id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.763 Rolnummer: A. 244702/VII-42869 Zaak: Arrest 263763 - Niet begeleide minderjarigen - 26/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-30 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-16 03:27 Fiche Arrest nr 263.763 van 26 juni 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 263.763 van 26 juni 2025 in de zaak A. 244.702/VII-42.869 In zake: A.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hanne van Walle kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 22 april 2025 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 14 maart 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De beschikking van 25 april 2025 stelt de procedurekalender vast. VII-42.869-1/23 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft op 4 juni 2025 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 juni 2025, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hanne van Walle, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 27 november 2024 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Jemenitische nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 24 juni
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoeker op 2 december 2024 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan VII-42.869-2/23 niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 02-12-2024 een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. De dienst Voogdij beslist op 18 december 2024 op basis van de eindconclusie van het voormelde medisch onderzoek verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. 3.
- De dienst Vreemdelingenzaken deelt op 15 januari 2025 aan de dienst Voogdij mee dat verzoeker onder een andere identiteit reeds om internationale bescherming heeft verzocht in Griekenland, waar hij als meerderjarige geregistreerd staat met als geboortedatum 24 juni
- Verzoeker blijkt in Griekenland erkend te zijn als vluchteling. Op 14 februari 2025 legt verzoeker een Jemenitisch paspoort en een geboorteakte over aan de dienst Voogdij. De dienst Voogdij beslist op 14 maart 2025 verzoekers documenten niet te aanvaarden en verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar. Verzoeker zal geen voogd krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VII-42.869-3/23 V. Ernst van de middelen Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet- begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), “te lezen conform” de artikelen 25 en 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) “en de samenwerkingsplicht”, van “het hoorrecht, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen van Unierecht”, van de artikelen 4, 7, 20, 24.2, 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van “de motiveringsplicht” zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), “evenals van de beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel”, en van de artikelen 3 en 8 iuncto 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). VII-42.869-4/23
- In een voorafgaande opmerking en in een eerste middelonderdeel “de bijstand van een voogd en geïnformeerde toestemming” citeert verzoeker artikel 7 van de voogdijwet, artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 en artikel 25.5 van richtlijn 2013/
- Hij merkt op dat hij in Griekenland reeds internationale bescherming heeft verkregen en ook in België een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verzoeker voert aan dat artikel 7 van de voogdijwet niet de omzetting vormt van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 maar wel richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd. De door de dienst Voogdij georganiseerde leeftijdstest vormt een toepassing van het voornoemde artikel 25.
- De aanstelling van een voogd voor een verzoeker om internationale bescherming die aangeeft minderjarig te zijn, valt onder het Unierecht. Verzoeker vervolgt dat artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 gepaard gaat met een appreciatiebevoegdheid. Gelet op het ingrijpend en onnauwkeurig karakter ervan, is de verwerende partij niet verplicht om een medische test te organiseren, aldus verzoeker. Uit de structuur en logica van artikel 25 van richtlijn 2013/32 kan worden afgeleid dat het de bedoeling is van de Uniewetgever dat eerst een voogd wordt aangesteld en later, nadat aan de informatie- en bijstandsverplichting is voldaan, in geval van twijfel overwogen kan worden om een medisch leeftijdsonderzoek uit te voeren. Deze bepaling dient bovendien in het licht van het IVRK te worden gelezen. Verzoeker verwijst dienaangaande onder meer naar de standpunten van het VN-Comité voor de Rechten van het Kind (hierna: VN-Kinderrechtencomité) “en andere gezaghebbende instanties”. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voegt daar nog aan toe dat deze vereiste samen met de vereisten van bijstand van een raadsman en de mogelijkheid om geïnformeerd in te stemmen met een medisch leeftijdsonderzoek, op grond van het vermoeden van minderjarigheid gelden als noodzakelijke procedurele waarborgen. VII-42.869-5/23 Te dezen heeft verzoeker geen voogd noch opvang gekregen voordat de leeftijdstest werd afgenomen. Verzoeker werd niet correct geïnformeerd over de leeftijdstest en de gevolgen ervan, noch over de mogelijkheid deze test te weigeren en de gevolgen daarvan. De summiere eenzijdige registratie in de “fiche niet-begeleide minderjarige” van de dienst Vreemdelingenzaken, waarvan de rubriek “[v]erklaringen van de persoon met betrekking tot de geuite twijfel” niet werd ingevuld, volstaat niet om te voldoen aan de vereiste van geïnformeerde toestemming. Er kan overigens niet worden geverifieerd in welke taal verzoeker de informatie zou hebben ontvangen noch of hij die informatie grondig kon doornemen en aftoetsen met een voogd of advocaat vooraleer in te stemmen met de medische test. Verzoeker beschikte niet over een voogd of een advocaat zodat hij niet met de nodige procedurele garanties zijn toestemming voor de leeftijdstest kon geven. Zonder deze bijstand kon verzoeker niet weten wat de medische leeftijdsbepaling inhoudt noch hoe een dergelijke leeftijdsbepaling het zeer moeilijk tot onmogelijk maakt een nieuwe beslissing te verkrijgen over zijn leeftijd op basis van documenten en verklaringen die zijn leeftijd kunnen aantonen. Dit maakt een schending uit van verzoekers recht op een privéleven zoals gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van verzoekers hoger belang als kind zoals gewaarborgd door artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van artikel 7 van de voogdijwet gelezen conform artikel 25.5 van richtlijn 2013/
- In dit verband wijst verzoeker er nog op dat het EHRM deze praktijk heeft veroordeeld in zijn recent arrest van 6 maart 2025 in de zaak 47836/21, F.B. tegen België. Verzoeker laat gelden dat de verklaarde leeftijd een essentieel element van verzoekers identiteit uitmaakt en bovendien een kernelement is voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming dat in direct verband staat met verzoekers algemene geloofwaardigheid. De bestreden beslissing heeft dan ook verregaande gevolgen voor verzoekers geloofwaardigheid in zijn asielprocedure. VII-42.869-6/23 Voorts acht verzoeker het onredelijk dat hij niet eerst uitgebreid werd gehoord en hem niet de kans werd geboden alle nuttige informatie en documenten te verzamelen alvorens werd overgegaan tot een medische leeftijdstest, terwijl de bestreden beslissing een definitieve beoordeling betreft en geen tegensprekelijk ex nunc onderzoek in volle rechtsmacht mogelijk is voor de dienst Voogdij en de Raad van State, hetgeen conform de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in het licht van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel nochtans absoluut noodzakelijk is. Aangaande de toepassing van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie merkt verzoeker ten slotte op dat deze bepaling ten volle moet gelden ofschoon op basis van de resultaten van de medische leeftijdstest wordt besloten tot de meerderjarigheid van de betrokkene. Een andere interpretatie acht verzoeker in strijd met het recht op een effectief rechtsmiddel, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het enkele feit dat verzoeker heeft verklaard minderjarig te zijn, vereist dat de procedurele garanties die voortvloeien uit het hoger belang van het kind toegepast dienen te worden. Dit standpunt wordt bijgetreden door het VN- Kinderrechtencomité en ook het EHRM is van oordeel dat het hoger belang van het kind toepassing moet vinden in de procedure waarbij een medische leeftijdstest die op meerderjarigheid wijst, wordt aangevochten.
- In een tweede middelonderdeel “met betrekking tot het recht op nauwgezet en zorgvuldig onderzoek” herhaalt verzoeker dat hem geen voogd werd toegewezen op het eerst nuttige ogenblik en alleszins niet voor het uitvoeren van de medische test. Verzoeker licht toe dat de registratie van zijn leeftijd in Griekenland pas werd aangehaald in de tweede leeftijdsbeslissing. Hij werd nooit gehoord over de omstandigheden waarin hij zijn leeftijd opgaf in Griekenland en werd ook nooit gevraagd of er stukken konden worden verzameld die zijn verklaarde leeftijd gedocumenteerd aan de hand van zijn paspoort en geboorteakte VII-42.869-7/23 verder zouden kunnen ondersteunen. De verwerende partij had op zijn minst contact moeten opnemen met de Griekse overheid, hetgeen blijkt uit rechtspraak van het Hof van Justitie. Verzoeker merkt nog op dat geen psycho-affectief of multidisciplinair onderzoek werd uitgevoerd. De bestreden beslissing vermeldt dat verzoeker op 12 maart 2025 een gesprek had op de dienst Voogdij, doch hij heeft nooit een afschrift van dit gesprek ontvangen, ondanks dat hij dit heeft opgevraagd. Verzoeker kan zich niet correct verdedigen tegen de bestreden beslissing doordat niet wordt verduidelijkt welke elementen van zijn verklaringen incoherent zouden zijn en hoe dit een impact zou kunnen hebben op zijn verklaarde leeftijd. Verder zet verzoeker uiteen dat het hoorrecht wordt voorgeschreven door artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat primeert op nationale bepalingen, en dat het Hof van Justitie in een arrest van 22 november 2012 in de zaak C-277/11, M. tegen Ierland verduidelijkt heeft dat het hoorrecht van algemene toepassing is. Het hoorrecht waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden. Het recht om in elke procedure te worden gehoord maakt integraal deel uit van de rechten van verdediging als fundamenteel beginsel van Unierecht en is niet alleen verankerd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie maar ook in artikel 41 van dat Handvest, dat het recht op behoorlijk bestuur waarborgt. Verzoeker is niet in de mogelijkheid geweest om effectief gehoord te worden en de nodige documenten te verzamelen. Verzoeker voert aan dat op grond van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 het minst ingrijpende medisch onderzoek moet worden georganiseerd, volgens het Europees Asielagentschap pas nadat alle andere mogelijkheden om de leeftijd te schatten zijn uitgeput. Het VN- Kinderrechtencomité vereist dat niet enkel met het fysieke voorkomen maar ook VII-42.869-8/23 met de psychologische maturiteit van de betrokkene rekening wordt gehouden. Ook het EHRM wijst in de arresten van 21 juli 2022 in de zaak 5797/17, D. en C. tegen Italië en 6 maart 2025 in de zaak 47836/21, F.B. tegen België op het belang van een holistische en multidisciplinaire leeftijdsschatting. Op grond van een richtlijnconforme interpretatie van artikel 7 van de voogdijwet en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, evenals de in artikel 4 van richtlijn 2011/95 voorziene samenwerkingsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel, is ook de verwerende partij hiertoe gehouden. Tot slot was de dienst Voogdij op grond van artikel 3 iuncto artikel 13 van het EVRM verplicht verzoekers identiteit en leeftijd aan een nauwgezet en nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, wat hij naliet. Verzoeker laat gelden dat de beoordeling van de verklaarde leeftijd van een verzoeker om internationale bescherming, inclusief de betwisting hiervan, deel uitmaakt van de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, dit overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95 en artikel 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), dat er de omzetting van is. Uit dit laatste artikel blijkt dat verklaringen en documenten met betrekking tot verzoekers leeftijd en identiteit kernelementen zijn voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming die in direct verband staan met verzoekers algemene geloofwaardigheid. De samenwerkingsplicht verplicht de dienst Voogdij ertoe gebruik te maken van alle nuttige en beschikbare onderzoeken om verzoekers leeftijd en identiteit vast te stellen. Volgens het zorgvuldigheidsbeginsel moet hij eveneens gebruik maken van alle mogelijke middelen om bij de notoir inaccurate medische leeftijdsinschatting de leeftijd toch zo dicht en accuraat mogelijk te benaderen. De dienst Voogdij had de mogelijkheid om meteen een voogd aan te stellen, om verzoeker uitgebreid te horen en te interviewen over zijn familieleden, om verzoekers maturiteit in te schatten, om verzoekers familieleden te contacteren, om een psycho-affectieve test uit te voeren, om verzoeker een redelijke termijn te gunnen waarbinnen hij alle beschikbare leeftijdsindicaties kon verzamelen en om VII-42.869-9/23 geen medische leeftijdstest te organiseren, doch maakte geen gebruik van deze mogelijkheden. Hij gaf, zonder dit te verantwoorden op een andere basis, de voorkeur aan de resultaten van het medisch onderzoek boven verzoekers documenten. Op zijn minst is aanvullend onderzoek en aanvullende motivering nodig.
- In een derde middelonderdeel “schending van artikel 7 van Titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de Programmawet van 24 december 2002 en van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, te lezen conform artikel 25 en 46 van de Procedurerichtlijn, artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn en de samenwerkingsplicht; schending van het hoorrecht, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel als algemenerechtsbeginselen van Unierecht; schending van artikelen 4, 7, 20, 24.2, 41 en 47 van het Handvest van Grondrechten; schending van de motiveringsplicht vervat in artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, evenals van de beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk de zorgvuldigheidsplicht”, benadrukt verzoeker dat hij een authentiek verklaard paspoort en een authentiek verklaarde geboorteakte heeft neergelegd. Volgens hem kan de verwerende partij zich niet louter baseren op het feit dat er “in het algemeen documentenfraude voorkomt in Jemen” om zijn internationaal paspoort niet te aanvaarden, terwijl zijn document als authentiek beoordeeld werd. Bovendien wordt in de bestreden beslissing slechts partieel geciteerd uit het algemeen ambtsbericht over Jemen van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken van augustus 2022 om dit te ondersteunen. De volledige paragraaf bevestigt immers dat het frequent gebeurt dat paspoorten worden aangevraagd per volmacht. Verder acht verzoeker de keuze van de dienst Voogdij om voorrang te geven aan een leeftijdstest zonder bijkomend onderzoek te verrichten en zonder te beschikken over concrete elementen die aantonen dat verzoekers echt verklaarde documenten niet zouden overeenkomen met zijn echte leeftijd, kennelijk onredelijk en in strijd met de nood aan een nauwgezet onderzoek, zoals VII-42.869-10/23 vereist door het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel dat wordt gewaarborgd door de artikelen 4, 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, samen gelezen met artikel 47 van dat Handvest. Verzoeker wijst erop dat artikel 46.3 van richtlijn 2013/32 vereist dat het rechtsmiddel tegen de beoordeling van materiële feiten in de zin van artikel 4 van richtlijn 2011/95 een ex nunc-onderzoek inhoudt van de feitelijke en juridische gronden. Te dezen vond omtrent verzoekers leeftijd geen nauwgezet en gedegen onderzoek plaats. Voorts beschouwt verzoeker dat er geen enkele wettelijke bepaling is die aangeeft dat de medische leeftijdstest primeert op een authentiek paspoort, integendeel. Het betreft slechts een element dat naast andere elementen te goeder trouw en zorgvuldig moet worden afgewogen tegenover de andere elementen, bestaande uit verzoekers verklaringen en de stukken die hij ter ondersteuning daarvan voorlegt. Daarbij onderscheidt verzoeker de bewijskracht van stukken van de erkenning van akten volgens het WIPR. Zo dient een document niet gelegaliseerd te worden om bewijskrachtig te zijn, doch wel om erkend te worden. Te dezen werd de echtheid van verzoekers paspoort bevestigd door de politie. De dienst Voogdij kon niet discretionair beslissen om het resultaat van de medische leeftijdstest te laten primeren. Onder verwijzing naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens meent verzoeker namelijk dat een zorgvuldige afweging diende plaats te vinden van al zijn documenten en verklaringen. Het is bovendien volstrekt onredelijk en onzorgvuldig dat de dienst Voogdij de resultaten van het medisch onderzoek als doorslaggevend beschouwt voor de leeftijdsschatting, stellende dat “wij een verschil van 2.06 jaar te groot vinden”, terwijl een standaarddeviatie bijvoorbeeld ook 2 jaar is en terwijl het authentiek verklaarde paspoort het tegendeel bewijst. Zodoende schendt de bestreden beslissing artikel 4 iuncto 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, evenals de artikelen 7 en 24 van dat Handvest en artikel 25.5 van richtlijn 2013/
- In een vierde en laatste middelonderdeel “met betrekking [tot] de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de test en het voordeel van de twijfel” VII-42.869-11/23 acht verzoeker de medische leeftijdstest “op zich onnauwkeurig en weinig precies”, hetgeen hij omstandig toelicht. Hij benadrukt het belang van het voordeel van de twijfel, waarbij de laagst mogelijke leeftijd in aanmerking moet worden genomen. Vervolgens betwist verzoeker de interpretatie van de resultaten van zijn leeftijdstest. Op basis van de handpolsradiografie besluit de arts dat verzoeker een matuur skelet heeft, wat wijst op een leeftijd van minstens 18 jaar. Verzoeker stelt zich ernstige vragen bij deze interpretatie en bemerkt dat deze volgens de literatuur berust op een foutieve lezing van de oorspronkelijke studie. Een individu met een volgroeid handpolsgewricht zou een kans van 61 % hebben om minderjarig te zijn of 22 % volgens een meer conservatieve schatting. Aangaande het radiologisch onderzoek van het sternoclaviculaire gewricht leest verzoeker in het medisch verslag dat een zichtbare frissuur aanwezig is, waaruit verzoeker de aanwezigheid van een scheur in het sleutelbeen afleidt. Niettemin wordt de impact van deze scheur op de geschatte leeftijd niet verder verduidelijkt. Waar de arts verwijst naar het onderzoek van Schmeling et al. om te besluiten tot een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar, blijkt niet uitgesloten te zijn dat verzoeker jonger is dan 18 jaar gelet op het gebruik van het woord “rond”. Het is volgens verzoeker voldoende aangetoond dat het medisch leeftijdsonderzoek te dezen gebreken vertoont en dat het moeilijk te achterhalen is of zijn verklaarde leeftijd volledig werd uitgesloten door het resultaat van het onderzoek. Tot slot meent verzoeker dat de dienst Voogdij met de bestreden beslissing het hoger belang van het kind en artikel 8 van het EVRM heeft geschonden door zich te beperken tot het uitvoeren van een medische leeftijdstest zonder enige motivering daaromtrent. VII-42.869-12/23 Beoordeling Algemeen
- In de mate dat verzoeker verwijst naar richtlijn 2013/32, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat deze in haar artikel 1 uitdrukkelijk “de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming” beoogt. Zoals verzoeker terecht opmerkt, vormt de voogdijwet niet de omzetting van deze richtlijn. De voogdijwet dateert van vóór de richtlijn en maakt geen onderscheid naargelang de betrokkenen “de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben gevraagd” dan wel “niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”. Het in de voogdijwet voorziene leeftijdsonderzoek heeft enkel tot doel in geval van twijfel na te gaan of de betrokkenen al dan niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en hen dus al dan niet een voogd moet worden toegekend. Het gaat op het eerste gezicht niet om een beoordeling in het licht van een verzoek om internationale bescherming. De thans bestreden beslissing is overigens niet genomen door een asielinstantie maar door de dienst Voogdij van de Federale Overheidsdienst Justitie. De bestreden beslissing valt ook niet onder de toepassing van artikel 46 van richtlijn 2013/32, zodat verzoeker zich alleen al om die reden niet dienstig op deze richtlijnbepaling lijkt te kunnen beroepen. Bovendien voorziet noch artikel 25.5 van deze richtlijn noch enige andere bepaling de vereiste van een rechtsmiddel met een ex nunc- beoordeling tegen een beslissing zoals de thans bestreden beslissing.
- Artikel 4 van richtlijn 2011/95 heeft betrekking op de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming. De bestreden beslissing, die louter een leeftijdsschatting inhoudt en niet is genomen door een asielinstantie, valt daar prima facie niet onder. VII-42.869-13/23 Artikel 48/6 van de vreemdelingenwet heeft uitsluitend betrekking op de door “een verzoeker om internationale bescherming” bij te brengen “elementen ter staving van zijn verzoek” en dit bij de “met het onderzoek van het verzoek belaste instanties”. De bestreden beslissing is niet genomen door dergelijke instantie en houdt ook geen verband met het voorgaande doch betreft slechts een voorafgaande schatting of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en aldus al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Indien de thans bestreden beslissing ertoe zou leiden dat in een beslissing omtrent het verzoek om internationale bescherming verzoekers verklaarde leeftijd niet wordt aanvaard en dit zou worden beschouwd als een tegenindicatie voor de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas, kan verzoeker daartegen overigens alsnog de rechtsmiddelen uitputten waarover hij beschikt, met de mogelijkheid van een beroep met hervormingsbevoegdheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van een cassatieberoep bij de Raad van State tegen de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoekers omstandige kritiek die betrekking heeft op de beoordeling van de voorgehouden leeftijd in het licht van een verzoek om internationale bescherming, is op het eerste gezicht dan ook niet dienstig, net omdat de thans bestreden beslissing geen uitstaans heeft met de behandeling van een verzoek om internationale bescherming.
- Waar verzoeker zich doorheen de uiteenzetting van de verschillende middelonderdelen baseert op voormelde bepalingen en richtlijnen en de schending ervan opwerpt, kan niet tot de ernst van het enige middel worden besloten. VII-42.869-14/23 Eerste onderdeel van het enige middel
- Het eerste middelonderdeel is voornamelijk gericht tegen het medisch onderzoek zelf, meer specifiek de procedure die hieraan voorafging, met name het gebrek aan geïnformeerde toestemming voor het medisch onderzoek, waaraan verzoeker de schending van artikel 8 van het EVRM en van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie koppelt. Deze kritiek lijkt thans echter niet meer op dienstige wijze te kunnen worden aangevoerd, omdat deze betrekking heeft op de procedure die heeft geleid tot de eerste leeftijdsbeslissing van 18 december 2024, waarbij op het medisch onderzoek van 2 december 2024 wordt gesteund. Verzoeker heeft de beslissing van 18 december 2024 niet met een annulatieberoep aangevochten, zodat ze definitief is geworden. Verzoeker lijkt zijn kritiek bijgevolg niet meer te kunnen richten tegen de thans bestreden beslissing. In de mate dat verzoekers kritiek betrekking heeft op de gevolgen van de bestreden beslissing voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent supra is gesteld.
- Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van artikel 12 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind in het Belgische recht, blijkt uit het medisch onderzoek en de bestreden beslissing dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Zoals blijkt uit de beoordeling van het tweede en derde middelonderdeel infra lijkt verzoeker de onwettigheid van deze vaststelling niet aan te tonen, zodat hij zich niet kan beroepen op die verdragsbepaling. Dit laatste geldt eveneens voor artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat het VN-Kinderrechtencomité hierover een ander standpunt zou hebben ingenomen, doet geen afbreuk aan het voorgaande.
- Het eerste onderdeel van het enige middel is niet ernstig. VII-42.869-15/23 Tweede onderdeel van het enige middel
- In de mate dat verzoeker zijn kritiek richt tegen het medisch onderzoek, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middelonderdeel supra.
- Waar verzoeker aanvoert dat zijn hoorrecht is geschonden, blijkt uit de bestreden beslissing dat verzoeker op 12 maart 2025 door de dienst Voogdij is gehoord, in aanwezigheid van een tolk. Hij maakt niet aannemelijk dat hij op dat ogenblik niet in de mogelijkheid was om de nodige verduidelijkingen te geven over zijn asielaanvraag in Griekenland en zijn aldaar opgegeven identiteit en geboortedatum. Op het eerste gezicht lijkt verzoeker wel degelijk in staat te zijn gesteld om zijn standpunt uiteen te zetten, zodat zijn hoorrecht is nageleefd. De “onderzoeksplicht” die op de Belgische Staat zou rusten om informatie op te vragen bij de Griekse autoriteiten lijkt bovendien enkel te gelden voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Gelet op het voorgaande kan verzoeker te dezen niet dienstig verwijzen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024 in de zaak C-753/22, QY t. Bundesrepublik Deutschland. De omstandigheid dat verzoeker (nog) niet in bezit is gesteld van een afschrift van het onderhoud van 12 maart 2025, heeft niet tot gevolg dat de beslissing “niet nauwgezet of onzorgvuldig” is genomen. Anders dan hoe verzoeker het ziet, lijkt de bestreden beslissing te verduidelijken waarom zijn verklaringen incoherent worden bevonden, namelijk omdat verzoekers “verklaringen […] in enkele opzichten [verschilden] van wat [hij] eerder al had verklaard bij de Dienst Vreemdelingenzaken”.
- Verzoeker laat gelden dat de dienst Voogdij op grond van artikel 3 iuncto artikel 13 van het EVRM verplicht is “een nauwgezet en nauwkeurig onderzoek” te voeren naar zijn identiteit en leeftijd. Wat dat betreft kan worden verwezen naar het definitieve karakter van de leeftijdsbeslissing van VII-42.869-16/23 18 december 2024, evenals naar de beoordeling van het derde middelonderdeel infra, waaruit blijkt dat verzoeker er prima facie niet in slaagt om aan te tonen dat de dienst Voogdij ten onrechte heeft beslist om verzoeker als ouder dan 18 jaar te beschouwen. Verzoeker licht niet anders toe op welke wijze het door artikel 3 van het EVRM opgelegde verbod van folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen zou zijn geschonden met de bestreden beslissing, die enkel een leeftijdsschatting inhoudt.
- Het tweede onderdeel van het enige middel is niet ernstig. Derde onderdeel van het enige middel
- Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Dat in dergelijke gevallen uitdrukkelijk een leeftijdsonderzoek wordt voorzien, houdt overigens niet in dat de bestreden beslissing op zich het evenredigheidsbeginsel zou schenden. Voor zover verzoekers grief in wezen kritiek op de wet vormt, is ze op het eerste gezicht niet ontvankelijk. Anders dan hoe verzoeker het ziet, diende de dienst Voogdij verzoekers verklaringen of documenten niet te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Wat de beoordeling van de bewijswaarde van de hem voorgelegde stukken betreft, VII-42.869-17/23 beschikt de dienst Voogdij over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid en is hij er niet toe gehouden verzoekers verklaringen en documenten te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2, van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR), naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten mag worden aangebracht met alle middelen. Het resultaat van een medische leeftijdsschatting vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. In de mate dat verzoeker meent dat het resultaat van een medisch onderzoek niet kan primeren op zijn authentieke documenten, gelet op de geringe betrouwbaarheid van medische leeftijdstesten, beperkt hij zich tot algemene kritiek, zonder dat te dezen blijkt dat het uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen of dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar zou zijn. A fortiori, zoals hoger reeds werd opgemerkt, blijkt de eerste leeftijdsbeslissing van 18 december 2024, waarbij op het medisch onderzoek van 2 december 2024 wordt gesteund, bij gebreke aan een door verzoeker ingesteld annulatieberoep definitief te zijn geworden. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan verzoekers verklaringen wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld.
- Waar verzoeker in het middel van oordeel is dat zijn documenten dienen te primeren op de resultaten van het medisch onderzoek, lijkt hij in wezen een schending van de materiëlemotiveringsplicht op te werpen. Deze houdt in dat VII-42.869-18/23 iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Anders dan verzoeker voorhoudt, blijkt niet dat de bestreden beslissing uitsluitend wordt gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek. De bestreden beslissing om verzoeker als ouder dan 18 jaar te beschouwen blijkt genomen te zijn op basis van “alle elementen”. De dienst Voogdij heeft naast het resultaat van het medisch onderzoek blijkens de bestreden beslissing ook rekening gehouden met het door verzoeker neergelegde paspoort en zijn geboorteakte, de informatie van de dienst Vreemdelingenzaken dat verzoeker in Griekenland internationale bescherming heeft aangevraagd onder een andere identiteit en verzoekers verklaringen tijdens een gesprek op 12 maart 2025 op de dienst Voogdij. Omtrent verzoekers paspoort motiveert de dienst Voogdij in de bestreden beslissing, na het advies van de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Valsheden van de Federale Politie te hebben ingewonnen, dat het wel degelijk om een waarachtig document gaat, doch dat hij het document niet aanvaardt. Hij wijst er onder meer op dat Jemen gekend is voor massale documentfraude en verwijst naar het algemeen ambtsbericht over Jemen van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken van augustus 2022 waaruit zou blijken dat paspoorten niet bij volmacht door derden mogen worden aangevraagd, hetgeen te dezen is gebeurd. Deze motieven lijken echter slechts overtollige motieven te zijn, zodat verzoekers kritiek ertegen niet tot de ernst van het middel kan doen besluiten. De dienst Voogdij voegt aan zijn motivering immers nog toe dat hij documenten VII-42.869-19/23 aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van het medisch onderzoek en de leeftijd zoals die blijkt uit de documenten, redelijk en dus niet te groot is. Hij oordeelt te dezen dat een verschil van 2,06 jaar tussen verzoekers jongste leeftijd die blijkt uit het medisch onderzoek en zijn verklaarde leeftijd die blijkt uit de overgelegde documenten te groot is, waardoor hij verzoekers documenten niet aanvaardt en zich baseert op het resultaat van het medisch onderzoek. Bovendien verwijst de dienst Voogdij in de bestreden beslissing naar artikel 28 van het WIPR dat handelt over de bewijskracht van buitenlandse authentieke akten en meer specifiek naar het supra reeds aangehaalde artikel 28, § 2 van het WIPR. De dienst Voogdij heeft bij het nemen van de bestreden beslissing wel degelijk rekening gehouden met verzoekers documenten en gemotiveerd waarom hij deze niet aanvaardt. Ten slotte wijst de dienst Voogdij erop dat verzoekers verklaringen tijdens het gesprek in aanwezigheid van een tolk op 12 maart 2025 op de dienst Voogdij, in enkele opzichten verschilden van de verklaringen die verzoeker aflegde bij de dienst Vreemdelingenzaken. De dienst Voogdij besluit wat dat betreft dat verzoekers verklaringen omtrent de documenten die hij tijdens zijn reis heeft gehad en aan de autoriteiten overhandigde, incoherent zijn. Deze motieven, die blijkens de bestreden beslissing steunen op “alle elementen” uit verzoekers dossier, lijken op het eerste gezicht te volstaan om deze beslissing te dragen, minstens toont verzoeker niet aan dat de dienst Voogdij op kennelijk onredelijke wijze heeft beslist dat hij wordt beschouwd als ouder dan 18 jaar. Ook wat de neergelegde documenten betreft, lijkt de dienst Voogdij zijn appreciatiebevoegdheid niet te buiten zijn gegaan. Verzoeker maakt met zijn kritiek op het eerste gezicht geen schending aannemelijk van de materiëlemotiveringsplicht, noch van artikel 7 van de voogdijwet of van het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- Het derde onderdeel van het enige middel is niet ernstig. VII-42.869-20/23 Vierde onderdeel van het enige middel
- Verzoeker uit eerst algemene kritiek op het gebruik van medisch onderzoek voor leeftijdsschatting en gaat vervolgens in op de interpretatie door de arts van de concrete resultaten van zijn medische leeftijdstest. Deze kritiek heeft uitsluitend betrekking op de eerste leeftijdsbeslissing van 18 december 2024, die verzoeker niet met een annulatieberoep heeft aangevochten zodat ze definitief is geworden. Verzoeker kan zijn kritiek niet meer richten tegen de thans bestreden beslissing.
- Het vierde onderdeel van het enige middel is niet ernstig. De overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen
- Verzoeker zet niet anders uiteen dan met de voorgaande kritiek, die niet tot de ernst van het middel kon leiden, op welke wijze de overige in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen zouden zijn geschonden met de bestreden beslissing. Wat de opgeworpen schending van de formelemotiveringsplicht, zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreft, dient te worden opgemerkt dat verzoeker geen belang lijkt te hebben bij het opwerpen van deze schending, minstens blijkt de doelstelling van die plicht te zijn bereikt. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in die beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat het verslag van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing wordt betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker VII-42.869-21/23 voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Verzoeker heeft overigens duidelijk kennis van de resultaten van de drie uitgevoerde onderzoeken, te weten het orthopantomogram, het onderzoek van de sleutelbeenderen en de handpolsradiografie die in het medisch verslag van 2 december 2024 zijn opgenomen, vermits hij in het middel omstandig ingaat op de beoordeling ervan. De dienst Voogdij heeft blijkens de bestreden beslissing ook rekening gehouden met het door verzoeker neergelegde paspoort en zijn geboorteakte, de informatie van de dienst Vreemdelingenzaken dat verzoeker in Griekenland internationale bescherming heeft aangevraagd onder een andere identiteit en de verklaringen die verzoeker aflegde tijdens een gesprek op 12 maart 2025 op de dienst Voogdij. Verzoeker verduidelijkt niet waarom deze motivering hem niet in staat zou stellen te begrijpen waarom de dienst Voogdij het resultaat van het medisch onderzoek laat primeren op zijn verklaringen en documenten. Conclusie
- Het ontbreekt het enige middel aan de vereiste ernst. Bij gebreke aan minstens één ernstig middel waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord, wordt niet voldaan aan één van de voorwaarden die gesteld worden in artikel 17, §1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opdat de vordering tot schorsing kan worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-42.869-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.869-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.763 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.671 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div