id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.803 Rolnummer: A. 244797/VII-42885 Zaak: Arrest 263803 - Niet begeleide minderjarigen - 27/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-30 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-16 03:17 Fiche Arrest nr 263.803 van 27 juni 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.803 no lien 284164 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 263.803 van 27 juni 2025 in de zaak A. 244.797/VII-42.885 In zake: F.J. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Noémie Segers kantoor houdend te 1000 Brussel Huidevettersstraat 58-62 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Verzoekster dient met een enig verzoekschrift op 5 mei 2025 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 6 maart 2025 waarbij wordt beslist verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De beschikking van 7 mei 2025 stelt de procedurekalender vast. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-42.885-1/11 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft op 2 juni 2025 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 juni 2025, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lotte Buekenhout, die loco advocaat Noémie Segers verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster komt België binnen en zij wordt op 27 februari 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Zij heeft verklaard van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 18 februari
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoeksters voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoekster op 5 maart 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of zij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoekster “op datum van 05-03-2025 een leeftijd heeft van 21,7 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. VII-42.885-2/11 De dienst Voogdij beslist op 6 maart 2025 verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat zij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van het tweede middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster werpt in een tweede middel de schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), van artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, van artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest (hierna: ESH), van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) en van artikel 22bis van de Grondwet.
- Verzoekster laat gelden dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in zijn arrest van 6 maart 2025 in de zaak 47836/21, F.B. tegen België, oordeelt dat de verklaarde leeftijd van een minderjarige een essentieel element betreft van diens identiteit en integriteit, die worden beschermd door artikel 8 van het EVRM. Volgens verzoekster worden verschillende aspecten VII-42.885-3/11 van haar privéleven aangetast door de bestreden beslissing en door de procedure die heeft geleid tot deze beslissing. Concreet voert verzoekster aan dat zij extreem kwetsbaar was toen zij België is binnengekomen, doch zonder bijstand van een voogd of raadsman en zonder voorbereiding meteen werd gehoord in het kader van haar verzoek om internationale bescherming. Er werd haar meegedeeld dat zij naar het ziekenhuis zou moeten gaan om medische tests te laten uitvoeren maar er werd nooit verteld dat zij de leeftijdstest kon weigeren noch gevraagd of zij ermee akkoord ging om de medische tests te ondergaan. De artsen gaven geen uitleg toen zij de medische tests onderging en verzoekster benadrukt dat zij zich op geen enkel moment in staat voelde om de tests te weigeren. De van toepassing zijnde procedure verplichtte de autoriteiten niet om te waarborgen dat verzoekster begreep dat zij de mogelijkheid had om de medische tests te weigeren en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Te dezen werd verzoekster daaromtrent niet geïnformeerd, noch over de mogelijkheid die zij had om psychosociale tests te eisen. Verzoekster heeft nooit haar geïnformeerde toestemming gegeven met de medische tests. Verder blijkt uit het administratief dossier dat de voorgeschreven procedurele waarborgen niet werden gerespecteerd. Verzoekster acht de gevolgde procedure om haar leeftijd te bepalen in strijd met artikel 8 van het EVRM, gelet op de ernstige gevolgen die de meerderjarigheidsbeslissing met zich meebrengt. Niet alleen wordt verzoekster niet langer beschouwd als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling, bovendien wordt haar identiteit eenzijdig gewijzigd door haar een fictieve geboortedatum toe te kennen. Verzoekster verwijst opnieuw naar het voornoemde arrest van het EHRM en voert aan dat het besluitvormingsproces dat leidde tot de bestreden beslissing, evenmin was omringd met voldoende waarborgen in het licht van artikel 8 van het EVRM, omdat onmiddellijk werd overgegaan tot medische tests zonder dat een voorafgaandelijk gesprek plaatsvond met de dienst Voogdij. VII-42.885-4/11 Volgens haar was er geen sprake van een vrije en geïnformeerde toestemming, werden zelfs geen procedurele stappen ondernomen om verzoeksters vrije en geïnformeerde toestemming te verkrijgen en werd haar lichamelijke integriteit aangetast door de invasieve medische onderzoeken die werden uitgevoerd voor niet-medische doeleinden. Verzoekster besluit dat haar recht op privéleven, haar lichamelijke integriteit, het fundamentele principe van het hoger belang van het kind, zoals verankerd in artikel 3 van het IVRK en andere wettelijke rechtsgronden waarnaar zij heeft verwezen, zijn geschonden door het gebrek aan bovenvermelde procedurele waarborgen.
- In de nota met opmerkingen stelt de verwerende partij eerst dat verzoekster zich niet dienstig kan beroepen op artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 17 van het ESH en artikel 22bis van de Grondwet, vermits met de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat zij ouder is dan 18 jaar en verzoeksters kritiek tegen deze beslissing als ongegrond moet worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor verzoeksters verwijzing naar het IVRK. Aangaande de opgeworpen schending van artikel 8 van het EVRM, stelt de verwerende partij dat niet werd overgegaan tot een medisch onderzoek zonder verzoekster op voorhand te horen. Dat krachtens artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet) bij twijfel onmiddellijk een medisch onderzoek wordt uitgevoerd, verhindert niet dat de dienst Voogdij andere onderzoeken kan uitvoeren en rekening kan houden met andere elementen. Te dezen vond een identificatiegesprek plaats bij de dienst Vreemdelingenzaken op 27 februari 2025, waar verzoekster alle nuttige elementen kon bijbrengen, werden verzoeksters vingerafdrukken onderzocht, waarna bleek dat verzoekster een Frans visum verkreeg op basis van haar paspoort waaruit haar meerderjarigheid blijkt, werd verzoekster bevraagd over voormeld zoekresultaat, werd aan verzoekster gevraagd of zij over documenten beschikte, waarop zij ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.803 VII-42.885-5/11 negatief antwoordde niettegenstaande voormeld zoekresultaat, werd verzoekster bevraagd over haar kwetsbaar profiel, familieleden, reistraject en haar leefomstandigheden in haar land van herkomst en in Frankrijk, en werd verzoekster geïnformeerd over de twijfel die werd geuit omtrent haar verklaarde minderjarige leeftijd. De verwerende partij vervolgt dat noch de voogdijwet, noch het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van24 december 2002’ voorziet in de verplichte aanwezigheid van een tolk, voogd of advocaat bij de uitvoering van het medisch onderzoek. Evenmin blijkt uit het voormelde arrest van het EHRM van 6 maart 2025 de verplichting dat verzoekster de bijstand van een voogd of raadsman moet genieten om geïnformeerd en vrij te kunnen instemmen met het medisch onderzoek. Uit de “fiche niet-begeleide minderjarige” blijkt volgens de verwerende partij dat verzoekster werd geïnformeerd over de geuite twijfel omtrent haar verklaarde leeftijd, dat zij documenten ontving over het verloop van de medische leeftijdstest en dat zij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het medisch onderzoek. Voorts blijkt uit het medisch verslag dat verzoekster haar medewerking heeft verleend aan de uitvoering van de medische onderzoeken. Een niet-begeleide minderjarige wordt steeds door een medewerker van de dienst Vreemdelingenzaken zowel mondeling als middels een brochure in de moedertaal van de betrokkene geïnformeerd over het medisch onderzoek, de mogelijke resultaten ervan en de beroepsmogelijkheden. In principe zijn in het registratiecentrum medewerkers van de dienst Voogdij aanwezig die kunnen bevestigen dat de betrokkene wel degelijk de nodige uitleg heeft gekregen over het medisch onderzoek. Aan een niet-begeleide minderjarige wordt expliciet gevraagd of hij instemt met het medisch onderzoek, met de verduidelijking dat een weigering geen gevolgen heeft voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Ten slotte gebeurt het identificatiegesprek bij de dienst Vreemdelingenzaken voor zover nodig steeds in aanwezigheid van een tolk. Al deze elementen doen de verwerende partij besluiten dat verzoekster wel degelijk op de hoogte was van de inhoud van het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.803 VII-42.885-6/11 leeftijdsonderzoek en dat zij zich er te allen tijde tegen kon verzetten. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat haar het recht werd ontzegd om vrij in te stemmen met het medisch onderzoek of dit te weigeren. Zij brengt overigens geen elementen naar voren waaruit zou blijken dat zij zich wilde verzetten tegen de uitvoering van de medische leeftijdstest. Zonder verzoeksters akkoord en medewerking zou het medisch onderzoek, waarbij zij werd vergezeld door personeel van de dienst Voogdij, niet kunnen plaatsvinden. Verzoekster beperkt zich tot algemene kritiek om te stellen dat de voorgeschreven procedurele waarborgen niet werden gerespecteerd zonder te verduidelijken aan welke procedurele waarborgen niet zou zijn voldaan, aldus de verwerende partij. De verwerende partij besluit dat geen schending van artikel 8 van het EVRM voorligt en dat verzoeksters hoger belang als kind, zoals gewaarborgd door de artikelen die verzoekster aanhaalt, niet werd geschonden, omdat geen van deze bepalingen de verplichte bijstand van een voogd of raadsman inhoudt en verzoekster bovendien niet aantoont dat zij niet op geïnformeerde wijze kon instemmen met het medisch onderzoek. Beoordeling
- In het arrest F.B. tegen België van 6 maart 2025 heeft het EHRM het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot een beslissing van de dienst Voogdij in die zaak om de betrokkene te beschouwen als ouder dan 18 jaar en hem geen voogd toe te wijzen, getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Het Hof overweegt in die zaak in de eerste plaats dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek, hetgeen des te belangrijker is indien de betrokkene, die nog wordt geacht een niet begeleide minderjarige te zijn en een verzoeker om internationale bescherming is, niet wordt vergezeld door een vertegenwoordiger of een raadsman. De betrokkene moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek. Het EHRM oordeelt in de tweede plaats dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.803 VII-42.885-7/11 om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Volgens het EHRM zou een voorafgaand onderhoud met een daartoe speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij deze laatste in voorkomend geval kunnen toelaten enerzijds na te gaan of twijfel over de leeftijd van de minderjarige kan worden opgeheven door minder ingrijpende middelen dan een leeftijdsonderzoek, en anderzijds zich ervan te vergewissen dat de betrokkene alle nodige informatie heeft ontvangen om zijn rechten op afdoende wijze te kunnen laten gelden.
- Uit het administratief dossier blijkt te dezen prima facie niet dat verzoekster de nodige informatie heeft gekregen over het medisch leeftijdsonderzoek noch dat haar expliciet werd gevraagd of zij instemde met dat onderzoek, met de verduidelijking dat haar eventuele weigering geen gevolgen zou hebben voor de beoordeling van haar verzoek om internationale bescherming. Concreet lijkt uit geen enkel stuk te kunnen worden afgeleid dat verzoekster naar behoren werd geïnformeerd over haar rechten in het kader van het medisch leeftijdsonderzoek en in het bijzonder over de noodzaak van haar toestemming. Uit de “fiche niet-begeleide minderjarige” blijkt hoogstens dat verzoekster werd geïnformeerd over de geuite twijfel, dat zij een document heeft ontvangen dat haar informeert over het verloop van de leeftijdstest en dat zij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het medisch onderzoek, doch wordt nergens vermeld dat verzoekster op de hoogte werd gebracht van de noodzaak om haar toestemming te geven voor het medisch onderzoek. Uit de inhoud van de “fiche niet-begeleide minderjarige” lijkt bovendien niet te kunnen worden afgeleid dat, voor zover deze fiche zou zijn opgemaakt door een ambtenaar van de dienst Voogdij die speciaal is opgeleid in de omgang met minderjarigen, deze ambtenaar tijdens het identificatiegesprek heeft onderzocht of de twijfel omtrent verzoeksters minderjarigheid kon worden weggenomen door gebruik te maken van andere en minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. Evenmin blijkt uit andere stukken uit het administratief dossier dat de verwerende partij dit zou hebben onderzocht. VII-42.885-8/11 In de huidige stand van het geding lijkt het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot de bestreden beslissing derhalve niet de vereiste waarborgen te bieden in het licht van artikel 8 van het EVRM.
- Het tweede middel is ernstig wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM betreft. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
- Verzoekster baseert zich op vier elementen om de vereiste spoedeisendheid aan te tonen. Zij wijst er eerst op dat haar geboortedatum een wezenlijk bestanddeel vormt van haar identiteit, zodat de wijziging ervan haar privéleven beïnvloedt, in het bijzonder wat haar schoolopleiding betreft en de mogelijke gevolgen voor haar toekomstig leven. Verder brengt de bestreden beslissing verzoeksters algehele geloofwaardigheid in het gedrang voor wat betreft haar verzoek om internationale bescherming. Bij gebreke aan de bijstand van een voogd wordt verzoekster bovendien gedwongen tot een voortijdige autonomie waardoor zij terechtkomt in een uiterst kwetsbare situatie en waardoor zij geen recht zou hebben op enige bijstand tijdens haar verhoor bij de dienst Vreemdelingenzaken. Ten slotte voert verzoekster aan dat het feit dat zij als meerderjarige wordt beschouwd onherstelbare schade toebrengt aan haar schoolopleiding. Door de meerderjarigheidsbeslissing is verzoekster immers niet langer onderworpen aan de leerplicht en zal zij moeilijkheden ondervinden bij schoolinschrijvingen.
- De verwerende partij bespreekt de vereiste van de spoedeisendheid niet in de nota met opmerkingen. Beoordeling VII-42.885-9/11
- De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat verzoekster wordt beschouwd als meerderjarige en niet de bijstand van een voogd kan genieten. Uit het onderzoek van het tweede middel blijkt echter dat de dienst Voogdij prima facie niet aantoont dat hij rechtmatig heeft beslist dat verzoekster ouder is dan achttien jaar, zodat de bestreden beslissing verzoeksters belangen ernstig schaadt. Verzoekster houdt immers voor een niet-begeleide minderjarige te zijn, doch kan zij gelet op de bestreden beslissing niet genieten van de beschermende maatregelen en voordelen waarop minderjarigen in België aanspraak kunnen maken, en met name van het voordeel van de bijstand van een voogd zoals voorzien in de artikelen 9 en volgende van de voogdijwet. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat te dezen aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan. VII. Conclusie
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 6 maart 2025 waarbij wordt beslist verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. VII-42.885-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.885-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.803 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.192 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div