← België

Arrest 263701 - Examens (onderwijs) - 23/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.701 Rolnummer: A. 242039/IX-10475 Zaak: Arrest 263701 - Examens (onderwijs) - 23/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-27 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-16 03:25 Fiche Arrest nr 263.701 van 23 juni 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.701 van 23 juni 2025 in de zaak A. 242.039/IX-10.475 In zake: XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laure Proost kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristof Caluwaert en Mauro Gisgand kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 29 mei 2024, strekt tot de nie- tigverklaring van arrest nr. RSTVB-2324-0267 van de Raad voor betwistingen in- zake studievoortgangsbeslissingen van 17 april
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij beschikking nr. 15.908 van 18 juni 2024 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.475-1/21 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 mei
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Laure Proost, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Kristof Caluwaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn ge- hoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een anders- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De feiten, zoals die blijken uit het arrest van de Raad voor be- twistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, kunnen als volgt worden samen- gevat. Verzoekster is in het academiejaar 2022-2023 ingeschreven in de opleiding ‘Master of Laws in het sociaal recht’ aan de Vrije Universiteit Brussel. IX-10.475-2/21 Voor het opleidingsonderdeel ‘SD Worx Leergang juridische vraagstukken inzake personeelsbeleid en reorganisatie van ondernemingen’ be- haalt verzoekster een examencijfer van 6 op
  7. De interne beroepsinstantie verklaart het beroep van verzoekster op 10 november 2023 ontvankelijk doch ongegrond. Verzoekster stelt op 20 no- vember 2023 bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen hiertegen een beroep in. Bij arrest nr. RSTVB-2324-0267 van 17 april 2024 verwerpt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het beroep. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  8. Het eerste middel is genomen uit de “schending van artikel 149 Gw. en van artikel 15, tweede lid van het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges”: “Doordat, de Raad voor betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen in het bestreden arrest in [zijn] beoordeling van het eerste middel oordeelt dat [zijn] beoordelingsmarge beperkt is tot de contouren van het middel zoals het door de verzoekende partij zelf aan de Raad wordt voorgelegd en zo [zijn] onderzoek beperkt tot de schending van artikel 113, § 1 en 2 OER [onderwijs- en examenreglement] die verzoekende partij aanvoert, zonder te motiver[en] hoe dat [zijn] beoordelingsmarge in deze beperkt is; Terwijl, noch artikel 294, § 2 eerste lid van de Codex Hoger Onderwijs, noch art. 17 van het Decreet van 4 april 2014, noch art. 15, tweede lid van het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 stellen dat de beoor- delingsmarge van de Raad voor betwistingen inzake Studievoortgangsbe- slissingen beperkt is tot de contouren van het middel zoals het aan de Raad voor betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen wordt voorgelegd, IX-10.475-3/21 maar integendeel dat [hij] rekening moet houden met de feitelijke omschrij- ving en motivering van de bezwaren; En terwijl, artikel 149 Gw. vereist dat elk vonnis met redenen omkleed is; Zodat, het bestreden arrest onterecht enkel rekening heeft gehouden met de argumentatie van de verzoekende partij in zoverre ze deze heeft verbonden aan artikel 113, § 1 en 2 OER, en geen rekening heeft gehouden met de overige feitelijke omschrijving en motivering van de bezwaren, die noch- tans hernomen waren in de procedure voor de Raad voor betwistingen in- zake Studievoortgangsbeslissingen, noch [zijn] beperkte beoordelings- marge met redenen omkleedt in weerzin [versta: weerwil] van artikel 149 Gw.” Verzoekster merkt op dat de afwijking in artikel 15, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtsple- ging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (“procedurebesluit”) her- neemt hetgeen voorheen geregeld was in artikel 294, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs (CHO). Voor deze bepaling geldt dus nog steeds de gedachtegang van de decreetgever, zoals te lezen in de toenmalige parlementaire voorbereiding van die bepaling en ook aangehaald in ’s Raads arrest nr. 247.351 van 31 maart
  9. Verzoekster heeft op heldere wijze de feiten uiteengezet voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, dit blijkt duidelijk uit het bestreden arrest en wordt niet door de verwerende partij in cassatie betwist. Het oordeel van de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen dat zijn beoordelingsmarge beperkt is tot de contouren van het middel zoals het door verzoekster zelf aan de Raad wordt voorgelegd, is onnodig formalistisch en gaat in tegen de bedoeling van de decreetgever en de Vlaamse regering. De Raad verantwoordt ook niet ingevolge welke bepalingen hij beperkt zou worden in zijn beoordelingsmarge, “in weerzin van” artikel 149 van de Grondwet. Door niet aan te geven op basis van wat de bevoegdheid beperkt wordt en waarom, is de beslissing niet naar recht verantwoord en met redenen om- kleed en voldoet ze niet aan de juridische motiveringsplicht. IX-10.475-4/21 5.
  10. Volgens de verwerende partij “blijkt genoegzaam dat het arrest geenszins onvoldoende gemotiveerd is voor wat betreft het hier bekritiseerde on- derdeel”. In het bestreden arrest stelt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen: “De beoordelingsmarge van de Raad is vervolgens beperkt tot de contouren van het middel zoals het door de verzoekende partij zelf aan de Raad wordt voorgelegd. In dit geval vernauwt ze de originele grief dat [het] examen procedureel ongeldig is tot de schending van een specifieke bepaling van het OER. Het onderzoek van de Raad beperkt zich bijgevolg daartoe.” En nog: “Verzoekende partij had mogelijkerwijs in haar beroep bij de Raad de vraag kunnen stellen of de verwerende partij zorgvuldig en met kennis van zaken beslist heeft over de organisatie van het examen. De Raad is in elk geval niet bevoegd om in de plaats van de interne beroepsinstantie de beoordeling ten gronde over te doen. Omdat verzoekende partij in het eerste middel van haar beroep bij de Raad haar grief beperkt tot een schending van artikel 113 OER, kan de Raad daarom enkel dit verder onderzoeken.” Het is aldus duidelijk dat de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen heeft uiteengezet waarom hij de behandeling van het eerste middel beperkt tot de schending van artikel 113 OER. 5.
  11. Wat vervolgens de beweerde schending van artikel 15 van het procedurebesluit betreft, lijkt verzoekster volgens de verwerende partij alle inhoud te ontnemen aan de uitdrukkelijke verplichting om in dossiers voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren op te nemen in haar verzoekschrift. Zoals blijkt uit de door verzoekster geciteerde voorbereidende werkzaamheden en rechtspraak van de Raad van State, vereist dit artikel niet dat een verzoekende partij juridische middelen dient uiteen te zetten in haar verzoek- schrift. Dit wordt ook in het bestreden arrest niet tegengesproken. Verzoekster IX-10.475-5/21 hoeft inderdaad geen juridische middelen uit te werken, maar zij dient wél duidelijk en ondubbelzinnig haar bezwaren mee te delen op een wijze die de verwerende partij toelaat om zich hiertegen te verdedigen. Precies daar lag het probleem. Ver- zoekster heeft, om redenen die haar eigen zijn, in haar verzoekschrift voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen haar ingeroepen bezwaar beperkt tot een schending van artikel 113 OER. Voor zover verzoekster van mening zou zijn dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ambtshalve bijkomende bezwa- ren moest inroepen, brengt de verwerende partij artikel 112/22 van het procedure- besluit in herinnering (“Het College kan ambtshalve middelen inroepen die niet in het verzoekschrift zijn opgenomen, of ambtshalve excepties opwerpen, als die be- trekking hebben op de openbare orde”). De Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen kan (lees: hij is niet verplicht) de bezwaren van verzoekster dus enkel ambtshalve uitbreiden wanneer deze betrekking hebben op de openbare orde. Die hypothese deed zich in casu niet voor. Beoordeling a. artikel 149 GW
  12. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die reden- geving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of deze bepalingen zijn nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolg- trekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de IX-10.475-6/21 motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schen- ding uit van artikel 149 van de Grondwet.
  13. In het bestreden arrest is het volgende te lezen: “De Raad kan zijn appreciatie niet in de plaats stellen van die van de ho- geronderwijsinstelling (artikel 44/1 van het decreet van 4 april 2014 betref- fende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuurs- rechtscolleges […]). Bijgevolg kan de Raad de beoordeling ten gronde niet overdoen als was hij zelf een beroepsinstantie binnen een georganiseerd administratief beroep. De Raad kan een studievoortgangsbeslissing enkel vernietigen en doet dit wanneer de beslissing onwettig is of niet in overeen- stemming is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Omdat enkel de beroepsinstantie tot een inhoudelijke beoordeling van het dossier kan komen, moet de verzoekende partij dus in de eerste plaats de interne beroepsinstantie van de hoger onderwijsinstelling overtuigen aan de hand van de argumenten en stukken die dienstig kunnen zijn. Een verzoekende partij kan in de procedure voor de Raad bijgevolg geen nieuwe bezwaren aanvoeren, tenzij de grondslag ervan pas tijdens of na afhandeling van de interne beroepsprocedure aan het licht is gekomen, ten- zij het bezwaar betrekking heeft op de wijze waarop het intern beroep werd behandeld of tenzij het bezwaar raakt aan de openbare orde (artikel II 294, § 2, laatste lid van de Codex Hoger Onderwijs […]). De contouren van wat aan de beoordeling van de Raad kan worden voor- gelegd, wordt met andere woorden in beginsel bepaald door de grieven die de verzoekende partij in het intern beroep heeft opgeworpen. Wat verzoekende partij in het eerste middel opwerpt, kan in dit geval wor- den teruggevoerd tot het intern beroep. In haar intern beroepschrift wierp verzoekende partij immers op dat er ‘een procedurefout’ is gebeurd omdat ze op het moment dat ze haar examen bij professor (D.W.) moest afleggen nog steeds geen link naar de Teams-ver- gadering had ontvangen. Ze verzocht de interne beroepsinstantie het exa- men te vernietigen omdat het procedureel ongeldig was. In haar beroep bij de Raad herneemt ze deze kritiek, maar verbindt ze haar argumentatie nu uitdrukkelijk aan artikel 113, § 1 en 2 OER. De beoordelingsmarge van de Raad is vervolgens beperkt tot de contouren van het middel zoals het door de verzoekende partij zelf aan de Raad wordt voorgelegd. In dit geval vernauwt ze de originele grief dat [het] examen procedureel ongeldig is tot de schending van een specifieke bepaling van het OER. Het onderzoek van de Raad beperkt zich bijgevolg daartoe. […] Verzoekende partij had mogelijkerwijs in haar beroep bij de Raad de vraag kunnen stellen of de verwerende partij zorgvuldig en met kennis van zaken beslist heeft over de organisatie van het examen. De Raad is in elk geval IX-10.475-7/21 niet bevoegd om in de plaats van de interne beroepsinstantie de beoordeling ten gronde over te doen. Omdat verzoekende partij in het eerste middel van haar beroep bij de Raad haar grief beperkt tot een schending van artikel 113 OER, kan de Raad daarom enkel dit verder onderzoeken.”
  14. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen geeft in zijn arrest op duidelijke en ondubbelzinnige wijze aan waarom hij zijn onderzoek beperkt tot de schending van artikel 113 OER, namelijk omdat “[de] beoordelingsmarge van de Raad is […] beperkt tot de contouren van het middel zoals het door de verzoekende partij zelf aan de Raad wordt voorgelegd” en omdat verzoekster “de originele grief dat [het] examen procedureel ongeldig is [vernauwt] tot de schending van een specifieke bepaling van het OER”. Er is bijgevolg geen sprake van een schending van de jurisdisc- tionele motiveringsplicht. Deze jurisdictionele motiveringsplicht vereist niet dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen verwijst naar rechtspraak of wetgeving die zijn stelling onderbouwt. In zoverre het middel uitgaat van een tegenovergestelde opvatting, faalt het naar recht.
  15. Het middel, geput uit de schending van artikel 149 van de Grond- wet, is ongegrond. b. artikel 15, tweede lid, van het procedurebesluit
  16. Artikel II.294, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs luidt: “De beroepen worden ingesteld conform de regels, vermeld in deze afde- ling, en conform de regels die zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. De student kan in de procedure voor de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen geen nieuwe bezwaren aanvoeren, tenzij de grondslag ervan pas tijdens of na afhandeling van de interne beroepsproce- dure aan het licht is gekomen, tenzij het bezwaar betrekking heeft op de IX-10.475-8/21 wijze waarop het intern beroep werd behandeld of tenzij het bezwaar raakt aan de openbare orde.” Artikel 15 van het procedurebesluit luidt: “Het verzoekschrift bevat, minstens de volgende gegevens: 1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoon- nummer en een e-mailadres; 2° in voorkomend geval, de naam en het adres van de verweerder; 3° het voorwerp van het beroep of bezwaar; 4° een uiteenzetting van de feiten en de ingeroepen middelen; 5° een inventaris van de overtuigingsstukken. In afwijking van het eerste lid, 4°, bevat het verzoekschrift voor de beroe- pen, vermeld in artikel 112/1 [dat zijn: de beroepen waarvoor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bevoegd is], een feite- lijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren.”
  17. Artikel 15, tweede lid, van het procedurebesluit is ingevoegd bij besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 ‘tot overdracht van de secreta- rissen van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en tot wijziging en opheffing van diverse besluiten wat betreft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en de rechtspositieregeling van de bestuurs- rechters van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’. Voorheen bepaalde artikel II.294, § 2, CHO, zoals gewijzigd bij decreet van 16 juni 2017 en tot aan de wijziging bij decreet van 17 maart 2023: “De beroepen worden ingesteld bij wijze van verzoekschrift, waarin ten minste een feitelijke omschrijving is opgenomen van de ingeroepen bezwa- ren. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en, op straffe van onontvankelijk- heid, ondertekend door de verzoeker of zijn raadsman. Het verzoekschrift vermeldt: 1° de naam en de woonplaats van de verzoeker. Wanneer woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de verzoeker, wordt dit in het verzoek- schrift aangegeven; 2° de naam en de zetel van het bestuur; 3° het voorwerp van het beroep; 4° een feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren. De student kan in de procedure voor de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen geen nieuwe bezwaren aanvoeren, tenzij de IX-10.475-9/21 grondslag ervan pas tijdens of na afhandeling van de interne beroepsproce- dure aan het licht is gekomen, tenzij het bezwaar betrekking heeft op de wijze waarop het intern beroep werd behandeld of tenzij het bezwaar raakt aan de openbare orde.”
  18. De decreetgever heeft met betrekking tot de aanhangigmaking van een geding bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen gepreciseerd dat “een feitelijke omschrijving […] van de ingeroepen bezwaren” volstaat in het gedinginleidend verzoekschrift (artikel II.294, § 2, eerste lid, en derde lid, 4°, CHO, zoals gewijzigd bij decreet van 16 juni 2017). De decreetgever heeft voor de omschrijving van de stelplicht van een verzoekende partij bewust voor deze formulering gekozen – en het begrip ‘middelen’ vervangen – bij artikel VI.20 van het decreet van 16 juni 2017 (Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 1146/1, 6 – zie ook de pagina’s 218-221 voor de opmerking van de afdeling Wetgeving van de Raad van State die tot deze wijziging aanleiding heeft gegeven): “Bij een expliciete verwijzing naar de term ‘middelen’ bestaat het risico van een strikte juridische lezing van het begrip ‘middelen’. Dit kan tot ge- volg hebben dat voor een student die nog niet op de hoogte is van de juri- dische finesses van het instellen van een beroepschrift bij het niet naleven van deze strenge vereisten, die ook in de interne beroepsfase reeds gelden, het ingestelde beroep bij het door de decreetgever ingestelde rechtscollege onontvankelijk is. Dit zou er toe kunnen leiden dat de beroepsprocedure onwerkzaam wordt. Deze strengere vormvoorwaarden door de formulering van het begrip ‘mid- del’ zouden derhalve kunnen leiden tot een beperking van de toegang van de student tot het specifiek ingestelde rechtscollege ‘de Raad voor betwis- tingen inzake studievoortgangsbeslissingen’ (Raad). Een beperking die niet evenredig is met het beoogde doel, met name: dat een beroepschrift duide- lijk de ingeroepen bezwaren moet feitelijk omschrijven. Een strikt juridi- sche omschrijving is hiertoe niet vereist. Dit is een overdreven formalisme mede gezien de zeer korte beroepstermijnen die gelden en het feit dat het intern beroep in principe nog niet gejuridiseerd is. Het begrip ‘middelen’ is dan ook uit de decreetstekst geschrapt.” Uit niets blijkt dat deze intentie ingevolge de transpositie van deze regel uit het decreet naar het procedurebesluit haar waarde heeft verloren.
  19. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is er dan ook toe gehouden om het recht toe te passen op de feiten die de partijen IX-10.475-10/21 op bijzondere wijze hebben ingeroepen en om, op basis daarvan, de door de partijen aangevoerde redenen of bezwaren ambtshalve aan te vullen en de gebreken in hun juridische argumentatie te verhelpen.
  20. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft onder de hoofding ‘Eerste middel’ het bezwaar van verzoekster als volgt weergegeven: “Verzoekende partij merkt om te beginnen op dat het examen voor het on- derdeel van professor (D.W.) in principe zou plaatsvinden op 21 augustus 2023 om 13u
  21. Nadat ze die dag eerst telefonisch contact had opgenomen met een andere verantwoordelijke voor het opleidingsonderdeel, heeft ze vervolgens professor (D.W.) meermaals proberen te contacteren zowel per e-mail (om 12u15 en om 13u37) als telefonisch (om 13u34) om een MS Teams-link te kunnen ontvangen voor het afleggen van het examen. Bijge- volg kan haar niet worden verweten nalatig te zijn geweest. Omdat verzoekende partij nooit een uitnodiging heeft ontvangen om het examen op 21 augustus 2023 om 13u20 te kunnen afleggen, was ze bijge- volg niet in de mogelijkheid om haar examen op dat moment af te leggen. Door verzoekende partij niet in staat te stellen om toegelaten te worden tot de virtuele examenruimte is er volgens haar sprake van een schending van artikel 113, § 1 OER omdat ze door het niet beschikbaar zijn van de exami- nator het examen niet op het voorziene tijdstip kon afleggen. Dat in een e-mail van de studiebegeleider van 21 augustus 2023 (14u00) wordt beweerd dat deze samen met professor (D.W.) in de examenruimte een kwartier op verzoekende partij hebben gewacht, doet hieraan geen af- breuk. Dit wordt immers niet bewezen en verzoekende partij had ook ge- woon geen toegang tot die examenruimte. Nu professor (D.W.) afwezig was op het voorziene tijdstip, moest er wor- den gehandeld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 113, § 2 OER. Daarbij komt het overigens niet aan verzoekende partij toe om de wettige reden of overmacht in hoofde van de examinator te bewijzen. Ze kan namelijk enkel vaststellen dat de examinator afwezig is, waardoor ze het examen – buiten haar wil – niet op het voorziene tijdstip kon afleggen. Volgens verzoekende partij werd de procedure evenwel niet gevolgd. Pro- fessor (D.W.) heeft de decaan niet gecontacteerd om voor een nieuwe exa- menregeling te zorgen. Verzoekende partij had nochtans wel baat bij een toepassing van deze procedure omdat die toelaat dat de examenmodalitei- ten worden gewijzigd. Om meer op haar gemak te zijn bij het afleggen van het examen had ze immers al meermaals verzocht om het examen niet di- gitaal, maar wel fysiek te laten plaatsvinden in de universiteit en in de aan- wezigheid van een begeleider. Ze is namelijk zeer gevoelig aan stresssitu- aties, wat ook blijkt uit haar medisch attest van 25 augustus
  22. Op dat verzoek is echter nooit ingegaan. IX-10.475-11/21 Dat het examen de dag nadien alsnog is doorgegaan, doet volgens verzoe- kende partij aan het bovenstaande geen afbreuk.” De Raad stelt in het arrest vast dat wat verzoekster in het eerste “middel” aanvoert, “kan […] worden teruggevoerd tot het intern beroep”. Vervol- gens beslist de bodemrechter om het onderzoek van de bezwaren van verzoekster te beperken tot “de contouren van het middel zoals het door [haar] zelf aan de Raad wordt voorgelegd”, namelijk “de schending van een specifieke bepaling van het OER”. Hij overweegt nog dat verzoekster “de vraag [had] kunnen stellen of de verwerende partij zorgvuldig en met kennis van zaken beslist heeft over de orga- nisatie van het examen”.
  23. Uit de weergave van het “middel” in het arrest blijkt dat verzoek- ster aan de rechter specifiek heeft voorgelegd dat zij “nooit een uitnodiging heeft ontvangen om het examen op 21 augustus 2023 om 13u20 te kunnen afleggen”, dat zij “geen toegang [had] tot [de] examenruimte” en “bijgevolg niet in de mogelijk- heid [was] om haar examen op dat moment af te leggen”. Volgens verzoekster werd “de procedure […] niet gevolgd”: de docent “heeft de decaan niet gecontacteerd om voor een nieuwe examenregeling te zorgen.”
  24. Door aan te nemen dat hij het sub 15 weergegeven bezwaar van verzoekster, zoals zij het feitelijk heeft omschreven en gemotiveerd, enkel mag onderzoeken als een “middel” vanuit het oogpunt van artikel 113 OER, omdat deze bepaling door verzoekster uitdrukkelijk is aangevoerd zonder vast te stellen dat dit het enige bezwaar is dat verzoekster blijkens haar feitelijke uiteenzetting heeft in- geroepen, schendt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen artikel 15, tweede lid, van het procedurebesluit.
  25. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. IX-10.475-12/21 B. Tweede middel Weergave van het middel
  26. Het tweede middel is afgeleid “uit het miskennen van de proce- dureregels in art. 286 [lees: II.286] van de Codex Hoger Onderwijs en artt. 4, 12, 112/7 en 112/8 van het [procedurebesluit]”: “Doordat, de Raad voor betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen in het bestreden arrest de sanctie van onontvankelijkheid in artikel 4 van het [procedurebesluit] niet heeft toegepast, maar wel artikel 12 van het [pro- cedurebesluit] onterecht toepast om aan de verwerende partij de kans te ge- ven om het administratief dossier dat onvolledig was, aan te vullen en niet overgaat tot het onontvankelijk verklaren van de antwoordnota van de ver- werende partij wegens het onvolledig administratief dossier; Terwijl, artikel 286 van de Codex Hoger Onderwijs, en artikels 4, 112/7 en 112/8 van het [procedurebesluit] stellen dat de verzoekschriften en proces- stukken op straffe van onontvankelijkheid binnen de vervaltermijnen moe- ten worden ingediend; En terwijl, artikel 112/8, § 1, eerste lid van het [procedurebesluit] vereist dat het administratief dossier samen met de antwoordnota binnen de ver- valtermijn wordt ingediend; En terwijl, artikel 112/8, § 2 van het [procedurebesluit] vereist dat het ad- ministratief dossier, vermeld in paragraaf 1, minstens bepaalde stukken moet bevatten; Zodat, het bestreden arrest de sanctie van onontvankelijkheid (in artikel 4 van het [procedurebesluit]) niet heeft toegepast en onterecht artikel 12 van het [procedurebesluit] wel heeft toegepast om de verwerende partij de kans te laten het administratief dossier aan te vullen, terwijl ze de processtukken van de verwerende partij onontvankelijk had moeten verklaren omdat het administratief dossier dat binnen de termijn werd ingediend, niet alle docu- menten, vereist door artikel 112/8, § 2 van het [procedurebesluit], bevatte.” Beoordeling
  27. Artikel II.286 CHO luidt: “De Raad behandelt de beroepen conform de regels, vermeld in deze afde- ling, en conform de regels die zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.” IX-10.475-13/21 Deze bepaling refereert aan andere na te leven bepalingen, zon- der daaraan een autonoom voorschrift, laat staan een sanctie bij niet-naleving er- van, toe te voegen.
  28. Artikel 112/8, § 1, van het procedurebesluit legt de verwerende partij op om “een antwoordnota, een administratief dossier en eventuele aanvul- lende en geïnventariseerde overtuigingsstukken” in te dienen “binnen de vervalter- mijn die vastgesteld is in de procedurekalender, vermeld in artikel 112/7 [van het procedurebesluit]”. Artikel 112/8, § 2, van het procedurebesluit regelt de inhoud van het administratief dossier. De “procedurekalender, vermeld in artikel 112/7” bevat overeenkomstig dat artikel onder meer “de vervaltermijnen voor de indiening van de procedurestukken, het administratieve dossier en de aanvullende over- tuigingsstukken”. In deze bepalingen is geen sanctie te lezen bij niet-naleving van de vervaltermijn. In zoverre het middel aan deze bepalingen een andere lezing geeft, faalt het naar recht.
  29. Artikel 4 van het procedurebesluit, zoals toentertijd van toepas- sing, luidt: “De verzoekschriften en processtukken moeten op straffe van onontvanke- lijkheid worden ingediend binnen de termijnen, vermeld in het decreet, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het decreet van 5 april 1995 hou- dende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid, het Vlaams Onteige- ningsdecreet van 24 februari 2017 en dit besluit.” De antwoordnota is een processtuk, zoals bedoeld in artikel 4 van het procedurebesluit. Die nota is tijdig ingediend zodat er geen grond bestaat IX-10.475-14/21 om de sanctie van dat artikel (“op straffe van onontvankelijkheid”) erop toe te pas- sen.
  30. Het administratief dossier is geen processtuk als bedoeld in voor- meld artikel 4 van het procedurebesluit. Noch artikel 4 van het procedurebesluit, noch een andere bepaling, treft het verzuim om het administratief dossier binnen de vervaltermijn neer te leggen met de verplichte sanctie van de niet-ontvankelijk- heid of een andere sanctie (vergelijk bijvoorbeeld met artikel 21, derde lid, RvS- Wet en met artikel 26, § 2; artikel 26/6, derde lid; artikel 27, tweede lid; artikel 59, § 2, derde lid; artikel 62, vierde lid, en artikel 74, § 2, tweede lid, van het procedu- rebesluit). In zoverre faalt het middel naar recht. Overigens zijn de stukken 1 tot 7 van het administratief dossier tijdig neergelegd.
  31. Artikel 12 van het procedurebesluit luidt: “Met het oog op de beoordeling van de zaak kan het College rechtstreeks briefwisseling voeren met alle partijen, besturen en derden en hen alle nut- tige inlichtingen en stukken vragen.” Op grond van deze bepaling vermag de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de partijen vorderen om elk stuk neer te leg- gen dat de rechter nuttig acht voor de beoordeling van het bij hem aangebracht geschil. Daaraan doet geen afbreuk, het feit dat zo een stuk door de ene of andere partij voorgebracht had moeten worden. Verzoekster voert niet aan dat de neerlegging van die stukken het tegensprekelijk karakter van het debat in het gedrang heeft gebracht. Door aan de verwerende partij de stukken te vragen, die vervol- gens als de nummers 8 en 9 zijn toegevoegd aan het administratief dossier, schendt IX-10.475-15/21 de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet artikel 12 van het procedurebesluit. Ook in die mate faalt het middel naar recht. Overigens heeft de Raad zijn beslissing niet op deze stukken ge- steund, zodat verzoekster in zoverre geen belang heeft bij haar kritiek.
  32. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Weergave van het middel
  33. Het derde middel is afgeleid uit “de verkeerde toepassing van het artikel 113 van het onderwijs en examenreglement van 2022-2023, alsook van de te restrictieve interpretatie van artikel 113 van het onderwijs en examenreglement”: “Doordat, eerste onderdeel, de Raad voor betwistingen inzake Studievoort- gangsbeslissingen een verkeerde versie van artikel 113 van het onderwijs en examenreglement toepast en zo onterecht meent dat de examinator in geval van overmacht of een andere wettige reden van verhindering vervan- gen dient te worden overeenkomstig artikel 113, § 2 van het onderwijs en examenreglement 2022-2023; En doordat, tweede onderdeel, de Raad voor betwistingen inzake Studie- voortgangsbeslissingen artikel 113 van het onderwijs en examenreglement 2022-2023 te restrictief interpreteert door de situatie waardoor het examen van de verzoekende partij op 21 augustus 2023 niet kon doorgaan niet te kwalificeren als een afwezigheid van de examinator en zo het recht in arti- kel 113, § 2 van de verzoekende partij om door de decaan een nieuw exa- menmoment te zien geregeld krijgen, afneemt; Terwijl, eerste onderdeel, artikel 113, § 2 van het onderwijs en examenre- glement 2022-2023 echter bepaalt dat in geval van afwezigheid van de exa- minator wegens overmacht of wettige reden van verhindering, de decaan beslist tot een nieuwe examenregeling voor elk van de betrokken studenten; En terwijl, tweede onderdeel, het onderwijs en examenreglement van 2022- 2023 de situatie waarbij een examen niet kan worden afgelegd op de dag van het examen slechts onderbrengt in categorieën die oftewel hun oor- sprong vinden bij de student (artt. 111, 112, 112bis van het onderwijs en examenreglement van 2022-2023) oftewel bij de examinator (art. 113 van het onderwijs en examenreglement van 2022-2023); Zodat, het bestreden arrest een verkeerde versie van artikel 113 van het on- derwijs en examenreglement van 2022-2023 toepast en het bestreden arrest IX-10.475-16/21 door de situatie waarbij het examen niet kon doorgaan als gevolg van een technische fout, die haar oorsprong vindt in het meermaals verkeerd schrij- ven van het e-mailadres van de student door de examinator en als gevolg hiervan niet de nodige toegang verzekert tot het digitaal examen, niet te kwalificeren als een situatie die onder artikel 113 van het onderwijs en exa- menreglement van 2022-2023 valt, een te restrictieve interpretatie aanhoudt van artikel 113 van het onderwijs en examenreglement van 2022-2023 en zo een derde categorie van situaties creëert waarvoor een examen kan wor- den verzet en waarbij het aan de examinator wordt overgelaten om dit exa- menmoment te organiseren, en zo het recht van de verzoekende partij om haar examenmoment door de decaan geregeld te zien krijgen, afneemt.” Verzoekster merkt op dat het OER geen enkele bepaling bevat die de situatie zoals ze zich heeft voorgedaan, opvangt. Het staat voor haar buiten kijf dat het probleem te situeren is bij de examinator, die verschillende keren de naam van verzoekster verkeerd schreef en die bijgevolg telkens naar het verkeerde e-mailadres stuurde. Hoe dan ook heeft de docent tegen artikel 111 OER gehandeld door zelf een nieuw examenmoment in te plannen en dit niet aan de decaan over te laten, zoals artikel 111 OER vraagt. Verzoekster stelt dat bij gebrek aan een andere bepaling die de situatie regelt, deze situatie moest worden opgevangen door artikel 113, § 2, OER, zelfs indien de situatie niet volledig overeenstemt met een afwezig- heid van de examinator. Beoordeling a. eerste onderdeel
  34. De in het bestreden arrest toegepaste versie van artikel 113 OER luidt: “Artikel 113 (vervanging examinator) §
  35. Het examen wordt afgenomen door de titularis van het opleidingson- derdeel of door diegene die als plaatsvervanger het opleidingsonderdeel dat jaar heeft gedoceerd. De examinator houdt nauwkeurig een aanwezigheids- lijst bij van alle studenten die bij hem examen hebben afgelegd. De exami- nator houdt zich strikt vast aan de vastgestelde uurregeling en plaats van ondervraging. §
  36. In geval van overmacht of wettige reden van verhindering van de exa- minator, beslist de decaan tot vervanging van de examinator en tot IX-10.475-17/21 aanduiding van een plaatsvervangend examinator. Indien mogelijk, richt de examinator een gemotiveerd verzoek tot de decaan tot ontheffing van het geheel of een deel van zijn examenopdracht. Ingeval van overmacht en mits grondige motivatie kan de beslissing tot aanduiding van een plaatsvervangend examinator gepaard gaan met een aanpassing van de examenvorm. De decaan duidt een plaatsvervangend examinator, lid van het zelfstandig academisch personeel of een doctor-assistent aan. In uitzonderlijke omstan- digheden kan de decaan beslissen om de nieuwe examenregeling voor exa- mens uit de eerste examenperiode van de eerste zittijd te organiseren in de overige examenperiodes van de eerste zittijd. […]” Volgens verzoekster diende de volgende versie te worden toege- past: “Artikel 113 (afwezigheid examinator) §
  37. Het examen wordt afgenomen door de titularis van het opleidingson- derdeel of door diegene die als plaatsvervanger het opleidingsonderdeel dat jaar heeft gedoceerd. De examinator houdt nauwkeurig een aanwezigheids- lijst bij van alle studenten die bij hem examen hebben afgelegd. De exami- nator houdt zich strikt vast aan de vastgestelde uurregeling en plaats van ondervraging. §
  38. In geval van afwezigheid van de examinator wegens overmacht of wet- tige reden van verhindering, beslist de decaan tot een nieuwe examenrege- ling voor elk van de betrokken studenten. De nieuwe examenregeling kan een wijziging van de examenmodaliteiten van een on campus examen naar een digitaal examen inhouden, en/of een wijziging van de examenvorm en/of een verplaatsing naar een andere dag binnen dezelfde examenperiode en/of een vervanging van de examinator met aanduiding van een plaatsvervangend examinator (lid van het zelfstan- dig academisch personeel of een doctor-assistent). Indien mogelijk, richt de examinator een gemotiveerd verzoek tot de de- caan tot ontheffing van het geheel of een deel van zijn examenopdracht en/of tot wijziging van de examenvorm en/of van de examenmodaliteiten (on campus/digitaal). In uitzonderlijke omstandigheden kan de decaan tevens beslissen om de nieuwe examenregeling voor examens uit de eerste examenperiode van de eerste zittijd te organiseren in de overige examenperiodes van de eerste zit- tijd. […]” De verwerende partij bevestigt dat de laatst geciteerde versie de versie van het OER is die van toepassing was op verzoekster tijdens het IX-10.475-18/21 academiejaar 2022-
  39. De discrepanties zijn volgens haar een gevolg van een materiële vergissing.
  40. Hoe dan ook wordt vastgesteld dat artikel 113, § 2, OER in de beide versies ervan, betrekking heeft op de afwezigheid, casu quo verhindering “van de examinator”, wegens “overmacht of wettige reden van verhindering”.
  41. In het bestreden arrest is overwogen dat artikel 113 OER niet van toepassing is omdat er geen sprake is van overmacht of wettige reden van verhin- dering in hoofde van de examinator. Welke versie de Raad voor betwistingen in- zake studievoortgangsbeslissingen ook zou toepassen, heeft bijgevolg geen enkele invloed op zijn besluit. Verzoekster heeft dan ook geen belang bij haar kritiek dat een verkeerde versie van artikel 113 OER is toegepast.
  42. Het eerste onderdeel is onontvankelijk. b. tweede onderdeel
  43. Artikel 113, § 2, OER regelt de procedure wanneer door “over- macht of wettige reden van verhindering” van de examinator het examen niet kan worden afgenomen.
  44. Verzoekster heeft het examen op het vastgestelde tijdstip niet kunnen afleggen wegens het niet tijdig bezorgen van een link naar de virtuele om- geving waarin het examen zou plaatsvinden. Zoals verzoekster zelf bevestigt, kan deze situatie niet worden beschouwd als “overmacht of wettige reden van verhin- dering” in hoofde van de examinator, maar zij meent dat er geen ander beter ge- schikt artikel is waarop zij zich kan beroepen, zodat artikel 113, § 2, OER moet worden toegepast.
  45. Door te overwegen dat “verzoekende partij omwille van toe- gangsproblemen tot de (virtuele) examenomgeving haar examen niet op het IX-10.475-19/21 voorziene tijdstip [heeft] kunnen afleggen en niet omdat de examinator op dat mo- ment door overmacht of een andere wettige reden verhinderd was om het examen af te nemen” en dat “[er] […] geen reden [is] om aan te nemen dat de examinator het examen in persoon niet kon afnemen op het voorziene tijdstip en de voorziene plaats, moesten de technische problemen zich niet hebben voorgedaan”, stelt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen terecht dat artikel 113, § 2, OER niet van toepassing is. Met haar bewering dat artikel 113, § 2, OER mutatis mutandis moet worden toegepast, toont verzoekster niet aan dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen dit artikel heeft geschonden.
  46. In de memorie van wederantwoord voert verzoekster voor het eerst aan dat artikel 111 OER is geschonden omdat de nieuwe examenplanning niet aan de decaan is overgelaten. Deze grief is nieuw en bijgevolg onontvankelijk.
  47. Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, onge- grond. c. besluit
  48. Het derde middel wordt verworpen. BESLISSING
  49. De Raad van State vernietigt arrest nr. RSTVB-2324-0267 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen van 17 april
  50. IX-10.475-20/21
  51. Dit arrest zal in de registers van voormeld rechtscollege worden overge- schreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
  52. De zaak wordt verwezen naar de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen, anders samengesteld.
  53. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechts- plegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende par- tij.
  54. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig juni tweeduizend vijfentwin- tig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.475-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.701 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.