id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.890 Rolnummer: A. 244915/XII-9881 Zaak: Arrest 263890 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 04/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-04 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-16 03:20 Fiche Arrest nr 263.890 van 4 juli 2025 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 263.890 van 4 juli 2025 in de zaak A. 244.915/XII-9881 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 23 mei 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[h]et besluit dd. 07-05-2025 van de burgemeester Stad Gent als verantwoordelijke rechtspersoon voor de lokale politie Gent, waarbij deze besluit tot de onontvankelijkheid van de kandidaatstelling van verzoeker voor de in het raam van de eerste mobiliteitscyclus van 2025 vacant verklaarde betrekking van inspecteur van politie (medewerker interventieteams) bij de Interventiedienst van Politiezone Gent”. XII-9881-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 4 juni 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juli 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is inspecteur van politie in de lokalepolitiezone Regio Puyenbroeck. 3.
- Artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 december 2024 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 2000 houdende de indeling van XII-9881-2/15 het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen in politiezones’ (hierna: koninklijk besluit van 12 december 2024) wijzigt de grenzen van de politiezones Regio Puyenbroeck, i.e. Lochristi/Wachtebeke/Zelzate, en Lokeren, ingevolge de fusie tussen de gemeente Moerbeke en de stad Lokeren. In plaats van de oude politiezones Regio Puyenbroeck (met Moerbeke) en Lokeren ontstaan met ingang van 1 januari 2025 twee nieuwe politiezones, met name Regio Puyenbroeck, (onder meer zonder Moerbeke) en Lokeren (mét Moerbeke). De aanhef van het koninklijk besluit van 12 december 2024 vermeldt onder meer: “Gelet op de goedkeuring van de gemeenteraden van het advies van de korpschefs van de politiezones REGIO PUYENBROECK en LOKEREN inzake de naamlijst van de personeelsleden die worden overgeheveld naar de politiezone LOKEREN, de inventaris van de roerende goederen die worden overgedragen en de regeling betreffende de overname van de lopende geschillenprocedures met ingang van 1 januari 2025; Gelet op de met redenen omklede aanvraag van de gemeenteraden van Lochristi, Moerbeke, Wachtebeke, Zelzate en Lokeren tot een andere wijziging van de grenzen van de politiezones REGIO PUYENBROECK en LOKEREN; Overwegende dat de vrijwillige samenvoeging van de gemeente Moerbeke en de stad Lokeren aanleiding geeft tot een andere wijziging van de grenzen van de politiezones REGIO PUYENBROECK en LOKEREN; dat deze wijziging resulteert in de gelijktijdige inrichting van verscheidene nieuwe politiezones; Overwegende dat de aanvraag tot andere wijziging van de grenzen van de politiezones uitgaat van alle betrokken gemeenteraden, zowel de gemeenteraden van de politiezone die zich opsplitst (i.c. PZ REGIO PUYENBROECK), als die van de reeds ingestelde politiezone (i.c. PZ LOKEREN) waarin de afscheidingsgemeente zal worden opgenomen; dat het van belang is het aandeel te bepalen dat elk van de nieuwe politiezones toekomt na de splitsing; dat een regeling werd uitgewerkt m.b.t. de verdeling van het personeelsbestand, de goederen en de overname van de lopende geschillenprocedures; Overwegende dat in het kader van een andere wijziging van de grenzen van de politiezones, de overgang van de vorige politiezones naar de nieuwe politiezones een zekere chronologie moet volgen; Overwegende dat wanneer de vaststelling van het territoriale ambtsgebied van de nieuwe politiezones de installatie van haar beheersorganen toelaat, de effectieve oprichting van de lokale politie van de nieuwe politiezones zich slechts later zal voordoen; Overwegende dat de vorige politiezones moeten blijven bestaan om de werking van de bestaande politiekorpsen en beheersorganen juridisch te rechtvaardigen tot op het XII-9881-3/15 moment van het instellen van de lokale politie van de nieuwe politiezones; dat de lokale politie van de vorige politiezones in tussentijd actief blijft; Overwegende dat de prerogatieven van de organen van de vorige politiezones beperkt blijven tot de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken; Overwegende dat de bevoegdheden van de politieraad en het politiecollege in de nieuwe politiezones, respectievelijk zullen worden uitgeoefend door alle betrokken gemeenteraden en alle betrokken burgemeesters van die nieuwe politiezones tot aan de instelling van de lokale politie.” 3.
- Verzoekster kandideerde voor een functie van inspecteur van politie bij de interventiedienst van de lokalepolitiezone Gent, naar aanleiding van de mobiliteitscyclus 2025-1 in het kader van de mobiliteit zoals bedoeld in deel VI, titel II, hoofdstuk II, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 ‘tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’ (hierna: RPPol). 3.
- Bij e-mail van 7 april 2025 deelt de dienst Human Resources van de lokalepolitiezone Gent aan verzoekster mee dat zij geschikt is voor de functie en als eerste eindigde in rangorde. In die e-mail wordt eveneens vermeldt: “Dit betekent dat je, onder voorbehoud van een gunstige beslissing inzake de ontvankelijkheid van uw kandidaatstelling en onder voorbehoud van goedkeuring door de Burgemeester, de functie binnen onze zone kan opnemen. […] De datum van benoeming en indiensttreding is gesteld op 1/07/2025, onder voorbehoud van ontvankelijkheid van uw kandidaatstelling.” 3.
- Op 7 mei 2025 besluit de burgemeester van de stad Gent tot de onontvankelijkheid van verzoeksters kandidatuur. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “[…] Behoudens de statutair bepaalde uitzonderingen, komt een personeelslid enkel in aanmerking voor de mobiliteit indien het, op de uiterste datum van indiening van de kandidaatstelling, een aanwezigheidstermijn van 5 jaar heeft volbracht in de huidige betrekking. XII-9881-4/15 De uiterste datum van indiening van de kandidaatstelling voor de eerste mobiliteitscyclus van 2025 was 21 februari
- Op dat ogenblik had [verzoekster], die op 1 april 2022 mobiliteit maakte naar haar huidige betrekking, een aanwezigheidstermijn van 2 jaar, 10 maanden en 21 dagen. Blijkens de nadere inlichtingen die in dit dossier werden ingewonnen, kan [verzoekster] zich niet beroepen op een statutair bepaalde uitzondering waardoor ze geen aanwezigheidstermijn of een kortere aanwezigheidstermijn zou dienen te volbrengen in de huidige betrekking. Om voormelde reden is de kandidaatstelling van [verzoekster] voor de in het raam van de eerste mobiliteitscyclus van 2025 vacant verklaarde betrekking van inspecteur van politie (Medewerker interventieteams) binnen de Interventiedienst van Politiezone Gent, onontvankelijk.” 3.
- Bij e-mail van 12 mei 2025 brengt de verwerende partij de bestreden beslissing ter kennis van verzoekster. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert ter staving van de spoedeisendheid aan dat de benoeming en indiensttreding is voorzien op datum van 1 juli
- Zij zet uiteen dat in het kader van de mobiliteitscyclus 2025-1 vijf plaatsen van ‘inspecteur interventieteams’ vacant werden verklaard, waarvoor zich blijkens het proces- verbaal van de plaatselijke selectiecommissie drie kandidaten aandienden, waaronder verzoekster. Volgens verzoekster bestaat er een redelijke verwachting dat deze plaatsen in volgende mobiliteitscycli opnieuw zullen worden opengesteld XII-9881-5/15 en eventueel ook ingevuld. Daar verzoekster geschikt werd bevonden en als eerste werd gerangschikt is het enkel de “onontvankelijkheidskwestie” die belet dat zij daadwerkelijk in de beoogde functie kan worden benoemd en deze kan opnemen. Wanneer ingevolge latere mobiliteitsrondes al deze functies zullen zijn ingevuld, zal zij achter het net vissen. Verzoekster wijst er voorts op dat zij theoretisch gezien alle gebeurlijk navolgende benoemingen in de geambieerde betrekking zou kunnen bestrijden om de plaats “open te houden”, doch zij acht dit “weinig behappelijk” voor haarzelf, voor de politiezone Gent en voor de andere politiezones van waaruit de eventueel benoemde kandidaten wiens benoeming zij zou aanvechten, afkomstig zijn. Verzoekster acht dit ook praktisch en financieel een onmogelijke opgave. Verzoekster besluit dat zij dreigt terecht te komen in een toestand van onherroepelijk schadelijke gevolgen, indien het kader wordt ingevuld en zij de geambieerde functie niet meer kan bekomen.
- De verwerende partij heeft binnen de termijn bepaald in de procedurekalender geen nota ingediend. Ter terechtzitting betwist zij de spoedeisendheid niet. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. XII-9881-6/15 Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. XII-9881-7/15
- De bestreden beslissing situeert zich binnen een selectieprocedure met het oog op het invullen van vijf vacante betrekkingen in de graad van inspecteur van politie voor de interventieteams. De Raad van State merkt te dezen op dat, wie deelneemt aan een selectieprocedure zoals de voorliggende, er rekening mee moet houden dat hij niet het geambieerde mandaat verwerft en dat hij dus, bij gebreke daaraan, een andere wending aan zijn loopbaan moet geven dan de geambieerde. Dit feit op zich toont niet uit zichzelf aan dat verzoeker daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak spoedeisend maken. Het komt derhalve aan verzoeker toe om aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak te gronde.
- Zoals het auditoraatsverslag terecht opmerkt, ontvouwt zich te dezen een specifieke situatie. Verzoekster wijst er immers op dat zij werd toegelaten om – onder voorbehoud van de ontvankelijkheid van haar kandidaatstelling – deel te nemen aan de selectieprocedure. Verzoekster doorliep deze selectieprocedure en werd niet enkel geschikt bevonden, maar ook als eerste kandidaat gerangschikt. Volgens een e-mail van 7 april 2025 van de verwerende partij “betekent [dit] dat [verzoekster] onder voorbehoud van een gunstige beslissing inzake de ontvankelijkheid van [haar] kandidaatstelling en onder voorbehoud van goedkeuring door de [b]urgemeester, de functie binnen [de] zone kan opnemen.” Als datum van benoeming en indiensttreding werd 1 juli 2025 vooropgesteld (zie supra, nr. 3.5). Met het auditoraatsverslag wordt derhalve vastgesteld dat, indien de bestreden beslissing niet was tussengekomen, verzoekster nagenoeg met zekerheid met ingang van 1 juli 2025 aan de slag kon gaan als inspecteur van politie in de lokalepolitiezone Gent. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de verwerende partij niet kan steunen op de bestreden beslissing om verzoeksters kandidaatstelling als niet-ontvankelijk te XII-9881-8/15 beschouwen, zodat verzoekster alsnog kan worden aangesteld in de door haar geambieerde betrekking. Indien verzoekster zou moeten wachten op de nietigverklaring van de bestreden beslissing, zal zij de verdere invulling van de thans mogelijk nog vacante plaatsen moeten ondergaan en loopt zij het risico dat het kader tegen die tijd volledig zal zijn ingevuld. Daarbij komt dat een schorsingsarrest mede een uitnodiging is aan het bestuur om de voorlopig onwettig verklaarde beslissing in te trekken en zijn beoordeling te heroverwegen. De schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing door de Raad van State belet het bestuur immers niet de aangelegenheid opnieuw te onderzoeken en een nieuwe beslissing te nemen vooraleer een uitspraak over de grond van de zaak is tussengekomen. Het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest verplicht het bestuur er wel toe bij het heroverwegen van de zaak acht te slaan op de motieven die tot het schorsingsbesluit hebben geleid.
- Aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan. VI. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert in het eerste middel in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 257quinquies/3 en 257quinquies/11 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: wet van 7 december 1998), alsook de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoekster zet uiteen dat het motief in de bestreden beslissing, dat zij zich niet kan beroepen op een statutair bepaalde uitzondering op de vereiste aanwezigheidstermijn om in aanmerking te komen voor mobiliteit, fout is. Verzoekster meent dat zij zich kan beroepen op de statutaire uitzonderingsbepaling van artikel 257quinquies/3, § 1, van de wet van 7 december 1998, daar deze bepaling – zoals blijkt uit artikel 257quinquies/11 van de wet van 7 december 1998 – van toepassing is op de nieuwe politiezones resulterend uit de XII-9881-9/15 wijziging van de grenzen van de politiezones. Verzoeker licht verder toe dat de wijziging van de grenzen van de politiezones, anders dan door een vrijwillige samensmelting, aanleiding geeft tot de gelijktijdige inrichting van nieuwe politiezones, zoals ook blijkt uit het koninklijk besluit van 12 december
- In plaats van de oude politiezones Regio Puyenbroeck en Lokeren zijn thans twee nieuwe politiezones ingericht, met name de nieuwe politiezone Regio Puyenbroeck, thans niet meer bestaande uit onder meer de gemeente Moerbeke, en de nieuwe politiezone Lokeren, bestaande uit de nieuwe gemeente Lokeren, die een fusie is van de oude gemeente Lokeren en de voormalige gemeente Moerbeke. Verzoekster wijst erop dat, gelet op de inrichting van de nieuwe politiezones, alle personeelsleden werden overgeheveld naar de nieuwe politiezones, zodat zij in toepassing van artikel 257quinquies/3 van de wet van 7 december 1998 niet gebonden is door de vereiste aanwezigheidstermijn om in aanmerking te komen voor mobiliteit. Tot slot wijst verzoekster erop dat, daar de bestreden beslissing steunt op een onjuist motief, ook de materiëlemotiveringsplicht is geschonden.
- De verwerende partij heeft binnen de termijn bepaald in de procedurekalender geen nota ingediend. Beoordeling
- Artikel 257quinquies/3 van de wet van 7 december 1998 luidt: “§
- Het personeelslid overgeheveld naar een nieuwe politiezone is niet gebonden door de aanwezigheidstijd die vereist is om in aanmerking te komen voor de mobiliteit. §
- De overheveling van het personeelslid naar de nieuwe politiezone wordt niet beschouwd als een verandering van werkgever voor de toepassing van de statutaire bepalingen. §
- Als de overheveling naar de nieuwe politiezone een verandering van gewone werkplaats met zich meebrengt voor een contractueel personeelslid, dan maakt dit het voorwerp uit van een aanhangsel bij zijn arbeidsovereenkomst.” XII-9881-10/15 Artikel 257quinquies/11 van de wet van 7 december 1998 luidt: “Zijn van toepassing op de nieuwe politiezone(s) resulterend uit de wijziging van de grenzen van de politiezones: - het artikel 257quinquies/1 binnen de perken van de naamlijst bedoeld in artikel 257quinquies/12; - de artikelen 257quinquies/2 tot 6, artikel 257quinquies/2 is niet van toepassing in de omstandigheden bedoeld in artikel 257quinquies/17; - het artikel 257quinquies/7 binnen de perken van de inventaris bedoeld in artikel 257quinquies/12; - het artikel 257quinquies/9, § 1, met dien verstande dat de eindafrekening van de vorige politiezone vergezeld is van de balans.” De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan, binnen de perken van de redelijkheid, tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
- Verzoekster voert in essentie aan dat de bestreden beslissing haar kandidaatstelling ten onrechte niet-ontvankelijk verklaart, omdat zij zich niet zou kunnen beroepen op een statutair bepaalde uitzondering op de vereiste aanwezigheidstermijn om in aanmerking te komen voor mobiliteit. Verzoekster betwist niet dat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat zij in beginsel een aanwezigheidstermijn van vijf jaar moet hebben volbracht in de betrekking die zij bekleedt, zoals vereist door artikel VI.II.10 van het RPPol. Zij meent evenwel aanspraak te kunnen maken op de uitzondering van artikel 257quinquies/3 van de wet van 7 december 1998, die zij op haar situatie van toepassing acht ingevolge artikel 257quinquies/11 van diezelfde wet. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. XII-9881-11/15
- Uit het administratief dossier blijkt dat de betrekking van inspecteur, waarvoor verzoekster kandideerde, vacant werd verklaard op 27 januari
- De mobiliteitscyclus situeert zich dus na 1 januari 2025, zijnde de datum waarop de wijzigingen aan de grenzen van de politiezones Lokeren en Regio Puyenbroeck ingevolge het koninklijk besluit van 12 december 2024 in werking zijn getreden (zie supra, nr. 3.2). Uit het samenlezen van artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998 en artikel 9, derde lid, van diezelfde wet volgt dat de wijziging van de grenzen van de politiezones om een andere reden dan de vrijwillige samensmelting van politiezones, aanleiding geeft tot de gelijktijdige inrichting van verscheidene “nieuwe” politiezones. Van een vrijwillige samensmelting van politiezones is te dezen geen sprake, zodat prima facie wordt vastgesteld dat ingevolge de wijzigingen doorgevoerd aan de grenzen van de politiezone Regio Puyenbroeck, met ingang van 1 januari 2025, een “nieuwe” politiezone Regio Puyenbroeck is ingesteld, net zoals er een “nieuwe” politiezone Lokeren is ingesteld. Dat de benamingen van de betreffende politiezones dezelfde blijven, belet niet dat de politiezones “nieuw” zijn in de zin van artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998, daar de grenzen van de politiezones wel degelijk zijn gewijzigd: de politiezone Regio Puyenbroeck omvat sinds 1 januari 2025, onder meer, niet langer het grondgebied van de voormalige gemeente Moerbeke, dat sinds diezelfde datum binnen de (uitgebreide) grenzen van de politiezone Lokeren valt. Dat ingevolge de wijziging van de grenzen van de politiezones Regio Puyenbroeck en Lokeren “nieuwe” politiezones werden ingesteld, volgt prima facie niet enkel uit het samenlezen van artikel 91/11 en artikel 9, derde lid, van de wet van 7 december 1998, maar wordt overigens expliciet bevestigd in de aanhef van het koninklijk besluit van 12 december
- Met het auditoraatsverslag wordt prima facie vastgesteld dat de oprichting van de nieuwe politiezones Regio Puyenbroeck en Lokeren noodzakelijkerwijs de overheveling tot gevolg heeft van alle personeelsleden van de voormalige politiezones Regio Puyenbroeck en Lokeren naar de nieuwe XII-9881-12/15 politiezones Regio Puyenbroeck en Lokeren, ook al werd slechts een naamlijst opgesteld van personeelsleden die naar de politiezone Lokeren worden overgeheveld. Daar die naamlijst slechts de naam van één personeelslid vermeldt, mag met het auditoraatsverslag prima facie eveneens worden aangenomen dat de naamlijst enkel werd opgesteld voor personeelsleden die naar de “andere” politiezone worden overgeheveld, met name wat dat ene personeelslid betreft, van de oude politiezone Regio Puyenbroeck naar de nieuwe politiezone Lokeren, doch dat dit geen afbreuk doet aan het gegeven dat de overige personeelsleden van de oude politiezone Regio Puyenbroeck, waaronder verzoekster, zijn overgeheveld naar de nieuwe politiezone Regio Puyenbroeck. Per 1 januari 2025 zijn de oude politiezones immers opgehouden te bestaan.
- Artikel 257quinquies/3, § 1, van de wet van 7 december 1998 bepaalt dat het personeelslid dat is overgeheveld naar een nieuwe politiezone niet gebonden is door de aanwezigheidstijd die vereist is om in aanmerking te komen voor de mobiliteit. Deze bepaling, die van toepassing is bij de samensmelting van politiezones, wordt door artikel 257quinquies/11 van de wet van 7 december 1998 ook “van toepassing” verklaard “op de nieuwe politiezone(s) resulterend uit de wijziging van de grenzen van de politiezones”. Prima facie volgt daaruit dat de aanwezigheidstermijn, om in aanmerking te komen voor mobiliteit, evenmin geldt voor personeelsleden die zijn overgeheveld naar de nieuwe politiezones die worden ingesteld ingevolge een wijziging van de grenzen van de politiezones, waaronder te dezen de politiezone Regio Puyenbroeck.
- Uit wat voorafgaat, volgt prima facie dat sinds 1 januari 2025 onder meer een nieuwe politiezone Regio Puyenbroeck is ingesteld, dat verzoekster is overgeheveld van de oude naar de nieuwe politiezone Regio Puyenbroeck, zodat verzoekster in toepassing van artikel 257quinquies/3, § 1, van de wet van 7 december 1998, samengelezen met artikel 257quinquies/11 van diezelfde wet, niet gebonden is door de aanwezigheidstijd die vereist is om in aanmerking te komen voor de mobiliteit. XII-9881-13/15 Prima facie stelt de Raad van State vast dat verzoekster zich dus wel degelijk kan beroepen op een “statutair bepaalde uitzondering waardoor ze geen aanwezigheidstermijn of een kortere aanwezigheidstermijn zou dienen te volbrengen in de huidige betrekking”, zodat de bestreden beslissing door te oordelen dat verzoekster zich niet op een dergelijke uitzondering kan beroepen, artikel 257quinquies/3, § 1, van de wet van 7 december 1998, samengelezen met artikel 257quinquies/11 van diezelfde wet, schendt. Uit deze vaststelling volgt prima facie eveneens dat de bestreden beslissing steunt op een motief dat in rechte niet ter verantwoording van die beslissing in aanmerking kan worden genomen. De bestreden beslissing schendt prima facie bijgevolg ook de materiëlemotiveringsplicht.
- Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. VII. Conclusie
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de burgemeester van de stad Gent, als verantwoordelijke rechtspersoon voor de lokale politie Gent, van 7 mei 2025 waarbij deze besluit tot de onontvankelijkheid van de kandidaatstelling van verzoekster voor de in het raam van de eerste mobiliteitscyclus van 2025 vacant verklaarde betrekking van inspecteur van politie (medewerker interventieteams) bij de Interventiedienst van Politiezone Gent. XII-9881-14/15
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-9881-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.890 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.