id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 Rolnummer: A. 243411/VII-42696 Zaak: Arrest 263807 - Niet begeleide minderjarigen - 30/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-01 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-16 03:18 Fiche Arrest nr 263.807 van 30 juni 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 no lien 284167 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 263.807 van 30 juni 2025 in de zaak A. 243.411/VII-42.696 In zake : K.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sara Vincke kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 211 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 november 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 4 september 2024 waarbij wordt beslist verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van VII-42.696-1/14 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 31 maart 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 22 mei
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster komt België binnen en zij wordt op 27 augustus 2024 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Zij heeft verklaard van Eritrese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 15 februari
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoeksters voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoekster op 30 augustus 2024 een medisch onderzoek om na te gaan of zij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoekster “op datum van 30-08-2024 een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. VII-42.696-2/14 Op 4 september 2024 beslist de dienst Voogdij verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster werpt in een enig middel de schending op van artikel 7, § 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), “in combinatie gelezen met het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Zij licht dit als volgt toe: “
- Samenvatting Doordat de bestreden beslissing besluit dat verzoekende partij meerderjarig is en een leeftijd van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar heeft; Terwijl artikel 7, § 3 van de Voogdijwet bepaalt dat in geval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek met de jongste leeftijd rekening gehouden moet worden; Terwijl uit de handpolsradiografie blijkt dat verzoekende partij minstens een leeftijd van 16 jaar heeft; Terwijl uit de dentale leeftijdsanalyse blijkt dat verzoekende partij minstens een leeftijd van 16 jaar heeft, maar geen antwoord kan worden gegeven op de vraag naar meerderjarigheid gelet op het gebrek aan wijsheidstanden; Terwijl de medische tests intrinsiek tegenstrijdig zijn door enerzijds te stellen dat uit de halspolsradiografie blijkt dat verzoekende partij een matuur skelet heeft en anderzijds te oordelen dat verzoekende partij een leeftijd heeft van minstens 16 jaar; Terwijl het materiële motiveringsbeginsel vereist dat een beslissing gebaseerd is op draagkrachtige motieven, wat betekent dat ze duidelijk, concreet, nauwkeurig en niet tegenstrijdig zijn en dat de motieven naar behoren verwoord zijn in het besluit dat zij moeten dragen; Terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de overheid haar beslissingen voorbereidt door een zorgvuldige feitenvinding op basis van de meest recente en accurate gegevens; Zodat de bestreden beslissing in het in het middel aangehaalde bepaling en beginselen schendt. VII-42.696-3/14 Eerste onderdeel inzake de schending van artikel 7, § 3 van de Voogdijwet in combinatie gelezen met de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet, het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel voor wat betreft het foutief bepalen van de jongste leeftijd. Doordat de bestreden beslissing stelt dat verzoekende partij meerderjarig wordt geacht, hoewel op basis van minstens één van de drie uitgevoerde testen de minderjarigheid niet kan worden uitgesloten; Terwijl artikel 7, § 3 van de Voogdijwet bepaalt dat in geval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek met de jongste leeftijd rekening moet worden gehouden; Terwijl de hand-polsradiografie stelt dat de verzoekende partij minstens een leeftijd heeft van 16 jaar en aldus minderjarig; Terwijl uit de dentale leeftijdsanalyse blijkt dat verzoekende partij minstens een leeftijd van 16 jaar heeft, maar geen antwoord kan worden gegeven op de vraag naar meerderjarigheid gelet op het gebrek aan wijsheidstanden; Terwijl de bestreden beslissing voorbijgaat aan het feit dat de hand- polsradiografie stelt dat de verzoekende partij minderjarig kan zijn; Zodoende is het eerste middelenonderdeel manifest gegrond; Tweede onderdeel inzake de schending van de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet in combinatie gelezen met het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel voor wat betreft de interne tegenstrijdigheid in het medisch verslag. Doordat de medische tests intrinsiek tegenstrijdig zijn door enerzijds te stellen dat uit de halspolsradiografie blijkt dat verzoekende partij een matuur skelet heeft en anderzijds te oordelen dat verzoekende partij een leeftijd heeft van minstens 16 jaar; Doordat de conclusies van het medisch verslag niet overeenstemmen met de bevindingen uit de afzonderlijke testen, aangezien één van de testen wijst op een mogelijke minderjarigheid; Doordat de bestreden beslissing in geen enkele mate rekening houdt met het feit dat één van de drie testen wijst op een mogelijke minderjarigheid; Terwijl het materiële motiveringsbeginsel vereist dat een beslissing gebaseerd is op draagkrachtige motieven, wat betekent dat ze duidelijk, concreet, nauwkeurig en niet tegenstrijdig zijn en dat de motieven naar behoren verwoord zijn in het besluit dat zij moeten dragen; Terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de overheid haar beslissingen voorbereidt door een zorgvuldige feitenvinding op basis van de meest recente en accurate gegevens; Zodoende is het tweede middelenonderdeel manifest gegrond.
- Geschonden bepalingen
- Artikel 7, § 3 van titel XIII, hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen van de Programmawet van 24 december 2002 bepaalt het volgende: […]. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’ bepalen het volgende: […].
- De materiële motiveringsplicht houdt in dat elke administratieve rechtshandeling moet worden gedragen door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn en die daarom, naar aanleiding van het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 VII-42.696-4/14 wettigheidstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt voor de overheid de verplichting in om haar beslissing zorgvuldig voor te bereiden en te steunen op een correcte feitenvinding.
- Eerste onderdeel: schending artikel 7 van de Voogdijwet in combinatie gelezen met de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet en het materiële motiveringsbeginsel.
- Overeenkomstig artikel 7, § 3 van de Voogdijwet dient in geval van twijfel over de leeftijd van een persoon rekening worden gehouden met de jongste leeftijd. Overeenkomstig de rechtspraak van Uw Raad dient in geval van twijfel over de leeftijd van een persoon artikel 7, § 3 van de Voogdijwet worden toegepast en moet in geval van twijfel rekening gehouden worden met de jongste leeftijd. Bij het bepalen van de in artikel 7, § 3 bedoelde jongste leeftijd is de eindconclusie op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Indien een deviatiefactor wordt vermeld, moet de ondergrens in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de leeftijd.
- De bestreden beslissing bepaalt dat verzoekende partij op 30 augustus 2024 volgens de medische test ouder is dan 18 jaar […]. De medische test concluceert dat verzoekende partij een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar […]. Het leeftijdsonderzoek van 30 augustus 2024 stelt bij het deelonderzoek ‘handpolsradiografie’ dat er bij verzoekende partij een volledige fusie is van de distale diaphyse en spiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, wat neerkomt op een leeftijd van minstens 16 jaar. De dentale leeftijdsschatting resulteert in een leeftijd ouder dan 16 jaar, maar hierbij moet worden opgemerkt dat het niet mogelijk is een dentale leeftijdsschatting uit te voeren die een antwoord kan geven op de vraag van de meerderjarigeheid, aangezien de wijsheidstanden ontbreken. Het deelonderzoek ‘radiografie van het sleutelbeen’ stelt dat de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen slechts partieel verbeend is in combinatie met een zichbare fissuur. Dit zou overeenkomen met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. Ondanks het feit dat in twee van de drie testen wordt gesteld dat verzoekende partij minstens een leeftijd heeft van 16 jaar luidt de eindconclusie van het leeftijdsonderzoek als volgt: ‘Het onderzoek van de handpols-radiografie wijst in de richting van een persoon met een matuur skelet. Het tandheelkundig onderzoek wijst in de richting van een persoon die ouder is dan 16 jaar. Het onderzoek van de sleutelbeenradiografie toont aan dat de persoon in kwestie waarschijnlijk een leeftijd rond 20 jaar heeft met een standaarddeviatie van 2 jaar. Analyse van deze gegevens geeft mijn inziens aan dat [K.A.] op 30/08/2024 een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar.’ De bestreden beslissing […] neemt de conclusie van het leeftijdsonderzoek over en luidt als volgt: ‘We hebben een medische test georganiseerd om te controleren of u jonger ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 VII-42.696-5/14 of ouder dan 18 jaar bent. Deze test vond plaats in het Universitair Ziekenhuis Pellenberg (KU Leuven). Het besluit van de test: ‘Analyse van deze gegevens geeft mijn inziens aan dat [K.A.] op datum van 30-08-2024 een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar.’ De medische test toont aan dat u ouder dan 18 jaar bent.’
- Overeenkomstig artikel 7, §3 van de Voogdijwet en de rechtspraak van uw Raad dient in geval van twijfel te worden uitgegaan van de jongste leeftijd. Uit het verslag van het medisch onderzoek blijkt dat de 3 onderzoeken werden uitgevoerd bij verzoekende partij. Elk onderzoek werd individueel geïnterpreteerd. Zo werd voor het deelonderzoek hand-polsradiografie een leeftijd van minstens 16 jaar bepaald. Voor de dentale leeftijdsschatting werd eveneens gesteld dat de minimale leeftijd van verzoekende partij 16 jaar is, maar dat het niet mogelijk is een dentale leeftijdsschatting uit te voeren die een antwoord kan geven op de vraag van meerderjarigheid, gelet op de afwezigheid van wijsheidstanden. De conclusie van de radiografie van het sleutelbeen luidt dat de gemiddelde leeftijd van verzoekende partij 20 jaar is met een standaarddeviatie van 2 jaar. Ondanks twee van de drie deelonderzoeken bepalen dat de minimale leeftijd van verzoekende partij 16 jaar is, stelt de bestreden beslissing dat de jongste leeftijd van verzoekende partij 20 jaar bedraagt met een standaarddeviatie van 2 jaar. De bestreden beslissing schendt artikel 7, § 3 van de Voogdijwet in die zin dat volledig voorbij wordt gegaan aan het feit dat in twee van de drie onderzoeken de leeftijd op minimaal 16 jaar wordt gelegd en uit het voormelde artikel volgt dat in geval van twijfel de jongste leeftijd primeert. Dat in voorliggend geval sprake is van twijfel, blijkt niet alleen uit het dentale deelonderzoek, dat stelt dat geen antwoord kan gegeven worden op de vraag van meerderjarigheid, gelet op het ontbreken van de wijsheidstanden bij verzoekende partij en de minimale leeftijd van verzoekende partij minstens 16 jaar is, maar eveneens uit de hand-polsradiografie, waarbij geconcludeerd wordt dat hoewel er een volledige fusie van de distale diaphyse en epiphyse van de radius is, de minimale leeftijd eveneens 16 jaar bedraagt. Desalniettemin oordeelt de bestreden beslissing dat verzoekende partij als ouder dan 18 jaar moet worden beschouwd. Daar waar de bestreden beslissing uitgaat van een jongste leeftijd van verzoekende partij van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar en geen rekening houdt met de minimale leeftijd van 16 jaar, zoals blijkt uit de hand- pols radiografie en de dentale leeftijdsanalyse, gaat verwerende partij de grenzen dat de haar op grond van artikel 7 van de Voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten.
- Bovendien blijkt nergens uit de bestreden beslissing, noch uit het verslag van het leefdtijsonderzoek waarom de minimumleeftijd van 16 jaar ter zijde wordt geschoven en de uitslag van de sleutelbeenradiografie als eindconclusie wordt genomen.
- Tweede onderdeel: schending van de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet, in combinatie gelezen met het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 VII-42.696-6/14 op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Overeenkomstig de rechtspraak van Uw Raad betekent het afdoende karakter van de motivering dat de motivering pertinent moet zijn, wat wil zeggen dat de aangeheelde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Overeenkomstig de rechtspraak van Uw Raad is vereist dat de eindconclusie van de leeftijdsonderzoeken begrijpelijk is in het licht van elk van de drie testen. Indien er sprake is van uiteenlopende resultaten van de triple test, dient uit de bestreden beslissing en/of het medisch verslag te kunnen worden afgeleid hoe de dokter zijn eindresultaat bereikte. Uw Raad oordeelt dat indien de motivering van de bestreden beslissing gebaseerd is op het medisch rapport waarvan de conclusie niet begrijpbaar is voor verzoekende partij sprake is van een schending van de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet. In casu moet worden vastgesteld dat de eindconclusie van de medische tests niet begrijpelijk is in het licht van elk van de drie testen, zoals Uw Raad vereist en de deelconclusie van onderzoek hand-polsonderzoek behept is met een interne tegenstrijdigheid.
- Vooreerst moet worden vastgesteld dat de algemene conclusie van het medisch verslag niet overeenstemt met de bevindingen van de afzonderlijke testen en is gebaseerd op de analyse van het deelonderzoek sleutelbeenradiografie, wat tevens ook de meest nadelige analyse is voor verzoekende partij. Daarnaast moet worden vastgesteld dat de algemene conclusie van het leeftijdsonderzoek niet begrijpbaar is in het licht van de resultaten van de deelonderzoeke, aangezien oewel uit één van de drie deelonderzoeken niet kan worden uitgesloten dat verzoekende partij minderjarig is, men in de algemene conclusie tot de conclusie komt dat verzoekende partij een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. De algemene conclusie van het leeftijdsonderzoek stelt het volgende: ‘Het onderzoek van de handpols-radiografie wijst in de richting van een persoon met een matuur skelet. Het tandheelkundig onderzoek wijst in de richting van een persoon die ouder is dan 16 jaar. Het onderzoek van de sleutelbeenradiografie toont aan dat de persoon in kwestie waarschijnlijk een leeftijd rond 20 jaar heeft met een standaarddeviatie van 2 jaar. Analyse van deze gegevens geeft mijn inziens aan dat [K.A.] op 30/08/2024 een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar.’ De algemene conclusie van het leeftijdsonderzoek met betrekking tot de hand-polsradiografie beperkt zich tot de stelling dat er sprake is van een persoon met een matuur skelet en geeft geen richtleeftijd mee. In het deelonderzoek wordt echter een richtleeftijd van minstens 16 jaar zonder standaarddeviatie bepaald. Het is onduidelijk waarom de richtleeftijd van de deelconclusie terzijde wordt geschoven in de algemene conclusie en aldus ook niet wordt meegenomen ter bepaling van de geschatte leeftijd van verzoekende partij. Uit de deelconclusie van de hand-polsradiografie volgt onomstotelijk dat verzoekende partij minderjarig zou kunnen zijn, maar hieraan wordt volledig voorbijgegaan in de algemene conclusie en de bestreden beslissing. VII-42.696-7/14 Verder moet worden vastgesteld dat het medisch verslag niet afdoende motiveert hoe uit de uiteenlopende resultaten het eindresultaat wordt afgeleid. In het medisch rapport wordt niet toegelicht hoe de deskundige in het licht van de resultaten van de drie uitgevoerde onderzoeken, waarvan minstens één aangeeft dat verzoekende partij jonger zou zijn dan 18 jaar tot de eindconclusie komt dat verzoekende partij 20 jaar is met een standaarddeviatie van 2 jaar, hetgeen overeenkomt met de leeftijd die blijkt uit de clavicula-test, die van de drie uitgevoerde onderzoeken het hoogste resultaat heeft opgeleverd. Daarnaast moet worden opgemerkt dat de algemene conclusie van het leeftijdsonderzoek en de conclusie van de bestreden beslissing zich louter en alleen baseren op de resultaten van de sleutelbeenradiografie en volledig voorbijgaan aan het feit dat verzoekende partij minderjarig zou kunnen zijn en overeenkomstig artikel 7, § 3 van de voogdijwet in geval van twijfel moet worden uitgegaan van de jongste leeftijd. Noch in de bestreden beslissing, noch in het medisch verslag wordt gemotiveerd waarom geen rekening wordt gehouden met leeftijd van minimaal 16 jaar, die volgt uit de hand-polsradiografie en waarom de uitslag van de sleutelbeenradiografie wordt gehanteerd om de leeftijd van verzoekende partij te bepalen. De bestreden beslissing en het medisch rapport bevatten geen verklaring voor het feit dat, ondanks één van de deelonderzoeken aangeeft dat verzoekende partij jonger zou kunnen zijn dan 16 jaar, men tot de eindconclusie komt dat verzoekster 20 jaar oud is met een standaarddeviatie van 2 jaar, hetgeen overeenkomt met de leeftijd die blijkt uit het onderzoek van het sleutelbeen, dat van de drie uitgevoerde onderzoeken de hoogste leeftijd heeft opgeleverd. De bestreden beslissing schendt de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet in combinatie gelezen met het materiële motiveirngsbeginsel in die zin dat de bestreden beslissing en het medisch verslag uitgaan van meerderjarigheid en een leeftijd van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar, terwijl uit minstens één van de drie testen niet kan worden uitgesloten dat verzoekende partij minderjarig is.
- Minstens moet worden vastgesteld dat het medisch onderzoek, waarop de bestreden beslissing haar motivering stoelt, behept is met een interne tegenstrijdigheid. Het medisch onderzoek stelt in het deelonderzoek van de hand- polsradiografie dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, wat neerkomt op een leeftijd van minstens 16 jaar. Het medisch verslag is tegenstrijdig in die zin dat het enerzijds stelt dat verzoekende partij een matuur skelet heeft en aldus meerderjarig zou zijn en anderzijds stelt dat de leeftijd van verzoekende partij minstens 16 jaar bedraagt en hieraan geen standaarddeviatie koppelt, en in de algemene conclusie enkel het matuur skelet vermeld, maar abstractie maakt van de minimale leeftijd van 16 jaar.
- Doordat het medisch onderzoek is behept met een interne tegenstrijdigheid en doordat uit het medisch rapport niet kan worden afgeleid hoe de dokter tot zijn eindconclusie van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar komt en de test ligt een schending voor van de artikelen 2 en 3 van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 VII-42.696-8/14 de Motiveringswet, in combinatie gelezen met het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Van een zorgvuldig bestuur kan namelijk worden verwacht dat zij bij de beoordeling van de minderjarigheid van een persoon alle parameters en deelconclusies in acht nemen, wat in casu niet gebeurd is, gelet op het feit dat de leeftijdsbepaling louter en alleen gebeurde op basis van de sleutelbeenanalyse.” Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoeksters voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoekster meer dan 18 jaar oud is. Het is niet vereist dat wordt aangegeven waarom verzoeksters voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken, noch welke medische onderzoeken werden uitgevoerd. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek aan verzoekster werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden VII-42.696-9/14 beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoekster voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat zij er geen kennis van kon nemen. Verzoekster heeft overduidelijk kennis van de resultaten van de drie uitgevoerde onderzoeken, te weten het orthopantomogram, het onderzoek van de sleutelbeenderen en de handpolsradiografie die in het medisch verslag van 30 augustus 2024 zijn opgenomen, vermits zij zelf een kopie van dat verslag bij het verzoekschrift tot nietigverklaring heeft gevoegd en zij in het middel ingaat op de beoordeling ervan. In die omstandigheden heeft verzoekster geen belang bij het opwerpen van een schending van de formelemotiveringsplicht, minstens blijkt de doelstelling van die plicht te zijn bereikt. Het enige middel is niet ontvankelijk, minstens ongegrond wat de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreft.
- Waar verzoekster in het middel kritiek uit op het eindresultaat van de medische leeftijdstest, stellende dat “de eindconclusie van de medische tests niet begrijpelijk is in het licht van elk van de drie testen”, werpt zij een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 VII-42.696-10/14 indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoekster betwist de eindbeoordeling van de medische leeftijdstest, doch onderbouwt niet concreet dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoekster al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 VII-42.696-11/14 artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen is de eindconclusie dat verzoekster “op datum van 30-08-2024 een leeftijd heeft 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Bovendien wordt in het medisch verslag met betrekking tot de handpolsradiografie toegelicht “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 16 jaar”. Eerder in het medisch verslag staat wat dit betreft te lezen dat indien de skeletale groei beëindigd is de betrokkene biologisch gezien matuur is, wat voor jongens impliceert dat zij ouder zijn dan 18 jaar en voor meisjes dat zij ouder zijn dan 16 jaar zonder dat op basis van de handpolsradiografie kan worden bepaald hoeveel ouder zij zouden zijn. Aangezien niet kan worden bepaald hoeveel tijd er verstreek sinds de volledige beëindiging van de skeletale groei, telt het resultaat van de handpolsradiografie in dergelijke gevallen niet mee voor de eigenlijke leeftijdsschatting. Anders dan hoe verzoekster het ziet, is het medisch verslag dan ook niet tegenstrijdig waar erin wordt vermeld dat verzoekster een matuur skelet heeft, doch verzoeksters leeftijd daardoor minstens 16 jaar bedraagt. Uit het medisch verslag blijkt verder dat op basis van de radiografie van de tanden wordt vastgesteld dat de wijsheidstanden niet aanwezig zijn en dat een leeftijdsschatting op basis van de aanwezige tanden, die allemaal volledig afgevormd zijn, resulteert in een leeftijd van ouder dan 16 jaar, zonder dat kan worden bepaald hoeveel ouder de betrokkene is. Door de afwezigheid van wijsheidstanden is het volgens de arts niet mogelijk een dentale leeftijdsschatting uit te voeren die een antwoord kan geven op de vraag van de meerderjarigheid. Aldus is te dezen het resultaat van de radiografie van de sleutelbeenderen doorslaggevend voor de eigenlijke leeftijdsschatting, die ondersteund wordt door de resultaten van zowel de handpolsradiografie als het orthopantomogram, die beide wijzen “in de richting van een persoon die ouder is dan 16 jaar”. Volgens het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 VII-42.696-12/14 medisch verslag toont het radiologisch onderzoek van het sternoclaviculaire gewricht dat “de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen slechts partieel verbeend is in combinatie met de aanwezigheid van een zichtbare frissuur, wat volgens het onderzoek van Schmeling et al. […] overeenkomt met stadium
- Volgens dit onderzoek stemt stadium 3 overeen met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Zoals hoger eveneens werd opgemerkt, is de eindconclusie op grond van de verschillende deelonderzoeken van belang voor het bepalen van de jongste leeftijd. Verzoekster toont niet aan dat de eindconclusie in strijd is met de bevindingen van de deelonderzoeken, noch ontkracht zij dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoekster maakt evenmin aannemelijk dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de vraag of zij meer dan 18 jaar oud is, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de haar op grond van het voormelde artikel 7 van de voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, noch dat de verwerende partij de haar voorliggende gegevens heeft beoordeeld in strijd met enig aangevoerd algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en correcte feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke VII-42.696-13/14 en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Zoals hoger reeds werd aangehaald, heeft de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat en blijkt uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van de eindconclusie van dergelijk leeftijdsonderzoek geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 VII-42.696-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.807 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div