id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.704 Rolnummer: A. 241296/IX-10423 Zaak: Arrest 263704 - Tucht (openbaar ambt) - 23/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-24 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-16 03:25 Fiche Arrest nr 263.704 van 23 juni 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.704 van 23 juni 2025 in de zaak A. 241.296/IX-10.423 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de raad van beroep van de nv HR Rail van 19 december 2023 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf ‘tuchtrechtelijke schorsing in de bediening gedurende zes maanden’ wordt opgelegd met ‘bedreiging met afzetting’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. IX-10.423-1/32 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 mei
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laurent Generet, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is op 4 september 2017 in dienst getreden bij de Belgische Spoorwegen. Hij is werkzaam als treinbegeleider in statutair verband bij de NMBS. 3.
- In de vroege ochtend van 19 februari 2023 is verzoeker treinbegeleider van trein 3327 van Antwerpen met bestemming Brussel-Zuid. In het station van Mechelen doet zich een incident voor tussen verzoeker en een reiziger. IX-10.423-2/32 Een in opdracht van de Head of Passenger Excellence door het Compliance & Investigation Office (“C&IO”) van de NMBS lastens verzoeker opgesteld verslag, gedagtekend 29 juni 2023, in verband met “[m]ogelijke feiten van fysieke agressie tegen een reiziger door een treinbegeleider”, vermeldt het volgende besluit: “Het C&IO werd gevraagd een onderzoek te voeren naar een mogelijke fysieke agressie vanwege [verzoeker] tegenover een reiziger in het station van Mechelen. Volgens twee Securail veiligheidsagenten, die ter plaatse waren voor een andere interventie, zou betrokkene een persoon uit de trein op het perron hebben gegooid, wat eveneens zou worden bevestigd door de CCTV-beelden. Er zijn geen getuigen van de aanleiding van het incident. Op de beschikbare CCTV-beelden is te zien dat [verzoeker] op een bepaald moment een fysieke aanvaring heeft met een reiziger die de trein niet wil verlaten en hij deze man uit de trein lijkt [te] duwen. De man valt op het perron en [verzoeker] duwt met zijn voet de benen van de man, die zich nog tussen de openstaande deuren bevinden, op het perron. Er zijn geen beschikbare CCTV-beelden voorhanden waarop de aanleiding, aan boord van de trein, van het incident te zien is. [Verzoeker] verklaart in zijn interview dat hij de reiziger niet uit de trein heeft geduwd, maar enkel trachtte aan te sporen om de trein te verlaten gezien hij niet beschikte over een geldig vervoersbewijs en zich niet in regel wou stellen: ‘Ik blijf erbij dat ik de betrokken reiziger heb begeleid naar buiten en heb ter hoogte van het platform geprobeerd de man de trein te doen verlaten. Op dat moment is de man gevallen of is zijn evenwicht verloren en kwam terecht deels op de voettrede van de trein en deels op het perron […]. Ik heb met een veegbeweging zijn benen en voeten opzijgeschoven zodat deze niet konden klem komen te zitten tussen de sluitende deuren.’ En ‘Ik heb deze reiziger helemaal niet uit de trein gegooid. Deze reiziger is beginnen roepen en dit heeft ervoor gezorgd dat er een volledige verkeerde perceptie van de feiten is ontstaan bij mensen die in de buurt zaten. Ik heb mijn hand achter hem gehouden om hem naar buiten te begeleiden, aan te sporen de trein te verlaten en te verhinderen dat hij terug zou gaan zitten.’ Op de beelden is ook te zien dat de betrokken reiziger, wanneer hij zich naast [K.C.] op het perron bevindt, nog snel in de trein springt wanneer [verzoeker] de deuren van de trein sluit. [Verzoeker] verklaart hierover: ‘Ik heb de vertrekprocedure aangevat, de deuren gesloten en ik stond in de laatste openstaande deur. Op dat moment glipt de man weg van de Securail agente en komt naar mij toe. Tussen de zich sluitende deuren slaat hij met zijn vuist in de richting van mij[n] gezicht. Ik heb dit kunnen ontwijken, maar ben wel gevallen op het platform van de trein.’ [K.C.] bevestig[t] dat de reiziger op dat moment duidelijk de intentie had om [verzoeker] te slaan. Het C&IO vraagt aan de hiërarchie van de betrokken diensten om de eventuele tuchtmaatregelen, administratieve en/of organisatorische IX-10.423-3/32 maatregelen te nemen die ze gepast achten gezien de hierboven vermelde feiten en wenst binnen een tijdspanne van 5 dagen op de hoogte te worden gebracht van de gevolgen die gegeven werden aan dit verslag.” 3.
- Op 22 augustus 2023 stelt de onmiddellijke chef van verzoeker voor om aan verzoeker de tuchtmaatregel ‘tuchtrechtelijke schorsing in de bediening gedurende zes maanden’ op te leggen met ‘bedreiging met afzetting’. Als “[r]edenen voor de voorgestelde tuchtmaatregel” worden vermeld: “In het bijgevoegde onderzoeksrapport van het Compliance & Investigation Office d.d. 29 juni 2023 zijn volgende feiten vastgesteld: Op 19 februari 2023 was u ’s ochtends rond 07u in het station te Mechelen betrokken bij een fysiek incident met een treinreiziger. Op het moment van het geschil was u in dienst, in werkkledij en oefende u de taak van treinbegeleider uit. Volgens uw verklaring weigerde een reiziger zich in regel te stellen met een geldig vervoersbewijs voor het traject Antwerpen-Mechelen, waarop een geschil ontstond. Hierover verklaarde u tijdens uw interview met het C&IO op 14 maart 2023 het volgende: ‘(…) Ik heb verderop in mijn controle een man zonder geldig vervoersbewijs aangetroffen. Deze had een ticket bij voor het traject Mechelen-Brussel. Ik heb hem hierover aangesproken. Aangezien we nog niet in Mechelen waren aangekomen, reisde hij al mee van in Antwerpen en klopte het traject waarvoor hij had betaald dus niet (…) (vraag 2). Vervolgens voegde u het volgende toe: (…) Ik ben naar de man zonder geldig vervoersbewijs teruggekeerd en heb hem gevraagd mij naar buiten te volgen. Hij bleef zitten. Ik heb zijn schouder vastgenomen om hem toch met mij te doen meegaan. Hij is me gevolgd en ik heb mijn hand achter hem gehouden. Net voor het verlaten van de trein is die man plots gevallen deels op de voettrede en het perron. Het is mogelijk dat hij in het tumult zijn evenwicht is verloren. Ik heb naar ik me herinner daarna het been en de voeten van de reiziger met mijn voeten opzijgeschoven zodat deze niet zouden komen vast te zitten tussen de sluitende deuren. Hij is beginnen (te, nvdr.) roepen en riep meermaals ‘Hij heeft mij geslagen!’ Ik heb daarop gereageerd met ‘komaan, doe niet flauw’ en heb hem getracht op te rapen. Door het geroep van deze reiziger reageerden een tweetal andere aanwezige reizigers met ‘pas fraper’ (sic), terwijl ik helemaal niet had geslagen. Ik was ervan onder de indruk dat het publiek zich zo snel tegen mij keerde enkel op basis van wat deze man riep. (…) ’ (vraag 2). IX-10.423-4/32 Het SOC (Security Operations Center) heeft evenwel een verslag over het incident op 19 februari 2023 uitgebracht. Uit de CCTV- beelden die u tijdens het interview op 14 maart 2023 getoond werden, en die u ook zullen worden verstrekt als bijlage bij dit rapport, blijkt namelijk dat u op fysieke wijze de betrokken reiziger uit de trein zette. In dit verband staat in het SOC-verslag het volgende: ‘(…) Tijdens de tirade gooit de treinbegeleider een persoon uit de trein vanuit het 5e rijtuig. Securail heeft de gemoederen kunnen bedaren maar werkwijze van treinbegeleider is onacceptabel. PACO hiervan in kennis gesteld die de treinbegeleider gaat aanspreken hierover. (…) CCTV: 38120 perron 11: duidelijk te zien hoe treinbegeleider een persoon uit de trein gooit om 07u
- (…)’. Niets kan een dergelijke houding tegenover een passagier rechtvaardigen. Wat betreft het bovenstaande dient te worden aangestipt dat veiligheid één van de voornaamste prioriteiten van de Belgische spoorwegen is en dat u zich aan uiterst onverantwoordelijk en gevaarlijk gedrag schuldig gemaakt heeft, wat een tuchtrechtelijk vergrijp in de zin van artikel 1 van Hoofdstuk XIV van het Statuut van het personeel is. Des te meer omdat voormelde feiten het imago van de Belgische Spoorwegen aanzienlijk geschaad hebben. Zo bepaalt artikel 1 van Hoofdstuk XIV van het Statuut van het personeel namelijk wat een tuchtrechtelijk vergrijp inhoudt: ‘Een tuchtrechtelijk vergrijp kan bestaan uit een handeling of gedraging, met inbegrip van een nalatigheid, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van dien aard is - de waardigheid van het ambt aan te tasten, of - het gezag dat het personeelslid bij de uitoefening van zijn ambt nodig heeft, in het gedrang te brengen, of - het aanzien van de Belgische spoorwegen in het gedrang te brengen.’ NMBS mag immers van haar treinbegeleiders verwachten dat ze hun werkgever ten overstaan van de buitenwereld gepast vertegenwoordigen en dat ze de regels en principes die NMBS belangrijk acht, strikt toepassen, de waarden van hun werkgever gepast uitdragen en, kort samengevat, het goede voorbeeld geven. Ook dient de NMBS erop te kunnen vertrouwen dat haar medewerkers die de taken van treinbegeleider uitoefenen, bij een conflict het hoofd koel kunnen houden om te voorkomen dat een geschil in een verregaande woordenwisseling of zelfs een fysieke aanvaring ontaardt. Het zoals hierboven beschreven ongeoorloofde gedrag van een dienstdoende treinbegeleider, in uniform en in aanwezigheid van reizigers, is gelet op het voorgaande volstrekt onaanvaardbaar en vormt zowel een handeling van tuchteloosheid in de zin van paragraaf 25 van het ARPS Bundel 550, maar ook, gelet op paragraaf 26 van dezelfde Bundel, een daad die het aanzien van de Belgische Spoorwegen in het gedrang bracht. IX-10.423-5/32 Evenzeer bepaalt Punt 9 van de NMBS-Gedragscode in dit verband het volgende: ‘Je gedraagt je professioneel, zowel in je communicatie als in je gedrag naar collega’s, klanten en derden toe.’ Hoewel ik van mening ben dat voormelde tekortkomingen de vertrouwensband met uw hiërarchie aanzienlijk hebben geschaad, ben ik niettemin van oordeel dat deze niet is verbroken, en dat de hierboven aangevoerde tekortkomingen gesanctioneerd dienen te worden met een tuchtmaatregel in verhouding tot de ten laste gelegde feiten. In dit verband, en overeenkomstig paragrafen 14 en 15 van het ARPS Bundel 550, kan de tuchtrechtelijke schorsing in de bediening worden voorgesteld voor een periode van minstens één kalenderweek en maximaal zes kalendermaanden. Gezien de ernst van de bovengenoemde tekortkomingen, ben ik van mening dat de tuchtrechtelijke schorsing in de bediening gedurende 6 maanden met bedreiging met afzetting de sanctie is die in verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten en dat een recidive ter zake niet kan worden getolereerd.” 3.
- Verzoeker antwoordt daarop op 30 augustus 2023: “Het is inderdaad zo dat er een conflictsituatie ontstond in de trein toen ik de reiziger in kwestie er attent op maakte dat hij niet in orde was met zijn vervoersbewijs tussen Antwerpen en Mechelen. Echter geven de beelden die op het perron zijn gemaakt een vertekend beeld van de situatie. Ik heb getracht om in deze situatie de andere reizigers als de reiziger die niet in regel was, niet te verontrusten, maar hem wel naar buiten te begeleiden om de situatie verder op te lossen. Zoals in mijn verklaring bij C&IO staat, weigerde hij dit. Om hem toch uit de trein te krijgen, is er een licht fysiek contact geweest aan de schouder. Dit zonder enige intentie om de reiziger te schaden. Hij heeft zijn evenwicht verloren en is gevallen, de beweging die ik maak met mijn voet is met 100% de intentie gedaan om de reiziger in veiligheid te brengen op het perron. Het is spijtig dat er geen beelden zijn van in de trein, want deze zouden alleen maar kunnen benadrukken dat ik geen enkele kwaadwillige intentie had tegen de reiziger in kwestie. Ik hoop dat jullie de hele situatie dan ook vanuit een breder perspectief willen bekijken en in acht nemen dat de beelden een vertekende indruk geven van alle feiten die er zich hebben afgespeeld. Want hoewel ik zeker begrijp dat als zulke feiten werkelijk plaatsvinden, er een gepaste straf dient opgelegd te worden, de huidige strafmaat wel zeer hoog ligt en zware gevolgen voor mij heeft, rekening houdend met het feit dat ik de reiziger wilde helpen in plaats van schaden.” Dezelfde dag adviseert de onmiddellijke chef en beslist de hiërarchische overste van de onmiddellijke chef dat de “[s]traf blijft behouden”. IX-10.423-6/32 Eveneens op 30 augustus 2023 verklaart verzoeker beroep in te stellen tegen de hem opgelegde tuchtmaatregel. 3.
- Verzoeker gehoord, beslist de raad van beroep op 19 december 2023 om aan verzoeker de tuchtstraf ‘tuchtrechtelijke schorsing in de bediening gedurende zes maanden’ op te leggen met ‘bedreiging met afzetting’. Dat is de bestreden beslissing. Na de oorspronkelijke tuchtbeslissing te hebben geciteerd, overweegt de raad van beroep wat volgt: “Over de feiten en de redenen: […] Overwegende dat de verdedigingsstukken die door [verzoeker] ingediend zijn, de materialiteit van de tuchtrechtelijke feiten niet in twijfel trekken; Overwegende dat [verzoeker] op 19 februari 2023 ’s ochtends in het station te Mechelen betrokken was bij een geschil met een treinreiziger dat in een fysieke aanvaring ontaardde; Overwegende dat de CCTV-beelden duidelijk aantonen dat [verzoeker] de reiziger namelijk op fysieke wijze de trein uitzette; meer bepaald is zichtbaar dat [verzoeker] de reiziger eerst met de handen heeft geduwd en vervolgens hem met de voeten, uit de trein verwijderde, toen deze reiziger op de grond lag; Overwegende dat de Raad van beroep oordeelt dat de feiten rechtens genoegzaam aangetoond zijn; Overwegende dat de Raad van beroep de kwalificatie van de feiten herbevestigt en dat de tekortkomingen dus worden beschouwd als handelingen van tuchteloosheid (in de zin van paragraaf 25 van het ARPS Bundel 550) en als daden die het aanzien van de Belgische spoorwegen (in de zin van paragraaf 26 van dezelfde Bundel) in het gedrang brengen; Overwegende dat de Raad van beroep zich bij bovenstaande feiten en redenen aansluit; Over de tuchtmaatregel Overwegende dat handelingen van tuchteloosheid en daden die het aanzien van de Belgische spoorwegen in het gedrang brengen, gesanctioneerd kunnen worden met een tuchtmaatregel gaande tot de afzetting; Overwegende dat gelet op paragraaf 14 en 15 van het ARPS Bundel 550 en gelet op de ernstige schade aan de vertrouwensband de tuchtrechtelijke schorsing in de bediening van toepassing is; Overwegende dat voormelde feiten dermate ernstig zijn dat [verzoekers] professionele en persoonlijk situatie geen verzachtende invloed kan hebben op de duur van de op te leggen sanctie; Overwegende dat geen enkele toekomstige recidive getolereerd zal kunnen worden; IX-10.423-7/32 Overwegende dat de tuchtrechtelijke schorsing in de bediening gedurende zes maanden met bedreiging met afzetting in verhouding tot de gepleegde feiten is; Overwegende dat de sanctie, waartoe initieel werd besloten, zoals die zowel feitelijk als juridisch gemotiveerd werd, in overeenstemming is met de bepalingen van het tuchtreglement ARPS Bundel 550.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van “artikel V.E.41” (hierna: paragraaf 41) van ARPS – Bundel 550, de formelemotiveringsplicht zoals opgenomen in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: formelemotiveringswet) en de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker wijst erop dat paragraaf 41 van ARPS – Bundel 550 de onmiddellijke chef ertoe verplicht om, na een rechtvaardiging van het personeelslid als reactie op een voorstel van tuchtmaatregel, een gemotiveerd advies uit te brengen over deze rechtvaardiging. Verzoeker betoogt dat in de documenten die hem werden overhandigd, een dergelijk advies van de onmiddellijke chef ontbreekt. Hij werd van zo een advies evenmin in kennis gesteld. De zaak werd onmiddellijk aan de raad van beroep voorgelegd. Dit betekent, zo besluit verzoeker, dat de bestreden beslissing werd genomen zonder voorafgaand advies van de onmiddellijke chef en zonder volledig dossier. 4.
- In de memorie van wederantwoord doet verzoeker gelden dat uit het administratief dossier blijkt dat het gemotiveerd advies ontbreekt. De loutere vermelding dat de “straf blijft behouden”, kan volgens hem niet als een IX-10.423-8/32 “gemotiveerd” advies worden beschouwd. Nochtans is dat advies belangrijk, niet alleen voor verzoeker, maar ook voor de raad van beroep. 4.
- In zijn laatste memorie betwist verzoeker de in het auditoraatsverslag bijgevallen exceptie dat hij geen belang heeft bij dit middel omdat de raad van beroep, gelet op de devolutieve werking van het administratief beroep, op grond van eigen motieven over het tuchtdossier heeft geoordeeld. Een dergelijke redenering doet volgens verzoeker uitschijnen dat het advies van de onmiddellijke chef “er niet toe doet”. Nochtans schrijft artikel 10, negende lid, van het tuchtstatuut van de verwerende partij uitdrukkelijk voor dat “[w]anneer een zaak wordt voorgelegd aan de Raad van beroep, […] de onderzoeken volledig beëindigd [moeten] zijn, […] het betrokken personeelslid al zijn verweermiddelen [moet] hebben kunnen doen gelden en […] het dossier alle elementen [moet] bevatten die van dien aard zijn dat de Raad van beroep op basis van die elementen een beslissing kan nemen met perfecte kennis van zaken”. Alleen met een volledig dossier, inclusief het gemotiveerd advies van de onmiddellijke chef, kon de raad van beroep rechtsgeldig beslissen. Er anders over oordelen, zou de bepaling van paragraaf 41 van ARPS – Bundel 550 zonder “voorwerp” maken. Niet alleen moet er een advies zijn, zo stelt verzoeker nog. Dit advies moet ook “gemotiveerd” zijn: “Stellen dat de motivering kan blijken uit het ontbreken ervan (wat dan zou moeten geïnterpreteerd worden als een impliciete motivering) is onjuist, en bovendien slechts een veronderstelling, die niet in de plaats kan komen van een ‘gemotiveerd’ advies.” Beoordeling
- Paragraaf 41 van ARPS – Bundel 550 luidt als volgt: “Wanneer het personeelslid zich rechtvaardigt naar aanleiding van een voorstel voor een maatregel tegen hem, dan is de onmiddellijke chef ertoe gehouden een gemotiveerd advies uit te brengen over deze rechtvaardiging. Daarna volgt het voorstel tot tuchtmaatregel of tot tuchtrechtelijke schorsing in de bediening de hiërarchische weg tot aan de overheid die IX-10.423-9/32 bevoegd is om een beslissing te nemen.”
- Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker naar aanleiding van het voorstel van zijn onmiddellijke chef van 22 augustus 2023 om aan hem de tuchtrechtelijke schorsing in de bediening voor zes maanden met bedreiging met afzetting op te leggen, op 30 augustus 2023 een rechtvaardiging heeft gegeven. Daarop heeft de onmiddellijke chef van verzoeker dezelfde dag als advies gegeven dat de “[s]traf blijft behouden”. Eveneens op 30 augustus 2023 heeft de hiërarchische overste van de onmiddellijke chef van verzoeker de tuchtmaatregel aan verzoeker opgelegd.
- Verzoeker heeft daarop, eveneens op 30 augustus 2023, beroep ingesteld bij de raad van beroep. Deze raad van beroep neemt, naar luid van paragraaf 52 van ARPS – Bundel 550, na onderzoek een gemotiveerde beslissing. Die beslissing is te dezen de bestreden beslissing.
- Geen bepaling van ARPS – Bundel 550 staat eraan in de weg – verzoeker wijst er overigens ook geen aan – om aan te nemen dat aan de raad van beroep ingevolge de zogenaamde devolutieve werking van de administratieve beroepsprocedure een volle hervormingsbevoegdheid is opgedragen om finaal, in laatste aanleg over de aan verzoeker op te leggen tuchtmaatregel te beslissen en dat de raad van beroep bijgevolg over dezelfde beslissingsmacht beschikt als de oorspronkelijke tuchtoverheid. Dit betekent dat de beroepen beslissing – de beslissing van de hiërarchische overste van de onmiddellijke chef van verzoeker van 30 augustus 2023 – uit het rechtsverkeer is verdwenen en dat de bestreden beslissing van de raad van beroep in de plaats ervan is gekomen, op grond van een autonome, eigen beoordeling van de zaak door het beroepsorgaan. IX-10.423-10/32
- De kritiek van verzoeker die hij in dit middel aan de orde stelt, ziet op de fase voorafgaand aan de oorspronkelijke tuchtbeslissing. Gelet op wat voorafgaat, is een dergelijke grief niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Opdat verzoeker wél belang bij zo een grief zou hebben, moet hij aantonen dat het bedoelde falen afkleurt op de eindbeslissing, omdat de raad van beroep het nog onmogelijk zou kunnen rechtzetten, minstens het met zijn beslissing niet heeft rechtgezet.
- Verzoeker doet in dat verband alleen gelden dat de raad van beroep slechts aan de hand van een “volledig dossier” kon beslissen, wat volgens hem betekent dat ook het “gemotiveerd advies” daarvan deel moest uitmaken. Evenwel dient vastgesteld, zoals gezien, dat de onmiddellijke chef na de rechtvaardiging door verzoeker wel degelijk een advies heeft gegeven, namelijk om de voorgestelde straf te behouden. Dat daarbij geen nadere motivering werd gegeven, kan dan wel worden bijgevallen. Niet valt in te zien echter hoe zulks de raad van beroep verderop in de procedure zou hebben verhinderd om met kennis van zaken over het tuchtdossier en verzoekers verweer daartegen te oordelen. Verzoeker maakt dat evenmin inzichtelijk.
- De exceptie is gegrond. Het middel is niet ontvankelijk. IX-10.423-11/32 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 12.
- Een tweede middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker betoogt dat het “volstrekt onjuist” is om te beweren dat hij de materialiteit van de tuchtfeiten niet zou betwisten. Verzoeker benadrukt voorts dat de agenten van Securail na confrontatie met de beelden moesten erkennen niets te hebben gezien. De bewering dat zij gezien hadden dat verzoeker een reiziger had geduwd, klopt bijgevolg niet. Zij hebben evenmin “voethandelingen” van verzoeker waargenomen. De onderstationschef is volgens verzoeker niet eens ondervraagd, net zomin als de betrokken reiziger. Alleen assistent S.V. heeft méér gezien, maar onderkende daarin geen geweld en hij vond dat verzoeker correct had gehandeld. De bestreden beslissing zwijgt volgens verzoeker in alle talen over de getuigenissen. De bestreden beslissing, zo gaat verzoeker voort, richt zich alleen op de camerabeelden. Daarop is volgens hem niet te zien dat hij de reiziger heeft geduwd of dat hij de val van de reiziger heeft veroorzaakt. Verzoeker stelt dat hij geen bewegingen heeft gemaakt om de reiziger hardhandig uit de trein te verwijderen; hij heeft hem alleen ervoor behoed dat hij tussen de automatisch sluitende deuren zou geraken. Dat moest snel gebeuren en verzoeker kon zich, gelet op zijn schoudertas met toestellen, niet bukken en moest daarom zijn voeten gebruiken. Verzoeker meent dat hij in het belang van de veiligheid heeft gehandeld en niet deze veiligheid in het gedrang heeft gebracht. IX-10.423-12/32 Verzoeker vat samen: “Door verzoeker een bekentenis van de feiten aan te wrijven, door te miskennen dat uit de getuigenissen geen tuchtfeiten konden afgeleid worden, wel in tegendeel, en door zich dan te beperken tot CCTV beelden die allerminst enig duidelijke daad van agressie vertonen, beperkt de Raad van Beroep de bevindingen uit het dossier en gaat over tot conclusies op een beperkte basis die de conclusies van de Raad van Beroep geenszins staven. Op die manier had de Raad van Beroep geen grondslag om de tuchtfeiten als bewezen te beschouwen.” 12.
- In de memorie van wederantwoord neemt verzoeker vooreerst akte ervan dat de verwerende partij niet heeft bedoeld te stellen dat verzoeker de feiten niet betwist. Cruciaal noemt verzoeker het, dat op de camerabeelden niet te zien zou zijn dat hij een reiziger uit de trein duwt. Voor hem is het een raadsel hoe de verwerende partij dat wél ziet. Hij wijst erop dat de personen die aanvankelijk hadden beweerd dat hij een reiziger uit de trein had gegooid, na het zien van de camerabeelden, deze beweringen hebben ingetrokken “of in ieder geval [hebben] erkend dat ze het hoogstens van horen zeggen hadden”. Verzoeker besluit dat de verwerende partij zonder enig concreet bewijs heeft geoordeeld dat hij de reiziger “op fysieke wijze” uit de trein heeft gezet. 12.
- In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat hij de camerabeelden heeft overgemaakt aan de Raad van State en níét de verwerende partij. Nochtans zou hij dat verwachten, mocht op die beelden daadwerkelijk te zien zijn dat hij de betrokken reiziger op fysieke wijze uit de trein heeft gezet. Hij meent dat de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zijn “door die beelden dan ook niet eens op te nemen in het dossier dat aan de Raad van beroep en aan de Raad van State wordt voorgelegd”. Volgens verzoeker is nergens te zien dat de reiziger als gevolg van een duw van verzoeker uit de trein is gevallen. Wanneer verzoeker de strekking IX-10.423-13/32 van deze camerabeelden betwist, kan de verwerende partij niet zomaar het tegendeel beweren. Omdat de camerabeelden geen uitsluitsel kunnen bieden over de feiten, zijn de getuigenissen van belang. De gehoorde getuigen bevestigen geen duw te hebben gezien en andere getuigen werden niet verhoord. Beoordeling
- Anders dan verzoeker het in zijn verzoekschrift ziet, leest de Raad van State in de bestreden beslissing niet dat hij de feiten niet zou betwisten. In zoverre de bestreden beslissing overweegt dat “de verdedigingsstukken die door [verzoeker] ingediend zijn, de materialiteit van de tuchtrechtelijke feiten niet in twijfel trekken”, wordt alleen geoordeeld dat wat verzoeker te zijner verdediging heeft aangevoerd de raad van beroep niet ertoe heeft gebracht te twijfelen aan het bestaan en bewezen karakter van de tuchtrechtelijke feiten. In die mate faalt het middel.
- Voor zover verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing miskent dat “uit de getuigenissen geen tuchtfeiten konden afgeleid worden”, kan hij evenmin worden bijgevallen. 15.
- De getuigenissen waarover verzoeker spreekt, zijn vooreerst deze van twee medewerkers Security van de NMBS. 15.
- In een eerste verklaring van 23 maart 2023 getuigt één van hen dat zij, opgeroepen voor een andere interventie, “als eerste de trein [verliet] en […] ineens aan [haar] rechterkant [zag] dat [verzoeker] werkelijk de man eruit gooide” en dat zij “meende ook nog gezien te hebben dat hij zijn voet zette of toch iets deed IX-10.423-14/32 met zijn voet, maar het gebeurde veel te snel allemaal”. De andere medewerker verklaart bij die gelegenheid dat hij “geen getuige [was] van het moment dat het incident zich heeft afgespeeld tussen de treinbegeleider [versta: verzoeker] en de reiziger”. 15.
- In een tweede verklaring, op 4 april 2023, nog vóór zij de camerabeelden met betrekking tot het incident te zien krijgt, stelt de eerste medewerkster dat zij, terwijl haar collega zich concentreerde op de andere interventie, “[opmerkte] dat [verzoeker] een deur verder een jongeman uit de trein gooide”. Na een confrontatie met de camerabeelden, geregistreerd vanop het perron, en de vaststelling door een onderzoeker van het C&IO “dat [zij] dit moeilijk kan gezien hebben”, antwoordt de betrokken medewerkster: “Naar ik me herinner heb ik door het raam de jongeman effectief op de grond zien liggen op het perron. Het duwen zelf heb ik misschien niet gezien, maar heb ik waarschijnlijk gehoord van de onderstationschef. De onderstationschef heeft ook duidelijk gezegd dat we moesten gaan kijken omdat er iets aan de gang was.” De andere medewerker blijft bij zijn verklaring en bevestigt: “De beelden komen grotendeels overeen met wat ik u reeds verklaarde. Het is duidelijk te zien dat ik op het moment dat de jongeman op de grond ligt, ik dit niet kon gezien hebben en dat ik evenmin gezien heb dat deze man de treinbegeleider aanviel.” 15.
- Dat de raad van beroep deze getuigenissen niet meer ter sprake brengt, hoeft bijgevolg niet te verbazen. Beide medewerkers bevestigen – minstens na inzage van de camerabeelden – dat zij de actie niet hebben gezien, niet hebben kunnen zien. Voor het vaststellen van de feiten, zijn deze verklaringen IX-10.423-15/32 bijgevolg niet dienstig, niet om eruit te besluiten dat de feiten zich effectief zoals beschreven in het voorstel tot tuchtmaatregel hebben voorgedaan, maar evenmin om zulks te ontkrachten. 15.
- In de mate dat de raad van beroep deze getuigenissen niet formeel betrekt in zijn tuchtbeslissing, zijn de door verzoeker in dit middel aangevoerde bepalingen en beginselen niet geschonden.
- Voor zover verzoeker aanstoot eraan neemt dat van de onderstationschef geen verklaring in het dossier aanwezig is, moet worden opgemerkt dat hij niet eens beweert dat deze onderstationschef getuige was van het incident. In zijn verklaring van 14 maart 2023 wijst verzoeker alleen erop dat “[d]e dame van Securail die op het perron stond […] die val [heeft] opgemerkt”. Zoals gezien, strookt dat niet met de werkelijkheid. De onderstationschef brengt verzoeker aldaar in het geheel niet ter sprake. Wat de verklaring van deze onderstationschef aan het dossier ter verheldering dan zou bijdragen, maakt verzoeker evenmin duidelijk. Overigens stond het verzoeker vrij zelf een verklaring van de onderstationschef aan zijn tuchtdossier toe te voegen. Dat heeft hij, om redenen hem eigen, niet gedaan. Alles samengenomen, ziet de Raad van State in de afwezigheid van een verklaring van de onderstationschef in het tuchtdossier geen schending van de door verzoeker aangevoerde bepalingen of beginselen gelegen.
- Dat ook van de betrokken reiziger geen verklaring is afgenomen, laat zich volgens de twee voormelde medewerkers Security als volgt verklaren: - “
- Vraag: Werd de reiziger geïdentificeerd? Indien neen, waarom niet? Antwoord: IX-10.423-16/32 Neen, aangezien er geen C170 was opgemaakt door de treinbegeleider en deze ons niet was bezorgd. De treinbegeleider heeft zijn dienst ook verder gezet en heeft niet aangegeven dat hij klacht wou indienen, waardoor wij ervan uitgingen dat hij niet geslagen was. De noodzaak om te identificeren was er dus niet.” - “
- Vraag: Werd de reiziger die betrokken was bij het incident geïdentificeerd? Indien neen, waarom niet? Antwoord: Neen, hier was geen reden voor aangezien wij geen C170 ontvingen van de treinbegeleider. Ik had ook geen weet van agressie van de jongeman naar de treinbegeleider toe, dus werd hij niet geïdentificeerd.” Dat de betrokken reiziger niet werd geïdentificeerd en dat van hem geen verklaring werd afgenomen, is bijgevolg terug te brengen tot de handelwijze van verzoeker zelf. Hij heeft ervoor geopteerd om geen – of alleszins niet tijdig een – document van vaststelling van onregelmatigheid (C170) op te maken. Alsdan kan verzoeker de verwerende partij bezwaarlijk verwijten niet het nodige te hebben gedaan om de betrokken reiziger te ondervragen. Van een schending van de door verzoeker aangevoerde bepalingen of beginselen doet dit evenmin blijken. 18.
- Dat een andere NMBS-medewerker die op de trein aanwezig was, “meer [heeft] gezien”, zoals verzoeker beweert, strookt niet met diens verklaring. Deze verklaring luidt als volgt: “Kort voor station Mechelen werd er omgeroepen dat de trein een tijdje stil zou staan in Mechelen wegens een interventie. Kort nadien controleerde de treinbegeleider twee Afrikaanse mannen ongeveer vier meter voor mij. Hun ticket was niet in orde, zei hij, en ze zouden moeten afstappen. Toen de trein in Mechelen stilstond werden er eerst twee mensen verder vooraan – 3 voertuigen verder, schat ik – van de trein gezet. Voor zover ik dat vanop afstand kon zien, verliep dat rustig. Mensen in de buurt reageerden ook niet echt. Nadien kwam de treinbegeleider de 2 Afrikaanse mannen halen, die niet direct meewerkten. Nadat hij zijn boodschap beleefd maar kordater herhaalde, stapten ze van de trein. Toen de eerste twee mensen van de trein verwijderd werden, probeerde ik IX-10.423-17/32 de wagondeur te openen om te zien wat gebeurde op het perron, maar de deur opende niet. (Check maar op camera; ik zat nabij het wc, dus te ver verwijderd om het eerste geval in detail te zien.) De trein eenmaal weer in beweging vroeg de treinbegeleider of ik wou getuigen, en noteerde mijn identificatienummer. Één v/d eerste twee reizigers zou gezegd hebben dat hij klacht zou neerleggen omdat hij fysiek niet goed behandeld ‘zou’ zijn. Ik meen mij te herinneren dat de treinbegeleider zei dat hij 1 persoon moest helpen want hij gaf niet mee. ⁎ Ik heb geen geweld gezien vanuit mijn positie (maar kon ook niet alles zien wegens de afstand). Ik heb geen kwetsuren gemerkt. ⁎ Wat heeft Securail gezien? Waarom kwamen zij niet in de trein? ⁎⁎ Hetgeen ik hoorde + zag v/d treinbegeleider was correct, zeker ten opzichte v/d 2 Afrikanen. Het eerste voorval kon ik niet volledig zien. Voor mij was hij professioneel; ook niet evident voor hem om alleen met heel wat zatlappen + gedrogeerde jongeren om te gaan. Wat een job!” 18.
- Uit deze verklaring blijkt dat het incident waarvoor verzoeker tuchtrechtelijk is vervolgd en gestraft, betrekking heeft op de in deze verklaring als eerste beschreven verwijdering van reizigers. Het is immers over die verwijdering dat de betrokkene verklaart door verzoeker te zijn gevraagd om te getuigen omdat één van hen zich “fysiek niet goed behandeld” meende, reden waarom die reiziger aankondigde een klacht te zullen indienen. Dat spoort met de verklaring van verzoeker dat de man, eens op het perron bij de medewerkster Security, “een aantal verwensingen naar [verzoeker] [heeft] geroepen als ‘ik ga u laten ontslaan’”. Over die eerste verwijdering van de voor deze zaak relevante reiziger verklaart de betrokken medewerker dat hij “nabij het wc [zat], dus te ver verwijderd om het eerste geval in detail te zien”, dat hij “[h]et eerste voorval […] niet volledig [kon] zien” en dat hij “geen geweld [heeft] gezien vanuit [zijn] positie (maar kon ook niet alles zien wegens de afstand)”. Waarom deze getuigenis in deze omstandigheden bepalend zou zijn, verduidelijkt verzoeker niet. Hij maakt bijgevolg evenmin aannemelijk dat de door hem aangevoerde bepalingen of beginselen werden geschonden. 19.
- Verzoeker betwist tot slot dat uit de camerabeelden die over het incident beschikbaar zijn, blijkt dat hij de betrokken reiziger “op fysieke wijze” uit IX-10.423-18/32 de trein heeft gezet. Daarmee voert hij een schending van de materiëlemotiveringsplicht aan. 19.
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat een administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de vraag of aan de materiëlemotiveringsplicht is voldaan, is het de Raad van State niet toegestaan om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. 19.
- Dat niet de verwerende partij, maar wel verzoeker deze beelden aan de Raad van State heeft bezorgd, kan bezwaarlijk van invloed zijn op de bestreden beslissing. In de mate dat verzoeker daarin een schending van het door hem aangevoerde beginsel ziet, is het middel niet ontvankelijk. 19.
- De bestreden beslissing stelt “dat de CCTV-beelden duidelijk aantonen dat [verzoeker] de reiziger […] op fysieke wijze de trein uitzette; meer bepaald is zichtbaar dat [verzoeker] de reiziger eerst met de handen heeft geduwd en vervolgens hem met de voeten, uit de trein verwijderde, toen deze reiziger op de grond lag”. 19.
- Verzoeker brengt daartegen in dat het “niet [is] omdat verzoeker zijn hand op de schouder legt van de reiziger dat daaruit ook zou blijken dat hij zou hebben geduwd en dat verzoeker aan de oorzaak ligt van de val van de reiziger”. IX-10.423-19/32 19.
- In zijn eerste verklaring van 23 februari 2023, naar aanleiding van een verhoor bij de spoorwegpolitie, laat verzoeker het volgende optekenen: “Ik vroeg aan de reiziger om mij te volgen op het perron naar de mensen van Securail. Bij het uitstappen maakte de man een scene en liet zich vallen halverwege het perron. Hierop is Securail dan tussenbeide gekomen.” In een volgende verklaring van 14 maart 2023 voor het C&IO verwoordt verzoeker het incident als volgt: “Ik ben naar de man zonder geldig vervoersbewijs teruggekeerd en heb hem gevraagd mij naar buiten te volgen. Hij bleef zitten. Ik heb zijn schouder vastgenomen om hem toch met mij te doen meegaan. Hij is me gevolgd en ik heb mijn hand achter hem gehouden. Net voor het verlaten van de trein is die man plots gevallen deels op de voettrede en het perron. Het is mogelijk dat hij in het tumult zijn evenwicht is verloren. Ik heb naar ik me herinner daarna het been en de voeten van de reiziger met mijn voeten opzijgeschoven zodat deze niet zouden komen vast te zitten tussen de sluitende deuren. […] Ik heb deze reiziger helemaal niet uit de trein gegooid. Deze reiziger is beginnen roepen en dit heeft ervoor gezorgd dat er een volledige verkeerde perceptie van de feiten is ontstaan bij mensen die in de buurt zaten. Ik heb mijn hand achter hem gehouden om hem naar buiten te begeleiden, aan te sporen de trein te verlaten en te verhinderen dat hij terug zou gaan zitten. […] Ik blijf erbij dat ik de betrokken reiziger heb begeleid naar buiten en heb ter hoogte van het platform geprobeerd de man de trein te doen verlaten. Op dat moment is de man gevallen of is zijn evenwicht verloren en kwam terecht deels op de voettrede van de trein en deels op het perron […]. Ik heb met een veegbeweging zijn benen en voeten opzijgeschoven zodat deze niet konden klem komen te zitten tussen de sluitende deuren.” In zijn rechtvaardiging van 30 augustus 2023 verklaart verzoeker dan weer wat volgt: “Echter geven de beelden die op het perron zijn gemaakt een vertekend beeld van de situatie. Ik heb getracht om in deze situatie de andere reizigers als de reiziger die niet in regel was, niet te verontrusten, maar hem wel naar buiten te begeleiden om de situatie verder op te lossen. Zoals in mijn verklaring bij C&IO staat, weigerde hij dit. Om hem toch uit de trein te krijgen, is er een licht fysiek contact geweest aan de schouder. Dit zonder enige intentie om de reiziger te schaden. Hij heeft zijn evenwicht verloren en is gevallen, de beweging die ik maak met mijn voet is met 100% de IX-10.423-20/32 intentie gedaan om de reiziger in veiligheid te brengen op het perron. Het is spijtig dat er geen beelden zijn van in de trein, want deze zouden alleen maar kunnen benadrukken dat ik geen enkele kwaadwillige intentie had tegen de reiziger in kwestie.” 19.
- In die opeenvolgende verklaringen valt het de Raad van State op dat verzoeker aanvankelijk niet spreekt van een lichamelijk contact tussen hemzelf en de betrokken reiziger; de betrokkene maakte zelf een scène door zich te laten vallen. Die verklaring stelt verzoeker bij door aan te geven dat hij de betrokken reiziger wel bij de schouder heeft genomen om hem naar buiten te doen gaan. Van enig lichamelijk contact op het ogenblik van het uitstappen is geen sprake; verzoeker verklaart dat hij op dat ogenblik “[zijn] hand achter hem [heeft] gehouden”. In zijn rechtvaardiging spreekt verzoeker dan weer van een “licht fysiek contact […] aan de schouder”, zonder dat hij daarbij specificeert of dit ook was op het ogenblik dat de betrokken reiziger de trein verliet. Alleszins geeft verzoeker zelf toe, al in zijn verklaring voor het C&IO op 14 maart 2023, dat er “tumult” was, wat dan een verlies van evenwicht door de reiziger zou verklaren. 19.
- De beelden over het incident die aan de Raad van State werden bezorgd, tonen verzoekers beide handen bij de betrokken reiziger op het moment dat deze laatste de trein al vallend verlaat. Meegaan in de redenering van verzoeker, namelijk dat de betrokken reiziger plots zijn evenwicht verloor en dat zijn vallen gebeurde buiten enig toedoen van verzoeker, doet de vraag rijzen waarom verzoeker, gelet op de positie van zijn handen en armen op dat ogenblik, niet bij machte was om de val van deze reiziger te verhinderen. Nog minder laat het zich verstaan waarom aan een reiziger die zijn evenwicht verliest, niet wordt aangeboden om hem opnieuw IX-10.423-21/32 overeind te helpen. In het licht daarvan, van de wijzigende verklaringen van verzoeker over het fysieke contact dat hij met de betrokken reiziger had en van het feit dat er volgens verzoeker sprake was van tumult, vermocht het bestuur in redelijkheid te oordelen dat uit de camerabeelden is op te maken dat verzoeker de betrokken reiziger uit de trein heeft geduwd. 19.
- Verzoeker mag voorts wel beweren dat hij met zijn voetbewegingen om de benen en voeten van de betrokken reiziger uit de deuropening te verwijderen, alleen maar de veiligheid van deze reiziger beoogde. Hij maakt geenszins aannemelijk dat deze handelwijze de enige mogelijkheid was om die veiligheid te verzekeren. Verzoeker verduidelijkt bijvoorbeeld niet waarom – net als de deur waarlangs de reiziger waarvoor de medewerkers Security waren opgeroepen, moest worden geëvacueerd – deze deur niet kon worden tegenhouden. 19.
- Verzoeker overtuigt op dit vlak evenmin van een schending van de materiëlemotiveringsplicht.
- Het middel kan niet tot de vernietiging leiden. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 21.
- In een derde middel voert verzoeker de schending aan van “artikel I.A.2” (hierna: paragraaf 2) en artikel “I.E.12” (hierna: paragraaf 12) van ARPS – Bundel 550, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoeker negeert de raad van beroep het feit dat IX-10.423-22/32 verzoeker op het ogenblik van de feiten niet één, maar drie problemen met reizigers op te vangen had. Nochtans is niemand gewond geraakt en is de trein op tijd in Brussel aangekomen. Evenmin houdt de raad van beroep volgens verzoeker rekening met “andere elementen”, waaronder een “zeer positief evaluatieverslag van de teamleader van 15 maart 2023”. Ook wordt uit het oog verloren, steeds volgens verzoeker, dat niet hij de agressieveling is, maar hijzelf “veeleer als personeelslid […] dagdagelijks blootgesteld wordt aan agressie”. Aan verzoeker is een tuchtmaatregel van de tweede graad opgelegd: de tuchtrechtelijke schorsing in de bediening. Dit gebeurde voor “de langst mogelijke termijn”, terwijl het om één tuchtfeit gaat en zonder dat bijkomende elementen worden aangehaald, laat staan dat van een herhaling sprake zou zijn. De verwerende partij mocht het sociaal verslag niet zomaar negeren: hij is een alleenstaande vader met een minderjarige dochter, voor wie hij alleen instaat en voor wie zijn inkomsten nodig zijn. Nergens wordt in rekening gebracht dat hij gedurende zes maanden van een inkomen verstoken zal blijven. Hij heeft zich noodgedwongen tot het OCMW gewend. De maatregel is daarom volgens verzoeker disproportioneel. Verzoeker neemt ook aanstoot eraan dat aan de tuchtstraf een “bedreiging met afzetting” wordt toegevoegd. Dit is volgens hem gebeurd zonder enige motivering en is eveneens disproportioneel. Bij de minste tekortkoming in de toekomst zal hij worden afgezet. 21.
- In de memorie van wederantwoord doet verzoeker gelden dat de raad van beroep zich ertoe heeft beperkt de feiten “dermate ernstig” te noemen IX-10.423-23/32 door te stellen dat de persoonlijke situatie van verzoeker geen verzachtende invloed kan hebben. Dit is voor verzoeker de bevestiging dat “alle overige elementen” niet in de beoordeling zijn betrokken. Verzoeker betoogt voorts dat de raad van beroep de tuchtstraf mede heeft gesteund op een gevaar voor recidive. Daarvan leest verzoeker geen enkele feitelijke of juridische onderbouwing in de bestreden beslissing en de verwerende partij gaat daarop niet in in de memorie van antwoord. Voor verzoeker is het niet duidelijk of de raad van beroep wel een “volledig inzicht” heeft gehad in zijn persoonlijke situatie. Het sociaal verslag maakt volgens hem immers geen deel uit van het administratief dossier. 21.
- In zijn laatste memorie doet verzoeker nog gelden wat volgt: “
- Verwerende partij heeft beweerd dat zij de door verzoeker aangevoerde elementen niet heeft genegeerd, terwijl dat niet uit de bestreden beslissing blijkt. Als verwerende partij beweert dat dat toch zo zou zijn, kan de auditeur op zijn beurt evenmin louter beperken tot verwijzing naar de vaststelling dat de zaken ernstig zijn.
- Verzoeker stelt vast dat de auditeur, net als verwerende partij, niet ingaat op het feit dat de opgelegde tuchtbeslissing mede gesteund werd op gevaar voor recidive, op grond waarvan een bedreiging met afzetting werd toegevoegd aan de opgelegde sanctie. Dit terwijl uit niets blijkt waaruit dat gevaar voor recidive wordt afgeleid en waarom die bijkomende verzwaring van de sanctie dan wordt uitgesproken. Het louter stellen dat het om een zwaar feit gaat, volstaat niet om te stellen dat er gevaar is voor recidive, a fortiori niet wanneer ook alle andere verzachtende elementen en argumentatie van verzoeker omtrent zijn attitude niet mee in rekening worden gebracht. De auditeur beweert […] op onbegrijpelijke wijze zelfs het tegendeel, m.n. daar waar hij ‘het gebrek aan herhaling of recidive’ als één van de elementen opsomt die ‘de straf(maat) voor die feiten op zich niet onvermijdelijk of noodzakelijk in een onredelijke of onevenredige verhouding brengen’. M.a.w. volgens de auditeur kan er dus ook sprake zijn van een recidive en kan een bedreiging met afzetting aan de sanctie worden toegevoegd, ook wanneer er helemaal geen herhaling of recidive is vastgesteld.” IX-10.423-24/32 Beoordeling 22.
- Paragraaf 2 van ARPS – Bundel 550 luidt als volgt: “De hiërarchische oversten moeten het beginsel van de gradatie van tuchtmaatregelen volgen, rekening houdend met de tuchtmaatregelen die niet verjaard zijn, overeenkomstig paragraaf
- De onmiddellijke chef maakt gebruik van zijn beoordelingsbevoegdheid om de gepaste tuchtmaatregel voor te stellen, rekening houdend met: - de ernst van de feiten; - het proportionaliteitsbeginsel; - de herhaling en het beginsel van de gradatie van de tuchtmaatregelen. De tuchtmaatregelen worden ingedeeld in twee graden, volgens hun belangrijkheid.” Paragraaf 12 van ARPS – Bundel 550 bepaalt: “De voorgestelde en/of opgelegde tuchtmaatregelen kunnen gepaard gaan met de bedreiging met strengere tuchtmaatregelen, met name in geval van ernstige tekortkomingen of herhaling.” 22.
- Verzoeker legt niet uitdrukkelijk uit in welke mate hij deze bepalingen geschonden acht. De Raad van State wil in zijn uiteenzetting wel lezen dat verzoeker paragraaf 2 van ARPS – Bundel 550 geschonden meent omdat het proportionaliteitsbeginsel is geschonden en, daarmee samenhangend, omdat hij de ernst van de feiten betwist. In die mate valt de voorgehouden schending van voormelde paragraaf 2 samen met de eveneens in het middel aangevoerde schending van het proportionaliteitsbeginsel. Voor de toepassing van paragraaf 12 van ARPS – Bundel 550 leest de Raad het verzoekschrift in die zin dat verzoeker van oordeel is dat er geen sprake is van “ernstige tekortkomingen of herhaling”.
- Ook aan de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de IX-10.423-25/32 materiëlemotiveringsplicht geeft verzoeker geen uitleg die verschilt van een schending van het evenredigheidsbeginsel.
- Aan verzoeker is de tuchtstraf ‘tuchtrechtelijke schorsing in de bediening’ voor zes maanden opgelegd met ‘bedreiging met afzetting’. Dit is de lichtste tuchtstraf van de tweede graad, naast het tuchtrechtelijk ontslag en de afzetting (paragraaf 4 van ARPS – Bundel 550). De tuchtmaatregelen van de eerste graad zijn de vermaning en de afhouding van 1/5 van de globale bruto dagwedde voor respectievelijk één, twee of vijf dagen (paragraaf 3 van ARPS – Bundel 550). De tuchtrechtelijke schorsing in de bediening wordt steeds uitgesproken in kalenderweken of -maanden, met een minimum van één kalenderweek en een maximale duur van zes kalendermaanden (paragraaf 15 van ARPS – Bundel 550). Bij een tuchtrechtelijke schorsing in de bediening wordt de bezoldiging ontzegd gedurende de volledige duur van de schorsing (paragraaf 16 van ARPS – Bundel 550).
- Bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de op te leggen tuchtstraf beschikt de tuchtoverheid over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Zij zal daarbij inzonderheid rekening dienen te houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten gepleegd zijn en de goede werking van de dienst. Het valt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om in de plaats van de tuchtoverheid een oordeel te vellen over de wenselijke strafmaat. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij haar keuze van de strafmaat een evenredige beslissing heeft genomen, dit is een beslissing die binnen de grenzen van de redelijkheid is gesitueerd. De Raad van State vermag enkel een straf die in wanverhouding staat IX-10.423-26/32 tot de ten laste gelegde en bewezen bevonden feiten als onwettig te kwalificeren, dit is een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige andere, zorgvuldig handelende overheid ze voor die feiten zou opleggen.
- In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk aangegeven waarom de raad van beroep heeft geoordeeld dat de tuchtstraf ‘tuchtrechtelijke schorsing in de bediening’ voor een periode van zes maanden met ‘bedreiging met afzetting’ het meest gepast is om te worden opgelegd op grond van de verzoeker verweten tuchtfeiten. Zo wordt er gewezen op de “ernstige schade aan de vertrouwensband” en het “dermate ernstig” karakter van de feiten. De raad van beroep vindt daarom dat verzoekers professionele en persoonlijke situatie “geen verzachtende invloed” kunnen hebben op de duur van de schorsing. Daarenboven is de raad van beroep van oordeel dat “geen enkele toekomstige recidive getolereerd zal kunnen worden”, wat de ‘bedreiging met afzetting’ tot gevolg heeft.
- Daarmee is de bestreden beslissing op het vlak van de tuchtstrafmaat formeel gemotiveerd. Van een schending van de formelemotiveringswet overtuigt verzoeker bijgevolg niet.
- Dat slechts één tuchtfeit voorhanden is, verhindert niet dat een personeelslid met de tuchtsanctie ‘tuchtrechtelijke schorsing in de bediening’ wordt bestraft. Paragraaf 14 van ARPS – Bundel 550 bepaalt dat deze tuchtmaatregel wordt opgelegd “wanneer de tekortkomingen van het personeelslid als zeer ernstig beschouwd worden […], zonder dat die maatregel evenwel beschouwd mag worden als een definitieve vertrouwensbreuk tussen het betrokken personeelslid en de Belgische spoorwegen”. Dat de raad van beroep zwaar tilt aan de feiten wordt, zoals hiervóór sub 26 gezien, in de bestreden beslissing uitdrukkelijk toegelicht. Verzoeker kan zijn tuchtstraf mogelijk als streng ervaren, maar alleen daarom is het nog niet onredelijk of onevenredig te noemen dat aan verzoeker een tuchtmaatregel van de tweede graad – overigens de lichtste tuchtstraf van de IX-10.423-27/32 tweede graad – is opgelegd. Alleszins verhinderen de voormelde bepalingen van ARPS – Bundel 550 niet dat voor het tuchtfeit waarvoor verzoeker wordt vervolgd, de tuchtmaatregel ‘tuchtrechtelijke schorsing in de bediening’ wordt opgelegd, inbegrepen de maximale duurtijd van die schorsing.
- Uit de hiervóór weergegeven overwegingen blijkt eveneens dat de raad van beroep wel degelijk verzoekers evaluatieverslag en het sociaal verslag in zijn afweging heeft betrokken. Dat hij daaraan niet het door verzoeker gewenste gevolg heeft gehecht, betekent niet ipso facto dat de door verzoeker aangehaalde bepalingen en beginselen zijn geschonden. De raad van beroep legt in de bestreden beslissing uit dat hij deze elementen – omwille van het “dermate ernstig” karakter van de feiten – niet beschouwt als gegevens die tot een mildere beoordeling moesten leiden. Het sociaal verslag over verzoeker is overigens opgenomen onder stuk nummer 12 van het administratief dossier, zodat verzoekers daarop gesteunde vrees dat de raad van beroep geen volledig zicht zou hebben gehad op zijn persoonlijke situatie, ongegrond blijkt. Aldus overtuigt verzoeker niet van de schending van de door hem aangevoerde bepalingen en beginselen.
- Welke “andere elementen” de raad van beroep uit het oog zou hebben verloren, maakt verzoeker dan weer niet inzichtelijk. In die mate is het middel onontvankelijk.
- Dat de raad van beroep niet uitdrukkelijk aandacht eraan heeft besteed dat verzoeker “niet één maar drie problemen met reizigers tegelijkertijd op IX-10.423-28/32 te vangen had”, kan hem bezwaarlijk worden verweten. Immers, verzoeker heeft zulks zelf niet eens als rechtvaardiging aan de oorspronkelijke tuchtoverheid of als verzachtende omstandigheid aan de raad van beroep voorgelegd. Ook in die mate kan het middel niet tot de vernietiging leiden.
- Verzoeker betoogt nog dat “niet [hij] de agressieveling is”. Of verzoeker – in het algemeen, zoals verzoeker het zelf stelt – een “agressieveling” is, daarover spreekt de bestreden beslissing zich niet uit. Alleen wordt vastgesteld dat verzoeker de betrokken reiziger “op fysieke wijze” uit de trein heeft verwijderd. Zoals gezien bij de bespreking van het tweede middel, brengt verzoeker de deugdelijkheid van die vaststelling niet aan het wankelen. Evenmin blijkt dat verzoeker voor “het minste feit” is gestraft. De raad van beroep heeft uiteengezet dat hij de feiten als zeer ernstig beschouwt. Ook in die mate kan het middel niet worden aangenomen.
- Verzoeker mag de opgelegde tuchtstraf als streng ervaren en gewis had de verwerende partij voor het tuchtvergrijp ook een mildere tuchtmaatregel kunnen opleggen. Dit betekent evenwel niet dat zij, door dat niet te doen, van de weeromstuit het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel zou hebben geschonden. Oordelen welke sanctie voor een tuchtvergrijp wordt opgelegd, betreft, zoals gezien, de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid. Daaraan is eigen dat ze in beginsel tot uiteenlopende beoordelingen kan leiden, die nochtans elk geacht kunnen worden binnen de grenzen te blijven van wat redelijkerwijze als evenredig te beschouwen is. Te dezen overtuigt verzoeker niet ervan dat er tussen de in aanmerking genomen disciplinaire tekortkoming en de opgelegde tuchtstraf geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. IX-10.423-29/32
- Het argument van verzoeker dat de tuchtstraf voor hem en zijn minderjarige dochter voor wie hij moet instaan, een ernstige financiële impact heeft, leidt evenmin tot een andere conclusie. De financiële impact van de tuchtstraf betreft het aan de opgelegde tuchtstraf eigen zijnde bestraffende karakter. Deze pecuniaire gevolgen doen, gelet op de door de tuchtoverheid beoordeelde ernst van de feiten en haar appreciatiebevoegdheid inzake de daarvoor op te leggen tuchtstraf, op zich niet besluiten dat het veroorzaakte pecuniaire leed van die aard is dat de tuchtoverheid hierdoor de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. 35.
- Hetzelfde geldt trouwens voor de toevoeging van de ‘bedreiging met afzetting’. Anders dan verzoeker het ziet, geeft de bestreden beslissing een verantwoording voor het feit waarom die bedreiging – zoals mogelijk gemaakt door paragraaf 12 van ARPS – Bundel 550 – aan de tuchtstraf wordt toegevoegd. In dat verband overweegt de bestreden beslissing immers dat “geen enkele toekomstige recidive getolereerd zal kunnen worden”. Dat spoort met de bepaling van voormelde paragraaf 12 dat een tuchtmaatregel met een dergelijke bedreiging gepaard kan gaan, niet alleen in geval van herhaling, maar ook in geval van “ernstige tekortkomingen”. Zoals gezien, beoordeelt de bestreden beslissing de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als ernstig. 35.
- Dat geen “recidive” zal worden getolereerd, is te begrijpen als een waarschuwing aan het adres van verzoeker: bij een volgende tuchtrechtelijke misstap dreigt de tuchtmaatregel van de afzetting. Dat de raad van beroep daarmee een reëel gevaar op recidive heeft willen benoemen, berust op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing. Anders dan verzoeker het ziet, behoeft een dergelijke waarschuwing geen nadere feitelijke of juridische onderbouwing, al was het maar IX-10.423-30/32 omdat ze geen concrete rechtsgevolgen inhoudt en slechts een voorafspiegeling biedt op waartoe bij een geval van recidive kan worden besloten. Die latere beslissing is overigens – daargelaten de waarschuwing – ook aan de proportionaliteitseis onderworpen.
- Uit wat voorafgaat, moet worden besloten dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de opgelegde tuchtstraf disproportioneel is in verhouding tot de tuchtfeiten en dat de raad van beroep in verband met de beoordeling en de keuze van de strafmaat tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat.
- Het middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.423-31/32 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.423-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.704 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div