id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.873 Rolnummer: A. 241037/XII-9703 Zaak: Arrest 263873 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 02/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-08 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-06-18 23:05 Fiche Arrest nr 263.873 van 2 juli 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 263.873 van 2 juli 2025 in de zaak A. 241.037/XII-9703 In zake : 1. de VZW BELPLANT 2. de VZW BELGISCHE FEDERATIE VAN DE CHEMISCHE INDUSTRIE EN LIFE SCIENCES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kris Wauters en Tess Leppers kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door: 1. de minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal 2. de minister van Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Poppe kantoor houdend te 9052 Gent Bollebergen 2A/20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 januari 2024, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 19 november 2023 ‘houdende exportverbod van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie’ (hierna: koninklijk besluit van 19 november 2023). II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-1/21 Auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025. Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kris Wauters, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaten Anthony Poppe en Ellen Verschuere, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten en regelgevend kader 3.1. De handel in bepaalde gevaarlijke chemische stoffen is verboden in de Europese Unie door verscheidene Europese verordeningen. Toch staan bepaalde EU-lidstaten, zoals België, toe dat deze gevaarlijke chemische stoffen op Belgisch grondgebied worden geproduceerd, om vervolgens geëxporteerd te worden naar landen die geen lidstaat zijn van de Europese Unie (hierna: derde landen). 3.2. De verwerende partij beslist om een exportverbod op te leggen van deze gevaarlijke chemische stoffen naar derde landen. Dit is het bestreden koninklijk besluit (zie infra 3.5). ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-2/21 3.3. Vooraleer het bestreden koninklijk besluit aangenomen werd, werden diverse adviezen gevraagd en andere vormvereisten vervuld. Bij proces-verbaal van de uitgebreide interministeriële conferentie voor Leefmilieu van 1 december 2022, via schriftelijke procedure, stellen de leden van de conferentie vast dat de procedure voor het betrekken van de gewestregeringen, vereist bij artikel 6, § 4, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: BWHI) bij de uitwerking van het ontwerp van het bestreden koninklijk besluit werd nageleefd. Op 27 maart 2023 geven de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, de Bijzondere Raadgevende Commissie Verbruik en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven advies. Het advies van de Hoge Gezondheidsraad wordt op 5 april 2023 verleend. Er wordt een impactanalyse van de ontworpen regelgeving uitgevoerd. Op 17 augustus 2023 brengt de afdeling Wetgeving van de Raad van State advies 73.999/1/V uit over het ontwerp dat tot het thans bestreden koninklijk besluit heeft geleid. Het ontwerp wordt aangemeld in het kader van de richtlijn (EU) nr. 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij. 3.4. Het bestreden koninklijk besluit zoekt rechtsgrond in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 ‘betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-3/21 en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers’ (hierna: wet van 21 december 1998). Artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 bepaalt: “§ 1. Teneinde het leefmilieu, de volksgezondheid of de werknemers te beschermen en duurzame productie- en consumptiepatronen te bevorderen, kan de Koning maatregelen nemen om: […] 8° de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie te verbieden of aan een al dan niet voorafgaande kennisgeving, toelating of aan voorwaarden te onderwerpen.” 3.5. Het thans bestreden koninklijk besluit van 19 november 2023 luidt: “Artikel 1. Dit besluit beoogt: 1° een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en het leefmilieu te waarborgen; 2° de uitvoering van artikel 5, § 1, 8° van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers; 3° de nuttige aanvulling op de Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen. Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° ‘wet van 21 december 1998’: de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers; 2° ‘gevaarlijke stoffen’: gevaarlijke stoffen, als zodanig of in mengsels, zoals bepaald in artikel 2, 7°, van de wet van 21 december 1998; 3° ‘mengsels’: mengsels zoals bepaald in artikel 2, 6°, van de wet van 21 december 1998; 4° ‘uitvoer’: de uitvoer zoals bepaald in artikel 3, punt 16, van de Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen; 5° ‘exporteur’: elke natuurlijke of rechtspersoon die voldoet aan één van de definities van artikel 3, punt 18, van de Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen; 6° ‘de PIC Verordening’: de Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen; 7° ‘de CLP Verordening’: de Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-4/21 Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006; 8° ‘de GBM Verordening’: de verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad; 9° ‘de Biociden Verordening’: de Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden. Art. 3. § 1. Dit besluit is van toepassing op bepaalde gevaarlijke stoffen vermeld in bijlage I van de PIC Verordening, die aan de voorwaarden van dit besluit voldoen en tot één van onderstaande categorieën behoren: 1° bestrijdingsmiddelen die worden gebruikt als gewasbeschermingsmiddelen die onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen vallen; 2° overige bestrijdingsmiddelen, zoals:
- a)biociden in de zin van de Verordening (EU) nr 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden, en
- b)desinfecterende middelen, insecticiden en parasietenbestrijdingsmiddelen uit hoofde van de Verordening (EU) 2019/6 van het Europese Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG en van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik; 3° industriële chemische stoffen voor beroepsmatig gebruik; 4° industriële chemische stoffen voor gebruik door het publiek. § 2. Niettegenstaande § 1 is dit besluit niet van toepassing op: 1° de uitvoer die niet onder de werkingssfeer van de PIC Verordening valt, zoals omschreven in artikel 2, §§ 2 en 3; 2° de regeling extern douanevervoer (T1) van de Unie voor het verkeer van niet- Uniegoederen in het douanegebied van de Unie, noch op het intern douanevervoer (T2) voor het verkeer van Uniegoederen van de ene naar de andere plaats binnen het douanegebied van de Unie met gebruikmaking van een land of gebied buiten het douanegebied, zonder wijziging van de douanestatus van de goederen. Art. 4. § 1. De uitvoer van de in bijlage 1 van dit besluit vermelde gevaarlijke stoffen naar een land dat geen lid is van de Europese Unie door exporteurs die in België gevestigd zijn, is verboden. § 2. De uitvoer van de in bijlage 2 van dit besluit vermelde gevaarlijke stoffen naar een land dat geen lid is van de Europese Unie door exporteurs die in België gevestigd zijn, is verboden, tenzij één of meer specifieke toepassingen, en alleen voor die toepassing(en), zijn toegestaan door de Europese regelgeving. Art. 5. § 1. Ten minste om de twee jaar na de bekendmaking van dit besluit actualiseert de Koning, op voorstel van de minister bevoegd voor Volksgezondheid of de minister bevoegd voor Leefmilieu, of actualiseren beide ministers samen, bijlage 1 en bijlage 2 bij een in Ministerraad overlegd besluit, door in bijlage 1 de gevaarlijke stoffen toe te voegen die voldoen aan de in § 2 van dit artikel bedoelde criteria en door in bijlage 2 de gevaarlijke stoffen toe te voegen die voldoen aan de in § 3 van dit artikel bedoelde criteria. § 2. Om in bijlage 1 te worden opgenomen, moet de gevaarlijke stof aan de volgende criteria voldoen: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-5/21 1° de gevaarlijke stof is opgenomen in bijlage I van de PIC-verordening en wordt vanuit België uitgevoerd naar een land dat geen lid is van de Europese Unie voor een verboden of niet-goedgekeurde toepassing; en 2° het op de markt brengen en/of het gebruik van de gevaarlijke stof is onderworpen aan een totaal verbod op Europees niveau of aan een niet- goedkeuring op grond van de Gewasbeschermingsmiddelen- en Biociden- Verordeningen; en 3° het totaalverbod of de niet-goedkeuring bedoeld in punt 2° is gebaseerd op de vaststelling van een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid of het leefmilieu waartoe is besloten door de relevante Europese instanties; of 4° Bij gebrek aan vaststelling van een onaanvaardbaar risico, wordt de gevaarlijke stof ingedeeld en opgenomen volgens de geharmoniseerde indeling vermeld in bijlage VI van de CLP-verordening als
- a)kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting van categorie 1a bekend of categorie 1b verondersteld of
- b)zeer giftig voor in het water levende organismen, met acute of langetermijneffecten van categorie 1. § 3. Om in bijlage 2 te worden opgenomen, moet de gevaarlijke stof voldoen aan de criteria die zijn vastgelegd in § 2, 1° en 4°, van dit artikel. § 4. De verbodsbepalingen bedoeld in artikel 4 van dit besluit zijn van toepassing op alle stoffen die zijn opgenomen in bijlage 1 en in bijlage 2 ten minste 6 maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk besluit houdende wijziging van de lijst in bijlage 1 en in bijlage 2. Art. 6. Dit besluit treedt in werking 18 maanden na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Art. 7. De minister bevoegd voor Volksgezondheid en de Minister bevoegd voor Leefmilieu zijn, ieder wat hen betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.” Bij het besluit zijn onder meer de in artikel 4 vermelde bijlagen gevoegd. Voor de stoffen vermeld in bijlage 1 geldt een absoluut verbod voor de uitvoer. Voor de stoffen vermeld in bijlage 2 gaat het om een principieel verbod waarvan kan worden afgeweken wanneer één of meer specifieke toepassingen zijn toegestaan door de Europese regelgeving en enkel voor die toepassingen. 3.6. Het bestreden koninklijk besluit en zijn bijlagen werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 28 november 2023. 3.7. De eerste verzoekende partij, de vzw Belplant, is de Belgisch- Luxemburgse vereniging van de industrie van plantenbescherming. De statuten van de eerste verzoekende partij bepalen in hun artikel 3 het maatschappelijk doel: “De vereniging heeft als doel het bevorderen van de industrie van plantenbescherming en van de beroepsbelangen van haar leden. In het kader van haar gedefinieerde doel, verleent de vereniging in de eerste plaats diensten aan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-6/21 haar individuele leden, ze biedt ook diensten aan de sector als geheel in overeenstemming met de bepalingen inzake de economische mededinging Met plantenbescherming wordt bedoeld gewasbeschermingsmiddelen, biocontrole en gelijkaardige producten (inclusief biotische en abiotische stress) en aanverwante technologieën en diensten, zoals bepaald in de desbetreffende Belgische en Europese reglementeringen. De vereniging mag hiertoe alle initiatieven en maatregelen nemen die nodig of gewoon nuttig zijn voor de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel.” De tweede verzoekende partij heeft luidens haar statuten als doel: “[D]e professionele belangen van de chemische industrie en van de life sciences industrie gevestigd in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie te bevorderen, bij te dragen tot het succes van haar leden ondernemingen, alsook tot de ontwikkeling van de chemische industrie en van de life sciences industrie, waaronder ook haar afgeleide producten. Verder zal de Federatie de ondernemingen ondersteunen, hen vertegenwoordigen, de goede verstandhouding en de solidariteit van haar leden in stand houden, de ontwikkeling en vooruitgang van deze industrieën op alle gebied bevorderen. In het kader van haar aldus omschreven doel verstrekt de Federatie in de eerste plaats diensten aan haar leden ten individuele titel, daarnaast worden er ook diensten verricht voor de sector in zijn geheel, mits naleving van de voorschriften betreffende de economische mededinging en anti-corruptie.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 143, § 1, van de Grondwet, artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°, V, en VI, eerste lid, 3°, BWHI, en van het materieel- motiveringsbeginsel. Zij achten deze bepalingen geschonden: “Doordat, verwerende partij als wettelijke basis voor het bestreden koninklijk besluit artikel 5, § 1, 8° van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers neemt; ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-7/21 Eerste onderdeel Terwijl, op basis van artikel 6, §1, VI, eerste lid, 3° BWHI de bijzondere wetgever het uitvoerbeleid als een exclusieve bevoegdheid toewijst aan de gewesten, op basis van artikel 6, §1, II, eerste lid, 1° BWHI de bijzondere wetgever de bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen de verontreiniging en aantasting als een exclusieve bevoegdheid toewijst aan de gewesten en op basis van artikel 6, §1, V BWHI de bijzondere wetgever de exclusieve bevoegdheid inzake landbouwbeleid toewijst aan de gewesten; Dat op grond van het materieel motiveringsbeginsel een administratieve overheid haar administratieve rechtshandelingen moet steunen op rechtens aanvaardbare motieven; Dat het bestreden besluit steunt op een wettelijke bepaling, artikel 5, § 1, 8° van de wet van 21 december 1998, die de Koning de bevoegdheid geeft om een beleid te voeren inzake de bescherming van het leefmilieu en inzake uitvoerbeleid onder meer ook betrekking hebbend op producten met verband tot de landbouw; Dat artikel 5, § 1, 8° van de wet van 21 december 1998 de artikelen 6, §1, VI, eerste lid, 3° en 6, §1, II, eerste lid, 1° BWHI miskent, waardoor het bestreden besluit steunt op een rechtens onaanvaardbaar motief; Dat verzoekende partijen in dat kader volgende prejudiciële vraag suggereren te stellen aan het Grondwettelijk Hof: ‘Schendt artikel 5, §1, 8° van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu de artikelen 6, §1, VI, eerste lid, 3°, 6, §1, V en/of 6, §1, II, eerste lid, 1° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in samenhang met artikel 143 Gw. doordat de federale wetgever de Koning de mogelijkheid geeft een beleid te voeren inzake de bescherming van het leefmilieu, inzake export en inzake landbouwbeleid, terwijl deze laatste materies behoren tot de bevoegdheid van de gewesten?’. Tweede onderdeel Terwijl op basis van artikel 6, §1, II, tweede lid, 1° BWHI de bijzondere wetgever aan de federale staat de bevoegdheid inzake het vaststellen van productnormen heeft toegewezen; Dat op grond van het materieel motiveringsbeginsel een administratieve overheid haar administratieve rechtshandelingen moet steunen op rechtens aanvaardbare motieven; Dat het bestreden besluit steunt op een wettelijke bepaling, artikel 5, § 1, 8° van de wet van 21 december 1998, die de Koning de bevoegdheid geeft om een beleid te voeren inzake de bescherming van het leefmilieu en inzake uitvoerbeleid; Dat de wet van 21 december 1998 steunt op de federale bevoegdheid inzake het vaststellen van productnormen; dat het uitvoeren van een exportbeleid ter bescherming van het leefmilieu of de volksgezondheid, uitsluitende doelstellingen van het bestreden besluit, niet de vaststelling van een productnorm is; Dat artikel 5, § 1, 8° van de wet van 21 december 1998 artikel 6, §1, II, tweede lid, 1° BWHI miskent, waardoor het bestreden besluit steunt op een rechtens onaanvaardbaar motief; Dat verzoekende partijen in dat kader volgende prejudiciële vraag suggereren te stellen aan het Grondwettelijk Hof: ‘Schendt artikel 5, §1, 8° van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu artikel 6, §1, II, tweede lid, 1° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in samenhang met artikel 143 Gw. doordat de federale wetgever de Koning de mogelijkheid geeft een beleid te voeren inzake de bescherming van het leefmilieu en inzake export, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-8/21 terwijl de federale wetgever enkel kan legifereren inzake de vaststelling van productnormen op grond van voornoemde bepaling van de bijzondere wet?’.” De verzoekende partijen lichten in een eerste middelonderdeel nog toe dat de combinatie van toewijzing van bevoegdheden inzake internationale aangelegenheden en landbouwbeleid aan de gewesten volstaat om het afzetbeleid bij de gewesten te situeren. De gewestelijke bevoegdheid inzake leefmilieu omvat tevens het nemen van maatregelen om de menselijke gezondheid te vrijwaren tegen schadelijke invloeden die zich voordoen in het leefmilieu ten gevolge van door de mens veroorzaakte milieuverontreiniging en milieuaantasting. Artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 is volgens de verzoekende partijen ongrondwettig, aangezien die bepaling de bevoegdheidsverdeling, zoals vastgelegd in de BWHI, schendt. De bij die bepaling voorziene mogelijkheid voor de federale overheid om een maatregel te treffen betreffende de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie, teneinde het leefmilieu te beschermen, schendt de bevoegdheid van de gewesten om een internationaal handelsbeleid uit te bouwen, alsook hun bevoegdheid om maatregelen te treffen ter bescherming van het leefmilieu en hun bevoegdheid om een landbouwbeleid te voeren. De verzoekende partijen vervolgen dat de in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 voorziene mogelijkheid tot het opleggen van een exportverbod niet kan worden beschouwd als een productnorm waarvoor de federale overheid bevoegd is. Onder verwijzing naar advies 27.333/3 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State over het ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 21 december 1998, betogen ze dat die wet strikt moet worden geïnterpreteerd, in die zin dat maatregelen inzake milieuhygiëne enkel door de gewesten kunnen worden genomen. De verantwoording in de parlementaire werkzaamheden bij artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998, waarin wordt aangegeven dat de uitvoerbeperkingen verantwoord kunnen zijn “[t]er bescherming van gezondheid en milieu in ontwikkelingslanden die niet over een adequate eigen wetgeving en reglementering beschikken inzake gevaarlijke stoffen”, is gestoeld op een verkeerde lezing van de “wetten inzake bevoegdheidsverdeling” en komt niet tegemoet aan het advies van de afdeling ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-9/21 Wetgeving van de Raad van State. Er kan namelijk nog steeds een exportverbod, dan wel een regulering van export, worden opgelegd teneinde het leefmilieu te beschermen, terwijl in het advies wordt gespecifieerd dat dergelijk verbod of, in breder zin, elke gebruiksbeperking, niet onder de bevoegdheden van de federale staat inzake productnormen kan worden gebracht. Dit alles schendt naar het oordeel van de verzoekende partijen ook de federale loyauteit. De mogelijkheid voor de Koning om in toepassing van artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 een uitvoerverbod op te leggen, dan wel om de export te reguleren teneinde het leefmilieu te beschermen, zorgt ervoor dat de gewestelijke regelgever zijn bevoegdheid inzake de materies leefmilieu, internationale handel en landbouw onmogelijk, minstens uiterst moeilijk, nog kan uitoefenen. In een tweede middelonderdeel lichten de verzoekende partijen nog toe dat artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 eveneens artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, BWHI schendt omdat een uitvoerverbod geen productnorm is. Ze verwijzen naar de definitie van een ‘productnorm’ in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en betogen dat een exportverbod daaraan niet voldoet, nu een dergelijk verbod niet regelt aan welke eisen een product moet voldoen wanneer het op de markt wordt gebracht, want bij een exportverbod kan er de facto niets op de markt gebracht worden. De verzoekende partijen betwisten in de memorie van wederantwoord niet dat de Belgische Staat via het opleggen van productnormen de bevoegdheid heeft om het leefmilieu of de volksgezondheid te beschermen. Zij betwisten wel dat een uitvoerverbod van chemische stoffen een productnorm kan uitmaken. Uit de door de verwerende partij aangehaalde passages uit de parlementaire voorbereiding bij de totstandkoming van de wet van 21 december 1998 blijkt niet dat de federale wetgever bevoegd zou zijn om via haar bevoegdheid inzake productnormen de Koning te machtigen om een uitvoerverbod voor chemische stoffen in te stellen. De verwerende partij haalt enkel passages aan die in het algemeen de bevoegdheid van de federale overheid inzake productnormen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-10/21 in de strikte zin bevestigen. De verzoekende partijen poneren vervolgens dat een chemische stof geen product is, maar, volgens Van Dale, een “voortbrengsel van de al dan niet gecultiveerde natuur” dat precies wordt gebruikt om producten te maken. In die lezing is een chemische stof geen product en kan een exportverbod dienaangaande ook geen productnorm zijn. Bovendien kan men het verbod enkel verantwoorden ter bescherming van het leefmilieu en de gezondheid in derde landen, voor zover die zelf geen adequate wetgeving hebben. Op grond van de door de verwerende partij aangehaalde passages kan artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 daarentegen niet worden aangehaald om het eigen leefmilieu of de volksgezondheid van de eigen bevolking te beschermen. Waar de verwerende partij voorhoudt dat een exportverbod verband houdt met het op de markt brengen van een product, tracht zij volgens de verzoekende partijen de strikte interpretatie van een productnorm te verbreden. Uit haar argumentatie blijkt nergens op welke manier een exportverbod een voorschrift kan zijn dat te maken heeft met het op de markt brengen van een product. Met het verbod voorkomt de wetgever juist dat er iets op de markt komt, zodat het technisch onmogelijk is om een exportverbod te kwalificeren als een productnorm. Daarbij komt dat ook indirect het exportverbod uit het bestreden koninklijk besluit er niet voor zorgt dat producten afkomstig uit derde landen niet meer behandeld worden met de betrokken chemische stoffen, noch dat wanneer deze producten terugvloeien naar de Belgische markt, deze plots niet meer met deze stoffen behandeld zouden zijn. De verzoekende partijen onderstrepen dat aan deze zorg voor de volksgezondheid al wordt tegemoet gekomen door de verordening (EG) 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad. Het door de verwerende partij gevreesde boemerangeffect wordt derhalve al door deze verordening voorkomen. De verzoekende partijen betwisten vervolgens de lezing die de verwerende partij geeft aan het advies 73.999/1/V van de afdeling Wetgeving van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-11/21 de Raad van State over het ontwerp dat tot het thans bestreden koninklijk besluit heeft geleid. Erin wordt louter vastgesteld dat het bestreden besluit kan worden genomen op basis van artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 en dat de uitvoerbeperking een maatregel is zoals in dat artikel wordt voorzien. Daarmee stelt de afdeling Wetgeving niet vast dat artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 in overeenstemming is met de bevoegdheidsverdelende regels. Een verwijzing naar een memorie van toelichting kan verder, anders dan de verwerende partij beweert, nauwelijks worden aanzien als een heronderzoek van de bevoegdheidsverdelende regels. Voorts hebben de verzoekende partijen drie opmerkingen bij de verwijzing, door de verwerende partij, naar het meer recente advies 75.059/1-4-16 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State van 29 januari 2024. In de eerste plaats betwisten zij dat een exportverbod een productnorm kan uitmaken. Dit vloeit uit geen enkel arrest van het Grondwettelijk Hof voort. In België geproduceerde stoffen zijn niet noodzakelijkerwijs eerst voor export bestemd. Het kan zijn dat deze stoffen eerst op de Belgische markt terechtkomen en pas in een later stadium worden geëxporteerd. In die mate kan een exportverbod niet één op één altijd een productnorm zijn. Een exportverbod kan bovendien slechts een productnorm zijn wanneer het verbod gelinkt is aan normen die een product moet halen. Ten tweede betwisten de verzoekende partijen dat er sprake is van een product, aangezien het exportverbod slaat op stoffen, die pas later een product zullen voortbrengen. Eigenlijk heeft een productnorm als bedoeling dat bepaalde stoffen zich niet in een op de markt gebracht product bevinden. Ter zake kan geen sprake zijn van een exportverbod dat bijdraagt aan het vermijden dat een product circuleert op de binnenlandse markt. Het is immers zo dat het product dat op de Belgische markt zou circuleren niet het verboden product zelf is, maar voeding die met die producten zou zijn behandeld. In de derde plaats wijzen de verzoekende partijen nogmaals op het feit dat er inzake voedselnormen en de toegelaten waarden van pesticiden die in voeding aanwezig mogen zijn, reeds regelgeving voorhanden is. Bovendien wekt de verwerende partij de indruk dat de Belgische bevolking veel beter beschermd zal zijn door het ingevoerde exportverbod omdat dit de import aan banden zou leggen van producten die met de betrokken chemische stoffen zouden zijn behandeld, maar zij brengt op dit punt geen enkel bewijs bij. Overigens is, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-12/21 volgens de laatst beschikbare data, slechts 3 % van de agrovoedingsproducten in België afkomstig uit derde landen. Het bestreden besluit zal bijgevolg geen enkele invloed hebben op de binnenlandse markt, waardoor de exportbepaling erin geen productnorm kan zijn. Daarnaast is het naïef om te denken dat België wereldwijd de enige exporteur zou zijn van de aan banden gelegde chemische producten, waardoor geenszins de garantie bestaat dat er geen producten naar de Belgische markt zullen terugvloeien. Bijgevolg kan het bestreden besluit onmogelijk de doelstellingen die de verwerende partij vooropstelt, realiseren. Ten gevolge hiervan valt ook het aanknopingspunt met de bevoegdheid inzake volksgezondheid en consumentenbescherming weg. In de laatste memorie sluiten de verzoekende partijen zich aan bij het auditoraatsverslag in de mate dat de prejudiciële vragen voorgelegd moeten worden aan het Grondwettelijk Hof. In de mate dat de Raad van oordeel zou zijn dat de twee prejudiciële vragen niet gesteld dienen te worden, benadrukken ze dat artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 geen geldige rechtsgrond kan zijn voor het bestreden besluit, nu deze enkel voorziet in een uitvoerverbod van producten, en dus geen stoffen. Ze wijzen erop dat in de Europese en Belgische regelgeving uitdrukkelijk een onderscheid wordt gemaakt tussen “stoffen” en “producten” (in de Europese regelgeving wordt evenwel gesproken van “artikelen”). Volgens de verzoekende partijen volgt ook uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de parlementaire voorbereiding dat de federale overheid enkel bevoegd is om regelgevend op te treden voor “producten” en niet voor “stoffen”. 5. De verwerende partij merkt in de memorie van antwoord, wat het eerste onderdeel betreft, vooreerst op dat de verzoekende partijen op zich niet betwisten dat artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 aan de Koning de mogelijkheid verleent om het thans bestreden koninklijk besluit te nemen. Vervolgens zet zij uiteen dat de stelling van de verzoekende partijen als zou voormeld artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-13/21 strijd zijn met de bevoegdheidsverdelende regels, niet correct is, aangezien de federale wetgever met deze wet louter zijn bevoegdheid inzake het vaststellen van productnormen, in de materie van leefmilieu, uitoefent. Onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding bij de totstandkoming van de wet van 21 december 1998, stelt de verwerende partij dat de wetgever van oordeel was dat de uitvoerbeperkingen productnormen inzake leefmilieu uitmaken. Een uitvoerverbod voor verboden producten, zo stelt de verwerende partij, houdt verband met het op de markt brengen van een product. Zij wijst er vervolgens op dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State de onderdelen van het betrokken artikel 5 die problematisch zouden kunnen zijn in het licht van de bevoegdheidsverdeling, heeft besproken. De bepaling in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 maakte evenwel geen deel uit van deze bespreking. De verwerende partij besluit hieruit dat ook de afdeling Wetgeving van de Raad van State, op het ogenblik van de totstandkoming van deze wet, derhalve van oordeel was dat de desbetreffende bepaling de bevoegdheidsverdelende regels niet schond. Verder leest zij in het advies dat de afdeling Wetgeving van oordeel was dat het uitvoerverbod een productnorm uitmaakt. Die stelling wordt bevestigd in het recent advies 75.059/1-4-16 van 29 januari 2024 over een voorontwerp tot wijziging van de wet van 21 december 1998, waar de afdeling Wetgeving aanneemt dat “in de mate dat een exportverbod bijdraagt aan het vermijden dat een product circuleert op de binnenlandse markt, dat verbod eveneens een productnorm vormt”. Eén van de twee doelstellingen van het uitvoerverbod bestaat in het vermijden dat producten waarvan de binnenlandse handel verboden is, terugkeren naar het grondgebied, al dan niet in een andere vorm. Op deze manier draagt het uitvoerverbod bij aan de bescherming van de Belgische markt, omdat het verhindert dat de gevaarlijke chemische stoffen in enige vorm zouden terugkomen. Indien het uitvoerverbod niet zou bestaan, zou het verbod op verkoop en circulatie op de Belgische markt gemakkelijker kunnen worden omzeild. Waar de verzoekende partijen stellen dat de regels met betrekking tot de uitvoer van bepaalde producten ook raken aan het afzet- en uitvoerbeleid van de gewesten, antwoordt de verwerende partij dat indien een wetgevende norm aanknopingspunten met meerdere bevoegdheden vertoont, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-14/21 onderzocht moet worden met welk bevoegdheidsbegrip de wet de sterkste band heeft. In deze zaak moet volgens de verwerende partij worden besloten dat het uitvoerverbod voor bepaalde producten een productnorm uitmaakt, die dan ook het nauwst aansluit bij de bevoegdheid van de federale overheid om productnormen inzake leefmilieu aan te nemen. In casu is het noodzakelijk voor de bescherming van het leefmilieu dat de federale overheid een uitvoerbeperking invoert. Door middel van het bestreden koninklijk besluit wil de verwerende partij in de eerste plaats immers komaf maken met de dubbele standaard die thans wordt gehanteerd met betrekking tot gevaarlijke chemische stoffen. Ten tweede wordt ook het “boemerangeffect” vermeden waarbij chemische stoffen uit België worden geëxporteerd, daarna worden gebruikt bij de productie van andere producten en die producten vervolgens worden ingevoerd en zo schade berokkenen aan de volksgezondheid en het leefmilieu in België. De verwerende partij verwijst wat het tweede onderdeel betreft naar de weerlegging van het eerste middelonderdeel, waaruit is gebleken dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State van oordeel is dat een exportverbod van een product dat niet op de Belgische markt mag worden gebracht, een productnorm inzake leefmilieu uitmaakt in de mate dat dit verbod bijdraagt aan het vermijden dat een product circuleert op de binnenlandse markt. Het Grondwettelijk Hof heeft in dezelfde zin al geoordeeld dat een algemeen gebruiksverbod voor bepaalde pesticiden op het ganse grondgebied van het Vlaamse Gewest voor de betrokken pesticiden een marktuitsluitend effect zou veroorzaken, wat de uitoefening van de bevoegdheden inzake productnormen door de federale wetgever in de praktijk onmogelijk zou maken. Daarmee bevestigt het Grondwettelijk Hof, minstens impliciet, dat een algemeen verbod wel een productnorm uitmaakt. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij vooreerst op de definitie van “gevaarlijke stoffen” in artikel 2, 7°, van de wet van 21 december 1998. Uit artikel 2, 1°, van dezelfde wet volgt, volgens de verwerende partij, ondubbelzinnig dat de gevaarlijke stoffen als producten worden gekwalificeerd. De wet definieert “producten” als “lichamelijke roerende zaken, met inbegrip van stoffen, preparaten, biociden en verpakkingen, doch uitgezonderd afvalstoffen”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-15/21 De memorie van toelichting bij de wet van 21 december 1998 bevestigt volgens de verwerende partij dit standpunt. Daarnaast benadrukt de verwerende partij dat uit het bestaan van een aantal bijzondere bepalingen, waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, niet kan worden afgeleid dat “stoffen” geen deel uitmaken van het overkoepelende begrip “producten”. Uit de definities volgt geenszins, zelfs niet impliciet, dat stoffen op een of andere wijze verwerkt moeten worden, om als product te kwalificeren. De stelling van de verzoekende partijen is in strijd met de duidelijke bewoordingen van de wet van 21 december 1998. Vervolgens wijst de verwerende partij erop dat de termen “artikelen” en “producten” niet als synoniem kunnen worden beschouwd. De term “producten” wordt in de wet van 21 december 1998 gebruikt als overkoepelende term voor lichamelijke roerende zaken, waaronder stoffen, met het oog op de ontwikkeling van productnormen. Deze wet heeft een breed toepassingsgebied en omvat diverse subcategorieën van producten, waaronder stoffen, preparaten, biociden en verpakkingen. De term ‘artikelen’ daarentegen wordt gebruikt in de verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen. Deze verordening heeft een beperkter toepassingsgebied en is specifiek gericht op de regulering van gevaarlijke chemische stoffen. Binnen deze context verwijst “artikelen” naar eindproducten waarin gevaarlijke chemische stoffen verwerkt zijn. De verordening maakt bijgevolg een onderscheid tussen stoffen in hun natuurlijke vorm, mengsels en eindproducten waarin deze stoffen zijn verwerkt, maar dit alles binnen haar specifiek en beperkter toepassingsgebied. Ten slotte gaat de verwerende partij in op het verslag van de auditeur in de mate dat daarin gesteld wordt dat de parlementaire voorbereiding bij de wet van 21 december 1998 zelf aangeeft dat het ontwerp van wet het “niet alleen” mogelijk maakt het op de markt brengen en het gebruik van producten in België te reglementeren, “maar ook” de uitvoer ervan naar landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap. Hij leidt daaruit volgens de verwerende partij onterecht af dat de uitvoer een element betreft dat bestaat naast het “op de markt brengen” van een product, terwijl uit de vaststaande rechtspraak van het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-16/21 Grondwettelijk Hof net blijkt dat productnormen regels zijn die op dwingende wijze bepalen aan welke eisen een product moet voldoen, bij het op de markt brengen, onder meer ter bescherming van het milieu. Uit de definitie van het “op de markt brengen” in artikel 2, 3°, van de wet van 21 december 1998, volgt volgens de verwerende partij duidelijk dat het “op de markt brengen” een breed begrip is dat niet alleen het binnenbrengen, de invoer of het bezit met het oog op de verkoop of het ter beschikking stellen aan derden omvat, maar ook het te koop aanbieden, de verkoop of de afstand onder bezwarende titel of gratis. Dit impliceert dat de uitvoer van een product naar een derde land niet als een losstaand begrip, naast het op de markt brengen, kan worden beschouwd, maar er integraal deel van uitmaakt. Beoordeling 6. Artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1°, BWHI luidt: “§ 1. De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn: […] II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft: […] 1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder.” Artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, BWHI bepaalt dat de federale overheid echter bevoegd is voor het “vaststellen van de produktnormen”. Artikel 6, § 1, V, BWHI legt de bevoegdheid wat de landbouw betreft principieel bij de gewesten. Luidens artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 3°, BWHI zijn de gewestelijke organen, wat de economie betreft, principieel bevoegd voor het “afzet- en uitvoerbeleid”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-17/21 7. Artikel 5, § 1, eerste lid, 1° en 8°, van de wet van 21 december 1998 bepaalt: “§ 1. Teneinde het leefmilieu, de volksgezondheid of de werknemers te beschermen en duurzame productie- en consumptiepatronen te bevorderen, kan de Koning maatregelen nemen om: 1° het op de markt brengen van een product te regelen, op te schorten of te verbieden; […] 8° de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie te verbieden of aan een al dan niet voorafgaande kennisgeving, toelating of aan voorwaarden te onderwerpen.” In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen, bovendien laattijdig, aanvoeren in de laatste memorie, biedt artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 rechtsgrond voor het bestreden koninklijk besluit. Artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 21 december 1998 definieert “producten” als “lichamelijke roerende zaken, met inbegrip van stoffen, mengsels als biociden, gewasbeschermingsmiddelen en biobrandstoffen alsook voorwerpen, doch uitgezonderd afvalstoffen”. Hieruit volgt dat “product” in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 ook verwijst naar gevaarlijke “stoffen”. Het bestreden besluit vindt rechtsgrond in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998, zoals ook vastgesteld in het advies 73.999/1/V van de afdeling Wetgeving van de Raad van State. 8. De verzoekende partijen voeren in het eerste middel aan dat de rechtsgrond de bevoegdheidsverdelende regels schendt, waardoor het bestreden besluit steunt op een rechtens onaanvaardbaar motief. De verzoekende partijen vragen in dat verband om twee prejudiciële vragen voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. Met hun eerste vraag (zie supra, nr. 4) wensen de verzoekende partijen te vernemen of de bevoegdheid voor de federale regelgever, om de uitvoer van bepaalde producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap te verbieden of aan een al dan niet voorafgaande kennisgeving, toelating of aan voorwaarden te onderwerpen, in strijd is met de (gecombineerde) ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-18/21 gewestelijke bevoegdheden inzake leefmilieu, landbouw en het afzet- en uitvoerbeleid. Middels de tweede vraag (zie supra, nr. 4) wensen de verzoekende partijen in wezen te vernemen of een uitvoerverbod als voorzien in het aangehaalde artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 al dan niet kwalificeert als een productnorm. 9. De repliek van de verwerende partij komt er in essentie op neer dat het uitvoerverbod in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 kwalificeert als een productnorm waarvoor de federale overheid bevoegd is. Daarnaast meent zij ook nog dat het uitvoerverbod het nauwst aansluit bij de federale bevoegdheid voor het vaststellen van productnormen, zodat evenmin de gewestelijke bevoegdheid inzake afzet- en uitvoerbeleid of andere gewestelijke bevoegdheden zijn geschonden. 10. De vraag of het uitvoerverbod in artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 een productnorm in de zin van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, BWHI uitmaakt, kan niet door de Raad van State worden beantwoord, vermits het antwoord op die vraag een beoordeling impliceert van de overeenstemming van die wettelijke bepaling met de bevoegdheidsverdelende regels. De bevoegdheid om een wettelijke bepaling aan de bevoegdheidsverdelende regels te toetsen, komt uitsluitend het Grondwettelijk Hof toe. Indien zou komen vast te staan dat een uitvoerverbod naar derde landen niet als een productnorm kwalificeert, zou dit nopen tot de vaststelling dat het thans bestreden besluit de vereiste juridische grondslag mist. Dit zou betekenen dat het volledig koninklijk besluit vernietigd moet worden en alle andere juridische bezwaren, geformuleerd in de overige middelen, niet langer relevant zijn voor de oplossing van het geschil. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-19/21 11. Ter terechtzitting verzet de verwerende partij zich niet tegen het stellen van de twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. 12. Aangezien het antwoord op de vraag of de bevoegdheidsverdelende regels geschonden zijn, noodzakelijk is om op nuttige wijze het eerste middel te beoordelen, worden de in het dictum ge(her)formuleerde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof voorgelegd. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Aan het Grondwettelijk Hof worden de volgende vragen voorgelegd:
(1)“Schendt artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 ‘betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers’ artikel 6, § 1 , VI, eerste lid, 3°, II, eerste lid, 1°, en/of V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ al dan niet in samenhang met artikel 143 van de Grondwet in zoverre de federale wetgever de Koning toelaat de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie te verbieden, teneinde het leefmilieu, de volksgezondheid of de werknemers te beschermen en duurzame productie- en consumptiepatronen te bevorderen waardoor de federale overheid een aangelegenheid regelt inzake export, inzake leefmilieu en inzake landbouwbeleid, terwijl deze laatste materies behoren tot de bevoegdheid van de gewesten?”
(2)“Schendt artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de wet van 21 december 1998 ‘betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers’ artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’, al dan niet in samenhang met de federale loyauteit zoals voorzien in artikel 143 van de Grondwet in zoverre deze bepaling de Koning toelaat de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie te verbieden teneinde het leefmilieu, de volksgezondheid of de werknemers te beschermen en de duurzame productie- en consumptiepatronen te bevorderen, terwijl de federale wetgever enkel bevoegd is voor de vaststelling van productnormen op grond van voornoemde bepaling van de bijzondere wet? In dat verband rijst de vraag of het exportverbod naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie, zoals toegelaten door artikel 5, § 1, eerste lid, 8°, van de voornoemde wet ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-20/21 van 21 december 1998 een productnorm is in de zin van de voornoemde bepaling van de bijzondere wet in de mate dat het bijdraagt aan het vermijden dat producten, in dit geval bepaalde gevaarlijke stoffen als zodanig of als in mengsel zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 7°, van de wet van 21 december 1998 en in het voorgelegde geschil opgenomen in bijlagen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 19 november 2023 ‘houdende exportverbod van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie’, circuleren op de binnenlandse markt?” 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt ermee belast, na ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof, een aanvullend verslag op te stellen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.263.873 XII-9703-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.873 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div