← België

Arrest 263689 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.689 Rolnummer: A. 241427/VII-42437 Zaak: Arrest 263689 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-03 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-16 03:25 Fiche Arrest nr 263.689 van 23 juni 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.689 van 23 juni 2025 in de zaak A. 241.427/VII-42.437 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Lambert kantoor houdend te 9620 Zottegem Meersstraat 64 tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij: de BV C-PROJECTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0429 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 8 februari 2024 in de zaak 2021-RvVb-0411-SA. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 14 juni
  3. VII-42.437-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bv C-PROJECTS heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 augustus
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 22 oktober 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 juni
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Lambert, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-42.437-2/10 III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  6. In het verzoek tot voortzetting van de procedure herneemt de verzoekende partij de uiteenzetting van de memorie van wederantwoord. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. Het “verzoek tot voortzetting van de procedure” van de verzoekende partij wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
  7. Het college van burgemeester en schepenen van Geraardsbergen verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning. De verzoekende partij tekent hiertegen bestuurlijk beroep aan. Met een besluit van 17 december 2020 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep, en verleent de vergunning. 4.
  8. De verzoekende partij dient bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tot schorsing van de tenuitvoerlegging en tot nietigverklaring van het besluit van 17 december
  9. De RvVb verwerpt de vordering tot schorsing met een arrest van 8 juli
  10. Met het bestreden arrest wordt het beroep tot nietigverklaring verworpen. VII-42.437-3/10 V. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  11. De tussenkomende partij werpt op dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is. Zij zet uiteen: “De [RvVb] stelt in het bestreden arrest dat een arrest over het verzoek tot schorsing in principe als waarheid geldt, maar aanvaardt dat een procespartij redenen kan aanvoeren om anders te oordelen, hetgeen zou voortvloeien uit het prima facie karakter van de beoordeling. De Raad voor Vergunningsbetwistingen gaat vervolgens over tot een onderzoek van de door de verzoekende partij aangehaalde redenen, om die vervolgens te verwerpen en te oordelen dat het beroep laattijdig is. Het eindresultaat van deze beoordeling is gunstig voor [de tussenkomende partij], zodat deze ook niet zelf op ontvankelijke wijze kan opkomen tegen dit oordeel. [De tussenkomende partij] is evenwel van mening dat het oordeel van de [RvVb] niet correct is, en dat het arrest van de [RvVb] over het verzoek tot schorsing aangaande beoordeling van de ontvankelijkheid gezag van gewijsde heeft voor de beoordeling ten gronde, zodat de [RvVb] niet ten gronde kan terugkomen op dat oordeel, tenzij de [RvVb] uitdrukkelijk zou hebben aangegeven dat dit een oordeel ‘prima facie’ was, quod non. […] Het gevolg hiervan is dan ook dat de Raad van State moet vaststellen dat het tussen partijen op grond van het gezag van gewijsde van het niet- schorsingsarrest van 8 juli 2021 vast staat dat het op 8 februari 2021 ingediende verzoek tot nietigverklaring laattijdig was, waardoor verzoekende partij geen belang heeft om op te komen tegen het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van [8] februari 2024 waarin de Raad voor Vergunningsbetwistingen op grond van een andere redenering tot hetzelfde oordeel komt.”
  12. Met haar exceptie nodigt de tussenkomende partij de Raad van State uit om de wettigheid te onderzoeken van de verwerping door het bestreden arrest van het verweermiddel van de tussenkomende partij dat het gezag van gewijsde van het (niet-) schorsingsarrest van 8 juli 2021 zich verzet tegen een nieuwe beoordeling van de exceptie van laattijdigheid van het annulatieberoep. De onwettigheid van het bestreden arrest kan echter slechts worden vastgesteld op grond van cassatiemiddelen die door de verzoekende partij in het cassatieberoep worden aangevoerd. De exceptie is dan ook niet ontvankelijk. VII-42.437-4/10 De omstandigheid dat de tussenkomende partij geen belang heeft bij een cassatieberoep dat tegen het bestreden arrest wordt gericht, staat hieraan niet in de weg. De vernietiging van het bestreden arrest op grond van een cassatiemiddel dat door de verzoekende partij wordt aangevoerd, strekt zich immers uit tot alle beslissingen van het bestreden arrest die vanuit het oogpunt van de omvang van de cassatie niet kunnen worden onderscheiden van de vernietigde beslissing. De tussenkomende partij zal in dat geval haar argumenten betreffende het gezag van gewijsde van het (niet-) schorsingsarrest opnieuw aan de RvVb kunnen voorleggen, en zal in voorkomend geval in beginsel belang hebben bij een cassatieberoep tegen het arrest van de RvVb dat die argumenten verwerpt, en dat vervolgens het vernietigingsberoep ontvankelijk en gegrond verklaart. VI. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
  13. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, en van het rechtszekerheidsbeginsel. Het bestreden arrest zou volgens de verzoekende partij op onevenredige wijze de toegang tot de rechter beperken door aan te nemen dat bij gelijktijdige verzending van zowel de analoge als de digitale betekening er geen verwarring mogelijk is over de startdatum van de beroepstermijn, en door uit te gaan van de digitale betekening voor de berekening van de beroepstermijn en het beroep dienvolgens als laattijdig te verwerpen. De RvVb zou hierdoor handelen in strijd met zijn eigen rechtspraak en met de rechtspraak van de Raad van State, en aldus het rechtszekerheidsbeginsel schenden. De verzoekende partij licht toe : VII-42.437-5/10 “Met aldus te oordelen gaat de RvVb in tegen de rechtspraak van [de Raad van State] meer bepaald het (cassatie)arrest nr. 256.586 van 25 mei
  14. In de voorliggende zaak is het zo dat: • de deputatie op 22 december 2020 een digitale en een analoge zending heeft verstuurd naar de verzoekende partij die gelden als rechtsgeldige betekeningen aan deze laatste van de voor de RvVb bestreden omgevingsvergunning van de deputatie, • de verzoekende partij haar beroep tegen deze vergunningsbeslissing heeft ingediend op 8 februari
  15. In zowel de vergunning die via het omgevingsloket beschikbaar werd gesteld als de vergunning die […] op analoge wijze werd overgemaakt, staat volgende identieke tekst te lezen […]: “Beroepsmogelijkheden laatste aanleg Tegen een beslissing genomen in laatste aanleg kan, overeenkomstig de modaliteiten en de termijnen beschreven in artikel 105 van het Omgevingsvergunningsdecreet, beroep worden ingediend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (Ellips-gebouw, Koning Albert II – laan 35 bus 81, 1030 Brussel, www.rvvb.be ) uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning” Hoewel de deputatie op dezelfde wijze heeft gehandeld als in de zaak die [geleid] heeft tot het arrest van 31 maart 2022 met nummer RvVb-A-2122- 0616 […] oordeelt de RvVb omtrent de identieke feiten en handelswijze compleet andersluidend [dan] in dat (en in voorgaande) arrest(en). Komt er bij dat [de verzoekende partij] bij het ontvangen van de digitale en analoge zendingen eind 2020, in kennis [was] van het oordeel in het arrest van 11 februari 2020 met nummer RvVb-A-1920-0548, waarin de RvVb op basis van dezelfde feiten en elementen als in voorliggende zaak […] o.m. oordeelde “In het licht van die rechtszekerheid aanvaardt de [RvVb] dat de verzoekende partij de analoge betekening als vaste datum mag beschouwen”. Er was geen enkel element om aan te nemen dat de RvVb plotsklaps andere rechtspraak zou hanteren. […] Met o.a. het oordeel ‘De verwijzing naar arresten waarin de [RvVb] ‘op grond van de concrete omstandigheden van de zaak’ oordeelt dat een verzoekende partij in verwarring gebracht is door de ‘dubbele’ betekening, volstaat niet om in dit dossier anders te oordelen’ schendt de RvVb het rechtszekerheidsbeginsel daar • zowel de RvVb in vier andere arresten andersluidend oordeelde m.b.t. identieke feiten, m.n. zowel een digitale betekening als een analoge betekening van de verleende vergunning/deputatiebesluit, met bij beiden vermelding van de beroepsmogelijkheden en de daaraan gebonden termijnen zonder dat duidelijk gemaakt werd welke van de twee [betekeningen] nu de beroepstermijn doet aanvangen • [de Raad van State] in het cassatiearrest [nr. 256.586 van 25 mei 2023] oordeelde dat dergelijk RvVb-oordeel zoals in voorliggend betwiste arrest een schending inhoudt van artikel 6 EVRM VII-42.437-6/10 En met o.a. het oordeel ‘De verzoekende partij toont niet aan dat de ‘digitale’ betekening geen geldige wijze van betekening is, en evenmin maakt zij in casu aannemelijk dat zij in verwarring gebracht is door de ‘dubbele’ betekening’ beperkt het bestreden arrest op onevenredige wijze de toegang tot de rechter (hetgeen een algemeen rechtsbeginsel is) en schendt de RvVb hiermee artikel 6 EVRM.” Beoordeling
  16. Artikel 6 EVRM waarborgt eenieder het recht op een eerlijk proces, wat het recht omvat op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld. Het recht op toegang tot een rechter dat door deze bepaling wordt gewaarborgd, is echter niet absoluut en kan worden onderworpen aan procedureregels, voor zover zij niet van aard zijn de toegang tot de rechter onmogelijk te maken, een legitiem doel nastreven, en er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen het nagestreefde doel en de gebruikte middelen. Bij de toepassing van zulke procedureregels moet de rechter zowel overdreven formalisme, dat afbreuk zou doen aan de eerlijkheid van het proces, als overdreven flexibiliteit, die de procedureregels waardeloos zou maken, vermijden.
  17. Het bestreden arrest verklaart het beroep van de verzoekende partij onontvankelijk wegens laattijdigheid. De RvVb past daartoe artikel 105, § 3, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ toe, dat als volgt luidt: “Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen die ingaat: 1° de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt; 2° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen.” Het bestreden arrest oordeelt -met overname van de overwegingen van het (niet-)schorsingsarrest van 8 juli 2021- dat de digitale VII-42.437-7/10 terbeschikkingstelling via het omgevingsloket een rechtsgeldige betekening is als het bestuurlijk beroep op digitale wijze werd ingesteld. Het bestreden arrest stelt vervolgens vast dat de verzoekende partij haar bestuurlijk beroep op digitale wijze heeft ingediend, dat de bestreden deputatiebeslissing digitaal ter beschikking werd gesteld van de verzoekende partij, en dat de verzoekende partij daardoor ook in kennis werd gesteld van de beroepsmogelijkheden en beroepstermijn. Het bestreden arrest stelt eveneens vast dat de bestreden deputatiebeslissing op een latere datum ook op analoge wijze -met een beveiligde zending- werd bezorgd aan de verzoekende partij, en oordeelt in dat verband -met overname van de overwegingen van het (niet-)schorsingsarrest van 8 juli 2021-: “De verwerende partij moet er zich in zo een geval van bewust zijn dat dit mogelijks voor verwarring zou kunnen zorgen bij degene die een dubbele betekening ontvangt. Niettemin kan de tussenkomende partij gevolgd worden in haar stelling dat het aan de verzoekende partij toekomt om aan te tonen dat ze door de dubbele betekening in verwarring is gebracht en wel zodanig dat zij gedwaald heeft over de vertrekdatum van de beroepstermijn.” Met het oordeel dat de beroepstermijn in het geval van een dubbele betekening enkel dan niet aanvangt bij de eerste, reglementair uitgevoerde, betekening wanneer de verzoekende partij door de dubbele betekening dermate in verwarring wordt gebracht dat zij gedwaald heeft over de vertrekdatum van de beroepstermijn, bezondigt de RvVb zich niet aan een overdreven formalisme en beperkt hij het recht tot toegang tot de rechter niet op een wijze die onevenredig is met het doel van de ontvankelijkheidsvereiste. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM is ongegrond.
  18. Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet). In zoverre het middel de Raad van State uitnodigt om opnieuw te onderzoeken of de feitelijke omstandigheden van de zaak de verzoekende partij dermate hebben verward dat zij VII-42.437-8/10 gedwaald heeft over de vertrekdatum van de beroepstermijn, is het middel niet ontvankelijk.
  19. Als rechtscollege is de RvVb niet onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur zoals het rechtszekerheidsbeginsel. In zoverre de verzoekende partij beweert dat het bestreden arrest afwijkt van de oplossing die de RvVb en de Raad van State aan gelijkaardige zaken hebben gegeven, volstaat de vaststelling dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent. In zoverre in het middel wordt uitgegaan van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  22. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.437-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.437-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.689 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.