← België

Arrest 263793 - Dierenwelzijn - 27/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.793 Rolnummer: A. 243229/XII-9778 Zaak: Arrest 263793 - Dierenwelzijn - 27/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-08 Raadplegingen: 184 - laatst gezien 2026-06-18 17:49 Fiche Arrest nr 263.793 van 27 juni 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.793 no lien 284155 identiques ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(

  1. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  2. s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
  3. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  4. s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 263.793 van 27 juni 2025 in de zaak A. 243.229/XII-9778 In zake : T.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Godfried De Smedt kantoor houdend te 9160 Lokeren Roomstraat 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 oktober 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het Departement Omgeving, afdeling Dierenwelzijn […] van 21 augustus 2024, dossiernummer G-24-4424”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. XII-9778-1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 juni 2025. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lars De Coster, die loco advocaat Godfried De Smedt verschijnt voor verzoekster en advocaat Joost Hoste, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 15 juli 2024 doet de lokale politie – bij een bezoek aan verzoekster in het kader van een klacht wegens geluidshinder door hanen – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot de hond van verzoekster. 3.2. Op 18 juli 2024 wordt de hond van verzoekster bestuurlijk in beslag genomen. 3.3. Op 27 juli 2024 wordt verzoekster strafrechtelijk verhoord. 3.4. Op 22 augustus 2024 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: wet van 14 augustus 1986) de hond in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar de hond op dat ogenblik verblijft. XII-9778-2/9 Dit is de bestreden beslissing. 3.5. Op 25 augustus 2024 wordt de hond ‘geadopteerd’ door een derde. IV. Ontvankelijkheid van het beroep: exceptie inzake het gebrek aan belang Standpunt van de partijen 4. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoekster geen belang meer heeft bij het beroep, daar een eventuele vernietiging haar geen direct en persoonlijk voordeel meer kan bieden. De hond die het voorwerp vormt van de bestreden bestemmingsbeslissing is inmiddels door derden ‘geadopteerd’. Een gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing doet volgens de verwerende partij in hoofde van deze derden geen verplichting ontstaan om de hond terug te geven aan verzoekster. In de laatste memorie voegt de verwerende partij hieraan toe dat zelfs na een nietigverklaring van de bestreden beslissing een terugkeer van de hond naar verzoekster niet meer mogelijk is. Voorts sluit de verwerende partij zich aan bij het auditoraatsverslag. In geen enkele hypothese heeft het asiel na een gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing een grondslag om de teruggave van het dier te eisen, aldus de verwerende partij, zelfs niet, indien na nietigverklaring met een nieuwe bestemmingsbeslissing zou worden beslist tot de teruggave van de hond. Het beroep van verzoekster is bijgevolg niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang, minstens gelet op het zeer hypothetisch en zeer onzeker belang. 5. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoekster op de exceptie dat de ‘adoptie’ niet tot gevolg heeft dat zij niet langer over het vereiste belang beschikt. Haar belang bestaat erin dat zij zich op grond van de nietigverklaring van de bestreden beslissing in rechte kan verzetten tegen het “adoptiecontract”, dat voor haar een res inter alios acta is. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State zet verzoekster uiteen dat de argumentatie van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.793 XII-9778-3/9 de verwerende partij onvoldoende is om het belang van verzoekster als te onrechtstreeks of anderszins ontoereikend te beschouwen. Voorts wijst verzoekster erop dat zij zich nooit akkoord heeft verklaard met de overdracht van de hond aan een derde, waarbij zij verwijst naar haar verzet tegen de verandering van de titularis in DogID. Verzoekster besluit dat indien het beroep niet-ontvankelijk zou worden bevonden om de reden aangehaald door de verwerende partij, dit tot gevolg zou hebben dat haar in feite elk recht wordt ontzegd om zich te verzetten tegen de inbeslagname van de hond. Aan verzoekster is immers niet meegedeeld in welk asiel haar hond verbleef en aan wie haar hond werd overgedragen, zodat zij zich niet tot de burgerlijke rechter kan wenden. Het beroep bij de Raad van State is haar enige beroepsmogelijkheid. In het verzoek tot verderzetting van de rechtspleging verwijst verzoekster zonder meer naar haar eerdere procedurestukken. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). XII-9778-4/9 Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2 en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient erover te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). 7. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie vertrekt van het uitgangspunt dat ingevolge de ‘adoptie’ door een derde van verzoeksters hond, die door de bestreden beslissing in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 in volle eigendom is overgedragen aan het asiel, het onmogelijk is geworden om de hond nog terug te bezorgen aan verzoekster, daar in hoofde van deze derde daartoe geen verplichting ontstaat na de nietigverklaring van de bestreden beslissing. XII-9778-5/9 8. De vernietiging door de Raad van State van een bestuurshandeling geldt erga omnes en heeft bovendien terugwerkende kracht. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, zodat de bestreden rechtshandeling moet worden geacht nooit te hebben bestaan. Het bestuur dat de vernietigde bestuurshandeling heeft genomen, is er vervolgens toe gehouden – met eerbiediging van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest – het gepaste rechtsherstel te bieden. 9. Te dezen wordt in dat verband vastgesteld dat – indien de bestreden beslissing zou worden vernietigd – dit tot gevolg heeft dat in toepassing van artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 het daaraan voorafgaande beslag, vermeld in paragraaf 1 van die bepaling, van rechtswege wordt opgeheven. In die hypothese moet de bestreden beslissing immers worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat er sprake is van het uitblijven van een bestemmingsbeslissing, zoals bedoeld in artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024. Bij het uitblijven van een dergelijke bestemmingsbeslissing na zestig dagen vanaf de datum van inbeslagname wordt het beslag overeenkomstig artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 van rechtswege opgeheven. Het voorgaande heeft tot gevolg dat, in het kader van het rechtsherstel na een gebeurlijke nietigverklaring, de hond in beginsel aan verzoekster moet worden terugbezorgd. 10. De verwerende partij wijst er evenwel op dat de hond inmiddels aan een derde is overgedragen. Daargelaten dat uit het voorgelegde “adoptiecontract” niet met zekerheid blijkt dat daarmee de volle eigendom over de hond aan een derde is overgedragen – laat staan onherroepelijk – is de Raad van State niet bevoegd zich over de aard, de geldigheid en de gevolgen van deze overeenkomst of verbintenis uit te spreken. Die bevoegdheid komt de rechtbanken van de rechterlijke orde toe. XII-9778-6/9 In zoverre verzoeksters belang bij het beroep er ultiem in bestaat de hond terug te krijgen, mag het dan ook eerder theoretisch en ijl heten. Dat is op zich niettemin onvoldoende om het a priori als (
  5. te)onrechtstreeks of anderszins ontoereikend te verwerpen. 11. Daarbij komt dat verzoekster haar belang niet beperkt tot het terugkrijgen van haar hond. In het verzoekschrift wijdt zij geen uiteenzetting aan haar belang bij het beroep. Zoals hiervoor uiteengezet, rust er op verzoekster echter geen stelplicht desbetreffend (zie supra, nr. 6). Nadat zij wordt geconfronteerd met de exceptie van de verwerende partij, wijst verzoekster er onder meer op dat zij zich op grond van de nietigverklaring van de bestreden beslissing in rechte kan verzetten tegen het “adoptiecontract”, dat voor haar een res inter alios acta is. Zij zet ook uiteen dat, indien het beroep louter omwille van dat “adoptiecontract” niet- ontvankelijk zou worden bevonden, dit tot gevolg zou hebben dat haar in feite elk recht wordt ontzegd om zich te verzetten tegen de bestreden beslissing, daar bij gebrek aan de informatie in welk asiel haar hond verbleef en aan wie haar hond werd overgedragen, zij zich niet tot de burgerlijke rechter kan wenden, zodat het beroep bij de Raad van State haar enige beroepsmogelijkheid is. Het is verzoekster er aldus ook om te doen om zich een toegang tot de rechter te verzekeren, om de bestreden bestemmingsbeslissing en de daarop volgende overdracht van haar hond aan een derde, te betwisten. Indien verzoekster in die omstandigheden geen ontvankelijk beroep bij de Raad van State zou kunnen instellen, louter omdat de hond door het asiel inmiddels aan een derde is overgedragen en waarbij het aan de Raad van State niet toekomt om zich uit te spreken over de aard van die overdracht en de eventuele gevolgen daarvan op de verplichting van de verwerende partij om rechtsherstel te bieden na een gebeurlijke nietigverklaring, zou het getuigen van een al te restrictieve benadering van het begrip “belang” om aan verzoekster elk belang bij het voorliggende beroep te ontzeggen en haar recht op toegang tot de rechter, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’ ondertekend te Rome op 4 november 1950, op een onevenredige wijze inperken. XII-9778-7/9 12. Zoals hiervoor uiteengezet, dient de Raad van State erover te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (zie supra, nr. 6). Te dezen stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing verzoekster niet enkel benadeelt. De eventueel tussen te komen nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verzoekster ook een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. Deze vaststelling volstaat opdat verzoekster een belang heeft bij het beroep. 13. De exceptie wordt verworpen. V. Aanvullend onderzoek 14. Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het onderzoek van de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen door de verwerende partij, waarvan in de huidige stand van het onderzoek niet blijkt dat die leidt tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de Auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. XII-9778-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9778-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.793 Gerelateerde publicatie(
  6. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.691 citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.