← België

Arrest 263792 - Tucht (openbaar ambt) - 27/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.792 Rolnummer: A. 242094/XII-9581 Zaak: Arrest 263792 - Tucht (openbaar ambt) - 27/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-08 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-16 03:17 Fiche Arrest nr 263.792 van 27 juni 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.792 no lien 284154 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 263.792 van 27 juni 2025 in de zaak A. 242.094/XII-9581 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 72-73 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 5 juni 2024, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de vervangende korpschef van de Politiezone Gent van 8 april 2024 waarbij aan 1ste hoofdinspecteur […] de tuchtstraf van ‘de waarschuwing’ wordt opgelegd”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. XII-9581-1/13 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 juni
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gert Op de Beeck, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor verzoeker en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is eerste hoofdinspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.
  6. Op 27 november 2023 krijgt de gewone tuchtoverheid kennis van mogelijke tuchtfeiten in hoofde van verzoeker die zich diezelfde dag zouden hebben voorgedaan. 3.
  7. De gewone tuchtoverheid stelt op 28 november 2023 naar aanleiding van deze melding een voorafgaand onderzoeker aan. XII-9581-2/13 3.
  8. Op 29 januari 2024 bezorgt de voorafgaand onderzoeker zijn verslag aan de gewone tuchtoverheid. 3.
  9. Op 19 februari 2024 stelt de gewone tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Het inleidend verslag wordt op 28 februari 2024 tegen ontvangstbewijs aan verzoeker overhandigd. 3.
  10. Op 29 maart 2024 dient verzoeker een schriftelijk verweer in. 3.
  11. Op 8 april 2024 wordt verzoeker gehoord door de vervangend korpschef. 3.
  12. Op 8 april 2024 beslist de vervangend korpschef om verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  13. De bestreden beslissing wordt op 8 april 2024 tegen ontvangstbewijs ter kennis gegeven aan verzoeker. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie
  14. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij de exceptie op dat het beroep niet-ontvankelijk is bij gebrek aan een ontvankelijk middel. In de laatste memorie handhaaft de verwerende partij deze exceptie. Zij zet uiteen dat, aangenomen dat de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.792 XII-9581-3/13 (hierna: wet van 7 december 1998) en de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet) de openbare orde raken, dit niet voor alle artikelen geldt. Volgens de verwerende partij geldt dit met name niet voor artikel 46 van de wet van 7 december 1998 en evenmin voor artikel 66bis van de tuchtwet, daar die bepalingen niet de bevoegdheid van een tuchtorgaan, maar de samenstelling en werking van een tuchtorgaan betreffen. Beoordeling
  15. Uit wat volgt, blijkt dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het enig middel, opgeworpen door de verwerende partij, wordt verworpen (zie infra, nrs. 9-10). Hieruit volgt dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep, die louter steunt op de niet-ontvankelijkheid van het enig middel, ongegrond is.
  16. De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. V. Onderzoek van het enig middel A. Exceptie van gebrek aan belang Uiteenzetting van de exceptie
  17. De verwerende partij zet in de memorie van antwoord uiteen dat het middel staat of valt met de rechtsgeldigheid van het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 waarbij, in algemene termen, de korpschef “bij verlof” wordt vervangen door hoofdcommissaris van politie N.K., die de bestreden beslissing heeft genomen. De verwerende partij wijst erop dat verzoeker op de hoogte was van het gegeven dat hoofdcommissaris van politie N.K. zowel tijdens de hoorzitting als bij het nemen van de bestreden beslissing zou zetelen als vervangend korpschef. Door desbetreffend geen enkel voorbehoud te formuleren tijdens de hoorzitting en pas voor de Raad van State de onwettigheid van het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 – waarbij hoofdcommissaris van politie N.K. als vervangend korpschef werd aangesteld – aan te voeren, is het enig middel niet- XII-9581-4/13 ontvankelijk. De verwerende partij wijst er voorts op dat ter zake niet de onbe- voegdheid van de tuchtoverheid ter discussie staat, maar de “samenstelling” ervan. In de laatste memorie handhaaft de verwerende partij deze exceptie.
  18. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat de onbevoegdheid van de tuchtoverheid de openbare orde raakt, zodat verzoeker geen afstand kan doen van “deze regel”. De verwerende partij miskent volgens verzoeker dit openbareordekarakter door te argumenteren dat geen enkel voorbehoud werd geformuleerd naar aanleiding van de hoorzitting van 8 april
  19. Voorts werpt verzoeker op dat pas in de bestreden beslissing voor het eerst is verwezen naar het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023, dat de rechtsgrond zou vormen om hoofdcommissaris van politie N.K. in de plaats van de korpschef te laten optreden. Bijgevolg kon verzoeker maar voor het eerst in zijn beroep tot nietigverklaring de onwettigheid van dit besluit van de burgemeester inroepen. Verzoeker benadrukt voorts dat het enig middel wel degelijk betrekking heeft op de onbevoegdheid van de steller van de handeling: enkel de korpschef of zijn rechtsgeldig aangestelde vervanger was bevoegd om de bestreden beslissing te nemen. Daar het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 volgens verzoeker onwettig is, was hoofdcommissaris van politie N.K. niet rechtsgeldig aangesteld als vervangend korpschef en derhalve niet bevoegd om de bestreden beslissing te nemen. In de laatste memorie sluit verzoeker zich aan bij de beoordeling van de exceptie in het auditoraatsverslag. Beoordeling
  20. Daargelaten dat te dezen wel degelijk de bevoegdheid van de gewone tuchtoverheid in het geding is en die bevoegdheid de openbare orde raakt, schrijft geen algemene rechtsregel voor dat de Raad van State in het kader van een beroep tot nietigverklaring enkel kennis mag nemen van grieven of middelen die reeds tijdens de administratieve procedure door de betrokkene werden aangevoerd. XII-9581-5/13 De verwerende partij wijst ook geen specifieke wettelijke bepaling aan die verzoeker uitdrukkelijk ertoe zou verplichten om, op straffe van niet- ontvankelijkheid in de latere rechtsgang, bepaalde middelen voor te leggen in de loop van de procedure voor de tuchtoverheid. De verwerende partij doet evenmin gelden dat verzoeker uitdrukkelijk afstand zou hebben gedaan van het recht om zich tegen een bepaalde onregelmatigheid te verweren. Het verval van het recht om onregelmatigheden als middel aan de Raad van State voor te leggen is een zware sanctie die slechts uitzonderlijk kan worden toegepast, met name wanneer verzoeker welbewust, met welhaast bedrieglijk opzet een hem bekend juridisch bezwaar heeft achtergehouden, om er de tuchtoverheid mee te kunnen verschalken, indien de uitkomst van de tuchtprocedure hem niet welgevallig zou zijn. De bewijslast berust daarenboven bij wie zich op de kwade trouw beroept. In dit geval gaat de verwerende partij aan die bewijsvoering voorbij. Zij werpt enkel op dat inzake de grief die het voorwerp uitmaakt van het te beoordelen middel verzoeker tijdens de hoorzitting voor de tuchtoverheid geen enkel voorbehoud heeft geformuleerd. Hoe hieruit een opzettelijk én bedrieglijk verzuim moet blijken, toont zij niet aan.
  21. De exceptie wordt verworpen. B. Ten gronde Uiteenzetting van het enig middel
  22. Verzoeker voert in het verzoekschrift tot nietigverklaring de schending aan van de artikelen 17 en 19 van de tuchtwet en van artikel 46 van de wet van 7 december 1998, alsook de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, doordat de bestreden beslissing werd genomen door de vervangend korpschef, aangesteld bij besluit van de burgemeester van 14 juli 2023, terwijl dat besluit in strijd is met artikel 46 van de wet van 7 december 1998 en XII-9581-6/13 aldus buiten toepassing moet worden gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet. Verzoeker vat het middel in het verzoekschrift als volgt samen: “Het eerste en enige middel van verzoekende partij betreft de schending van de artikelen 17 en 19 Tuchtwet en artikel 46 WGP. De bestreden beslissing waarbij aan verzoekende partij een waarschuwing als lichte tuchtstraf wordt opgelegd is immers niet uitgevaardigd door de tuchtoverheid van verzoekende partij of door een persoon die de tuchtoverheid rechtsgeldig kon vervangen. De lichte tuchtstraf werd immers opgelegd door een persoon dewelke tot vervangend korpschef werd aangesteld door middel van een onwettig besluit van de burgemeester van Gent. Waar overeenkomstig artikel 46 WGP de korpschef immers slechts ‘geval per geval’ kan worden vervangen door de burgemeester ingeval van afwezigheid of verhindering, is in casu sprake van een algemene vervangingsregeling waardoor dit besluit onwettig is en de opsteller van de bestreden beslissing niet bevoegd was om verzoekende partij een lichte tuchtstraf op te leggen. Aangezien de tuchtbevoegdheid een toegewezen bevoegdheid betreft en de openbare orde aanbelangt en de tuchtstraf werd opgelegd door een niet bevoegd persoon dient de bestreden beslissing te worden vernietigd.”
  23. In de memorie van wederantwoord voert verzoeker aan dat de verwerende partij miskent dat – zoals blijkt uit de aanhef van het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 – dat besluit wel degelijk zijn rechtsgrond vindt in artikel 46 van de wet van 7 december 1998 en niet in artikel 66bis van de tuchtwet. Het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 heeft volgens verzoeker duidelijk tot doel om in een algemene vervangingsregeling te voorzien in geval van afwezigheid van de korpschef. Op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, bestond enkel dit besluit. Het besluit van de burgemeester van 22 augustus 2024 waarmee louter wordt bevestigd dat het delegatiebesluit van 14 juli 2023 op 8 april 2024 – datum van de bestreden beslissing – volle uitwerking had, wijzigt volgens verzoeker niets aan het onwettig karakter van het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 en aan de onbevoegdheid van de vervangend korpschef om op 8 april 2024 een tuchtbeslissing te nemen. Verzoeker zet uiteen dat noch artikel 46 van de wet van 7 december 1998 noch artikel 66bis van de tuchtwet de burgemeester toelaat om in een algemene vervangingsregeling voor de korpschef te voorzien, laat staan post factum. Voorts voert verzoeker aan dat de verwerende partij eveneens ten onrechte meent dat artikel 66bis van de tuchtwet artikel 46 van de wet van 7 december 1998 buitenspel zou zetten. Artikel 66bis van XII-9581-7/13 de tuchtwet houdt enkel in dat wanneer er sprake is van een rechtsgeldig aangestelde vervanger, deze vervanger de bevoegdheden uitoefent van diegene die hij vervangt. Deze bepaling machtigt volgens verzoeker de burgemeester niet om in afwijking van artikel 46 van de wet van 7 december 1998 een algemene vervangingsregeling uit te werken. Zelfs in de hypothese dat artikel 66bis van de tuchtwet tot gevolg heeft dat artikel 46 van de wet van 7 december 1998 terzijde kan worden geschoven, geldt volgens verzoeker ook voor artikel 66bis van de tuchtwet dat de delegatie slechts tijdelijk kan gebeuren en niet door middel van een algemene vervangingsregeling zoals in het besluit van de burgemeester van 14 juli
  24. Verzoeker besluit dat, gelet op artikel 159 van de Grondwet, het onwettige besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 buiten toepassing moet worden gelaten. Gelet op deze onwettigheid en gelet op het ontbreken van een besluit van de burgemeester waarbij hoofdcommissaris van politie N.K. wordt aangesteld tot vervangend korpschef voor de periode waarin de bestreden beslissing is genomen, is de bestreden beslissing volgens verzoeker niet genomen door de bevoegde tuchtoverheid en bijgevolg onwettig.
  25. In de laatste memorie voert verzoeker aan dat het auditoraats- verslag terecht oordeelt dat enkel artikel 46 van de wet van 7 december 1998 de rechtsgrond vormt voor de aanstelling van de vervangend korpschef, maar onterecht oordeelt dat het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 daarmee in overeenstemming is. Uit het gegeven dat luidens artikel 46 van de wet van 7 december 1998 een vervangend korpschef moet worden aangesteld “in geval van afwezigheid of verhindering” leidt verzoeker af dat dit “geval per geval” moet gebeuren. Op grond van die bepaling kan volgens verzoeker slechts een vervangend korpschef worden aangesteld in geval van effectieve afwezigheid of verhindering en laat die bepaling de burgemeester niet toe om een besluit uit te vaardigen waarbij een vervangend korpschef wordt aangesteld voor het hypothetische geval dat de korpschef afwezig of verhinderd zou zijn. Voorts gaat verzoeker in op de in het auditoraatsverslag vermelde rechtspraak, eensdeels, door erop te wijzen dat in het ene geval het een prima facie beoordeling in het kader van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betrof, en anderdeels, met het standpunt dat uit die arresten juist zou volgen dat er voor elke periode van afwezigheid of verhindering wel degelijk een afzonderlijk besluit ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.792 XII-9581-8/13 vereist is en dat de wettigheid van het besluit tot aanstelling van een vervangend korpschef in die specifieke zaak niet werd beoordeeld. Tot slot acht verzoeker het standpunt in het auditoraatsverslag dat het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 eerder zou getuigen van vooruitziend en efficiënt bestuur, niet relevant om te beoordelen of dat besluit in overeenstemming is met artikel 46 van de wet van 7 december
  26. Beoordeling
  27. Artikel 17 van de tuchtwet luidt: “De tuchtoverheden zijn enerzijds de gewone tuchtoverheden en anderzijds de hogere tuchtoverheden. De gewone tuchtoverheid legt de lichte tuchtstraffen op. De hogere tuchtoverheid kan de lichte en de zware tuchtstraffen opleggen.” Artikel 19 van de tuchtwet luidt: “De gewone tuchtoverheid is: 1° wat de personeelsleden van de lokale politie betreft: a) voor de leden van het kader van agenten van politie, het basis- en middenkader en de personeelsleden van een ander niveau dan het niveau A: de korpschef; […]” Artikel 46 van de wet van 7 december 1998 luidt: “In geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef stelt de burgemeester of het politiecollege onder de leden van het politiekorps met de hoogste graad, de vervangende korpschef aan.”
  28. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het enige middel op grond van de volgende overwegingen: “
  29. In essentie is ter zake de rechtsgeldigheid van het burgemeestersbesluit van 14 juli 2023 aan de orde, en dientengevolge de bevoegdheid van HCP [N.K.] om verzoeker – bij thans bestreden besluit – een tuchtstraf op te leggen, die door verzoeker wordt betwist. Het verweer van de verwerende partij komt er wezenlijk op neer dat in de omstandigheden van deze zaak de verwerende partij zich mag beroepen op artikel 66bis Tuchtwet Politie, dat – volgens de verwerende partij – het door verzoeker geschonden geachte artikel 46 WGP buitenspel zet. XII-9581-9/13
  30. Artikel 66bis van de Tuchtwet Politie staat toe dat de tuchtbevoegdheid wordt uitgeoefend door de persoon die de titularis vervangt bij diens tijdelijke afwezigheid of verhindering. Te dezen gaat het om de tuchtbevoegdheid die – conform artikelen 17 en 19 van de Tuchtwet Politie – aan de korpschef wordt toegewezen. Het is dan evident wel zaak om die vervanging van de titularis in overeenstemming met de heersende regelgeving te doen plaatsvinden, wat door verzoeker wordt betwist.
  31. Het is net artikel 46 WGP dat er in voorziet dat – in geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef, de burgemeester of het politiecollege onder de leden van het politiekorps met de hoogste graad de vervangende korpschef aanstelt. Artikel 46 WGP is van toepassing wanneer de korpschef verhinderd is de totaliteit van zijn bevoegdheden uit te oefenen, en vergt een formeel optreden van de burgemeester. (Cfr. RvS 23 december 2009, nr. 199.226; tevens: RvS 15 januari 2021, nr. 249.498 en (eindarrest in die zaak) RvS 3 april 2023, nr. 256.196)
  32. In het burgemeestersbesluit van 14 juli 2023 wordt artikel 46 WGP niet enkel expliciet als rechtsgrond aangehaald, maar daarnaast strekt dit burgemeestersbesluit er duidelijk toe een vervanger aan te duiden ingeval de korpschef afwezig of verhinderd is. Deze (tijdelijke) vervanging van de korpschef impliceert dan ook de overdracht van de totaliteit van diens bevoegdheden aan diegene die hem tijdelijk vervangt. Het is pas wanneer in een rechtsgeldige – i.e. conform artikel 46 WGP – vervanging van de korpschef wordt voorzien, dat diens bevoegdheden – waaronder derhalve ook diens toegewezen tuchtbevoegdheden ex artikelen 17 en 19 van de Tuchtwet Politie – overgedragen kunnen worden geacht. Anders dan de verwerende partij lijkt aan te nemen, is artikel 66bis Tuchtwet Politie in de omstandigheden van deze zaak geenszins van aard artikel 46 WGP ‘buitenspel’ te zetten. Nog daargelaten dat niet kan worden ingezien hoe deze uitdrukkelijke rechtsgrond voor de vervanging van de korpschef (en dus de draagwijdte van het burgemeestersbesluit van 14 juli 2023) a posteriori met terugwerkende kracht zou kunnen worden gewijzigd of aangevuld (hangende de procedure bij de Raad van State, bij burgemeestersbesluit van 22 augustus 2024), dient artikel 46 WGP hoe dan ook te worden nageleefd teneinde ter zake in de rechtsgeldige vervanging van de korpschef te voorzien zoals de burgemeester die op het oog had.
  33. Het komt er dan evident op aan een correcte inschatting te maken van (de draagwijdte) van) dit artikel 46 WGP. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat deze bepaling een – in de woorden van verzoeker – ‘algemene vervangingsregeling’ in de weg staat, zoals die in casu bij burgemeestersbesluit van 14 juli 2023 zou zijn voorzien. Artikel 46 WGP vereist volgens verzoeker immers een specifiek besluit ter vervanging van de korpschef in de betrokken periode (verlof korpschef van 29 maart 2024 tot en met 12 april 2024), en deze vervanging moet volgens hem ‘geval per geval’ gebeuren ‘ingeval van afwezigheid of verhindering’, wat dan ook ‘geval per geval’ een formele akte van de burgemeester zou vereisen. Verzoeker zoekt hiervoor voornamelijk steun in de parlementaire voorbereiding van artikel 172bis van de Nieuwe Gemeentewet, waarvan artikel 46 WGP de overname is (Parl. St., Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1991-92, stuk 454/4, p. 13-15), en in het arrest RvS 19 april 2010, nr. 203.
  34. Naar het oordeel van de auditeur-verslaggever berust het standpunt van verzoeker evenwel op een te strikte lezing van artikel 46 WGP.
  35. In de mate waarin verzoeker naar parlementaire voorbereiding verwijst, moet vooreerst worden opgemerkt dat deze – zo nodig ten minste – een bepaling kan verduidelijken, maar er niets aan vermag toe te voegen dat er niet uitdrukkelijk staat of er redelijkerwijze in kan gelezen worden. De parlementaire stukken waarnaar verzoeker verwijst, betreffen overigens een weergave van de gezegdes tijdens de commissiezitting van 2 juli 1992, wat het XII-9581-10/13 belang ervan hoe dan ook beperkter lijkt te maken dan voor een memorie van toelichting zou gelden.
  36. Vast staat dat artikel 46 WGP de bevoegdheid om over de vervanging van de korpschef te beslissen ingeval van diens afwezigheid of verhindering in een ééngemeentepolitiezone uitdrukkelijk bij de burgemeester legt, die daarvoor een uitdrukkelijke beslissing moet nemen. Blijkens de parlementaire voorbereiding wordt ‘in geen automatische vervanging voorzien zoals voor de burgemeester’, wat geenszins betekent ‘dat de vervanging enkel kan gebeuren omdat ze functioneel voor een bepaalde administratieve procedure vereist is’, maar ‘eveneens [kan] gebeuren wanneer de korpschef bijvoorbeeld voor één maand met verlof gaat’. Er wordt “in geen automatisme qua vervanging […] voorzien”, maar er is ‘geval per geval een formele akte van de burgemeester vereist’. De bevoegdheid ter zake wordt dus bij de burgemeester gelegd, die bij formele akte een vervangende korpschef moet aanstellen. Dat er geen ‘automatisme’ geldt, valt anders te begrijpen dan voorgehouden door verzoeker. Er werd effectief geen wettelijke bepaling uitgewerkt – zoals die voor de vervanging van de burgemeester op dat ogenblik wel bestond – die voorschrijft wie de korpschef ‘automatisch’ vervangt. Artikel 14 van de Nieuwe Gemeentewet voorzag er toen immers in dat bij ontstentenis of verhindering van de burgemeester, zijn ambt zou worden waargenomen door de eerstgekozen schepen van Belgische nationaliteit, tenzij de burgemeester zijn bevoegdheid aan een andere schepen van Belgische nationaliteit heeft opgedragen. Anders dan voor de vervanging van de burgemeester op dat ogenblik geldt, wordt met artikel 46 WGP dus effectief geen bepaling uitgewerkt die in de automatische vervanging voorziet van een afwezige of verhinderde korpschef. Aangezien [in] het ontwerp niet in een automatisme qua vervanging wordt voorzien, is integendeel ‘geval per geval’ een formele burgemeestersakte vereist. Het komt elke burgemeester op zich toe bij formele akte een vervanger aan te duiden.
  37. Dat de bevoegde minister in de commissie voorts aangeeft ‘geen voorstander’ te zijn van ‘algemene maatregelen’ en benadrukt dat de burgemeester vrij moet kunnen handelen, waarbij hij bijkomend ook belicht waarom hij daar (persoonlijk) geen voorstander van is, doet naar het oordeel van de auditeur-verslaggever niets af aan de mogelijkheid die voor elke burgemeester op zich wél bestaat om een regeling als in casu bij burgemeestersbesluit van 14 juli 2023 uit te werken. Artikel 46 WGP sluit dit niet uit en laat burgemeesters daar effectief ‘vrij’ in. Niets verzet zich tegen een invulling zoals verzoeker die op het oog heeft, maar evenmin verzet zich iets tegen de regeling zoals die ter zake door de verwerende partij werd uitgewerkt. Niets weerhoudt de burgemeester ervan dit desgewenst ‘geval per geval’ te doen op de wijze waarop verzoeker dit klaarblijkelijk op het oog heeft, maar even zo goed kan – anticipatief – in de aanstelling van een vervangende korpschef worden voorzien voor het geval de korpschef afwezig of verhinderd is.
  38. De concrete, door verzoeker betwiste regeling in casu brengt met zich dat in geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef van Politiezone Gent, HCP [F.R.], de directeur van de directie operaties van Politiezone Gent, HCP [N.K.], wordt aangesteld als vervangend korpschef (artikel 1), en dat in geval van gelijktijdige afwezigheid of verhindering van de korpschef van Politiezone Gent, HCP [F.R.], en de directeur van de directie operaties van Politiezone Gent, HCP [N.K.], het hoofd van de Wijkdienst van Politiezone Gent, HCP [K.V.], wordt aangesteld als vervangend korpschef (artikel 2). Met het burgemeestersbesluit van 14 juli 2023 wordt derhalve voorzien in de aanstelling van een vervangende korpschef ingeval van afwezigheid of verhindering van de korpschef, zoals artikel 46 WGP vereist. De enige betwisting die desgevallend kan rijzen, is óf de korpschef wel effectief afwezig of verhinderd is, maar dit gegeven op zich – het verlof van de korpschef van vrijdag 29 maart 2024 tot en met vrijdag 12 april 2024 – werd en wordt door ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.792 XII-9581-11/13 verzoeker op geen enkel ogenblik betwist. Verzoeker was trouwens ook afdoende op de hoogte van het verlof van de korpschef, gelet op de kennisgeving via het interne publicatieblad POLI-zine (inclusief de mededeling dat de korpschef deze periode zou worden vervangen door HCP [N.K.]) evenals specifiek per e-mail van 4 april 2024 (eveneens met de mededeling dat de zitting derhalve zou doorgaan met de vervangende korpschef [N.K.]).
  39. Ook uit de parlementaire voorbereiding blijkt derhalve vooral dat de wetgever met artikel 46 WGP een werkzame procedure beoogde, waarbij veel vrijheid aan de burgemeester wordt gelaten, aan wie het toekomt bij formele akte een vervanger aan te stellen. In de specifiek situatie die ten grondslag ligt van het arrest RvS 19 april 2010, nr. 203.040, ontbrak het net aan een dergelijke formele akte en werd de korpschef niet bevoegd geacht om – per e-mail – zijn vervanger aan te duiden. In deze zaak bleek dus niet dat de burgemeester de vervangende korpschef had aangesteld (zodat deze zaak zelfs met korte debatten kon worden beslecht). Een dergelijke formele akte is in casu, met het burgemeestersbesluit van 14 juli 2023, echter net wel voorhanden. Dat ‘geval per geval’ een burgemeestersbesluit zich opdringt, op de wijze zoals verzoeker dit opvat, blijkt als zodanig niet uit artikel 46 WGP. Artikel 46 WGP vereist niet dat voor elk geval van verhindering of afwezigheid van de korpschef een nieuwe vervangingsbeslissing wordt genomen. (Cfr. CdE 27 maart 2017, nr. 237.790) Het burgemeestersbesluit van 14 juli 2023 lijkt eerder te getuigen van vooruitziend en efficiënt bestuur, [door] – voorafgaand aan het moment waarop de afwezigheid/verhindering intreedt – aan te duiden wie alsdan – als deze situatie zich voordoet – wordt aangesteld als vervangende korpschef.
  40. Het burgemeestersbesluit van 14 juli 2023 is niet onwettig, en behoeft derhalve niet buiten toepassing te worden verklaard. De vervangende korpschef HCP [N.K.] was de bevoegde overheid om bij thans bestreden besluit van 8 april 2024 aan verzoeker een tuchtstraf op te leggen.”
  41. Verzoeker betwist deze conclusie. Na kennisneming van het auditoraatsverslag beperkt verzoeker zich evenwel tot het samenvattend herhalen van wat hij reeds in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord aanvoerde en het standpunt dat “[d]e lezing van verzoekende partij […] de enige [is] dewelke volledig in overeenstemming is met het artikel”, zonder daarbij in te gaan op de beoordeling gemaakt in het auditoraatsverslag, laat staan die beoordeling te weerleggen. Ook het loutere standpunt dat een arrest waarnaar het auditoraatsverslag verwijst slechts een prima facie beoordeling behelst, doet niet anders oordelen. Met de kritiek dat in andere arresten waarnaar het auditoraatsverslag verwijst, de Raad van State juist bevestigt dat er voor elke specifieke periode van afwezigheid of verhindering een afzonderlijk besluit vereist is, getuigt verzoeker weliswaar van een eigen interpretatie van die rechtspraak, maar toont hij niet aan waarom de beoordeling in het auditoraatsverslag onjuist zou zijn, nog daargelaten dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent, zodat verzoeker er derhalve geen leer uit kan halen. XII-9581-12/13
  42. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat het enig middel ongegrond is.
  43. Het enig middel is ongegrond. BESLISSING
  44. De Raad van State verwerpt het beroep.
  45. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  46. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9581-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.792 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.