelf, zich niet verzetten tegen de aanname van de verwerende partijen dat “in de regel bij heraanleg van rioleringssystemen gekozen moet worden voor een gescheiden stelsel”. Door niet te antwoorden op de concrete betwisting die de verzoekende partij heeft gevoerd over het al dan niet bestaan van een verplichting om een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, en de gevolgen daarvan voor de draagwijdte van de formele motiveringsplicht, schendt de RvVb volgens de verzoekende partij artikel 32 DBRC en artikel 149 van de Grondwet.
  19. In het derde middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat het bestreden arrest aan artikel 2.3.6.4 Vlarem II en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet een draagwijdte verleent die deze bepalingen niet hebben door te VII-42.474-8/15 beslissen dat een versterkte motiveringsplicht geldt wanneer gekozen wordt voor de aanleg van een gemengd rioleringsstelsel. De verzoekende partij wijst erop dat het uitvoeringsplan dat blijkens artikel 2.3.6.4 Vlarem II toelaat om af te wijken van de regel van het gescheiden stelsel, het gebiedsdekkend uitvoeringsplan is, bedoeld in artikel 11 van het Besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 2006 ‘houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen’. Artikel 1, 7°; van dat besluit definieert het uitvoeringsplan als “het plan dat de uitvoering en de timing van de projecten regelt met betrekking tot de gemeentelijke en de bovengemeentelijke saneringsverplichting, evenals de noodzakelijke afstemming van de projecten”. Nu het project waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd volgens het toepasselijke uitvoeringsplan gelegen is in een “zone waar het behoud van een optimaal gemengd stelsel mogelijk is”, bestaat er ter plaatse volgens de verzoekende partij geen verplichting tot aanleg van een gescheiden stelsel en is er evenmin een verdere verantwoording of bijzondere motivering vereist voor de aanleg van een gemengd stelsel. Beoordeling
  20. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. VII-42.474-9/15 De verzoekende partij zet in het middel niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur. In zoverre de schending van die beginselen wordt aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  21. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen. VII-42.474-10/15
  22. Het bestreden arrest overweegt in het kader van de beoordeling van het tweede middelonderdeel van het tweede annulatiemiddel: “In dit middelonderdeel hekelen [de verwerende partijen in cassatie] ook bepalingen in de bestreden beslissing over het niet vergunningsplichtig zijn van de heraanleg van de rioleringen. Vermits zoals [de tussenkomende partij in cassatie] terecht opmerkt de heraanleg van deze rioleringen wel degelijk deel uitmaakt van de plannen voor dit project en ook mee vergund wordt, en in de bestreden beslissing inhoudelijk wordt ingegaan op de bezwaren over de rioleringsaanleg, zijn opmerkingen over die vergunningsplicht hier niet relevant.” Met deze overwegingen zet de RvVb op algemene wijze uiteen waarom de opmerkingen over de vergunningsplicht voor de handelingen aan de riolering, niet relevant zijn voor de beoordeling van de zaak. Hij beantwoordt en verwerpt aldus ook impliciet doch zeker de exceptie van niet-ontvankelijkheid die gesteund werd op het argument dat de handelingen aan de riolering vrijgesteld zijn van vergunning. Deze overwegingen laten de partijen en de Raad van State toe te begrijpen waarom de exceptie wordt verworpen. Het eerste onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  23. De artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek verplichten de rechter de bewijskracht van akten te eerbiedigen. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, een verklaring toeschrijft die het geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, miskent echter de bewijskracht van die akte niet. VII-42.474-11/15
  24. De door de verzoekende partij aangehaalde passages uit de antwoordnota van de tussenkomende partij en haar eigen schriftelijke uiteenzetting zijn niet onverenigbaar met de in het bestreden arrest gemaakte vaststelling dat de tussenkomende partij en de verzoekende partij zich niet verzetten tegen het uitgangspunt dat “in de regel bij heraanleg van rioleringssystemen gekozen moet worden voor een gescheiden stelsel” en in dat verband enkel aanvoeren “dat hiervan afgeweken kan worden”. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de bewijskracht van de antwoordnota van de tussenkomende partij en van de schriftelijke uiteenzetting van de verzoekende partij, mist het middelonderdeel feitelijke grondslag.
  25. Volgens de beoordeling van het bestreden arrest moet de vergunningsbeslissing afdoende onderbouwen waarom op wettige wijze afgeweken wordt van de in artikel 2.3.6.4, tweede lid, Vlarem II opgelegde verplichting om bij heraanleg van rioleringen te kiezen voor een gescheiden stelsel, en zijn de motieven van de bestreden vergunningsbeslissing van de tussenkomende partij op dit punt niet afdoende. Het bestreden arrest beantwoordt aldus impliciet doch zeker ook de argumenten in de schriftelijke nota waarmee de verzoekende partij aangaf op welke grondslagen voor een gemengd stelsel kon worden gekozen. Uit de gegevens waarop de Raad van State kan acht slaan, blijkt niet dat die grondslagen werden vermeld in het vergunningsbesluit. De RvVb onderzocht in de beoordeling van het eerste onderdeel van het tweede annulatiemiddel enkel de aangevoerde schending van de motiveringsplicht, en hoefde dan ook niet in te gaan op de vraag of de door de verzoekende partij in de schriftelijke nota aangereikte grondslagen een afdoende onderbouwing zouden kunnen bieden voor een wettige afwijking van de regel van het gescheiden stelsel. VII-42.474-12/15 In zoverre in het tweede middelonderdeel de schending wordt aangevoerd van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC, is het onderdeel ongegrond. Derde onderdeel
  26. Artikel 2.3.6.4, tweede lid, Vlarem II luidt: “Bij aanleg en heraanleg van een openbare riolering, ongeacht het gebied, moet een gescheiden stelsel worden aangelegd, tenzij anders bepaald in het uitvoeringsplan.” De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet vereisen dat bestuurshandelingen uitdrukkelijk en afdoende worden gemotiveerd. Het bestreden arrest miskent niet de draagwijdte van deze bepalingen wanneer het oordeelt dat de vergunning voor de aanleg van een gemengd rioleringsstelsel afdoende moet onderbouwen waarom op wettige wijze afgeweken wordt van de in artikel 2.3.6.4, tweede lid, Vlarem II opgelegde verplichting. Het derde onderdeel is ongegrond. Conclusie
  27. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. V. Ontvankelijkheid van het eerste middel
  28. Het bestreden arrest oordeelt dat zowel het eerste middel als het eerste onderdeel van het tweede middel dat de verwerende partijen hadden opgeworpen tegen de beslissing van de tussenkomende partij tot afgifte van de omgevingsvergunning, gegrond zijn. In het beschikkend deel van het bestreden VII-42.474-13/15 arrest vernietigt de RvVb de voor hem bestreden beslissing. Die vernietiging wordt echter reeds voldoende verantwoord door de gegrondheid van het eerste onderdeel van het tweede middel. Het eerste middel tot cassatie is enkel gericht tegen de beoordeling van de RvVb die het eerste middel van de verwerende partijen gegrond verklaart. Het tweede middel tot cassatie is enkel gericht tegen de beoordeling van de RvVb die het eerste onderdeel van het tweede middel van de verwerende partijen gegrond verklaart. De Raad van State verwerpt dat tweede middel tot cassatie. De eventuele omstandigheid dat het eerste middel tot cassatie gegrond zou zijn, kan aldus geen afbreuk doen aan de wettigheid van de vernietiging van de beslissing tot afgifte van de omgevingsvergunning, waartoe de RvVb is overgegaan in het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest. Het eerste middel is bijgevolg niet ontvankelijk. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  30. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.474-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.474-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.685 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.