id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.833 Rolnummer: A. 241156/X-19057 Zaak: Arrest 263833 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-08 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-16 03:18 Fiche Arrest nr 263.833 van 30 juni 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.833 van 30 juni 2025 in de zaak A. 241.156/X-19.057 In zake : W.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns, Jef Goffings en Charlotte Cams kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 6 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse Minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 29 november 2023 “waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeente Zaventem van openbaar nut wordt verklaard”. X-19.057-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Aquafin heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Auditeur Lise Vandenhende heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ruben Massoels, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor verzoeker, advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Robrecht Van Steenkiste, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Lise Vandenhende heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-19.057-2/15 III. Feiten 3.
- Verzoeker is eigenaar van vijf percelen, gelegen te Zaventem. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde waren verzoekers percelen gelegen in agrarisch gebied met overdruk uitbreidingen van ontginningsgebieden. Volgens het bij besluit van de Vlaamse regering van 16 december 2011 definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘afbakening VSGB en aansluitende open ruimtegebieden’ situeren deze percelen zich thans in ontginningsgebied met nabestemming bouwvrij agrarisch gebied. 3.
- De nv Aquafin wenst in samenwerking met de gemeente Zaventem en Farys een project te realiseren in Zaventem. Meer bepaald wenst zij “een verbindingsriolering aan te leggen langs de Kleine Beek met de opname van bestaande lozingspunten op de Kleine Beek, een waterloop van de tweede categorie, en een aansluiting van de vuilvracht op de bestaande riolering in de Werkmansstraat” (‘technische motivatie’ bij de projectaanvraag). 3.
- Bij brief van 17 mei 2022 vraagt de nv Aquafin aan de bevoegde Vlaamse minister om “het aanleggen/renoveren en exploiteren van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur (RWZI) ‘Collector Kleine Beek fase 2’” te Zaventem van openbaar nut te verklaren. In de ‘verrechtvaardigingsnota’ bij de aanvraag wordt in detail ingegaan op de aard van de werken. Voor het deel ten laste van Aquafin zijn er meerdere onderdelen te onderscheiden waarbij in deze nota uitgebreid wordt stil gestaan. Eén van de percelen van verzoeker wordt getroffen door het tracé. Op dat perceel zal blijkens de voormelde ‘verrechtvaardigingsnota’ “een ondergrondse leiding Ø355 mm (uitwendig) worden aangelegd middels gestuurde boring. De aanlegwijze is sleufloos zodat de impact bovengronds nihil is”. X-19.057-3/15 3.
- Van 21 juni tot 20 juli 2022 vindt over de voormelde vraag een openbaar onderzoek plaats. 3.
- Met het bestreden besluit van 29 november 2023 beslist de verwerende partij om de RWZI in de gemeente Zaventem van openbaar nut te verklaren. Het bestreden besluit bepaalt: “Artikel
- De bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur - volgens de bijgevoegde goedgekeurde grondinnemingsplannen nummers 99240/1/07- 3-5.1/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, 99240/1/07-3-5.2/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, 99240/1/07-3-5.3/4 met revisie 4 van 17 februari 2022 en 99240/1/07-3-5.4/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, en de bijbehorende legende, plannummer 99240/1/07-3-3 met revisie 4 van 17 februari 2022, van het project 99240 in het Investeringsplan 2024, - onder, op of boven private onbebouwde gronden, die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining, gelegen op het grondgebied van de gemeente Zaventem, wordt van openbaar nut verklaard ten gunste van de nv Aquafin, Dijkstraat 8 te 2630 Aartselaar, hierna de gerechtigde te noemen. Deze installaties mogen op de hiernavolgende percelen gebouwd worden: Gemeente: Zaventem ------------------------- Kadastraal gekend onder: Afdeling: 2; Sectie: B; Perceel: nummers: 124D, 124C, 125/02A, 121E, 121C, 120W, 120H, 119/02B, 119F, 119H, 71C, 74A, 73A en 79A. Kadastraal gekend onder: Afdeling: 3; Sectie: B; Perceel: nummers: 16/02, 18E, 18/02A, 17, 82, 80, 76A, 79, 81, 21C, 20C, 20D, 21D, 22E, 21E, 32B, 22G, 29D, 30B, 23C, 23B, 19B, 19C en 19A. Art.
- De installaties op de onder artikel 1 vermelde percelen worden opgericht onder de volgende voorwaarden: 1) gedurende de aanleg rust de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut op alle percelen en/of gedeelten van percelen aangeduid in gele, groene en groen gearceerde kleur op de bijgevoegde grondinnemingsplannen nummers 99240/1/07-3-5.1/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, 99240/1/07-3-5.2/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, 99240/1/07-3-5.3/4 met revisie 4 van 17 februari 2022 en 99240/1/07-3-5.4/4 met revisie 4 van 17 februari 2022; 2) na de oprichting van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur rust de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut op alle percelen en/of gedeelten van percelen aangeduid in gele en groene kleur en vervalt de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut op de strook grond nodig als tijdelijke werkzone, als gearceerde groene strook aangeduid op bijgevoegde grondinnemingsplannen nummers 99240/1/07-3-5.1/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, 99240/1/07-3-5.2/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, 99240/1/07-3-5.3/4 met revisie 4 van 17 februari 2022 en 99240/1/07-3-5.4/4 met revisie 4 van 17 februari 2022; X-19.057-4/15 3) Overwegende dat op een deel van de percelen kadastraal gekend als Zaventem, afdeling 3, sectie B, nummers 22E en 23B, voorwerp van onderhavig Ministerieel Besluit, een recht van toe- en doorgang wordt gevestigd zoals aangeduid in rode arcering op het grondinnemingsplan nummer 99240/1/07-3-5.3/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, met dien verstande dat indien voormeld recht van toe- en doorgang tijdelijk niet kan uitgeoefend worden de eigenaar en/of gebruiker van achterliggende perce(e)l(en) geen aanspraak kan maken op enige vergoeding; 4) alle redelijke maatregelen zullen getroffen worden om, zelfs gedurende de werkzaamheden, een normaal gebruik van de grond die belast is met een erfdienstbaarheid door de eigenaar, de huurder of de eventuele andere bezetter, mogelijk te maken; 5) de werkzaamheden mogen pas beginnen na het verloop van een termijn van twee maanden na kennisgeving per aangetekend schrijven aan de belanghebbende eigenaars en huurders; 6) de gerechtigde, dit is de nv Aquafin, stelt de nodige afdrukken van de plannen, bestemd voor de openbare besturen of diensten, ter beschikking. Art.
- Voor de studie, het toezicht, de oprichting, de bewaring, het onderhoud en het herstellen van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur krijgen de personen, door de gerechtigde daartoe aangesteld, steeds toegang tot deze installaties, en dit langs de kortste weg vanaf de openbare weg. Zij mogen zich langs de installatie verplaatsen en eventueel het materiaal nodig voor de oprichting, het onderhoud en het herstellen per voertuig aanbrengen. Zij mogen daarvoor gratis gebruik maken van alle wegen, erfdienstbaarheden en toegangen die langs de kortste weg naar de installaties leiden, met dien verstande dat alle eventueel berokkende schade aan het terrein of erop staande gewassen alsook de schade aan derden vergoed worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van de eerder vermelde wet van 12 april
- Art.
- Als de eigenaars van de percelen, vermeld in artikel 1, wensen dat de gerechtigde op deze erfdienstbaarheid de door de installaties bezette grond zou kopen, kunnen ze dit aan de minister laten weten binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop het besluit aan hen betekend werd. Art.
- De nv Aquafin verstuurt een afschrift van dit besluit naar: 1) het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zaventem; 2) de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant. Art.
- Het besluit wordt samen met de goedgekeurde bijbehorende grondinnemingsplannen nummers 99240/1/07-3-5.1/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, 99240/1/07-3-5.2/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, 99240/1/07-3-5.3/4 met revisie 4 van 17 februari 2022 en 99240/1/07-3- 5.4/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, en de bijbehorende legende, plannummer 99240/1/07-3-3 met revisie 4 van 17 februari 2022, overgemaakt aan de nv Aquafin, Dijkstraat 8 te 2630 Aartselaar, die op haar beurt de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte brengt van dit besluit. X-19.057-5/15 Art.
- Iedere belanghebbende kan door middel van een ondertekend verzoekschrift tegen dit besluit bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring indienen binnen een termijn van zestig dagen na kennisneming.” IV. Tussenkomst
- De nv Aquafin is de begunstigde van het bestreden besluit. Haar verzoek tot tussenkomst dient dan ook te worden ingewilligd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van “het Gewestelijk RUP Afbakening Vlaams Strategisch Gebied rond Brussel en aansluitende open ruimtegebieden - cluster Zaventem, vastgesteld op 20 maart 2015, ontginningsgebied met nabestemming bouwvrij agrarisch gebied (artikel C8.12), van artikel 4.4.7, §2 VCRO, van artikel 3, §2, 1° en §3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 1991 houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de nv Aquafin in toepassing van het artikel 2.6.1.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019 [hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991], en van het zorgvuldigheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur alsook de materiële motiveringsplicht”. Verzoeker acht artikel 3, § 2, 1°, en § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 geschonden, omdat de weerslag van het gevraagde op de bestemming ontginningsgebied betrokken moest worden bij de beoordeling van het al dan niet gerechtvaardigd karakter van de verklaring van openbaar nut. Dit geldt des te meer voor ontginningsgebied, waarvan de X-19.057-6/15 verwezenlijking bemoeilijkt wordt of zelfs de facto onuitvoerbaar wordt door het bestreden besluit. Ook meent verzoeker dat onterecht naar artikel 4.4.7 VCRO wordt verwezen, nu er immers geen vergunningsaanvraag ter beoordeling voorligt. Op die manier wordt in het bestreden besluit toegegeven dat aan de onverenigbaarheid van het gevraagde met de bestemming niet kan worden voorbijgegaan. Voorts bekritiseert verzoeker dat de aanvraag niet de vereiste inlichtingen bevat en onontvankelijk moest worden verklaard, nu niet onderzocht werd in welke mate de ondergrondse strook en bovengrondse buffer de realisatie van het ontginningsgebied hypothekeert en welke weerslag het gevraagde op dit bestemmingsgebied zou hebben. Beoordeling 6.
- Waar verzoeker de niet-vermelding van de planologische bestemming in de kwestieuze aanvraag bekritiseert, wordt opgemerkt dat artikel 3, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 de planologische bestemming niet vermeldt als een inlichting die bij de aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van openbaar nut moet worden gevoegd. 6.
- Voorts weze erop gewezen dat artikel 11 van de wet van 12 april 1965 ‘betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen’ (hierna: de gaswet) bepaalt dat “[h]et gebruik waartoe het openbaar domein of privéterreinen die gedeeltelijk worden bezet, is bestemd, moet worden geëerbiedigd”. Het “gebruik waartoe het openbaar domein of privéterreinen die gedeeltelijk worden bezet, is bestemd” refereert niet aan een stedenbouwkundige bestemming. De verenigbaarheid van de beoogde RWZI met die bestemming wordt in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag beoordeeld. X-19.057-7/15 Gezien het voormelde, is verzoekers kritiek dat de RWZI niet verenigbaar is met de bestemming ontginningsgebied van de kwestieuze percelen, dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt verwezen naar artikel 4.4.7, § 2, VCRO – dat voorziet dat in een vergunning voor handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk beperkte impact hebben, mag worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften – en dat de verwerende partij de verkeerde planbestemming aanduidt, niet van aard om het bestreden besluit te vitiëren. 6.
- De stelling van verzoeker dat artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 niet zomaar in relatie kan worden gezien met artikel 11 van de gaswet, kan niet worden bijgevallen. Artikel 32octies, § 3, van de wet van 26 maart 1971 ‘op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging’, thans opgenomen in artikel 2.6.1.1.1, § 3, tweede lid, van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’, gecoördineerd op 15 juni 2018, bepaalt uitdrukkelijk dat “de rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 15 en artikel 16 van [de gaswet] van toepassing [zijn] op de Vennootschap bij het vervullen van de taken die haar in toepassing van deze onderafdeling worden toevertrouwd”. Bijgevolg is ook artikel 11 van de gaswet van toepassing voor het vervullen van de taken zoals vermeld in artikel 2.6.1.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’. Het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 vormt de uitvoering van artikel 2.6.1.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’. In artikel 1/1 van dat besluit wordt overigens uitdrukkelijk bepaald dat de nv Aquafin ook valt onder de in artikel 9 van de wet van 12 april 1965 bedoelde “houder van een toelating en toelatingsakte”. 6.
- In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dan weer dat hij “niét aan[kaart] dat de vestiging van de publiekrechtelijke erfdienstbaarheid conform moet zijn aan de stedenbouwkundige bestemming van het getroffen terrein”, maar dat de “redenen” ontbreken voor “het bezetten van het privaat domein”. Verzoekers kritiek in zijn inleidend verzoekschrift betreft echter wel degelijk de onverenigbaarheid van de RWZI met de planologische bestemming. Met de tussenkomende partij moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn laatste X-19.057-8/15 memorie aldus een andere invulling aan zijn middel geeft. Ten overvloede weze vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat de aan de oprichting van de RWZI verbonden redenen voor “het bezetten van het privaat domein” niet duidelijk zouden zijn. 6.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 10 van de gaswet, van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991, van het zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook dat “de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag ontbreekt”. Hij zet uiteen dat uit artikel 10 van de gaswet en artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 volgt dat de verklaring van openbaar nut enkel betrekking kan hebben op de oprichting van RWZI onder, op of boven private onbebouwde gronden die niet omsloten zijn met een muur of een omheining conform de bouw- of stedenbouwverordeningen. Het bestreden besluit geeft toe dat perceel 20B op het tracé met een veldkapel is bebouwd en private eigendom is. Daarom wordt in het bestreden besluit beslist dat dit perceel “komt te vervallen” in de aanvraag, en wordt het niet meer vermeld onder artikel 1 van het bestreden besluit, dat de percelen opsomt waarop de installaties mogen worden gebouwd. De aanvraag had volgens verzoeker evenwel geweigerd moeten worden. Immers volgt uit artikel 3, § 2, 2° en 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 dat de Vlaamse regering enkel het geheel van een tracé en de daarop voorziene RWZI van openbaar nut kan verklaren. Het bestreden X-19.057-9/15 besluit laat perceel 20B weg omdat het bebouwd is, terwijl het nog steeds deel uitmaakt van het tracé op het bij het bestreden besluit gevoegde plan. Nu het tracé niet realiseerbaar is zonder perceel 20B, mag de rest van het tracé ook niet zonder zorgvuldig onderzoek en de nodige motivering daaromtrent van openbaar nut verklaard worden. Elke motivering over de impact van het weglaten van perceel 20B op de realiseerbaarheid van de rest van het tracé ontbreekt. Beoordeling 8.
- Overeenkomstig artikel 10 van de gaswet kan een verklaring van openbaar nut enkel worden aangevraagd voor het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven het geheel of een deel van de private niet bebouwde gronden en die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining. Artikel 3, § 2, 2° en 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 bepaalt: “§
- Opdat de in paragraaf 1 bedoelde aanvraag ontvankelijk zou zijn omvat zij de volgende inlichtingen: […] 2° het voorgestelde tracé van de leidingen en/of van de vestiging van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur alsmede de aanduidingen van de nodige innemingen op een situatieplan op schaal van tenminste 1/25 000; op dit plan moeten bovendien worden vermeld: de openbare wegen, de buurt- en waterwegen, de spoor- en tramwegen gelegen langsheen het voorgestelde tracé of die het voorgestelde tracé kruisen; 3° een uittreksel uit het kadastraal plan of een fotografische weergave van een kadastraal plan of dezelfde schaal, afzonderlijk voor iedere gemeente, waarbij de percelen worden aangeduid waaronder de waarop rioolwaterzuiveringsinfrastructuur moet aangebracht worden en de aanduiding van deze infrastructuur; […]” 8.
- Anders dan verzoeker meent, volgt uit het gestelde in artikel 3, § 2, 2° en 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 niet dat X-19.057-10/15 “enkel het geheel van een tracé en vooropgestelde infrastructuur daarop” van openbaar nut zou kunnen worden verklaard. Verzoeker toont niet aan, noch maakt hij aannemelijk, dat het gegeven dat een bebouwd perceel niet in het bestreden besluit is opgenomen tot de vernietiging van dat besluit moet leiden, temeer nu overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 10 van de gaswet een verklaring tot openbaar nut enkel op onbebouwde percelen betrekking kan hebben. 8.
- Zoals verzoeker aangeeft, vermeldt het bestreden besluit dat perceel 20B met een veldkapel is bebouwd. Om die reden wordt dit perceel niet vermeld in het tweede lid van artikel 1 van het bestreden besluit als kadastraal perceel waarop de verklaring van openbaar nut van toepassing is. In het bestreden besluit wordt voorts uitdrukkelijk gesteld dat perceel 20B, daar het bebouwd is, “komt te vervallen in deze aanvraag tot het bekomen van het ministerieel besluit houdende de verklaring tot openbaar nut”. 8.
- Het bij het bestreden besluit gevoegde (grondinnemings)plan dient begrepen te worden in het licht van wat in het bestreden besluit zelf is bepaald, zodat het feit dat perceel 20B op dat plan staat vermeld, nog niet inhoudt dat dit perceel – tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het bestreden besluit in – toch van openbaar nut zou worden verklaard. Verzoeker gaat ten onrechte van het tegendeel uit, waar hij stelt dat “het geheel van het tracé [wordt] goedgekeurd – niettegenstaande hetgeen in de tekst van het besluit staat”, en betoogt dat “het erfdienstbaar tracé” volgens “het per besluit goedgekeurd plan” nog steeds over het bebouwd perceel 20B loopt. 8.
- Vastgesteld weze voorts dat het bestreden besluit enkel betrekking heeft op de verklaring van openbaar nut, en dat het zodoende niet dient te motiveren hoe het traject gerealiseerd kan worden op perceel 20B, dat van de verklaring van openbaar nut geen deel uitmaakt. Een “motivering over de impact van het weglaten van perceel nr. 20B op de realiseerbaarheid van de rest van het tracé”, is in het kader van een verklaring van openbaar niet vereist. Anders ook dan X-19.057-11/15 verzoeker het ziet, dient het bestreden besluit met betrekking tot perceel 20B niet “te erkennen dat het perceel middels onderlinge overeenkomst dan wel middels onteigening verworven dient te worden, en anders het tracé verlegd moet worden”. 8.
- Gelet op wat voorafgaat, doet verzoeker niet aannemen “dat het nog steeds tracématig inkleuren van perceel nr. 20B tot gevolg heeft dat de (gehele) VON-verklaring vernietigd moet worden”. 8.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids-, en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker betoogt met betrekking tot de voorwaarde van artikel 2, 5), van het bestreden besluit dat de verwerende partij haar besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid omdat “niet gespecifieerd wordt hoe de aanvrager het normale gebruik moet garanderen”. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd omdat “uit de lezing van het besluit ook niet te begrijpen valt wat de overheid als maatregelen voor ogen had”. Beoordeling 10.
- Artikel 2, 5), van het bestreden besluit bevat de volgende voorwaarde: “De installaties op de onder artikel 1 vermelde percelen worden opgericht onder de volgende voorwaarden: [...] X-19.057-12/15 5) alle redelijke maatregelen zullen getroffen worden om, zelfs gedurende de werkzaamheden, een normaal gebruik van de grond die belast is met een erfdienstbaarheid door de eigenaar, de huurder of de eventuele andere bezetter, mogelijk te maken;” 10.
- Uit artikel 11 van de gaswet volgt dat “[h]et gebruik waartoe het openbaar domein of privéterreinen die gedeeltelijk worden bezet, is bestemd, moet worden geëerbiedigd”. Met de verwerende en de tussenkomende partij wordt aangenomen dat de geviseerde bepaling van het bestreden besluit niet meer is dan een herneming van de door de gaswet opgelegde verplichting tot eerbiediging van het normaal gebruik van de grond. In dit licht is het betoog van verzoeker dat niet duidelijk is waarom de kwestieuze voorwaarde wordt opgelegd, nu de voorwaarde nergens anders in het bestreden besluit wordt toegelicht en uit de lezing van dat besluit niet te begrijpen valt wat de overheid als maatregelen voor ogen heeft, niet van aard om het bestreden besluit te vitiëren. 10.
- Een schending van de aangevoerde beginselen wordt niet aangetoond. 10.
- Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van “artikel 7.4.5 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening [hierna: VCRO]”. Hij bekritiseert dat het bestreden besluit enkel de gewestplanvoorschriften bij haar beoordeling betrekt, daar waar het gewestelijk RUP ‘VSGB en aansluitende open ruimtegebieden’ en “het RUP ‘Nossegem – X-19.057-13/15 Kernen’” inmiddels toepassing vinden. Artikel 7.4.5 VCRO bepaalt dat de voorschriften van de RUP’s de voorschriften van de plannen van aanleg vervangen. Beoordeling 12.
- De bestreden beslissing overweegt onder meer: “dat de werken gelegen in agrarisch gebied en recreatiegebied niet in overeenstemming zijn met de gewestplanvoorschriften, doch hiervoor beroep kan worden gedaan op de afwijkingsmogelijkheden van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, met name art. 4.4.7§2, dat stelt dat in een vergunning voor handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk beperkte impact hebben, mag worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften;” 12.
- Gezien het gestelde bij de beoordeling van het eerste middel, is het voormelde motief, dat betrekking heeft op de in het kader van de omgevingsvergunningsprocedure te beoordelen verenigbaarheid van de RWZI met de planbestemming, overtollig en niet van aard om het bestreden besluit te vitiëren. 12.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- Het verzoek tot tussenkomst van de nv Aquafin wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-19.057-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-19.057-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.833 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div