← België

Arrest 263808 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 30/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.808 Rolnummer: A. 245119/X-19088 Zaak: Arrest 263808 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 30/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-01 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-06-16 04:43 Fiche Arrest nr 263.808 van 30 juni 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.808 van 30 juni 2025 in de zaak A. 245.119/X-19.088 In zake: W.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alexander De Becker en Isabo Heirbaut kantoor houdend te 9051 Gent Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel, Kristof Caluwaert en Sietse Wils kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 23 juni 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenland, Steden- en Plattelandsbeleid, Samenleven, Integratie en Inburgering, Bestuurszaken, Sociale Economie en Zeevisserij van 13 juni 2025 houdende de niet-benoeming van W.D. tot burgemeester van de gemeente Heuvelland. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 24 juni 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. X-19.088-1/16 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 juni 2025, om 11.15 uur. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabo Heirbaut, die verschijnt voor verzoeker, en advocaten Bart Martel, Kristof Caluwaert en Mathilde Hage, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy De Pester heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op zondag 13 oktober 2024 vinden er in de gemeente Heuvelland gemeenteraadsverkiezingen plaats. De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen leidt tot de volgende zetelverdeling: - CD&V met 1.523 stemmen (34,6%) – 8 zetels; - N-VA plus met 456 stemmen (10,4%) – 1 zetel; X-19.088-2/16 - Gemeentebelangen met 1.880 stemmen (42,7%) – 10 zetels. 3.2. Verzoeker is, vermits zijn lijst Gemeentebelangen de meerderheid verwerft én hij op die lijst het hoogste aantal naamstemmen heeft, aangewezen burgemeester. 3.3. Bij arrest nr. 262.615 van 14 maart 2025 oordeelt de Raad van State dat de verkiezingen rechtsgeldig zijn verlopen, 3.4. Op de installatievergadering van de gemeenteraad van 24 maart 2025 legt verzoeker de eed af als aangewezen burgemeester. 3.5. Op 13 juni 2025 beslist de Vlaamse minister om verzoeker niet te benoemen tot burgemeester van de gemeente Heuvelland, dit op grond van de volgende motivering: “Op 7 mei 2025 heeft de procureur-generaal van het Hof van Beroep te Gent een ongunstig advies uitgebracht. De procureur-generaal schrijft het volgende in zijn brief aan de gouverneur van West-Vlaanderen: ‘Met verwijzing naar uw mailbericht van 5 maart 2025, heb ik de eer u te doen kennen dat er lastens [verzoeker], geboren te leper op 21 februari 1986, voorgedragen burgemeester te Heuvelland, thans nog een strafrechtelijk opsporingsonderzoek hangende is te Brugge in het dossier BG.25.99.200631/24. De tenlastelegging is belangenneming door een ambtenaar. Ik sluit mij aan bij het ongunstig advies van de procureur des Konings West-Vlaanderen en heb bezwaar dat betrokkene zou voorgedragen worden voor het ambt van burgemeester te Heuvelland’. Het advies van de procureur des Konings waarvan sprake in bovenstaande advies van de procureur-generaal vermeldt het volgende: ‘In antwoord op uw schrijven van 24 april 2025 deel ik u mee dat lastens [verzoeker] geboren te leper op 21 februari 1986, thans nog een strafrechtelijk opsporingsonderzoek hangende is, nl. BG.25.99.200631/24 – belangenneming door ambtenaar. De feiten lijken dermate gegrond te zijn, dat een grondig onderzoek zich aandient. Het onderzoek werd opgestart n.a.v. het auditrapport van 29.08.2024 vanwege Audit Vlaanderen. Ik adviseer in de huidige stand van zaken om geen gunstig advies te verlenen voor de benoeming tot burgemeester. Betrokkene heeft geen strafrechtelijke X-19.088-3/16 veroordeling opgelopen die nog niet is opgenomen in het Centraal Strafregister.’ Op 19 mei 2025 heeft de provinciegouverneur van West-Vlaanderen een ongunstig advies uitgebracht met betrekking tot de benoeming van [verzoeker] tot burgemeester van de gemeente Heuvelland. Het advies wordt als bijlage bij dit besluit gevoegd, en maakt er integraal deel van uit. De conclusie van de provinciegouverneur luidt als volgt: ‘Gelet op het schrijven van de procureur-generaal dat melding maakt van een lopend strafrechtelijk opsporingsonderzoek en zijn onverkort en krachtdadig bezwaar tot voordracht als burgemeester, onverminderd het uitgangspunt van het vermoeden van onschuld. Op grond van voorgaande is bijgevolg aan mijn ambt een situatie bekend die alsnog aanleiding zou kunnen geven tot een tuchtmaatregel ten aanzien van de aangewezen burgemeester uit hoofde van diens strafrechtelijk handelen en niet deontologisch functioneren. Dit moet in zijn essentie worden bekeken vanuit de kracht – of is het de macht – van ‘le privilège du préalable de l’administration’ die enkel de (juris)prudentie als tegengewicht heeft, wetende dat ondertussen het beleid rebus sic stantibus uitvoering kan krijgen onder regie van de definitief te benoemen burgemeester. Redelijke voorzichtigheid is bijgevolg een basishouding ter garantie van de lokale democratische prerogatieven, gelijk voor alle burgers, die in de kern moet worden geapprecieerd vanuit de houding van de burgemeester, prominent gezaghebbend figuur met een manifeste voorbeeldfunctie in een lokale context. Steunend op de actuele louter materieel vastgestelde beleidsomstandigheden en -contouren inzake zowel de houding van de aangewezen-burgemeester, de werking van het bestuur en het onafgewerkte verbetertraject wil ik dan ook een negatief voorbehoud maken met betrekking tot de geschiktheid en attitude van [verzoeker] om definitief tot burgemeester te worden benoemd. In deze stand van zaken en tot nader order ben ik dan ook van mening dat [verzoeker] niet over de vereiste kwaliteiten en vaardigheden beschikt om de gemeente Heuvelland met afdoende bekwaamheid en voldoende moreel gezag te leiden en het ambt van burgemeester uit te oefenen in het licht van alle wettelijke verplichtingen, bevoegdheden en prerogatieven die hieraan dwingend en bindend zijn verbonden erga omnes.’ Verantwoording […] Of een aangewezen-burgemeester al dan niet waardig of geschikt is om tot burgemeester te worden benoemd, houdt verband met zijn of haar kwaliteiten om een goed bestuur van de gemeente [te] behartigen en om als een loyale vertegenwoordiger en vertrouwensman van de Vlaamse Regering op te treden. Tot die kwaliteiten en waarborgen behoort onder meer dat de aangewezen-burgemeester de nodige morele eigenschappen en het nodige moreel gezag bezit. X-19.088-4/16 Voor mijn beoordeling ter zake beschik ik over een ruime discretionaire bevoegdheid. Aangezien op dit ogenblik nog geen beslissing tot benoeming werd genomen, beschik ik in het kader van mijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid overigens over een grotere bewegingsvrijheid dan wanneer ik zou moeten oordelen over het opleggen van een tuchtmaatregel aan een reeds benoemde burgemeester. […] Gelet op het ongunstige advies van de procureur-generaal van het Hof van Beroep te Gent, die zich daarmee aansluit bij het ongunstige advies van de procureur des Konings van West-Vlaanderen, en het feit dat de procureur- generaal voldoende redenen ziet in het lopende strafrechtelijke opsporingsonderzoek tegen [verzoeker] om een bezwaar te formuleren tegen diens benoeming tot burgemeester, ben ik van oordeel dat de heer [D.M.] niet geschikt is als burgemeester van Heuvelland. Ook het advies van de provinciegouverneur is bovendien ongunstig. […] De provinciegouverneur wijst bovendien op feiten die, naast het lopend opsporingsonderzoek, op zichzelf beschouwd, tot de vaststelling leiden dat [verzoeker] niet over de vereiste capaciteiten en morele eigenschappen beschikt om te kunnen worden benoemd als burgemeester van de gemeente Heuvelland. Ik sluit mij uitdrukkelijk bij deze vaststelling van de provinciegouverneur aan en ben van oordeel dat elk van deze feiten ook reeds op zich genomen volstaan om dit besluit te schragen en tot de beoordeling te komen dat [verzoeker] ongeschikt en onwaardig is om tot burgemeester te worden benoemd. Tijdens de vorige bestuursperiode, toen [verzoeker] burgemeester was van Heuvelland, werd er door Audit Vlaanderen een forensische audit uitgevoerd binnen het bestuur van Heuvelland. De resultaten van deze auditopdracht werden meegedeeld in het auditrapport van 29 augustus 2024. Deze audit bracht een aantal vaststellingen aan het licht, die rechtstreeks gelieerd zijn aan het functioneren van [verzoeker] als burgemeester. Het is naar aanleiding van dit auditverslag dat het strafrechtelijk opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] werd opgestart. De provinciegouverneur haalt onder meer de volgende elementen uit het forensisch auditverslag aan, waaruit een actieve betrokkenheid van [verzoeker] blijkt: - Het niet respecteren van de Wet Overheidsopdrachten voor de ontwikkeling van het PPS-project ‘Begoniapark’ […]; - De samenstelling van een adviserende jury voor de herbestemming van de kerk van Kemmel […]; - De toekenning van de erfpacht ‘De Chalet van Kemmel’ [...]; - Het opvragen en doorsturen naar mandatarissen en niet-mandatarissen van Inwonerslijsten […]; - Het meermaals delen van vertrouwelijke informatie uit verschillende omgevingsvergunningaanvragen of andere dossiers met zijn vader, de – eerder vermelde – heer [M.D.M] zonder formeel mandaat van lokaal bestuur tot openbaarmaking hiervan. X-19.088-5/16 Naar aanleiding van het auditverslag verzocht de toenmalig minister van Binnenlands Bestuur, Lydia Peeters, in een brief van 12 september 2024 gericht aan de provinciegouverneur, om gesprekken op te starten met de burgemeester en bevoegde schepenen, en de minister verslag uit te brengen. Dit verscherpt toezicht werd opgestart en loopt tot op heden nog steeds. Uit het advies van de provinciegouverneur blijkt in dat verband dat het vertrouwen van de administratie jegens de aangewezen-burgemeester nog steeds niet hersteld is. Dit blijkt in het bijzonder uit het aanhoudende uitstel van goedkeuring van een nieuwe deontologische code voor mandatarissen. De provinciegouverneur beschrijft het moeizame traject om de verbeterpunten die worden vooropgesteld in het auditverslag te implementeren omstandig in zijn advies. Er is minstens sprake van een vertrouwensbreuk in de relatie tussen de aangewezen-burgemeester en de administratie, die nog niet is hersteld. Het verbetertraject is op heden niet afgewerkt. Ook gelet op het ongunstige advies van de provinciegouverneur van West- Vlaanderen […], ben ik van oordeel dat [verzoeker] niet geschikt is als burgemeester van Heuvelland. Ik ben daarnaast ook van oordeel dat van een burgemeester verwacht mag worden dat deze een indruk wekt van vertrouwen, onpartijdigheid en onkreukbaarheid. Dat geldt des temeer daar een burgemeester ook wordt bekleed met de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie, en als dusdanig het gezag heeft over de politiediensten voor het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie. Deze indruk is ontegensprekelijk ernstig beschadigd door de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het onderzoek van Audit Vlaanderen, het instellen van verscherpt toezicht op de gemeente Heuvelland en het strafrechtelijk opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] dat voortvloeit uit het auditrapport. Bovenstaande vaststellingen, zowel elk op zich genomen als in hun onderlinge samenhang beoordeeld, brengen mij tot het besluit dat [verzoeker] onwaardig en ongeschikt is om tot burgemeester te worden benoemd. Deze vaststellingen tonen aan dat [verzoeker] niet over de nodige kwaliteiten beschikt om een goed bestuur van de gemeente Heuvelland te kunnen behartigen en om als een loyale vertegenwoordiger en vertrouwensman van de Vlaamse Regering op te treden. Alleszins blijkt dat [verzoeker] niet over de nodige morele eigenschappen en het nodige moreel gezag beschikt om tot burgemeester van de gemeente Heuvelland te kunnen worden benoemd. Door de vaststellingen die in het kader van de audit van Audit Vlaanderen werden gedaan en rekening houdende met het verscherpt toezicht en het strafrechtelijk opsporingsonderzoek die nog steeds lopende zijn, evenals de feiten die daartoe aanleiding hebben gegeven, kan onvoldoende worden gewaarborgd dat de inwoners van de gemeente Heuvelland, het personeel van de gemeente Heuvelland en de overheden en ondernemingen die met de gemeente Heuvelland samenwerken voldoende vertrouwen kunnen stellen in de integriteit van [verzoeker], wat nochtans vereist is opdat hij tot burgemeester zou kunnen worden benoemd.” X-19.088-6/16 Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Ernst van het eerste middel Samenvatting van het middel 5. Het eerste middel voert de schending aan van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 6. Verzoeker licht toe dat, overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State, een bestuurde moet worden gehoord wanneer (

  1. i)de overheid het voornemen heeft om een ernstige maatregel te nemen die van die aard is dat ze de belangen van de bestuurde zwaar aantast, en (
  2. ii)deze maatregel gebaseerd is op een gegeven dat de betrokkene als een tekortkoming wordt aangerekend. 7. Verzoeker bekritiseert dat hij op geen enkel moment is gehoord, noch door de ter zake bevoegde Vlaamse minister, noch door degenen die daaromtrent advies hebben uitgebracht, hoewel de beslissing om hem niet als X-19.088-7/16 burgemeester te benoemen, rechtstreeks gekoppeld is aan de zogenaamde tekortkomingen die hem worden verweten. Ook in het kader van het opsporingsonderzoek dat blijkbaar al tien maanden loopt, werd verzoeker nog geen enkele keer verhoord. Nochtans heeft verzoeker meerdere malen gevraagd naar de stand van zaken omtrent de beslissing over zijn benoeming, met de expliciete vraag om gehoord te worden. Standpunt van de verwerende partij 8. De verwerende partij betoogt in eerste instantie dat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is op de bestreden beslissing. Ter bevestiging wordt verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State luidens welk de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur géén toepassing vindt op benoemingsprocedures, zelfs niet ten opzichte van kandidaten die worden afgewezen. Ook wordt verwezen naar rechtspraak van de Raad van State die bevestigt dat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is wanneer aan de bestuurde louter een voordeel wordt geweigerd. 9. De verwerende partij wijst er voorts op dat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is op de overheden die met het strafonderzoek zijn belast en de adviserende instanties. 10. In ondergeschikte orde, voor zover de Raad van oordeel zou zijn dat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur toepasselijk is, kan X-19.088-8/16 van de hoorplicht worden afgeweken wanneer de feiten vatbaar zijn voor directe en eenvoudige vaststelling door de overheid. Volgens de verwerende partij is dit te dezen het geval, vermits de bestreden beslissing in essentie verwijst naar diverse bestaande adviezen, en gekende feitelijke elementen zoals het verscherpt toezicht van de provinciegouverneur en het verslag van Audit Vlaanderen. 11. Tot slot beklemtoont de verwerende partij in het kader van de audit dat verzoeker wel degelijk de kans heeft gekregen om inhoudelijk te reageren op de vaststellingen in het auditverslag en dat niet blijkt dat het horen tot een ander besluit had kunnen leiden. Beoordeling 12. Artikel 58, § 1, eerste lid, van het decreet lokaal bestuur bepaalt dat “de verkozene voor de gemeenteraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de coalitiefractie met de meeste zetels in de gemeenteraad behoort, door de Vlaamse Regering benoemd [wordt] tot burgemeester”. Te dezen is verzoeker de betrokken verkozene. Overeenkomstig deze bepaling komt het – onder voorbehoud van de ter zake te nemen beslissing (zie verder randnummer 14) – verzoeker toe om tot burgemeester te worden benoemd. 13. Overeenkomstig artikel 58, § 1, derde lid, van het decreet lokaal bestuur is het betrokken raadslid – verzoeker dus – vanaf de installatie van de schepenen “aangewezen-burgemeester”, draagt het die titel en “oefent het alle functies uit die aan de burgemeester worden toevertrouwd”. Vooraleer hij zijn mandaat aanvaardt, legt hij de eed af. X-19.088-9/16 14. “[N]adat de aangewezen-burgemeester de eed heeft afgelegd en zij daarvan in kennis is gesteld door de gemeenteraad”, neemt de Vlaamse regering een beslissing over “de al dan niet benoeming tot burgemeester” (art. 58, § 1, vierde lid). De Vlaamse regering – of de Vlaamse minister waaraan de desbetreffende bevoegdheid werd toevertrouwd – beschikt daarbij slechts over twee mogelijkheden. Ofwel wordt de aangewezen burgemeester benoemd, wat doorgaans het geval is. Ofwel wordt de aangewezen burgemeester niet benoemd, hetgeen tot heden zeer uitzonderlijk is. In het laatstvermelde geval van niet benoeming wordt het raadslid dat, na het niet benoemde raadslid, “binnen dezelfde fractie de meeste naamstemmen heeft behaald, aangewezen-burgemeester en door de Vlaamse regering benoemd tot burgemeester” (art. 58, § 2, decreet lokaal bestuur). 15. Uit het voorgaande blijkt prima facie dat de bestreden beslissing niet kan worden gelijkgesteld met een gewone benoemingsprocedure. Ook al heeft de aangewezen burgemeester geen recht op benoeming, hij lijkt er wel op te mogen vertrouwen dat hij zal worden benoemd, tenzij er ernstige redenen zijn om hem die benoeming te weigeren. Omdat de niet-benoeming tot gevolg heeft dat de betrokkene niet langer “aangewezen-burgemeester” is, en hij dus niet langer alle functies kan uitoefenen die aan de burgemeester worden toevertrouwd, lijkt hem door de beslissing tot niet benoeming ook een voordeel te worden ontnomen. 16. Gezien het voormelde wordt in de huidige stand van de procedure aangenomen dat de bestreden beslissing verregaande gevolgen heeft voor verzoeker. X-19.088-10/16 De bestreden beslissing is bovendien een maatregel die gesteund is op het gedrag van verzoeker, meer bepaald de wijze waarop hij eerder zijn functie heeft uitgeoefend. Gelet op de aard en de draagwijdte van de opgelegde maatregel, had verzoeker prima facie dan ook het recht om vooraf te worden gehoord, hetgeen inhoudt dat hem de gelegenheid diende te worden geboden om zijn standpunt voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing op nuttige wijze te doen kennen. 17. Het verweer dat er te dezen, gelet op de bestaande adviezen en verslagen, sprake zou zijn van feiten die vatbaar zijn voor directe en eenvoudige constatering, kan hoe dan ook niet slagen, daar de hoorplicht niet alleen betrekking heeft op de feiten, maar ook op de gevolgen ervan voor de beslissing om de aangewezen burgemeester al dan niet tot burgemeester te benoemen. Dat verzoeker de kans heeft gehad om te reageren op het auditverslag, is prima facie niet van aard om te doen voorbijzien dat verzoeker niet de kans heeft gehad om zijn standpunt te geven over de eventuele impact van de gedane vaststellingen op zijn benoeming tot burgemeester. 18. Het middel is ernstig. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid 19. Verzoeker verantwoordt het beroep op de uiterste dringende noodzakelijkheid als volgt: “[Verzoeker] loopt ernstige reputatieschade op door de niet-benoeming, die evident enkel erger wordt hoe langer de procedure duurt. De niet benoeming van een burgemeester is immers een zeer uitzonderlijke X-19.088-11/16 maatregel, die zich slechts in één ander geval nog voordeed. In dat geval was de burgemeester echter het jaar daarvoor zelf al afgetreden naar aanleiding van zogenaamde de belangenvermenging. Bovendien is het van essentieel belang dat na een reeds zeer woelige periode door de aanhoudende procedure slag door [H.] (meer dan 25 procedures), de procedure voor de Raad voor Verkiezingsbetwisting en navolgende procedure voor de Raad van State de Gemeente Heuvelland kan terugkeren naar een politiek stabiel klimaat. Bij een gewone vernietigingsprocedure zal dit echter nog tot de helft van de duurtijd van de legislatuur duren, misschien zelfs nog langer indien het strafonderzoek niet tijdig wordt afgerond. Bovendien worden in de motivering van de beslissing tal van verkeerde elementen aangevoerd over de verhouding tussen verzoeker en zijn administratie en zijn zogenaamd gebrek aan ‘moreel gezag’ en zijn ‘geschiktheid en attitude’. Problematisch is ook dat deze beslissing het opsporingsonderzoek – waarin [verzoeker] zelfs nog niet eens werd verhoord – reeds als kennelijk gegrond wordt aangemerkt en waarbij wordt gesteld dat de feiten ‘dermate gegrond’ zijn, waarbij het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld totaal onder druk zijn te komen staan. Ook deze elementen zorgen ervoor dat [verzoeker] een bijzonder groot moreel belang heeft bij de vernietiging van de beslissing. […] Voormelde uiteenzetting geeft duidelijk aan dat een schade van aanzienlijke omvang dreigt, evenals meer dan ernstige ongemakken, zodat een onmiddellijke beslissing noodzakelijk is om deze te voorkomen. van de verwerende partij 20. De verwerende partij betwist in eerste instantie dat verzoeker met de vereiste diligentie is opgetreden. Zij voert daartoe aan dat de vordering pas op 23 juni 2025 werd ingediend, hoewel verzoeker reeds op 13 juni 2025 per e-mail van de bestreden beslissing op de hoogte werd gebracht. De verwerende partij ziet niet goed in waarom het, na de kennisgeving van de bestreden beslissing op 13 juni 2025, nog tot 23 juni 2025 heeft moeten duren om een verzoekschrift waarin enkel het eerste van de vijf aangevoerde middelen als ernstig middel wordt aangevoerd – de andere vier middelen worden als “gegrond” gekwalificeerd – bij de Raad van State in te dienen. X-19.088-12/16 21. Voorts betoogt de verwerende partij dat het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid niet met precieze en concrete gegevens wordt aangetoond. Volgens de verwerende partij komt verzoeker niet verder dan “loutere, vage algemene stellingen” en laat hij na “aan te tonen […] welk specifiek nadeel hij ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou lijden” en maakt hij “evenmin aannemelijk dat dit nadeel van dien aard zou zijn dat hij de uitkomst van een gewone schorsingsprocedure of een vernietigingsprocedure niet zou kunnen afwachten”. 22. De verwerende partij beklemtoont dat het ingeroepen nadeel voldoende direct uit de bestreden beslissing moet voortvloeien. Dit is de te dezen niet het geval voor het argument van verzoeker dat het van essentieel belang is dat de gemeente Heuvelland naar een stabiel politiek klimaat kan terugkeren. 23. De verwerende partij werpt ook op dat verzoeker de schorsingsvoorwaarde inzake de spoedeisendheid verwart met de voorwaarde betreffende het ernstig middel. Het louter opwerpen van een vermeende onwettige beperking van een fundamenteel recht of een fundamentele vrijheid maakt een zaak niet zonder meer spoedeisend. 24. Tot slot houdt de verwerende partij voor dat het door verzoeker ingeroepen moreel nadeel de uiterst dringende noodzakelijkheid niet kan verantwoorden. Ter zake moet worden verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State die stelt dat zelfs een ernstige reputatieschade in de regel wordt goedgemaakt door een later tussen te komen vernietigingsarrest. Volgens de verwerende partij toont verzoeker niet in concreto aan waarom dit nadeel in casu van die aard zou zijn dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest hem niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen. X-19.088-13/16 In de mate dat verzoeker stelt dat de beweerde reputatieschade “onherroepelijk” is, gaat het bovendien om een nadeel dat zich reeds heeft gerealiseerd, en dat door een schorsing niet meer kan worden voorkomen. Beoordeling 25. Op de verzoekende partij die meent een beroep te kunnen doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, rust een dubbele bewijslast. Zij moet niet alleen aantonen dat zij bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden, maar zij moet tevens de spoedeisendheid aannemelijk maken, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken. 26. Verzoeker heeft op vrijdag 13 juni 2025 per e-mail kennis gekregen van de bestreden beslissing en het verzoekschrift werd op maandag 23 juni 2025 ingediend. Dit betekent dat er vijf werkdagen verstreken zijn tussen, enerzijds, de dag van de kennisgeving van de bestreden beslissing en, anderzijds, de dag van de indiening van de vordering. Mede in het licht van de omvang van de betrokken beslissing en de betrokken adviezen, en de omvang van de ingediende procedurestukken en van het administratief dossier, komt het de Raad van State voor dat aan verzoeker niet kan verweten worden niet voldoende diligent te hebben gehandeld. 27. De beslissing om een op grond van de verkiezingsuitslag aangewezen burgemeester niet tot burgemeester te benoemen, is zeer uitzonderlijk. 28. Om van het door de decreetgever voorziene gevolg van de verkiezingsuitslag af te wijken, steunt de bestreden beslissing op een oordeel betreffende de kwaliteiten van verzoeker. Meer bepaald berust het besluit op het oordeel dat verzoeker “onwaardig en ongeschikt is om tot burgemeester te worden X-19.088-14/16 benoemd”, en dat “onvoldoende [kan] worden gewaarborgd dat […] voldoende vertrouwen [kan worden gesteld] in de integriteit van [verzoeker]”. 29. De bestreden beslissing heeft te dezen tot gevolg dat verzoeker, die tijdens de vorige bestuursperiode de uittredende burgemeester was, en die sedert de installatievergadering van 24 maart 2025 de eed als aangewezen burgemeester heeft afgelegd, van dag op dag niet langer de functie van burgemeester kan en mag uitoefenen. 30. De Raad van State neemt aan dat het ontzeggen van een benoeming aan de aangewezen burgemeester, om redenen die zijn kwaliteiten betreffen, met als gevolg dat verzoeker niet langer het ambt van burgemeester mag uitoefenen en dit voor de gehele bestuursperiode, verzoeker in die mate benadeelt dat de vereiste spoedeisendheid voldoende aannemelijk wordt gemaakt. 31. Aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. VII. Besluit 32. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenland, Steden- en Plattelandsbeleid, Samenleven, Integratie en Inburgering, Bestuurszaken, Sociale Economie en Zeevisserij van 13 juni 2025 houdende de niet-benoeming van W.D. tot burgemeester van de gemeente Heuvelland. X-19.088-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-19.088-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.808 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.