← België

Arrest 263813 - Milieuvergunningen - 30/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 Rolnummer: A. 239802/VII-42164 Zaak: Arrest 263813 - Milieuvergunningen - 30/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-03 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-16 03:18 Fiche Arrest nr 263.813 van 30 juni 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 no lien 284170 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.813 van 30 juni 2025 in de zaak A. 239.802/VII-42.164 In zake : 1. W.V. 2. G.V. 3. W.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rika Heijse kantoor houdend te 9052 Gent Dorpsstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV D.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Vandamme kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 17 mei 2023 waarbij, na afloop van een proeftermijn, aan de bv [D.G.] een definitieve milieuvergunning wordt verleend voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de opslag en verwerking van schroot, gelegen aan de Ambachtsweg 23 te Merelbeke. VII-42.164-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De bv [D.G.] heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 oktober 2023. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 15 februari 2024 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart 2025. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rika Heijse, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Stijn Vandamme, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-42.164-2/15 III. Feiten 3.1. De bv [D.G.], tussenkomende partij, exploiteert een schrootrecuperatiebedrijf aan de Ambachtsweg 23 te Merelbeke. 3.2. De inrichting is volgens de bepalingen van het gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ gelegen in agrarisch gebied. Ze is tevens gelegen binnen de contouren van de ‘zone voor kleine en middelgrote ondernemingen’, vastgesteld in het bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) ‘Ambachtelijke zone Roskam’, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 12 november 1993. De inrichting bevindt zich eveneens binnen de grenzen van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening Grootstedelijk Gebied Gent’. Er gelden geen nadere bestemmingsvoorschriften. 3.3. Op 17 februari 2017 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van de betrokken inrichting. 3.4. Bij besluit van 21 september 2017 verleent de deputatie de gevraagde vergunning voor een termijn van twee jaar op proef. 3.5. Tegen deze proefvergunning wordt bij de bevoegde Vlaamse minister bestuurlijk beroep ingesteld. 3.6. Op 30 maart 2018 beslist de Vlaamse minister het ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren. De in eerste aanleg genomen beslissing wordt als volgt gewijzigd: VII-42.164-3/15 “Art. 2. […] - In voorwaarde 23 van artikel 3 worden de woorden ‘akoestische panelen’ vervangen door de woorden ‘akoestische panelen of betonblokken’. - In artikel 3 wordt voorwaarde 27 vervangen als volgt: ‘[…] Visueel en groenscherm In afwijking van artikel 5.2.1.15, § 5, van Vlarem moet rond de inrichting geen 5 m breed groenscherm worden aangelegd. De visuele afscherming gebeurt volgens het plan en de voorwaarden van de stedenbouwkundige vergunning van 5 juni 2014. Het aanwezige groenscherm wordt in goede staat gehouden. In afwijking van de plaatsing van een groendoek (zoals eerder opgelegd in het ministerieel besluit van 8 november 2013) wordt aan de zuidzijde van het bedrijfsterrein de bestaande keermuur verhoogd tot 5,6 m. De noodzaak tot verdere (groene) aankleding van deze panelen in functie van een optimale visuele afscherming wordt besproken met het gemeentebestuur en uitgevoerd volgens de gemaakte afspraken hierbij.” De overige bepalingen van het beroepen deputatiebesluit van 21 september 2017 worden bevestigd. 3.7. Met een besluit van 19 september 2019 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de gevraagde milieuvergunning voor onbepaalde duur. 3.8. Bij arrest nr. 255.160 van 2 december 2022 vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 19 september 2019 op grond van de volgende overwegingen: “[…] De toepasselijke regelgeving reikt zelf geen criteria aan om uit te maken of een inrichting voor het verwerken van schroot al dan niet kan worden beschouwd als een ambachtelijk bedrijf of een kmo. Het komt derhalve aan de vergunningverlenende overheid toe, wanneer zij staat voor de vraag of een inrichting kan worden ingepast in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kmo’s, om aan de hand van pertinente feitelijke gegevens en op afdoende wijze te motiveren waarom zulks volgens haar het geval is. Uit die motivering moet onder meer blijken dat de vergunde activiteiten, ondanks de hinder die zij veroorzaken, toegelaten kunnen worden in het betrokken gebied. Die motiveringsverplichting geldt tevens wanneer de aanvraag de hernieuwing van een milieuvergunning betreft, en geldt des te meer wanneer er geen evidentie bestaat dat de betrokken inrichting, twintig jaar na het verlenen van de basismilieuvergunning en gelet op de evolutie die het bedrijf in die tijd heeft ondergaan, nog steeds thuishoort in een gebied dat bestemd is voor ambachtelijke bedrijven en kmo’s. VII-42.164-4/15 In het licht van de meerdere klachten en bezwaren die doorheen de jaren werden ingediend met betrekking tot geluidshinder, visuele hinder en trillingshinder afkomstig van het betrokken bedrijf, de opmerking tijdens het openbaar onderzoek dat de bedrijfsactiviteiten jaar na jaar zijn toegenomen en het tijdens de beroepsprocedure naar voor gebrachte standpunt van een omwonende dat de activiteiten van de inrichting niet thuishoren in een zone die bestemd is voor ambachtelijke bedrijven en kmo’s, diende de vergunningverlenende overheid met de vereiste zorgvuldigheid te onderzoeken en in haar beslissing uitdrukkelijk en voldoende onderbouwd te verantwoorden waarom de inrichting verenigbaar is met de vigerende bestemmingsvoorschriften. Zeker wanneer, zoals in dit geval, de stedenbouwkundige bestemming een nadere interpretatie behoeft, kan de vergunningverlenende overheid niet volstaan met een loutere verwijzing naar de ligging in kmo-zone en de overweging dat ‘de stedenbouwkundige voorschriften geen nadere specificaties geven omtrent de aard van de mogelijke bedrijvigheden’. […] In de bestreden beslissing wordt ingegaan op de milieuhygiënische aspecten van de betrokken inrichting, waarbij uitvoerig wordt stilgestaan bij de geluidshinderproblematiek in de onmiddellijke omgeving. Echter, die beoordeling volstaat op zich niet om te besluiten tot de toelaatbaarheid van de aangevraagde activiteiten in het betrokken gebied. Het al dan niet hinderlijk karakter van de activiteiten op zich zegt immers niets over de ambachtelijke, dan wel industriële aard van de uit te voeren werkzaamheden, noch blijkt daaruit of het al dan niet om een kleine of middelgrote onderneming gaat. Om tot de laatste vaststelling te kunnen komen, moet de vergunningverlenende overheid haar beslissing immers noodzakelijkerwijs mede stoelen op de omvang van het bedrijf en de aard van de uitgeoefende activiteiten, waarbij zij de criteria dient te verduidelijken aan de hand waarvan zij de relevante cijfergegevens en de aard van de activiteiten toetst. Door de bestemmingsconformiteit niet uitdrukkelijk en afdoende te verantwoorden, heeft de vergunningverlenende overheid het aanvraagdossier onzorgvuldig afgehandeld en is de bestreden beslissing behept met een motiveringsgebrek.” 3.9. Vervolgens wordt de vergunningsprocedure hernomen en worden opnieuw een aantal adviezen uitgebracht:

  1. a)het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij is voorwaardelijk gunstig;
  2. b)de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij verleent een gunstig advies;
  3. c)de afdeling Handhaving adviseert gunstig op voorwaarde dat een bijzondere voorwaarde wordt opgelegd inzake de stapelhoogte van het schroot en het verticaal laden van het schroot;
  4. d)het geïntegreerd advies van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten is voorwaardelijk gunstig;
  5. e)het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie is eveneens ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 VII-42.164-5/15 voorwaardelijk gunstig. 3.10. Met het thans bestreden besluit van 17 mei 2023 verleent de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme de gevraagde milieuvergunning voor onbepaalde duur. IV. Onderzoek van het eerste middel (eerste onderdeel) Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 6 en 30, § 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I), van de artikelen 1.1.4, 4.2.19, 4.3.1 en 4.3.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van de artikelen 6 en 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), van de omzendbrief van 8 juli 1997 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’, van het BPA ‘Ambachtelijke zone Roskam’, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de materiëlemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van het patere legem quam ipse fecisti-beginsel. In een eerste middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat de vergunde inrichting niet verenigbaar is met de planologische bestemming van het gebied. In wezen betogen zij dat de betrokken inrichting voor de opslag en verwerking van schrootafval niet als een ambachtelijk bedrijf kan worden beschouwd omdat er geen goederen worden geproduceerd binnen een productieproces en de bewerking van het schroot niet manueel gebeurt, maar met groot materiaal, zoals een knijpschaar, bulldozers en hoge grijpkranen, die niet als klein elektrisch materiaal kunnen worden beschouwd. In ieder geval heeft een ambachtsactiviteit geen betrekking op de loutere activiteit van aankoop van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 VII-42.164-6/15 schrootmaterialen die na sortering opnieuw verkocht worden. Dit is veeleer een handelsactiviteit die zich richt tot consumenten en bedrijven. Ofschoon het gebied volgens de bepalingen van het gewestplan mede bestemd is voor kleine opslagplaatsen van voertuigen en schroot, dan is dat met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard. Tevens moet worden vastgesteld dat de inrichting drie percelen van de ambachtelijke zone in beslag neemt, waar één perceel doorgaans voldoende is voor een ambachtelijke nijverheidsinrichting, dat de aangevraagde stapelcapaciteit en jaarlijks te verwerken schrootvolumes doen blijken dat het om een grootschalige opslag gaat en dat het schroot ter plaatse allerlei manipulaties ondergaat. De intensiteit van de bedrijvigheid blijkt ook uit het aankomend en vertrekkend vervoer, alsook uit de werkzaamheden op de binnenkoer, waar diverse schrootmaterialen een mechanische behandeling ondergaan. Tot slot slaan de activiteiten mede op de opslag en verwerking van gevaarlijk afval. Volgens het gewestplan is de opslag van afvalproducten van schadelijke aard evenwel niet toegestaan in een zone voor ambachtelijke bedrijven en kmo’s. Uit al het voorgaande besluiten de verzoekende partijen dat de activiteiten van de aangevraagde inrichting niet overeenstemmen met de bestemmingsvoorschriften van het gebied. Zij vervolgen dat in het verleden eigenlijk al geen milieuvergunning kon worden verleend voor de betrokken activiteiten, omdat de hinder ervan vergelijkbaar is met de hinder die veroorzaakt wordt door de verwerking van sloopafval. Voorts zetten de verzoekende partijen uiteen dat er ten onrechte wordt van uitgegaan dat het schrootbedrijf een productiebedrijf is, terwijl er ter plaatse enkel sprake is van de overslag van schroot en het mechanisch behandelen ervan. Zo zijn er op de site meerdere grijpkranen aanwezig alsook tal van andere machines en toestellen, zoals een vorkheftruck, een verreiker, vrachtwagens en een knip- en pelinstallatie. Ook het storten en het op- en afladen van containers zorgt voor extreme geluidshinder. Volgens de verzoekende partijen werd de inrichting enkel getoetst aan de Europeesrechtelijke definitie van kmo die geldt in het kader van staatssteun, maar die geen uitstaans heeft met de hinderlijkheid van het bedrijf. Hoe dan ook blijkt dat op basis van deze Europese definitie van een kmo de betrokken inrichting geen kleine, maar wel een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 VII-42.164-7/15 middelgrote onderneming is. Dit staat haaks op de gangbare invulling van het begrip “ambachtsbedrijf”. Tot slot brengen de verzoekende partijen onder de aandacht dat er sprake is van visuele hinder en trillingshinder. 5. De verwerende partij antwoordt dat in arrest nr. 255.160 van 2 december 2022 van de Raad van State werd geoordeeld dat er in de regelgeving geen concrete criteria voorhanden zijn om uit te maken of een schrootverwerkend bedrijf beschouwd moet worden als een ambachtelijk bedrijf of een kmo, zodat het bestuur dit aan de hand van pertinente gegevens zelf moet beoordelen. Zij haalt vervolgens de beoordeling in de bestreden beslissing aan en besluit dat hiermee tegemoet wordt gekomen aan de motieven van het voormelde vernietigingsarrest. In dit verband verduidelijkt zij dat het geldende BPA enkel stedenbouwkundige voorschriften omvat en geen milieutechnische. Voorts meent zij dat uit artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit kan worden afgeleid dat schrootverwerking wel degelijk thuishoort in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kmo’s. Volgens de verwerende partij gaat het trouwens over manuele handelingen die passen in een ambachtelijke werkwijze. In dat verband laat zij ook gelden dat het merendeel van de materialen zonder enige bewerking wordt afgevoerd en dat slechts 30% van de materialen ter plaatse wordt bewerkt (door aanduwen, snijbranden, knippen of pellen). Het is niet omdat de materialen vaak groot en zwaar zijn, waardoor bij de bewerking machines ingeschakeld moeten worden, dat de activiteiten een industrieel karakter verkrijgen. Tot slot wordt in de bestreden vergunningsbeslissing aangegeven waarom het betrokken bedrijf volgens artikel 2.1 van bijlage 1 bij verordening (EG) 70/2001 aangemerkt moet worden als een kmo. 6. De tussenkomende partij werpt in de eerste plaats op dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan actueel belang. Het betoog van de verzoekende partijen zou namelijk steunen op achterhaalde feiten. Meer bepaald zouden alle aangewende adviezen, foto’s en vaststellingen enkel betrekking hebben op de vernietigde vergunningsbeslissing van 19 september 2019 en niet op de nieuwe feitelijke toestand waarbij de activiteiten sterk werden verminderd en er nauwelijks nog geluidsintensieve activiteiten zijn. Tevens merkt de tussenkomende partij op dat de gemeentelijke omgevingsambtenaar reeds in 2017 heeft bevestigd ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 VII-42.164-8/15 dat het voorziene groenscherm kan volstaan. Er is dus geen enkele reden om te gaan twijfelen aan het reeds gerealiseerde en voldoende hoog opgeschoten groenscherm, te meer het inmiddels zes jaar heeft kunnen groeien. Ten overvloede wijst de tussenkomende partij op de onduidelijkheid van het verzoekschrift, nu tal van artikelen louter worden geciteerd zonder concreet te verduidelijken of aan te tonen waarom die bepalingen aanleiding zouden geven tot de onwettigheid van de bestreden beslissing. Over de grond van de zaak stelt zij dat in de bestreden beslissing, rekening houdend met het vernietigingsarrest, wordt gemotiveerd waarom de exploitatie verenigbaar kan worden geacht met de bestemmingsvoorschriften. Ook op de naleving van de geluidsnormen wordt uitgebreid ingegaan. De tussenkomende partij merkt op dat in het BPA sprake is van zowel ambachtelijke bedrijven als kmo’s en dat de planologische verenigbaarheid van de inrichting herhaaldelijk werd bevestigd. Dit is thans nog meer het geval nu een aantal hinderlijke activiteiten werden verplaatst naar een andere locatie. Aangaande het ambachtelijk karakter van het bedrijf legt de tussenkomende partij er de nadruk op dat zeer veel activiteiten bestaan uit handwerk en dat het niet verboden is om in een dergelijk bedrijf machines te gebruiken. De omvang van de gebouwen is evenmin een dienstig criterium om te besluiten tot het industrieel karakter van de inrichting. Een verwijzing naar een voorschrift over de inrichting van de terreinen in het gewestplan is ook irrelevant voor de beoordeling van de bestemmingsconformiteit. Wat betreft de beweerde bovenmatige hinder meent de tussenkomende partij dat de verzoekende partijen verwijzen naar adviezen en processen-verbaal die inmiddels achterhaald zijn. De actuele toestand is immers het gevolg van naderhand uitgevoerde akoestische onderzoeken en plaatsbezoeken van de afdeling Handhaving. 7. De verzoekende partijen dupliceren dat de verwerende partij de bestemmingsvoorschriften van artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit selectief leest, dat het te dezen duidelijk is dat het schroot, met inbegrip van afvalproducten van schadelijke aard, niet enkel wordt opgeslagen maar ook wordt verwerkt op een terrein waarvan de oppervlakte duidt op een industriële bedrijvigheid, dat de overslag van schroot niet gelijkstaat met de verwerking ervan, dat niet wordt ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 VII-42.164-9/15 weerlegd dat er sprake is van afvalproducten van gevaarlijke aard en dat het werken met hoge grijpkranen aantoont dat er geen sprake is van handmatig werk maar wel van een grootschalige machinale activiteit. Waar de verwerende partij blijft vasthouden aan het cijfermatig criterium om een kmo-bedrijf te typeren, herhalen de verzoekende partijen dat dit criterium geen enkel verband houdt met de aard van de activiteit en de hinderlijkheid ervan. 8. In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen nog toe dat volgens het BPA het gebied bestemd is voor nijverheidsgebouwen die dienstig zijn voor een ambachtelijke bedrijvigheid en dat te dezen de verrichte handenarbeid slechts van bijkomstige aard is terwijl het merendeel van de handelingen mechanisch uitgevoerd wordt met een kraan. Ook beklemtonen zij dat het schroot niet enkel opgeslagen wordt, maar ter plaatse wordt bewerkt en verwerkt. 9. De tussenkomende partij beklemtoont in haar laatste memorie dat een ambachtelijke bedrijvigheid niet uitsluit dat machines worden gebruikt en dat er in dit geval geen sprake is van een industrieel en geautomatiseerd productieproces. Beoordeling A. Ontvankelijkheid van het middelonderdeel 10. De eenzijdige bewering van de tussenkomende partij dat het eerste middel zou steunen op achterhaalde feiten en argumenten, terwijl niet wordt ingegaan op de “nieuwe feitelijke situatie waarin de activiteiten sterk zijn verminderd en er nauwelijks nog geluidsintensieve activiteiten zijn”, doet niets af aan de vaststelling dat met de bestreden beslissing vergunning wordt verleend voor het verder exploiteren en veranderen van een schrootverwerkend bedrijf, met opslagplaatsen voor 50 ton sloopafval, 1.270 ton schrootafvalstoffen en 126 ton gevaarlijke afvalstoffen. Allerminst past het besluit dat de opslag en verwerking van schroot niet hinderlijk zou kunnen zijn. Bovendien ontkent de tussenkomende partij niet dat de in het eerste onderdeel van het eerste middel aangevoerde onregelmatigheid van invloed was op de draagwijdte of strekking van de bestreden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 VII-42.164-10/15 beslissing, zoals wordt vereist door artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 11. De exceptie wordt verworpen. B. Gegrondheid van het middelonderdeel 12. De vergunde inrichting is gelegen in een zone voor kleine en middelgrote ondernemingen, volgens het BPA nr. 23 ‘Ambachtelijke zone Roskam’. De stedenbouwkundige voorschriften van het BPA bepalen onder meer: “1. Aard van de bebouwing […] Het nijverheidsgebouw mag slechts dienstig zijn voor een ambachtelijke bedrijvigheid, met inbegrip van opslagplaatsen, toonzalen en burelen voor zover de hinderlijke inrichting niet het evenwicht tussen de rechten en de plichten van de buurt verstoort.” Het toepasselijke BPA reikt zelf geen criteria aan om uit te maken of een inrichting voor het verwerken van schroot al dan niet beschouwd kan worden als een ambachtelijke bedrijvigheid. Het valt derhalve aan de vergunningverlenende overheid toe om op grond van pertinente feitelijke gegevens te beoordelen of de beoogde activiteiten verenigbaar zijn met de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA. Daarbij dient zij ook oog te hebben voor de hinderlijkheid van de activiteiten aangezien het BPA voorschrijft dat de hinderlijke inrichting niet “het evenwicht tussen de rechten en de plichten van de buurt” mag verstoren. 13. In de bestreden beslissing wordt op grond van de volgende overwegingen besloten tot de verenigbaarheid van de inrichting met de geldende plannen van aanleg: “Overwegende dat de aanvraag moet beoordeeld worden aan de hand van de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA; Overwegende dat men bij de toelaatbaarheid van voorliggende bedrijvigheid verder dient te onderzoeken of de activiteiten, ondanks de hinder die zij veroorzaken, toegelaten kunnen worden in het betrokken gebied. (cfr. RvS 28 februari 2019, nr. 243.824); dat hierbij onder meer bijzondere aandacht dient besteed te worden aan de omvang van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 VII-42.164-11/15 productie en de gehanteerde productiemethoden, (cfr. RvS 29 mei 2008, nr. 183.588) alsook de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de tewerkstelling en de weerslag op het milieu; Overwegende dat er geen industriële productieprocessen plaatsvinden op het bedrijf; dat er namelijk op geen enkele wijze sprake is van een maakbedrijf, waar producten met een industrieel proces worden gemaakt, terwijl dit essentieel is voor een industriële bedrijvigheid; dat van een industrieel productieproces er dus geen sprake is; dat er geen enkel industrieel of geautomatiseerd proces komt kijken bij de activiteiten maar integendeel blijkt dat er tal van handmatige handelingen nodig zijn door de werknemers, waarbij ook de scheiding van de materialen gebeurt met de hand of met kleinschalige werktuigen zoals een sleutel, slijpmachine of snijbrander: - individuele verwerking van identiteitsgegevens; - individuele controle door de verantwoordelijke, die vervolgens aanwijst waar ze dit handmatig mogen deponeren; - non-ferro metalen in heel kleine hoeveelheden tussen 0 - 50 kg worden handmatig op de kleine weegschaal gelegd en afgewogen; - afrekening per levering aan het loket; - door de 2 werknemers op het terrein worden de klanten en leveranciers opgevolgd bij het laden en lossen; - tussendoor doen zij handmatige sortering en halen sommige stukken handmatig uit elkaar, hiervoor worden verscheidene sleutels gebruikt, alsook de slijpmachine en sporadisch de snijbrander. Overwegende dat uit deze omschrijving blijkt dat het gaat om eerder kleinschalige, maar vooral ambachtelijke activiteit en geen industrieel of geautomatiseerd productieproces; Overwegende dat er daarenboven een duidelijke Europese definitie is om te bepalen of een bedrijf als KMO kan worden beschouwd; dat in de Richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming ‘kleine en middelgrote ondernemingen’ (hierna KMO genoemd) worden gedefinieerd als ondernemingen in de zin van Verordening (EG) nr. 70/2001, of een verordening die deze vervangt; dat in deze verordening vervolgens wordt gewezen op de definitie uit de Aanbeveling van 6 mei 2003 (2003/361/EG), en naar de omschrijving van een kleine en middelgrote onderneming in Bijlage 1 bij Verordening (EG) nr. 70/2001 (zie artikel 2 van Bijlage 1): ‘Artikel 2 1. Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (KMO’
  6. s)behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. 2. Binnen de categorie KMO’s is een ‘kleine onderneming’ een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zij en waarvan de jaaromzet OF het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. 3. Binnen de categorie KMO’s is een ‘micro-onderneming’ een onderneming waar minder dan tien personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt.’ Overwegende dat essentieel is dat de tweede voorwaarde een keuze laat tussen jaaromzet OF het jaarlijks balanstotaal; dat uit de cijfers voor de site in Merelbeke, met het aantal werknemers (maximum 4) en de jaaromzet ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 VII-42.164-12/15 (omzet maximum 49 miljoen en balans totaal maximum 12 miljoen), blijkt dat bv [D.G.] elk jaar opnieuw voldoet aan de definitie van een KMO.” 14. In de aangehaalde motieven benadrukt de verwerende partij dat er geen producten worden gemaakt, zodat er geen sprake is van een industrieel of geautomatiseerd productieproces, en het derhalve eerder gaat om een ambachtelijke activiteit doordat “tal van handmatige handelingen nodig zijn”. De beschouwingen van de verwerende partij kunnen echter niet afleiden van het feit dat schrootverwerking in hoofdzaak bestaat uit de opslag, het sorteren en het mechanisch bewerken van schrootafvalstoffen. In de motivering van de bestreden beslissing wordt ten andere uitdrukkelijk gesteld dat “het grijpen en lossen van schroot met de kraan op de verschillende schrootstapels, het laden van containers met schroot met de kraan en het ophogen van schroot met de verreiker” gepaard gaan met “een belangrijke geluidsproductie”. Aangezien het toepasselijke BPA uitdrukkelijk voorschrijft dat een hinderlijke ambachtelijke bedrijvigheid slechts toegelaten kan worden als “het evenwicht tussen de rechten en de plichten van de buurt” niet wordt verstoord - wat erop neerkomt dat de omgevingshinder aanvaardbaar moet zijn - kon de verwerende partij er niet mee volstaan de machinaal door een kraan en verreiker uitgevoerde activiteiten te minimaliseren en langs de andere kant een overdreven waarde te hechten aan de triviale manuele handelingen die een zeker vakmanschap vereisen. Overigens kan de verwerende partij ook niet bijgetreden worden in zoverre zij enkel aan een industriële bedrijvigheid het kenmerk toeschrijft dat er producten gemaakt worden. In een ambachtelijk bedrijf worden immers ook producten gemaakt, weze het niet door het gebruik van een industrieel proces. In het licht van de formulering van het bestemmingsvoorschrift van het BPA waarin een “ambachtelijke bedrijvigheid” wordt vooropgesteld, doet de beperkte schaalgrootte van een bedrijf dat niet als ambachtelijk kan worden aangemerkt verder niet ter zake. 15. Om voormelde redenen laten de in de bestreden beslissing vermelde motieven in rechte niet toe te besluiten dat een inrichting voor de opslag ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 VII-42.164-13/15 en verwerking van schroot, bestaande uit onder meer de opslag en sortering van maximaal 50 ton sloopafval, de opslag en sortering van maximaal 1.270 ton schrootafvalstoffen, de opslag en sortering van maximaal 126 ton gevaarlijke afvalstoffen en de opslag en mechanische behandeling van maximaal 1.250 ton schrootafvalstoffen, aangemerkt kan worden als een “ambachtelijke bedrijvigheid” in de zin van het BPA nr. 23 ‘Ambachtelijke zone Roskam’. 16. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 17 mei 2023 waarbij, na afloop van een proeftermijn, aan de bv [D.G.] een definitieve milieuvergunning wordt verleend voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de opslag en verwerking van schroot, gelegen aan de Ambachtsweg 23 te Merelbeke. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.164-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.164-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.813 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.