id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.688 Rolnummer: A. 242296/VII-42567 Zaak: Arrest 263688 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-03 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-16 03:25 Fiche Arrest nr 263.688 van 23 juni 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.688 van 23 juni 2025 in de zaak A. 242.296/VII-42.567 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Engelen kantoor houdend te 3020 Herent Wilselsesteenweg 103 tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN Tussenkomende partij: XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kris Lens en Sophie De Maeijer kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 juni 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0727 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 16 mei 2024 in de zaak 2223-RvVb-0831-SA. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 13 september
- VII-42.567-1/13 Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. P. V. heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 oktober
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 10 januari 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 juni
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Geyns, die loco advocaten Tom Swerts en Jan Engelen verschijnt voor verzoeker en advocaat Sophie De Maeijer, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- Het college van burgemeester en schepenen van Kontich verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor het VII-42.567-2/13 verbouwen en uitbreiden van een woning. Derden stellen bestuurlijk beroep in tegen deze beslissing. Verzoeker stelt geen bestuurlijk beroep in. 3.
- De deputatie van de provincieraad van Antwerpen verleent op 25 mei 2022 de omgevingsvergunning. Na een beroep van derden vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) die beslissing bij arrest van 12 januari
- 3.
- De bestuurlijke procedure wordt hernomen, en de deputatie van de provincieraad van Antwerpen verleent op 20 april 2023 opnieuw de omgevingsvergunning volgens gewijzigde plannen. 3.
- Met een arrest van 9 juni 2023 vernietigt de Raad van State de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ‘Algemeen bouwreglement 2020’, goedgekeurd door de gemeenteraad van Kontich op 22 juni
- 3.
- Verzoeker stelt op 3 juli 2023 bij de RvVb een beroep in tot schorsing en vernietiging van de deputatiebeslissing van 20 april
- Met een arrest van 19 oktober 2023 verwerpt de RvVb de vordering tot schorsing. Het bestreden arrest verwerpt het vernietigingsberoep. IV. Onderzoek van het middel tot cassatie Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert de schending aan van artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), van artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), en van de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet. VII-42.567-3/13
- Het middel komt op tegen de beslissing van de RvVb tot verwerping van het beroep van verzoeker op grond van de vaststelling dat verzoeker geacht wordt te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de RvVb te wenden, nu het hem kan worden verweten de voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet te hebben bestreden met een georganiseerd administratief beroep. Het bestreden arrest steunt die beslissing op volgende motieven: “
- Artikel 105, §2, tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet omschrijft de ‘uitputtingsvereiste’ als volgt: “De persoon aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige beslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaand georganiseerd administratief beroep bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden.”
- Het verzoekschrift vermeldt in de feiten onder meer dat “omwonenden een bestuurlijk beroep in[stelden] bij de Deputatie van de provincie Antwerpen”. Er wordt geen gewag gemaakt van het feit dat [h]ijzelf geen administratief beroep heeft ingesteld tegen de omgevingsvergunning. [Verzoeker] geeft in het inleidend verzoekschrift geen duiding over de reden waarom [hij] het georganiseerd administratief beroep bij de verwerende partij niet zou hebben uitgeput. In [zijn] toelichtende nota voert [verzoeker], in antwoord op de exceptie, nog aan dat de stedenbouwkundige verordening van de gemeente Kontich met een arrest van de Raad van State is vernietigd zodat de bestreden beslissing die daarop gesteund is ook moet vernietigd worden (zoals aangevoerd in het eerste middel). Omdat dit een nieuwe juridische omstandigheid (een “game changer” in [zijn] woorden) betreft, die [hem] ten tijde van de beslissing in eerste administratieve aanleg niet bekend was, meent [hij] nu wel redenen te hebben om zich tegen de bestreden beslissing te verzetten en maakt dit volgens [hem] een andere situatie uit dan voorheen en kan [hem] daarom niet verweten worden dat [hij] geen administratief beroep heeft ingesteld. Verder zet [hij] ook nog uiteen (en herneemt dit ter zitting) dat [zijn] slaagkansen een rol hebben gespeeld bij het maken van een beslissing om (administratief) beroep in te stellen en deze slaagkansen door de tussengekomen vernietiging van de verordening door de Raad van State groter zijn geworden, reden waarom [hij] nu wel wenst te ageren. [Hij] meent dat het [hem] daarom niet verwijtbaar is dat [hij] niet eerder heeft “gereageerd via een administratief beroep”. VII-42.567-4/13
- 4.
- Uit artikel 105, §2, tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet vloeit voort dat een verzoekende partij die kan worden verweten dat ze haar administratieve beroepsmogelijkheid niet op ontvankelijke wijze heeft uitgeput, van rechtswege wordt geacht verzaakt te hebben aan haar mogelijkheid om zich tot de [RvVb] te wenden. Een ontvankelijk ingesteld administratief beroep tegen “een voor hem nadelige vergunningsbeslissing” is dus een wettelijke vereiste voor een ontvankelijk rechterlijk beroep. 4.
- De [RvVb] stelt […] vast dat [verzoeker] geen administratief beroep heeft ingesteld tegen de op 31 januari [2022] door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich in eerste administratieve aanleg verleende omgevingsvergunning. [Verzoeker] betwist dit niet. Evenmin blijkt uit het verzoekschrift dat de in eerste administratieve aanleg op 31 januari [2022] verleende omgevingsvergunning voor [verzoeker] niet griefhoudend zou zijn geweest. Minstens maakt [verzoeker] dat niet inzichtelijk. De [RvVb] moet besluiten dat [verzoeker] “een voor hem nadelige vergunningsbeslissing” dus “niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de bevoegde overheid” en dus niet voldoet aan de uitputtingsvereiste decretaal verankerd in artikel 105, §2, tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet. 4.
- Vervolgens stelt zich de vraag of het aan [verzoeker] ‘verwijtbaar’ is dat [hij] geen administratief beroep heeft ingesteld tegen de in eerste administratieve aanleg op 31 januari [2022] door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich verleende omgevingsvergunning. Als verantwoording voert [verzoeker] aan dat de rechtsgrond van de vergunning is komen te vervallen door een (latere) uitspraak van de Raad van State en dat dit voor [hem] een “game changer” is die maakt dat een beroep nu hogere slaagkansen heeft omdat de beslissing door de vernietiging van de verordening “manifest onwettig” is en zij daarom alsnog een beroep bij de [RvVb] meent te kunnen instellen. [Hij] voegt daar nog aan toe dat het [hem] “niet verwijtbaar” is dat [hij] aanvankelijk [zijn] kansen anders inschatte en daarom geen beroep heeft ingesteld. De [RvVb] oordeelt dat de door [verzoeker] aangevoerde argumenten, niet doen besluiten dat het niet-instellen van een administratief beroep tegen een vergunningsbeslissing [hem] niet-verwijtbaar is. [Verzoeker] gaat in [zijn] verweer uit van de foutieve aanname dat de uitputtingsvereiste niet zou gelden in het geval een vergunning gesteund is op een reglementaire akte (in casu de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ‘Algemeen Bouwreglement 2020’) die nadien door de Raad van State is vernietigd. [Hij] knoopt het niet voldoen aan de uitputtingsvereiste vast aan de in een eerste middel geformuleerde wettigheidskritiek waarin [hij] aanvoert dat de bestreden beslissing gesteund is op een (intussen door de Raad van State) vernietigde verordening en daarom ook onwettig is. Nog los van het gegeven dat het uitputtingsvereiste, zoals [verzoeker] ten onrechte VII-42.567-5/13 lijkt aan te nemen, niet gekoppeld is [aan] de wettigheidskritiek blijkt uit het verzoekschrift overigens dat [verzoeker] ten gronde drie middelen opwerpt en naast de kritiek over de bouwverordening, ook nog twee andere middelen [aanvoert] die volgens [hem] moeten leiden tot het inwilligen van [zijn] vernietigingsvordering, en voert [hij] aan dat […] het aangevraagde niet in overeenstemming is met de eisen van de goede ruimtelijke ordening, minstens dit niet afdoende is onderzocht (middel 2) en dat aan de aanvraag wijzigingen zijn aangebracht zonder dat een nieuw openbaar onderzoek is gehouden (middel 3). Ook uit die vaststellingen volgt dat de uitkomst van het eerste middel geenszins kan geacht worden de hoofdreden voor het beroep te zijn. Bovendien maakt de vernietiging van een reglementaire akte (met een arrest dat dateert van na de vergunningsbeslissing en in een (door derden ingestelde) procedure waarin geen van de thans betrokken partijen zelfs partij was) niet dat het instellen van een administratief beroep haar niet verwijtbaar is. Evenmin heeft de vernietiging van de bouwverordening, in tegenstelling tot hetgeen [verzoeker] foutief lijkt aan te nemen, tot gevolg dat alle afgegeven vergunningen gesteund op die reglementaire akte (zoals de bestreden beslissing) plots opnieuw voor beroep openstaan of dat de uitputtingsvereiste zou vervallen. Bovendien zou het aanvaarden van de redenering dat [verzoeker] (of elkeen) alsnog een beroep kan instellen tegen een vergunning (omdat door een uitspraak van de Raad van State de rechtsgrond van een vergunning komt te vervallen) de rechtszekerheid voor de vergunninghouder in het gedrang brengen en aantasten. De trechterbenadering -vervat in de eis om het administratief beroep uit te putten- is juist bedoeld om van de burger voor wie een verleende vergunning griefhoudend is enige diligentie te vragen door de eis om een georganiseerd administratief beroep in te stellen, dit onder meer om de rechtszekerheid te vrijwaren. Evenmin kan [hij] dus gevolgd worden waar [hij] stelt dat zulks ‘de toegang tot de rechter op evenredige wijze’ zou belemmeren. Het staat [verzoeker], zoals [hij] aanvoert, inderdaad vrij om [zijn] beslissing over het al dan niet instellen van een beroep afhankelijk te maken van een inschatting van [zijn] slaagkansen en andere persoonlijke (economische) overwegingen maar [hij] dient in elk geval de gevolgen van [zijn] keuze om geen administratief beroep in te stellen te dragen. Het loutere gegeven dat [verzoeker] na de beslissing in eerste administratieve aanleg [zijn] slaagkansen en bezwaren anders had ingeschat, maakt niet dat het niet instellen van een administratief beroep [hem] niet verwijtbaar is, integendeel berust dit op een eigen keuze van [verzoeker]. Voor het overige voert [verzoeker] geen (andere) argumenten aan waaruit zou blijken dat het niet voldoen aan de uitputtingsvereiste [hem] niet verwijtbaar is. Bijgevolg staat niet vast dat het niet instellen van een georganiseerd administratief beroep bij de bevoegde overheid tegen een voor [verzoeker] nadelige beslissing [hem] niet kan worden verweten. [Verzoeker] wordt geacht te hebben verzaakt aan [zijn] recht om zich tot de [RvVb] te wenden. De exceptie, hierop gesteund, is gegrond.” VII-42.567-6/13
- Verzoeker formuleert volgende grieven: “In de eerste plaats schendt het bestreden arrest artikel 149 Grondwet en artikel 32 DBRC omdat een concrete en afdoende motivering ontbreekt over warom het niet instellen van een beroep wél verwijtbaar zou zijn aan [verzoeker]. De [RvVb] motiveert niet concreet waarom [verzoeker] kan worden verweten dat hij geen beroep instelde tegen de omgevingsvergunning gestoeld op een verordening, waarvan [verzoeker], op basis van het privilège du préalable (vermoeden van wettigheid), mocht aannemen dat deze wettig was. Als dan achteraf blijkt dat [de] verordening toch onwettig is, en hiermee de rechtsbasis voor de vergunning vervalt, dan is dit de schuld van de overheid, en alleszins niet verwijtbaar aan [verzoeker] die vertrouwen had in de overheid en haar verordeningen.” ‘In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het [verzoeker] niet te verwijten valt dat hij geen eerder bestuurlijk beroep bij de deputatie heeft ingesteld. [Verzoeker] stelde geen bestuurlijk beroep in. Na de bestuurlijke beroepsperiode heeft de Raad van State het algemeen bouwreglement van de gemeente Kontich vernietigd. Deze verordening was de rechtsbasis voor het verlenen van de vergunning. […] Pas van zodra de Raad van State deze stedenbouwkundige verordening van de gemeente Kontich had vernietigd bleek dat de bestreden beslissing met zekerheid manifest onwettig was. De vernietiging van de rechtsgrond waarop de bestreden vergunning was gebaseerd bleek een ‘game changer’ voor de slaagkansen van een annulatieberoep tegen de omgevingsvergunning. Het spreekt voor zich dat de kansen om een vernietiging bij de [RvVb] te bekomen aanzienlijk groter zijn wanneer het hoogste administratieve rechtscollege de stedenbouwkundige verordening -die als basis dient voor de bestreden beslissing- onwettig heeft bevonden en uit de rechtsorde heeft verwijderd. Indien de redenering uit het bestreden arrest zou worden doorgetrokken, dan kan niemand het onwettig karakter van de bestreden vergunning -als gevolg van het vernietigen van de stedenbouwkundige verordening- kunnen aanvechten. Terwijl geen enkele rechtzoekende had kunnen voorspellen dat de Raad van State de stedenbouwkundige verordening zou vernietigen. [Verzoeker] zou in de redenering nooit een ontvankelijke procedure kunnen inleiden bij de [RvVb] omdat hij geen bestuurlijk beroep heeft ingesteld. Dit zou maar al te gemakkelijk zijn voor de houders van een onwettige omgevingsvergunning. [Verzoeker] heeft net zoals eenieder het recht om wel of geen bestuurlijk beroep in te stellen en in functie van de feitelijkheden zijn slaagkansen af te wegen. In dit geval heeft [verzoeker] eerder niet gereageerd via een bestuurlijk beroep. Dit is hem in principe en [in] dit specifieke geval niet verwijtbaar. [Verzoeker] had aanvankelijk zijn bezwaren en slaagkansen anders ingeschat. Het feit dat de bestreden vergunning ten gevolge van het VII-42.567-7/13 arrest van de Raad van State manifest onwettig is heeft ertoe geleid dat [verzoeker] deze onwettige toestand niet kan dulden in zijn achtertuin. De [RvVb] motiveert in het bestreden arrest niet waarom het wél verwijtbaar is aan [verzoeker] dat hij geen bestuurlijk beroep instelde bij de deputatie. Een toestand die mogelijks op het moment dat er bestuurlijk beroep kon worden ingesteld niet onwettig was aangezien de stedenbouwkundige verordening op dat ogenblik niet vernietigd was door de Raad van State en dus genoot van het vermoeden van wettigheid. Volgens de [RvVb] kan het niet zijn dat [verzoeker] zijn slaagkansen anders had ingeschat en hierdoor geen bestuurlijk beroep heeft ingesteld. Het arrest gaat hiermee totaal voorbij aan de essentie. Namelijk dat [verzoeker] als burger niet kon vooruitlopen op het onwettig overheidsgedrag. Het onwettig overheidsoptreden is minstens niet verwijtbaar aan [verzoeker].’ ‘In de derde plaats moet worden vastgesteld dat de [RvVb] artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet] verkeerd interpreteert en bijgevolg op onwettige, minstens op onredelijk stringente wijze toepast waardoor de toegang tot de rechter op disproportionele wijze wordt belemmerd. In strijd met artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet] neemt de [RvVb] aan dat de uitputtingsvereiste niet gekoppeld is aan wettigheidskritiek. […] Artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet] laat wel degelijk toe dat een onwettigheid die zich buiten de bestreden beslissing voordoet tot gevolg heeft dat het instellen van een bestuurlijk beroep bij de deputatie niet verwijtbaar is.’ ‘In de vierde plaats moet worden opgemerkt, dat door het onrechtmatig beperken van de toegang tot de rechter, het bestreden arrest artikel 10 en 11 van de Grondwet schendt.’ ‘In de vijfde en laatste plaats valt op dat het bestreden arrest bulkt van allerhande opportuniteitsoverwegingen die niet thuishoren in de beoordeling, en die op zich losstaan van de vraag of het niet instellen van een beroep al dan niet verwijtbaar is. […] De [RvVb] verwijt [verzoeker] dat er meerdere middelen worden opgeworpen: […] Dit staat los van de vraag of het niet instellen van een beroep al dan niet verwijtbaar is aan [verzoeker]. Bovendien speculeert de [RvVb] erover dat het eerste middel niet de hoofdreden zou zijn voor het annulatieberoep:[…] Dit is louter speculatie en bovendien toont de [RvVb] het tegendeel niet aan. Minstens is dit niet relevant voor de vraag of het niet instellen van een bestuurlijk beroep in casu niet verwijtbaar is aan [verzoeker]. […] De [RvVb] besluit dat de vernietiging van een reglementaire akte niet met zich meebrengt dat [verzoeker] niet moest voldoen aan de uitputtingsvereiste: […] Dit is cruciaal in de beoordeling van de [RvVb]. Het niet instellen van een beroep kan in casu niet worden verweten aan [verzoeker]. [Verzoeker] mocht er als burger op vertrouwen dat de overheid een wettige verordening had uitgevaardigd. De [RvVb] stapt zeer lichtzinnig over het onwettig overheidsoptreden dat in casu aan de basis ligt van het annulatieberoep. VII-42.567-8/13 […] Bovendien klopt de zienswijze van de [RvVb] niet dat na een gebeurlijke vernietiging van een reglementaire akte ‘alle afgegeven vergunningen plots opnieuw openstaan voor beroep’. Dat alle vergunningen opnieuw vatbaar zouden zijn voor beroep klopt niet. In dit geval liet de beroepstermijn voor een annulatieberoep immers nog. […] In casu motiveert de [RvVb] in het bestreden arrest niet waarom de uitputtingsvereiste bij onwettig overheidsgedrag overeind zou blijven. […] Dat de rechtszekerheid volgens de [RvVb] (mogelijks!) in het gedrang komt is ten eerste niet zeker. In tweede instantie komt het niet aan de administratieve rechter toe hiervoor een regeling te voorzien. Dit is bij uitstek de taak van de wet- of decreetgever.’” Beoordeling
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. Met de enkele vermelding dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden “door het onrechtmatig beperken van de toegang tot de rechter”, maakt verzoeker niet op voldoende nauwkeurige wijze duidelijk hoe het bestreden arrest die bepalingen schendt. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee VII-42.567-9/13 gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het bestreden arrest zet uiteen waarom de door verzoeker aangehaalde argumenten niet doen besluiten dat het niet instellen van het administratief beroep tegen de vergunningbeslissing hem niet verwijtbaar is, en leidt hieruit af dat het niet vaststaat dat het niet instellen van het administratief beroep hem niet kan worden verweten. Het bestreden arrest voldoet aldus aan de vormvereiste van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC. In zoverre verzoeker de schending van die bepalingen afleidt uit de omstandigheid dat het arrest niet “concreet” en “afdoende” motiveert waarom hem het niet instellen van het beroep kan worden verweten, gaat hij uit van een verkeerde opvatting van de rechterlijke motiveringsplicht, en is zijn kritiek ongegrond. Uit de stukken waarop de Raad van State acht kan slaan, blijkt verder niet dat verzoeker bij de RvVb heeft aangevoerd dat het niet instellen van het bestuurlijk beroep hem niet kan worden verweten omdat hij mocht uitgaan van het vermoeden van wettigheid van de nadien vernietigde stedenbouwkundige verordening, en dat de onwettigheid van die verordening hem niet kan worden verweten. Het bestreden arrest behoorde dan ook geen motieven te bevatten die op die argumenten antwoorden. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC kan niet worden aangenomen.
- Artikel 105, § 2, tweede lid, van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt: VII-42.567-10/13 “De persoon aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden.” Deze bepaling heeft de inhoud hernomen van oud artikel 4.8.11, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. De decreetgever heeft hiermee een “trechter” ingevoerd, vanuit de vaststelling dat “het onverschoonbaar niet-instellen van een administratief beroep strijdt […] met het zorgvuldigheidsbeginsel” (Parl. St. Vl. Parl 2008-09, nr. 2011/1, 220). Het niet- instellen van het administratief beroep tegen een vergunningsbeslissing kan dan ook aan een persoon worden “verweten” in de zin van deze bepaling wanneer er geen omstandigheden zijn die zijn stilzitten in de periode dat administratief beroep kon worden aangetekend, redelijk kunnen verantwoorden. Artikel 14, § 2 van de RvS-wet bepaalt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep niet ertoe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling van de RvVb over te doen. De Raad van State kan dan ook niet opnieuw beoordelen of het verzoeker kan worden verweten dat hij de voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet met het daartoe openstaande georganiseerd beroep heeft bestreden. Wel kan de Raad van State als cassatierechter nagaan of de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij zijn beoordeling de draagwijdte heeft miskend van voormeld artikel 105, §2, tweede lid.
- Anders dan verzoeker dit ziet, heeft de RvVb in het bestreden arrest niet in het algemeen geoordeeld dat de wijziging van juridische omstandigheden nadat de termijn voor het instellen van een bestuurlijk beroep is verstreken, zoals een na die termijn tussengekomen vernietiging van een verordening waarop de bestreden vergunningsbeslissing wordt gebaseerd, niet in aanmerking mag worden genomen bij de beoordeling van de vraag of het niet instellen van het bestuurlijk beroep aan de verzoekende partij kan worden verweten in de zin van artikel 105, § 2, tweede lid, van het omgevingsvergunningsdecreet. VII-42.567-11/13 Evenmin heeft het bestreden arrest geoordeeld dat een partij nooit een ontvankelijk beroep zou kunnen instellen om de enkele reden dat geen bestuurlijk beroep werd ingesteld. Verzoeker geeft ook een verkeerde lezing aan het arrest door aan te voeren dat hierin wordt geoordeeld dat het verzoeker behoorde zijn slaagkansen bij het bestuurlijk beroep anders in te schatten. Het bestreden arrest duidt slechts aan dat de gewijzigde juridische situatie die uit de vernietiging van de verordening volgt, in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, op zichzelf niet volstaat opdat het niet instellen van het bestuurlijk beroep niet verwijtbaar is aan verzoeker. Hiermee miskent de RvVb niet de draagwijdte van artikel 105, § 2, tweede lid, van het omgevingsvergunningsdecreet. Net zoals achteraf gewijzigde feitelijke omstandigheden, kunnen ook achteraf gewijzigde juridische omstandigheden verantwoorden waarom het aan een persoon niet kan worden verweten een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet te hebben bestreden met een administratief beroep. Dit betekent echter niet dat elke wijziging in een feitelijke of juridische omstandigheid die zich voordoet nadat de termijn is verstreken om bestuurlijk beroep aan te tekenen, ertoe leidt dat het niet instellen van een bestuurlijk beroep aan de betrokkene niet kan worden verweten. Het komt de RvVb toe om in het licht van de concrete gegevens van de zaak te beoordelen of de gewijzigde feitelijke of juridische omstandigheid van die aard is dat het niet instellen van het bestuurlijk beroep de betrokkene niet kan worden verweten. De aangevoerde schending van artikel 105, § 2, van het omgevingsvergunninsgsdecreet, kan niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. VII-42.567-12/13 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.567-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.688 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div