← België

Arrest 263826 - Varia (onderwijs en cultuur) - 30/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.826 Rolnummer: A. 235673/IX-10007 Zaak: Arrest 263826 - Varia (onderwijs en cultuur) - 30/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-03 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-16 03:18 Fiche Arrest nr 263.826 van 30 juni 2025 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.826 van 30 juni 2025 in de zaak A. 235.673/IX-10.007 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1050 Brussel Marsveldplein 5/B5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:

  1. de NEDERLANDS-VLAAMSE ACCREDITATIEORGANISATIE,
  2. de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Edward Carlier kantoor houdend te 1200 Brussel Jules-Cockxstraat 8-10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 14 februari 2022, strekt tot de nietigver- klaring van de “beslissing van ongekend[e] datum van het Comité van Ministers van de Nederlands-Vlaams Accreditatieorganisatie […] en/of de Viceminister-pre- sident van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Die- renwelzijn en Vlaamse Rand, […] houdende de aanstelling van [CS] als Dagelijks Bestuurder van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.007-1/16 Eerste auditeur Joke Goris heeft op 31 januari 2025 een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 juni
  5. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Catherine Kerrebrouck, die loco advocaat Ed- ward Carlier verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoeker is sinds 1 april 1990 als ambtenaar in dienst van de Vlaamse overheid. Met ingang van 1 februari 2017 wordt hij benoemd als lid van het algemeen bestuur van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) door het Comité van ministers bedoeld in het verdrag tussen de Vlaamse IX-10.007-2/16 Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden ‘inzake de accredita- tie van opleidingen in het Vlaams en Nederlands hoger onderwijs’ van 3 september 2003 (hierna: “Comité van ministers” en “accreditatieverdrag”). Met ingang van 1 november 2019 wordt hij daarenboven benoemd tot lid van het dagelijks bestuur van de NVAO. Om deze opdracht uit te oefenen, geniet verzoeker een verlof voor opdracht van algemeen belang. 3.
  8. Op 11 juni 2020 deelt de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid aan verzoeker mee dat het Comité van ministers op 10 juni 2020 een klacht heeft ontvangen “over feiten die u als bestuurslid van de NVAO ten laste gelegd worden” en die omschreven worden als “ernstig, normoverschrijdend gedrag”. Verzoeker wordt “bij wijze van voorlopige maatregel” tijdelijk ontheven van zijn taken bij de NVAO, met behoud van loon. Hem wordt gevraagd om geen contact te hebben met het personeel en de bestuur- ders van de NVAO en de toegang tot de gebouwen van de NVAO wordt hem ont- zegd. Verzoeker stelt tegen deze beslissing een beroep tot nietigver- klaring in bij de Raad van State (A 231.092/IX-9.726). In deze zaak wordt heden een tussenarrest nr. 263.827 uitgesproken, waarin het auditoraat met een aanvul- lende onderzoeksmaatregel wordt belast. 3.
  9. Op 13 juli 2020 beëindigt de Vlaamse minister van Onderwijs het verlof voor opdracht van algemeen belang dat met ingang van 1 november 2019 aan verzoeker werd verleend om aangesteld te worden in de functie van lid van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur van de NVAO. Verzoeker vordert van deze beslissing de nietigverklaring bij de Raad van State (A 231.746/IX-9.765). Dat beroep is momenteel hangende bij het auditoraat voor verslag. IX-10.007-3/16 3.
  10. Op 23 februari 2021 legt het Comité van ministers aan verzoeker de tuchtsanctie van het ontslag op. Verzoeker stelt ook tegen deze beslissing een beroep tot nietig- verklaring in bij de Raad van State (A é.509/IX-9877). Er wordt heden eveneens uitspraak in gedaan bij arrest nr. 263.
  11. 3.
  12. Op 20 mei 2021 legt de Vlaamse minister van Onderwijs aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. Ook van deze beslissing vordert verzoeker de nietigverklaring bij de Raad van State (A 234.180/IX-9.916). Dat beroep is momenteel hangende bij het auditoraat voor verslag. 3.
  13. Bij besluit van 20 december 2021 stelt het Comité van ministers CS aan als dagelijks bestuurder van de NVAO. Dat is, blijkens de sub 4.1 aangehaalde verduidelijking door ver- zoeker, de met huidig beroep bestreden beslissing. IV. Aanwijzing van de verwerende partij 4.
  14. In de memorie van wederantwoord verduidelijkt verzoeker dat hij de nietigverklaring vordert van “de beslissing van het Comité van Ministers van de NVAO d.d. 20 december 2021 tot benoeming van [CS] met ingang van 1 de- cember 2021 als lid van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur van de NVAO voor een eenmaal verlengbare periode van vier jaar”. 4.
  15. Met “het Comité van Ministers van de NVAO” refereert verzoe- ker aan het meervermelde Comité van ministers als bedoeld in artikel 3 van het accreditatieverdrag, hierna sub 14 aangehaald. IX-10.007-4/16 4.
  16. Gelet op wat de Raad van State hierna zal vaststellen met betrek- king tot het Comité van ministers als auteur van de bestreden beslissing, moet de NVAO buiten de zaak worden gesteld. Met “de verwerende partij” wordt hierna enkel de Vlaamse Gemeenschap bedoeld. 4.
  17. De overheden die juridisch verantwoordelijk zijn voor de met huidig beroep bestreden beslissing van het Comité van ministers en om die reden bij een eventueel vernietigingsarrest gehouden kunnen zijn tot uitvoering van dat arrest of tot de betaling van een schadevergoeding tot herstel, zijn de Vlaamse Ge- meenschap en het Koninkrijk der Nederlanden. Gelet op het hierna vast te stellen ontbreken aan rechtsmacht voor de Raad van State om uitspraak te doen over het beroep tot nietigverklaring dat is gericht tegen een beslissing van het Comité van ministers en gelet op de ouderdom van het voorliggend beroep, acht de Raad van State het om proceseco- nomische redenen niet noodzakelijk, noch wenselijk om in de huidige stand van de rechtspleging het Koninkrijk der Nederlanden alsnog in de zaak te roepen als ver- werende partij en de tot nog toe gevoerde rechtspleging ten aanzien van haar te hernemen. V. Verzoek tot samenvoeging Verzoek
  18. Verzoeker vraagt om deze zaak samen te voegen met de zaken bekend onder de rolnummers A 231.092/IX-9.726, A 231.746/IX-9.765, A é.509/IX-9.877 en A 234.180/IX-9.916, omdat deze procedures “zeer nauw met elkaar verbonden [zijn], waarbij de uitkomst van de ene procedure een recht- streeks gevolg zal hebben voor de uitkomst van de andere procedure” en om “pro- cesefficiëntie en financiële overwegingen”. Indien de Raad van State de beslissing waarbij verzoeker definitief werd ontslagen als lid van het algemeen bestuur van de NVAO vernietigt, wordt hij teruggeplaatst in de positie waarin hij verkeerde IX-10.007-5/16 vóór de onwettige beslissing. Dit houdt in dat verzoeker terug lid is van het alge- meen bestuur van de NVAO, de positie die CS op heden bekleedt. Beoordeling
  19. Wat de zaak A. é.509 betreft, schetst verzoeker inderdaad de mogelijke weerslag van de uitkomst van dat beroep op deze zaak. Het volstaat evenwel om vast te stellen dat de beide zaken op dezelfde terechtzitting zijn opge- roepen en in beraad genomen en dat er op dezelfde dag uitspraak in wordt gedaan. Aldus heeft de Raad met kennis van zaken over de onderlinge invloed van beide beroepen kunnen oordelen. Bovendien wordt verzoekers beroep in de zaak A. é.509 verworpen, zodat de uitkomst in die zaak, anders dan verzoeker het had gehoopt, niet de door hem gewenste invloed heeft op het onderzoek van het thans voorliggende dossier. Wat de zaak A. 231.092 betreft, laat verzoeker na de verknocht- heid met huidig beroep te concretiseren en meer bepaald te verduidelijken hoe de eventuele vernietiging van de hem in de zaak A. 231.092 opgelegde maatregel een weerslag heeft op de beoordeling van de wettigheid van de aanstelling van CS – laat staan op de hiernavolgende beoordeling van ’s Raads rechtsmacht. Ook in de beide andere zaken ontbreekt die toelichting. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat in die zaken nog geen auditoraatsverslag is neer- gelegd en ziet de Raad geen reden om het onderzoek van de huidige zaak nog lan- ger te laten wachten.
  20. Een uitspraak in één of meer arresten maakt overigens geen ver- schil voor de kosten van de beroepen.
  21. Het verzoek tot samenvoeging wordt afgewezen. IX-10.007-6/16 VI. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie
  22. De verwerende partij werpt op dat het beroep moet worden af- gewezen omdat de Raad van State niet bevoegd is om ervan kennis te nemen. De bestreden beslissing gaat immers uit van de NVAO, zijnde een internationale or- ganisatie met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht, terwijl de Raad van State overeenkomstig artikel 14 RvS-Wet slechts kennisneemt van de vernieti- gingsberoepen ingesteld tegen de akten en reglementen van Belgische administra- tieve overheden. De Raad van State is dus niet bevoegd om kennis te nemen van de beroepen tot nietigverklaring van rechtshandelingen die uitgaan van buiten- landse of internationale overheden of organisaties. De verwerende partij merkt voorts op dat uit het accreditatiever- drag de intentie van de verdragsluitende partijen blijkt om in een systeem van rechtsbescherming te voorzien voor de bestuursleden dat behandeld wordt naar “het desbetreffende nationaal recht”, waarbij zij bij de “bevoegde nationale gerech- ten” kunnen procederen. Daarvoor is evenwel vereist dat de ministers een en ander “regelen”. Aldus heeft artikel 5.5 en 5.6 van het accreditatieverdrag geen recht- streekse werking ten aanzien van verzoeker.
  23. Verzoeker weerspreekt de exceptie in de memorie van wederant- woord als volgt: “
  24. Uit artikel 2, lid 1 van het Verdrag vloeit voort dat de Accreditatieorga- nisatie een rechtspersoon naar Nederlands recht is. Bijgevolg beweert verwerende partij ten onrechte dat we hier te maken heb- ben met een internationale organisatie. Een internationale organisatie kan geen rechtspersoon zijn die gecreëerd is op grond van een nationaal recht. Ten onrechte verwijst verwerende partij dan ook naar de rechtspraak van Uw Raad inzake de Europese Scholen. Immers, deze laatste zijn geen rechtspersoon naar enig nationaal recht, maar worden beschouwd als een internationale organisatie.
  25. Artikel 5, lid 5 van het Verdrag bepaalt hetgeen volgt: ‘De Vlaamse Mi- nister en Nederlandse Minister regelen elk voor de door hen voorgedragen IX-10.007-7/16 bestuursleden de rechtspositionele voorwaarden waaronder zij hun taak verrichten, waarbij de rechtsbescherming in ieder geval wordt geregeld overeenkomstig het desbetreffende nationale recht’. Ten onrechte leidt verwerende partij uit de geciteerde bepaling af dat de bevoegde Minister nog een systeem van rechtsbescherming zou moeten voorzien. Integendeel, de aangehaalde bepaling stelt juist dat het bestaande nationaal rechtsbeschermingssysteem zal toegepast worden wanneer er een probleem opduikt. In huidige zaak betreft de bestreden beslissing een benoeming van een Bel- gische onderdaan, waardoor inzake rechtsbescherming het Belgisch recht van toepassing is conform het artikel 5, lid 5 van het Verdrag. Verwerende partij betwist niet dat de bestreden beslissing een administratieve rechts- handeling is. Dit valt trouwens ook moeilijk te betwisten. Het gaat manifest om een benoeming van een ambtenaar op grond van een eenzijdige rechts- handeling. De beslissing gaat dus duidelijk uit van een orgaan dat eenzijdig derden kan binden. Naar Belgisch recht is de Raad van State de natuurlijke rechter om dergelijke beslissingen te vernietigen. Krachtens deze vaststellingen is de Belgische Raad van State wel degelijk bevoegd om kennis te nemen van de bestreden rechtshandeling. Haar be- voegdheid steunt rechtstreeks op artikel 5, lid 5 van het Verdrag en het feit dat de bestreden rechtshandeling een administratieve rechtshandeling is.”
  26. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat artikel 14, § 1, RvS-Wet niet bepaalt “dat het moet gaan om ‘Belgische administratieve overhe- den’”. In voorliggend geval bepaalt artikel 5.5 van het accreditatieverdrag dat de rechtsbescherming inzake de in dat artikel vermelde aangelegenheden in elk geval wordt geregeld overeenkomstig het nationale recht. Dat de nationale rechtsbescher- ming op grond van wat daarover in het nationale rechtsstelsel wordt gesteld, in voorkomend geval en op zich genomen, niet van toepassing is op beslissingen van de NVAO blijkt dus uit artikel 5.5 van het verdrag zelf. Artikel 5.5 van het verdrag breidt de rechtsbescherming van het nationale rechtsstelsel echter uit tot beslissin- gen van de NVAO genomen in de in artikel 5.5 van het verdrag bepaalde aangele- genheden. Zelfs wanneer het standpunt gevolgd wordt dat artikel 14, § 1, RvS-wet de Raad van State enkel bevoegdheid verleent inzake beroepen tot vernietiging te- gen beslissingen van Belgische administratieve overheden, breidt artikel 5.5 van het accreditatieverdrag deze bevoegdheid uit tot beslissingen van de NVAO inzake de in dat artikel vermelde aangelegenheden. Verzoeker herhaalt dat deze bepaling directe werking toekomt in de interne rechtsorde. Indien artikel 14, § 1, RvS-wet toch deze beperking zou inhouden, dient hierover een prejudiciële vraag te worden IX-10.007-8/16 voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof, die verzoeker redigeert in zijn laatste me- morie. Beoordeling
  27. Overeenkomstig artikel 14, § 1, eerste lid, RvS-wet doet de af- deling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwen- ding van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van onder meer de onder- scheiden administratieve overheden. Met ‘administratieve overheden’ worden Bel- gische administratieve overheden bedoeld. Weliswaar is het woord ‘Belgische’ niet in artikel 14 RvS-Wet opgenomen, doch de jarenlange vaste rechtspraak van de Raad van State – bijgevallen in de leidende rechtsleer – laat hierover geen twijfel bestaan.
  28. De bestreden beslissing om CS aan te stellen als dagelijks be- stuurder van de NVAO is genomen door het Comité van ministers.
  29. Dat Comité van ministers en de inrichting en opdrachten van de NVAO zijn geregeld bij het voormelde accreditatieverdrag, dat is goedgekeurd bij decreet van 2 april 2004 (BS 18 mei 2004 en 12 november 2004), en zoals gewij- zigd bij protocol van 12 december 2012 en 16 januari 2013, goedgekeurd bij de- creet van 29 december 2013 (BS 18 maart 2014). Voor de huidige zaak zijn de volgende bepalingen van het accre- ditatieverdrag van belang: “Hoofdstuk 1 - Accreditatieorganisatie en Opdracht Artikel 1
  30. De Verdragsluitende Partijen belasten de Nederlands-Vlaamse Accredi- tatieorganisatie, hierna te noemen de Accreditatieorganisatie, met de taak opleidingen binnen het hoger onderwijs, verzorgd door in Nederland of in Vlaanderen gevestigde instellingen, een toets nieuwe opleiding te laten on- dergaan of te accrediteren of deze instellingen een instellingstoets IX-10.007-9/16 kwaliteitszorg, respectievelijk instellingsreview, af te nemen overeenkom- stig de regels die bij of krachtens Nederlandse wet respectievelijk Vlaams decreet zijn gesteld.
  31. De Verdragsluitende Partijen kunnen, na overleg, de Accreditatieorgani- satie belasten met opdrachten die de opdracht, bedoeld in het eerste lid, ondersteunen of aanvullen.
  32. De Vlaamse Gemeenschap van België wijst de Accreditatieorganisatie, bedoeld in het eerste lid, als accreditatieorgaan aan in de zin van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
  33. De zetel van de Accreditatieorganisatie is gelegen in Den Haag. Artikel 2
  34. De Accreditatieorganisatie heeft rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht.
  35. De Accreditatieorganisatie kan overeenkomstig Nederlandse wetgeving besluiten nemen naar Nederlands recht en overeenkomstig Vlaamse wetge- ving administratieve rechtshandelingen stellen naar Belgisch recht. Artikel 3
  36. De Nederlandse Minister bevoegd voor hoger onderwijs, hierna te noe- men ‘de Nederlandse Minister’ en de Vlaamse Minister bevoegd voor ho- ger onderwijs, hierna te noemen ‘de Vlaamse Minister’ vormen samen het Comité van Ministers.
  37. Het Comité van Ministers heeft de bevoegdheden zoals omschreven in dit Verdrag. Hoofdstuk 2 - Inrichting Accreditatieorganisatie Artikel 4 De Accreditatieorganisatie bestaat in ieder geval uit een Bestuur en een Ad- viesraad. Artikel 5
  38. Het Bestuur bestaat uit ten hoogste vijftien leden, waaronder een voor- zitter en een vice-voorzitter.
  39. Het Comité van Ministers benoemt de bestuursleden, waarvan 60% door de Nederlandse Minister en 40% door de Vlaamse Minister wordt voorge- dragen.
  40. De benoeming van de bestuursleden geschiedt voor een periode van vier jaar. Een bestuurslid kan na die periode eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar.
  41. Het Comité van Ministers benoemt de voorzitter en vice-voorzitter voor een periode van vier jaar.
  42. De Vlaamse Minister en Nederlandse Minister regelen elk voor de door hen voorgedragen bestuursleden de rechtspositionele voorwaarden waaron- der zij hun taak verrichten, waarbij de rechtsbescherming in ieder geval wordt geregeld overeenkomstig het desbetreffende nationale recht.
  43. Het Comité van Ministers kan een bestuurslid slechts schorsen of ont- slaan wegens onbekwaamheid voor het vervullen van de functie, wegens kennelijke nalatigheid dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen. Geschorste of ontslagen bestuursleden IX-10.007-10/16 kunnen tegen deze beslissing procederen bij de bevoegde nationale gerech- ten. Ontslag vindt voorts plaats op eigen verzoek van een bestuurslid. […] Artikel 7
  44. Het Bestuur wordt geregeld door een Bestuursreglement. Het Bestuurs- reglement treft ten minste op de volgende punten een regeling: a. het voorzien in een Dagelijks Bestuur, waarbij de benoeming van de le- den, waaronder de voorzitter en de vice-voorzitter, overeenkomstig artikel 5, tweede lid, geschiedt, b. het voorzien in een bureau, […].”
  45. Blijkens het accreditatieverdrag is de NVAO een supranationale organisatie met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht (artikel 2 van het ver- drag) en heeft zij als organen (i) een bestuur – omvattende (minstens) een dagelijks bestuur en een bureau – en (ii) een adviesraad (artikelen 4 en 7 van het verdrag). Het Comité van ministers, ingesteld bij artikel 3.1 van het accre- ditatieverdrag, is niet opgevat als een orgaan van de NVAO, zodat artikel 2 van het accreditatieverdrag niet relevant kan worden betrokken op de beslissingen van dat comité. Het Comité van ministers neemt met andere woorden conform de bevoegd- heden die het zijn toegekend door het verdrag beslissingen met betrekking tot de NVAO, maar neemt geen beslissing ván de NVAO.
  46. Ook al is artikel 2 van het verdrag niet dienstig, dan toch kan dit Comité van ministers bestaande uit een lid van de Vlaamse regering en een lid van de regering van het Koninkrijk der Nederlanden hoe dan ook niet beschouwd wor- den als een Belgische administratieve overheid. 17.
  47. Artikel 5.5 van het accreditatieverdrag kan verzoeker geen soe- laas bieden. 17.
  48. Luidens artikel 5.5 van het accreditatieverdrag regelen de Vlaamse minister en de Nederlandse minister “elk voor de door hen voorgedragen bestuursleden de rechtspositionele voorwaarden waaronder zij hun taak verrichten, IX-10.007-11/16 waarbij de rechtsbescherming in ieder geval wordt geregeld overeenkomstig het desbetreffende nationale recht”. Artikel 5.5 verwijst naar een nog te treffen rechtspositieregeling. Een dergelijke regeling van de Vlaamse minister, zou, zo kan men argumenteren, wél een beslissing zijn die uitgaat van een Belgische admini- stratieve overheid. De “Vlaamse minister” heeft tot heden nagelaten om uitvoering te geven aan deze verdragsbepaling, alleszins wat de rechtsbescherming betreft. Het mag dus in het midden blijven of die “rechtspositionele voorwaarden waaron- der zij hun taak verrichten” ook ziet op de rechtsbescherming bij de benoemings- procedure en waarborgen moet bevatten voor afgewezen kandidaten of derden, zo- als verzoeker. 17.
  49. Verzoeker beroept zich voorts vergeefs op de beweerd recht- streekse werking van deze verdragsbepaling, die er volgens hem op neerkomt dat hij toegang heeft tot de Raad van State. Ten eerste is deze bepaling, anders dan verzoeker betoogt, geenszins zo éénduidig dat de verbintenis van de Vlaamse Gemeenschap volledig en nauwkeurig vastligt. Dat de bestuursleden moeten beschikken over rechtsbe- scherming “overeenkomstig het desbetreffende nationale recht” – en overeenkom- stig artikel 5.6 tegen een schorsing of ontslag kunnen procederen “bij de bevoegde nationale gerechten” – kan immers ook worden gerealiseerd via de gewone rechter. Ten tweede en vooral, moet het accreditatieverdrag worden ge- acht met de verwijzing naar de regeling die de Vlaamse minister zou treffen en naar de “bevoegde” nationale gerechten de internrechtelijke bevoegdheidsverde- ling te respecteren. De zienswijze van verzoeker komt neer op een toewijzing van een bijkomende vernietigingsbevoegdheid aan de Raad van State voor een IX-10.007-12/16 beslissing die niet uitgaat van een Belgische administratieve overheid. Dat vereist een optreden van de federale wetgever, die luidens artikel 160 van de Grondwet exclusief bevoegd is om de Raad van State te regelen. Welk ook het engagement is dat de Vlaamse Gemeenschap op zich heeft genomen bij het sluiten van het ac- creditatieverdrag, het kan niet geacht worden artikel 14, § 1, RvS-wet (impliciet) gewijzigd te hebben. Het verdrag regelt blijkens artikel 1 van het instemmingsde- creet van 2 april 2004 louter een gemeenschapsaangelegenheid en de federale over- heid is bij het sluiten ervan in genen dele betrokken geweest. Ook hier mag in het midden blijven of de referentie aan de “rechtspositionele voorwaarden waaronder zij hun taak verrichten” ook ziet op de rechtsbescherming bij de benoemingsprocedure en waarborgen moet bevatten voor afgewezen kandidaten of derden, zoals verzoeker.
  50. Wat voorafgaat leidt tot de conclusie dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De exceptie is gegrond. Verzoek tot prejudiciële vraagstelling
  51. Zoals de verwerende partij opwerpt, moet het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State om proceseconomische redenen en omwille van de vereiste van de wapenge- lijkheid van de procespartijen en de verplichting tot loyale procesvoering, in limine litis worden geformuleerd, of minstens in het eerste processtuk waarin de bedoelde partij dit nuttig vermag te doen. Zoals de verwerende partij in haar laatste memorie ook terecht opwerpt, was de exceptie door haar in al haar aspecten in het debat gebracht in de memorie van antwoord. Het lag in principe dan ook op de weg van verzoeker om minstens al in zijn memorie van wederantwoord een eventuele prejudiciële IX-10.007-13/16 vraagstelling over artikel 14, § 1, RvS-wet aan het Grondwettelijk Hof te vorderen, althans wanneer die niet de openbare orde raakt.
  52. Kan de vraag rijzen of het anders ligt wanneer, zoals hier, de vraag betrekking heeft op de bevoegdheid zelf van de Raad van State – wat eminent een kwestie is die de openbare orde aanbelangt – dan nog moet op het verzoek niet worden ingegaan. De prejudiciële vraag die verzoeker formuleert, betreft immers de rechtsmacht van de Raad van State, zodat ’s Raads beslissing hierover vatbaar is voor een voorziening in cassatie overeenkomstig artikel 158 van de Grondwet en de artikelen 33 en 34 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat betekent dat de gehoudenheid van de Raad van State tot het stellen van een preju- diciële vraag wordt beoordeeld overeenkomstig artikel 26, § 2, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’. Krachtens deze bepaling is de Raad van State, onder meer, niet ertoe gehouden een prejudiciële vraag te stellen “wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 klaarblij- kelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de pre- judiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen” (RvS, alg verg., nr. 260.199 van 20 juni 2024, nv PQ Belgium). Die vrijstelling om een prejudiciële vraag te stellen geldt met an- dere woorden ook en zelfs in het geval de reden van onbevoegdheid van de Raad van State ontleend is aan een norm die zelf het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot stellen van de vraag. De Raad van State is bij zijn uitspraak over de voorliggende ex- ceptie niet gehouden de prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, aangezien die exceptie zijn rechtsmacht betreft en zijn beslissing hierover vatbaar is voor een voorziening in cassatie overeenkomstig artikel 158 van de Grondwet en de artikelen 33 en 34 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en IX-10.007-14/16 omdat hij oordeelt dat zich een vernietigingsbevoegdheid toe-eigenen over beslis- singen van niet-Belgische overheden klaarblijkelijk strijdig is met de beginselen van de staatsrechtelijke soevereiniteit.
  53. Het verzoek wordt verworpen. BESLISSING
  54. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie wordt buiten de zaak ge- steld.
  55. De Raad van State verwerpt het beroep.
  56. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij.
  57. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.007-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig juni tweeduizendvijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.007-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.