← België

Arrest 263891 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 04/07/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.891 Rolnummer: A. 244910/XII-9880 Zaak: Arrest 263891 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 04/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-08 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-16 03:20 Fiche Arrest nr 263.891 van 4 juli 2025 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 263.891 van 4 juli 2025 in de zaak A. 244.910/XII-9880 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Van Lancker kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij Federale politie DGR/JUR/CTX Kroonlaan 145A 1050 Elsene -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 22 mei 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: “[d]e beslissing van de deliberatiecommissie van de Federale Politie van 26 maart 2025 waarin zij beslist om verzoeker ongeschikt te verklaren om de functie van beroepsambtenaar uit te oefenen en bijgevolg een einde stelt aan zijn kandidatuur […] en de voorbereidende beslissingen: - [d]e globale evaluatie van 26 maart 2025 waarbij verzoeker ongeschikt wordt verklaard op basis van de beslissing tot medische ongeschiktheid genomen door de arbeidsgeneesheer […] XII-9880-1/10 - [d]e beslissing van de Preventieadviseur-Arbeidsarts van de Federale Politie gedateerd op 27 februari 2025 waarbij verzoekende partij medisch ongeschikt verklaard wordt voor een operationele functie bij de politie […]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 23 mei 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juli 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Van Lancker, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. XII-9880-2/10 III. Feiten 3.
  4. Verzoeker stelt zich eind 2024 kandidaat voor de externe selectieprocedure voor de functie van aspirant-inspecteur van politie. 3.
  5. Verzoeker slaagt zowel voor het fysieke luik van de fysiek- medische geschiktheidsproef (het functioneel parcours), de cognitieve vaardigheidstest, als voor de persoonlijkheidsproef. 3.
  6. Op 27 februari 2025 verklaart de preventieadviseur-arbeidsarts van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de Federale politie verzoeker medisch ongeschikt voor een operationele functie bij de politie. Na voorafgaand erop te hebben gewezen dat verzoeker sinds 2017 lijdt aan de ziekte van Crohn, behandeld met Infliximab, en dat Infliximab een immunomodulator is die de gevoeligheid aan infecties verhoogt, vermeldt de beslissing: “Het feit dat u lijdt aan de ziekte van Crohn behandeld met Infliximab en dat een politie-inspecteur zijn functies moet uitoefenen in alle mogelijke weersomstandigheden, stelt u bloot aan een verhoogd risico op infecties. Dat vormt een hinder om essentiële functies uit te oefenen waarvoor u als kandidaat postuleert, namelijk interventies in alle mogelijke weersomstandigheden.” Dit is de tweede bestreden voorbereidende beslissing. 3.
  7. Op basis van de beslissing van de preventieadviseur-arbeidsarts van 27 februari 2025 verklaart de deliberatiecommissie verzoeker ongeschikt. Dit is de eerste bestreden voorbereidende beslissing. 3.
  8. Op 26 maart 2025 deelt de dienst Rekrutering en Selectie van de directie van het Personeel van de Federale politie aan verzoeker mee dat hij ingevolge de beslissing van ongeschiktheid genomen door de arbeidsarts XII-9880-3/10 ongeschikt wordt verklaard voor de functie van politieambtenaar en dat die beslissing een einde stelt aan zijn kandidatuur. Dit is de (eerste) bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  9. In de nota werpt de verwerende partij de exceptie op dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is in de mate dat ze is gericht tegen de brief van het diensthoofd van de dienst Rekrutering en Selectie van de directie van het Personeel van 26 maart 2025 en de beslissing van 27 februari 2025 van de preventieadviseur-arbeidsarts. Volgens de verwerende partij zijn dit geen voor de Raad van State aanvechtbare bestuurshandelingen. De verwerende partij zet uiteen dat de voormelde brief van 26 maart 2025 louter de kennisgeving betreft van de beslissing van de deliberatiecommissie, die als enige bevoegd is om de beslissing tot ongeschiktheid te nemen, en dat de beslissing van 27 februari 2025 van de preventieadviseur-arbeidsarts een louter voorbereidende handeling is.
  10. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Dat is, zoals hierna zal blijken, niet het geval. V. Schorsingsvoorwaarden
  11. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een XII-9880-4/10 versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
  12. Onder de noemer “dringende noodzakelijkheid en aannemelijkheid dat de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht teneinde de belangen van verzoekende partijen veilig te stellen” in het verzoekschrift gaat verzoeker allereerst in het algemeen in op de voorwaarden waaronder een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden ingewilligd, alsook op het begrip ‘spoedeisendheid’. Vervolgens zet verzoeker uiteen dat in de gegeven omstandigheden – met name het feit dat de verwerende partij verzoeker onmiddellijk uitsluit naar aanleiding van een ziekte – de Raad van State een “uiterste urgentie” aanwezig acht en oordeelt dat een “gewone schorsingsprocedure” riskeert te laat te komen, omdat de negatieve terugslag van de bestreden beslissing op verzoekers gezondheid intussen een nog moeilijk omkeerbaar feit kan zijn. Voorts wijst verzoeker erop dat zijn uitsluiting, louter op basis van zijn gezondheidstoestand die niet nader onderzocht is, niet in overeenstemming is met de Grondwet en de beginselen van behoorlijk bestuur. Tot slot voert verzoeker aan dat de schorsingsprocedure de enige procedure lijkt om hem een daadwerkelijke rechterlijke bescherming te bieden, daar het risico bestaat dat hem een gebrek aan belang bij zijn beroep wordt tegengeworpen, indien er geen uitspraak over de grond van de zaak wordt gedaan binnen de periode van één jaar. De schorsing van de bestreden beslissing moet volgens verzoeker daarom als een aansporing worden gezien, opdat de verwerende partij de bestreden beslissing zou heroverwegen. XII-9880-5/10 Beoordeling
  13. Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, XII-9880-6/10 op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  14. Zoals het auditoraat terecht opmerkt, haalt verzoeker in zijn verzoekschrift de twee schorsingsprocedures, met name de ‘gewone’ schorsingsprocedure en de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, door elkaar. Zowel uit de benaming van het verzoekschrift, als uit het beschikkend gedeelte, blijkt dat verzoeker een ‘gewone’ vordering tot schorsing heeft ingesteld. De argumentatie van verzoeker waarom er sprake is van “dringende noodzakelijkheid” – lees: spoedeisendheid – wordt vanuit dat oogpunt beoordeeld.
  15. De bestreden beslissing situeert zich binnen een selectieprocedure voor de functie van aspirant-inspecteur van politie. De Raad van State merkt te dezen op dat, wie deelneemt aan een selectieprocedure zoals de voorliggende, ermee rekening moet houden dat hij niet geschikt wordt bevonden en dat hij dus, bij gebreke daaraan, een andere wending aan zijn loopbaan moet geven dan de geambieerde. Dit feit op zich toont uit XII-9880-7/10 zichzelf niet aan dat verzoeker daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak spoedeisend maken. Het komt derhalve aan verzoeker toe om aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde.
  16. Te dezen stelt de Raad van State vast dat verzoeker in gebreke blijft om in concreto aan te tonen dat de zaak spoedeisend is. Verzoeker beperkt zich tot een aantal algemene beschouwingen, zonder die toe te spitsen op zijn persoonlijke situatie. In de mate dat verzoeker verwijst naar het gegeven dat hij is uitgesloten wegens een ziekte en dat de Raad van State in die omstandigheden aanvaart dat er sprake is van een “uiterste urgentie”, zet hij geenszins uiteen waarom de ongeschiktverklaring, en de redenen daartoe, te dezen de spoedeisendheid zouden verantwoorden. Dit volgt geenszins uit een algemene verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State, nog daargelaten dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent, zodat verzoeker er derhalve geen leer uit kan halen. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de negatieve terugslag van de bestreden beslissing op zijn gezondheid een nog moeilijk omkeerbaar feit kan zijn, blijft verzoeker in gebreke uiteen te zetten én te staven waaruit die negatieve terugslag bestaat, alsook waarom die nog moeilijk omkeerbaar zou zijn. Met deze algemene uiteenzetting toont verzoeker niet aan dat het ondergaan van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, in afwachting van het resultaat van de procedure ten gronde, ertoe zou leiden dat hij zich in een toestand bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
  17. In de mate dat verzoeker aanvoert dat zijn uitsluiting niet in overeenstemming is met de Grondwet en met de beginselen van behoorlijk bestuur, XII-9880-8/10 herinnert de Raad van State eraan dat een aangevoerde onwettigheid op zich niet kan volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde waaraan moet zijn voldaan doch die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het bestreden besluit prima facie kan verantwoorden. Met de verwijzing naar een onwettigheid op zich, toont verzoeker derhalve nog niet aan dat hij de procedure ten gronde niet kan afwachten om de door hem nagestreefde vernietiging te verkrijgen, op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
  18. In de mate dat verzoeker tot slot aanvoert dat de schorsingsprocedure de enige procedure lijkt om hem een daadwerkelijke rechterlijke bescherming te bieden, daar het risico bestaat dat hem een gebrek aan belang bij zijn beroep wordt tegengeworpen, indien er geen uitspraak over de grond van de zaak wordt gedaan binnen de periode van één jaar, lijkt verzoeker te alluderen op de ontvankelijkheidsvoorwaarden van het beroep, die losstaan van de voorwaarden waaronder de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling kan worden bevolen. Verzoeker blijft evenwel in gebreke om in concreto uiteen te zetten waarom het niet behandelen van de grond van de zaak binnen een periode van één jaar tot onherroepelijke schadelijke gevolgen zou leiden. Het loutere gegeven dat een schorsing van de bestreden beslissing de verwerende partij kan aansporen om de bestreden beslissing te heroverwegen, volstaat evenmin om de spoedeisendheid te verantwoorden.
  19. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VII. Conclusie
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, XII-9880-9/10 die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering.
  22. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-9880-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.891 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.