← België

Arrest 263842 - Niet begeleide minderjarigen - 30/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 Rolnummer: A. 243833/VII-42745 Zaak: Arrest 263842 - Niet begeleide minderjarigen - 30/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-01 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-17 12:50 Fiche Arrest nr 263.842 van 30 juni 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 no lien 284191 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 263.842 van 30 juni 2025 in de zaak A. 243.833/VII-42.745 In zake : S.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 24 december 2024 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 28 oktober 2024 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 93, eerste lid, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-1/17 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gérald Gaspart, die loco advocaat Oriane Todts verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 8 oktober 2024 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 24 juni
  5. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoeker op 25 oktober 2024 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-2/17 van 25-10-2024 een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 28 oktober 2024 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  6. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van artikel 7, § 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van artikel 4, § 3, van het verdrag ‘betreffende de Europese Unie’ (hierna: VEU), van artikel 78 van het verdrag ‘betreffende de werking van de Europese Unie’ (hierna: VWEU), van de artikelen 1 en 25 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32) en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van de rechtszekerheid, van het gewettigd vertrouwen en een kennelijke beoordelingsfout. Verzoeker voert aan dat het advies van de arts waarnaar de bestreden beslissing verwijst, niet toelaat met voldoende zekerheid te besluiten dat hij ouder is dan 18 jaar, dat de bestreden beslissing niet voldoet “aan de vereisten voor motivering betreffende de motieven waarvoor er geen rekening werd gehouden met authentieke identiteitsdocumenten afgeleverd door de Griekse ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-3/17 asielinstanties” en dat de bestreden beslissing het beginsel van loyale samenwerking uit het Europees recht miskent door geen rekening te houden met de minderjarigheidsbeslissing die werd genomen door de Griekse asielinstanties. Hij licht dit toe in drie middelonderdelen: “Eerste onderdeel Verzoeker heeft verklaard dat hij op 24 juni 2009 is geboren. Op basis van zijn verklaringen was hij ten tijde van het eerste onderzoek dus vijftien jaar oud. Er werden echter twijfels geuit over haar leeftijd, zoals opgegeven door de Dienst Vreemdelingenzaken, en er werd een medisch onderzoek uitgevoerd onder toezicht van de Dienst Voogdij. Naar aanleiding van het resultaat van de leeftijdstest heeft de Dienst voogdij op 28 oktober 2024 een beslissing uitgevaardigd waarin de leeftijd van verzoeker wordt vastgesteld op 21,5 jaar met een standaardafwijking van 2 jaar. Dit advies was gebaseerd op drie onderzoeken. Met betrekking tot de radiografie van de handen en polsen verklaarde de arts dat verzoeker een volledige fusie heeft, wat zou wijzen op een minimumleeftijd van 18 jaar, zonder verdere details te verstrekken of te vermelden of er een foutmarge is. In het rapport van het Platform voor Minderjarigen in Ballingschap staat over deze herziening […]. ‘Deze methode bestaat uit het analyseren van de voortgang van de fusie van de kraakbeenzones die verantwoordelijk zijn voor de lengtegroei. Groei eindigt met het verdwijnen van de kraakbeenzones door ossificatie, wanneer de verkalkingszones samenkomen en vergroeien. Als het onderzoek aantoont dat de verkalkingszones zijn vergroeid, wordt de botleeftijd van een volwassene geacht te zijn bereikt, maar het is niet mogelijk om te bepalen wanneer deze leeftijd is bereikt. Deze onderzoeksmethode werd niet ontwikkeld om conclusies te trekken over de werkelijke leeftijd op basis van de botleeftijd, maar om andere redenen: deze tabellen werden ontwikkeld om een vroege of late botrijping ten opzichte van het gemiddelde te definiëren en zo groeiachterstanden bij kinderen of adolescenten op te sporen. Deze tabellen werden dus ontworpen om de skeletleeftijd te bepalen op basis van de chronologische leeftijd, en niet omgekeerd. In België gebruiken we daarom de omgekeerde GP-methode, hoewel de betrouwbaarheid van deze omkering niet is gevalideerd door de auteurs van deze methode’ (vrije vertaling, pagina 20). In 2007 gaf het Franse medische instituut, de Académie nationale de Médecine, zijn mening over de betrouwbaarheid van medische onderzoeken om de leeftijd voor wettelijke doeleinden vast te stellen en de mogelijkheid van verbeteringen op dit gebied voor niet-begeleide minderjarigen. Zij heeft een groep deskundigen gevraagd een verslag op te stellen om de gestelde vraag te beantwoorden. In een advies van 16 januari 2007 stelde de Académie nationale vast dat: VII-42.745-4/17 ‘(...) het aflezen van de botleeftijd volgens de universeel gebruikte methode van Greulich en Pyle maakt het mogelijk om de ontwikkelingsleeftijd van adolescenten onder de zestien jaar met een goede benadering te schatten. Met deze methode kan geen duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen zestien- en achttienjarigen’. Het onderzoek verwijst evenals naar de orthopantomogram en beweert dat ‘alle tanden volledig afgevormd zijn’. Zij concludeert dat dit zou een leeftijd van 23 jaar oud aanwijzen (predictie-interval zou 18,8 en 25 jaar). Nochtans, in tegenstelling met dit element, blijkt het niet dat alle tanden afgevormd zijn, gezien de details van het onderzoek wijst naar alleen maar één tand (boven links), die volledig afgevormd is. Wat de situatie is van de drie andere tanden (afwezig?) wordt nier vermeld. De motivering van het verslag laat niet toe begrijpen wat het gevolg is op leeftijdsbepaling als er pas één volledig afgevormd tand aanwezig is. Dit onderzoek blijkt bijgevolg niet bewijskrachtig om de leeftijd te kunnen bepalen. Het onderzoek van de handen en polsen alleen kan niet als voldoende worden beschouwd om vast te stellen dat de eiser meerderjarig is. Verzoeker merkt op dat in een gelijkaardig dossier, met betrekking tot een andere verzoeker van dezelfde nationaliteit en van hetzelfde geslacht, sprake was van een volledige fusie van de distale diafyse en epifyse van het spaakbeen, waaruit kon worden geconcludeerd dat hij 19 jaar oud was, met een standaardvariatie van 1,5 jaar […]. Gelet op de afwijking van 1,5 jaar ten opzichte van een geschatte leeftijd van 19 jaar, kan op grond van deze test echter niet worden uitgesloten dat verzoeker minderjarig is, en de arts heeft niet uitgesloten dat verzoeker 17 en een half jaar oud zou kunnen zijn. Bij onderzoek van het sleutelbeen stelde de arts een gedeeltelijke fusie vast, wat wijst op stadium
  7. Op basis van de studie van Schmeling concludeerde de arts dat de gemiddelde leeftijd 20 jaar was, met een variatie van twee jaar. Er zijn talloze onderzoeken gedaan naar het onderzoek van het sleutelbeen. Sommige van deze studies hebben een gedeeltelijke fusie gevonden, zoals in het geval van verzoekster, vanaf de leeftijd van 16,9 jaar […]. De leeftijd van 20 jaar die in het onderzoek van Schmeling wordt genoemd en waarnaar de arts verwijst, is een gemiddelde. Het sluit de mogelijkheid niet uit dat iemand stadium 3 ontwikkeling van het sleutelbeen kan hebben vóór de leeftijd van 20 jaar. Dus zelfs als de eiser een gedeeltelijke fusie van het sleutelbeen had, verhindert dit niet dat de eiser als zestien jaar oud wordt beschouwd, zoals hij beweert, aangezien wetenschappelijke studies al hebben aangetoond dat een dergelijke ontwikkelingsfase kan voorkomen bij mensen jonger dan achttien jaar. Er zij aan herinnerd dat volgens de vaste rechtspraak van Uw Raad ‘Lorsque plusieurs tests sont réalisés, c’est la conclusion générale de ceux-ci qui constitue le résultat du test médical visé par l’article 7 de la loi-programme précitée’ (zie in het bijzonder C.E. 243.923 van 12 maart 2019). In casu beschikte de arts over de resultaten van drie tests, waarvan slechts één hem in staat stelde verzoekers leeftijd te schatten (onderzoek van het sleutelbeen). Uit het onderzoek van de handen en polsen zou blijken dat verzoeker ouder was dan achttien jaar en kon de minderjarigheid van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-5/17 verzoeker niet worden uitgesloten. Het onderzoek van de tanden is onduidelijk, gelet het verslag verwijst naar één wijstand. Noch uit het onderzoek van de radiografie van de handen en polsen, noch uit het onderzoek van het sleutelbeen, noch uit het orthopantomogram, geïnterpreteerd in het licht van de verschillende onderzoeken die bij hem zijn verricht […], kan met zekerheid worden afgeleid dat verzoeker niet jonger kon zijn dan 18 jaar. De bestreden beschikking is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Tweede deel: schending van de motiveringsplicht In de bestreden beslissing staat: ‘De Dienst Vreemdelingenzaken heeft ons laten weten dat u in Griekenland internationale bescherming heeft aangevraagd. Je hebt een reisdocument n […] op naam van [S.S.] geboren op 24.06.2009 en een verblijfsvergunning n° […] met dezelfde identiteit. […] We aanvaarden documenten wanneer het verschil tussen de resultaten van de medische test en de leeftijd volgens de documenten redelijk is (niet te groot). Bij u zegt de medische test dat uw jongste leeftijd 19.5 jaar is en volgens uw verklaringen en documenten bent u 15.3 jaar. Er is een verschil van 4.2 jaar, dit vinden we te groot. We aanvaarden uw documenten niet en we baseren ons op de resultaat van de medische test.’. In de bestreden beslissing staat dat dit soort documenten alleen in aanmerking wordt genomen als het verschil tussen de medische test en de overgelegde documenten ‘redelijk’ wordt geacht. Er is geen rechtsgrondslag om te weigeren een document in overweging te nemen dat de identiteit en geboortedatum van een persoon vaststelt op grond van het feit dat er een te grote discrepantie is met de resultaten van medische testen. Deze documenten, dat bedoeld is om de onbetrouwbaarheid aan te tonen van bottests om iemands leeftijd vast te stellen, kan niet worden beperkt tot de foutmarge waarnaar in het medisch rapport wordt verwezen. Een dergelijke beslissing is des te onbegrijpelijker omdat geen twijfel werd geuit over de authenticiteit van de neergelegde documenten, afgeleverd door de Griekse autoriteiten. Bijgevolg is de bestreden beschikking ontoereikend gemotiveerd. Derde deel: schending van het principe van loyale samenwerking: Het blijkt niet uit de motivering van de beslissing dat de verwerende partij contact heeft genomen met de Griekse autoriteiten om te verzoeken op basis van welke elementen zij deze leeftijd hebben vastgesteld. Artikel 78 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) stelt dat: […]. Artikel 25 van de richtlijn 2013/32 verwijst naar de waarborgen voor de niet begeleide minderjarigen en zijn paragraaf 5 gaat specifiek over de bepaling van de leeftijd. In artikel 1 van richtlijn 2013/32 wordt het doel ervan omschreven als volgt: […]. Leeftijdsbepaling maakt bijgevolg deel van de gemeenschappelijke procedures voor de toekenning van de internationale bescherming. Beslissing ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-6/17 inzake leeftijdsbepaling genomen door een lidstaat maakt bijgevolg deel van het principe van wederzijds getrouwen dus deze lidstaten. Het EU-HvJ heeft op 18 juni 2024 in zijn arrest QY t/Bundesrepublik Deutschland (C-753/22) zich uitgesproken over de erkenning van beslissingen van toekenning van de internationale bescherming genomen door andere lidstaten. Indien het Hof heeft inderdaad bevestigt dat er geen sprake is van automatische erkenning en een individuele, actuele en volledige analyse van het verzoek noodzakelijk is, heeft nochtans dit arrest herhaald het principe van wederzijds getrouwen en het belang van samenwerking met de andere lidstaat. Zij heeft evenals benadrukt dat er geen sprake is van discretionaire bevoegdheid: ‘In dit verband is het belangrijk eraan te herinneren dat de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van richtlijn 2011/95 de vluchtelingenstatus verlenen aan iedere derdelander of staatloze die voldoet aan de materiële voorwaarden om overeenkomstig de hoofdstukken II en III van die richtlijn als vluchteling te worden erkend, zonder dat zij daarbij over discretionaire bevoegdheid beschikken, zoals is opgemerkt in punt 62 van het onderhavige arrest [zie in die zin arresten van 24 juni 2015, T., C‑373/13, EU:C:2015:413, punt 63; 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus), C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 89, en 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C‑621/21, EU:C:2024:47, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Afgezien van de in artikel 3 van richtlijn 2011/95 neergelegde mogelijkheid om gunstiger nationale normen toe te passen, voorziet die richtlijn daarentegen niet in de toekenning van de vluchtelingenstatus aan andere onderdanen van derde landen of staatlozen dan degenen die aan die voorwaarden voldoen [zie in die zin arresten van 13 september 2018, Ahmed, C‑369/17, EU:C:2018:713, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 november 2021, Bundesrepublik Deutschland (Instandhouding van het gezin), C‑91/20, EU:C:2021:898, punten 39 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. […] 76 In dat verband is deze autoriteit weliswaar niet verplicht om de vluchtelingenstatus van deze verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status hem eerder bij beslissing van een andere lidstaat is verleend, maar moet zij niettemin ten volle rekening houden met die beslissing en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. 77 Het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, dat gemeenschappelijke criteria bevat om te bepalen welke personen werkelijk internationale bescherming behoeven, zoals benadrukt wordt in overweging 12 van richtlijn 2011/95, is immers gebaseerd op het beginsel van wederzijds vertrouwen, volgens hetwelk – behalve in uitzonderlijke omstandigheden – moet worden aangenomen dat de behandeling van personen die om internationale bescherming verzoeken in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het recht van de Unie, waaronder het Handvest, het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (zie in die zin arresten van 21 december 2011, N. S. e.a., C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-7/17 punten 78‑80, en 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punten 84 en 85). 78 Gelet op het beginsel van loyale samenwerking neergelegd in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU, volgens hetwelk de lidstaten elkaar respecteren en elkaar steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien (arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 42), en dat concreet is uitgewerkt in artikel 36 van richtlijn 2011/95 en artikel 49 van richtlijn 2013/32, en om zoveel mogelijk de samenhang te waarborgen tussen beslissingen die door de bevoegde autoriteiten van twee lidstaten worden genomen over de behoefte aan internationale bescherming van dezelfde onderdaan van een derde land of staatloze, moet bovendien worden overwogen dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat die over het nieuwe verzoek moet beslissen, zo spoedig mogelijk begint met het uitwisselen van informatie met de bevoegde autoriteit van de lidstaat die eerder aan dezelfde verzoeker de vluchtelingenstatus heeft toegekend . Het staat dus aan de eerste van deze autoriteiten om de tweede in kennis te stellen van het nieuwe verzoek, om zijn standpunt over het nieuwe verzoek mee te delen en om de tweede te verzoeken om binnen een redelijke termijn de informatie mee te delen waarover zij beschikt en die tot de toekenning van deze status heeft geleid. 79 Het doel van deze informatie-uitwisseling is de autoriteit van de lidstaat waarbij het nieuwe verzoek is ingediend, in staat te stellen de verificaties die in het kader van de internationale beschermingsprocedure van haar worden verlangd, met volledige kennis van zaken uit te voeren. 80 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 604/2013, artikel 4, lid 1, en artikel 13 van richtlijn 2011/95, alsmede artikel 10, leden 2 en 3, en artikel 33, lid 1, en lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 aldus moeten worden uitgelegd dat een bevoegde autoriteit van een lidstaat, wanneer zij geen gebruik kan maken van de door laatstgenoemde bepaling geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming van een verzoeker aan wie een andere lidstaat reeds een dergelijke bescherming heeft verleend, niet-ontvankelijk te verklaren omdat die verzoeker in die andere lidstaat een ernstig risico loopt dat hij wordt onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest, dat verzoek in het kader van een nieuwe procedure voor internationale bescherming overeenkomstig de richtlijnen 2011/95 en 2013/32 opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken moet onderzoeken. In het kader van dat onderzoek moet deze autoriteit echter ten volle rekening houden met de beslissing van de andere lidstaat om de aanvrager internationale bescherming te verlenen en met de elementen die deze beslissing ondersteunen’. Dezelfde princiepen moeten gerespecteerd worden in casu. Verzoekende partij beschouwt dat de verwerende partij niet kan afwijken van een beslissing van minderjarigheid, genomen door een andere lidstaat, zonder informatie-wisseling met die andere lidstaat. De beslissing miskent bijgevolg het beginsel van loyale samenwerking neergelegd in artikel 4, lid 3, eerste alinea VEU, samengelezen met artikel 25 van de richtlijn 2013/32, evenals de princiepen van goed bestuur en zorgvuldigheidsbeginsel.” VII-42.745-8/17 Beoordeling Algemeen
  8. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze hij artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 of nog “het algemene beginsel van behoorlijk bestuur, rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen” geschonden acht.
  9. Het enige middel is in die mate niet ontvankelijk. Eerste middelonderdeel
  10. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is niet vereist dat wordt aangegeven waarom verzoekers voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken, noch welke medische onderzoeken werden uitgevoerd. Evenmin is het vereist dat het verslag van het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-9/17 medisch onderzoek aan verzoeker werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Verzoeker heeft overduidelijk kennis van de resultaten van de drie uitgevoerde onderzoeken, te weten het orthopantomogram, het onderzoek van de sleutelbeenderen en de handpolsradiografie die in het medisch verslag van 25 oktober 2024 zijn opgenomen, vermits hij zelf een kopie van dat verslag bij het enig verzoekschrift tot schorsing van de tenuitvoerlegging en nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft gevoegd en hij in het middel ingaat op de beoordeling ervan. In die omstandigheden heeft verzoeker geen belang bij het opwerpen van een schending van de formelemotiveringsplicht, minstens blijkt de doelstelling van die plicht te zijn bereikt. Het enige middel is niet ontvankelijk, minstens ongegrond wat de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreft.
  11. Waar verzoeker in het middel kritiek uit op het eindresultaat van de medische leeftijdstest, stellende dat uit geen enkel van de onderzoeken, “geïnterpreteerd in het licht van de verschillende onderzoeken die bij hem zijn verricht […], […] met zekerheid [kan] worden afgeleid dat verzoeker niet jonger kon zijn dan 18 jaar”, werpt hij in wezen een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-10/17 beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld, blijkt geen kennelijke beoordelingsfout of schending van artikel 7 van de voogdijwet of van de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich hierbij evenwel tot algemene kritiek, waarbij hij verwijst naar een standpunt van het “Platform kinderen op de vlucht” en een advies van de Franse academie voor geneeskunde uit 2007, doch onderbouwt niet concreet dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. VII-42.745-11/17 Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoekster al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen is de eindconclusie dat verzoeker “op datum van 25-10-2024 een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Bovendien wordt in het medisch verslag met betrekking tot de handpolsradiografie toegelicht “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 18 jaar”. Eerder in het medisch verslag staat wat dit betreft te lezen dat indien de skeletale groei beëindigd is, de betrokkene biologisch gezien matuur is, wat voor jongens impliceert dat zij ouder zijn dan 18 jaar en voor meisjes dat zij ouder zijn dan 16 jaar, zonder dat op basis van de handpolsradiografie kan worden bepaald hoeveel ouder zij zouden zijn. Aangezien niet kan worden bepaald hoeveel tijd er verstreek sinds de volledige beëindiging van de skeletale groei, telt het resultaat van de handpolsradiografie in dergelijke gevallen niet mee voor de eigenlijke leeftijdsschatting, zodat de resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken determinerend zijn. Dit neemt niet weg dat de handpolsradiografie wel degelijk onderdeel uitmaakt van het meervoudig onderzoek. Uit het medisch verslag blijkt verder dat op basis van de radiografie van de tanden wordt vastgesteld dat “alle tanden volledig afgevormd zijn” en dat slechts één wijsheidstand ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-12/17 aanwezig is, die zich in ontwikkelingsstadium 10 bevindt. De arts besluit dat “[g]ezien dit gegeven bekomt men volgens onze eigen ontwikkelde techniek een leeftijd van 23,0 jaar. Het 95 % predictie-interval is 18,8 – 25,0 jaar met een kans van 99 % dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Wat de overzichtsradiografie van de tanden betreft wordt eerder in het medisch verslag toegelicht dat “[d]oor gebruikt te maken van een Bayesiaans model met een prior leeftijdsverdeling tussen 2 en 25 jaar […] voor alle combinaties van ontwikkelingsstadia van de wijsheidstanden de leeftijd [kan] worden geschat”. Daarnaast bespreekt de arts de hypothesen waar geen wijsheidstanden aanwezig zijn en waar behalve de al dan niet aanwezige wijsheidstanden andere definitieve tanden nog in ontwikkeling zijn, doch deze hypothesen zijn thans niet relevant, gelet op de aanwezigheid van één wijsheidstand en de vaststelling dat alle tanden volledig afgevormd zijn. In de mate dat verzoeker beweert dat slechts één tand volledig is afgevormd, mist zijn kritiek feitelijke grondslag. Anders dan hoe verzoeker het ziet, komt de arts wel degelijk tot een conclusie voor wat dit onderdeel van het meervoudig onderzoek betreft, die hij evenzeer betrekt in zijn algemene conclusie over verzoekers leeftijdsschatting. Ten slotte toont het radiologisch onderzoek van het sternoclaviculaire gewricht volgens het medisch verslag dat “de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen slechts partieel verbeend is in combinatie met de aanwezigheid van een zichtbare frissuur, wat volgens het onderzoek van Schmeling et al. […] overeenkomt met stadium
  12. Volgens dit onderzoek stemt stadium 3 overeen met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Door te verwijzen naar andere dossiers, andere bronnen en andere mogelijke technieken, toont verzoeker niet aan dat het te dezen gaat om een gebrekkig of onzorgvuldig uitgevoerd leeftijdsonderzoek. Ieder onderzoek wordt immers individueel uitgevoerd, waardoor het hanteren van een andere standaarddeviatie bij een deelonderzoek door dezelfde dan wel een andere deskundige in een ander leeftijdsdossier, niet automatisch tot gevolg heeft dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-13/17 leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Zoals hoger eveneens werd opgemerkt, is de eindconclusie op grond van de verschillende deelonderzoeken van belang voor het bepalen van de jongste leeftijd. Verzoeker toont niet aan dat de eindconclusie in strijd is met de bevindingen van de deelonderzoeken, noch ontkracht hij dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoeker maakt evenmin aannemelijk dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de vraag of hij meer dan 18 jaar oud is, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de haar op grond van het voormelde artikel 7 van de voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, noch dat de verwerende partij de haar voorliggende gegevens heeft beoordeeld in strijd met enig aangevoerd algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De dienst Voogdij heeft zich dus terecht gebaseerd op de jongste leeftijd zoals afgeleid uit de conclusie van het medisch onderzoek om te besluiten dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag.
  13. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Tweede middelonderdeel
  14. In de mate dat verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden acht doordat zijn documenten niet worden aanvaard terwijl in de bestreden beslissing geen vormelijke opmerkingen worden gemaakt waaruit zou blijken dat verzoekers documenten niet authentiek zouden zijn, blijkt het te dezen niet te gaan om authentieke identiteitsdocumenten, afkomstig uit verzoekers land van herkomst, doch wel om een reisdocument en een verblijfsvergunning die aan verzoeker werden afgeleverd door de Griekse autoriteiten en dit, blijkens het administratief dossier, op basis van diens eigen verklaringen. Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat verzoeker heeft verklaard niet over een originele ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 VII-42.745-14/17 taskara te beschikken. Wat de beoordeling van de bewijswaarde van de hem voorgelegde stukken betreft, beschikt de dienst Voogdij over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid en is hij er niet toe gehouden verzoekers verklaringen en documenten te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2 van het WIPR, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten mag worden aangebracht met alle middelen. Het resultaat van een medische leeftijdsschatting vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, blijkt geen schending van de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van het medisch onderzoek, waarvan blijkt dat het door de wet zelf als bewijsmiddel is ingesteld en waarvan verzoeker, zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel supra, niet aantoont dat het op ondeskundige wijze zou zijn verlopen of dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar zou zijn. Verder stelt de dienst Voogdij in de bestreden beslissing dat hij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van het medisch onderzoek en de leeftijd zoals die blijkt uit de documenten redelijk en dus niet te groot is. Te dezen is de dienst Voogdij van oordeel dat een verschil van 4,2 jaar tussen verzoekers jongste leeftijd die blijkt uit het medisch onderzoek en zijn verklaarde leeftijd die blijkt uit de overgelegde documenten te groot is. De dienst Voogdij heeft wel degelijk rekening gehouden met verzoekers documenten. Aangezien hij verzoekers documenten niet aanvaardt, baseert de dienst Voogdij zich, met verwijzing naar onder meer artikel 28 van het WIPR, op het resultaat van het medisch onderzoek om verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en te beslissen dat hij geen voogd krijgt.
  15. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. VII-42.745-15/17 Derde middelonderdeel
  16. Het beginsel van loyale samenwerking tussen lidstaten van de Europese Unie evenals artikel 4 van het VEU en artikel 78 van het VWEU hebben betrekking op de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. De bestreden beslissing, die louter een leeftijdsschatting inhoudt en niet is genomen door een asielinstantie, valt daar niet onder. Richtlijn 2013/32/EU beoogt in haar artikel 1 uitdrukkelijk "de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming". De voogdijwet vormt niet de omzetting van deze richtlijn. De voogdijwet dateert van vóór de richtlijn en maakt geen onderscheid naargelang de betrokkenen "de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben gevraagd" dan wel "niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen". Het in de voogdijwet voorziene leeftijdsonderzoek heeft enkel tot doel in geval van twijfel na te gaan of de betrokkenen al dan niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en hen dus al dan niet een voogd moet worden toegekend. Het gaat niet om een beoordeling in het licht van een verzoek om internationale bescherming. De bestreden beslissing is overigens niet genomen door een asielinstantie maar door de dienst Voogdij van de Federale Overheidsdienst Justitie. Gelet op het voorgaande kan verzoeker te dezen niet dienstig verwijzen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024 in de zaak C-753/22, QY t. Bundesrepublik Deutschland.
  17. Het derde onderdeel van het enige middel is niet ontvankelijk. V. Vordering tot schorsing VII-42.745-16/17
  18. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  20. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  21. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.745-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.842 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.