id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.910 Rolnummer: A. 244578/IX-10649 Zaak: Arrest 263910 - Varia (openbaar ambt) - 08/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-10 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-16 03:21 Fiche Arrest nr 263.910 van 8 juli 2025 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 263.910 van 8 juli 2025 in de zaak A. 244.578/IX-10.649 In zake: M.H. woonplaats kiezend te tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 6 april 2025, strekt tot de nietigverkla- ring van “de stilzwijgende weigering van de Federale Overheidsdienst Justitie […] om gevolg te geven aan een verzoek tot heroverweging van een eerder geweigerd verzoek om toegang tot bestuursdocumenten”. Verzoeker vraagt ook om de toekenning van een schadevergoe- ding tot herstel. II. Verloop van de rechtspleging
- Auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 juni
- IX-10.649-1/8 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Verzoeker en advocaat Frederik Vanparijs, die loco advocaat Jürgen Vanpraet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 9 januari 2025 vraagt verzoeker bij de FOD Justitie om de openbaarheid van: “- alle interne procedures en richtlijnen die door de taxatiebureaus op fede- raal en lokaal niveau dienen gevolgd te worden voor de controle en de be- handeling van de maandelijkse kostenstaten van tolken, alsook de kosten- staten voor vertalingen. - een overzicht van de termijnen tussen het indienen van de kostenstaten door de vertalers, de controle op de kostenstaten en de uitbetaling per taxa- tiebureau, opgedeeld per maand, voor het jaar 2024 - het rapport van de FIA audit in 2024 met betrekking tot de behandeling van de kostenstaten voor tolken, alsook de corrigerende maatregelen die zijn uitgevoerd of gepland in het kader van deze audit - de hiërarchische structuur en de samenstelling van elk taxatiebureau, incl. de bevoegdheden van de verschillende medewerkers - uitleg hoe de grote achterstanden in de controle van de ingediende kos- tenstaten in het taxatiebureau Gent zijn ontstaan - de controles die door het centraal taxatiebureau worden ingericht op de werking van de lokale taxatiebureaus”. Met een beslissing van 13 februari 2025 wordt het verzoek afge- wezen met toepassing van artikel 6, § 3, 3°, van de wet van 11 april 1994 IX-10.649-2/8 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ (WOB) omdat het als onredelijk wordt beschouwd. Op dezelfde datum dient verzoeker een verzoek tot heroverwe- ging in. Hij richt tevens een schrijven aan de commissie voor de toegang tot en het hergebruik van bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid van bestuur. De commissie verleent op 13 maart 2025 advies 2025-
- De verwerende partij heeft niet “binnen vijftien dagen na ont- vangst van het advies of na verloop van de termijn waarbinnen kennis moest wor- den gegeven van het advies” een beslissing over het verzoek tot heroverweging ter kennis gebracht van verzoeker, zodat zij overeenkomstig artikel 8, § 2, WOB wordt geacht een beslissing tot afwijzing van het verzoek te hebben genomen. Deze (stil- zwijgende) weigeringsbeslissing is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Met het oog op de terechtzitting heeft verzoeker aan de Raad van State een “Nota ter zitting – Laatste memorie” bezorgd.
- De verwerende partij vraagt om dit stuk te weren uit het debat.
- Artikel 93 van het algemeen procedurereglement bepaalt dat het auditoraat verslag uitbrengt aan de voorzitter van de kamer belast met de zaak, indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring “slechts korte debatten vereist”. Deze bepaling wijkt af van de normale procedure, die hoofdza- kelijk schriftelijk verloopt, zodat de bedoelde zaken sneller kunnen worden afge- handeld. IX-10.649-3/8 In een mogelijkheid voor de partijen om dan nog schriftelijk te reageren op het auditoraatsverslag is in het procedurereglement niet voorzien, ten- zij dan specifiek met het oog op de aanvragen, bedoeld in artikel 93, tweede, derde en vierde lid, van het algemeen procedurereglement.
- Bij de toepassing van artikel 93 van het algemeen procedurere- glement moet rekening worden gehouden met de eminente rol die het recht op een eerlijk proces, daarin begrepen het respect voor woord en wederwoord, in een de- mocratische samenleving vervult. Weliswaar belet de mondelinge fase van het debat de partijen geenszins om tegenargumenten aan te voeren en om vrijelijk de rechtspunten te bespreken die worden uiteengezet in het auditoraatsverslag. De rechten van verde- diging kunnen evenwel des te doeltreffender worden uitgeoefend indien de partij die door het auditoraat in het ongelijk wordt gesteld een nota met opmerkingen indient in de loop van de rechtspleging ex artikel
- Het gewicht van een monde- ling pleidooi kan niet worden vergeleken met dat van een geschrift.
- De pleitnota is neergelegd door een partij die in het ongelijk ge- steld dreigt te worden. Ze is tijdig aan de verwerende partij ter kennis gebracht. In de gegeven omstandigheden mag ze in aanmerking worden genomen.
- Op de vraag om de pleitnota uit het debat te weren wordt niet ingegaan. V. Toepassing kortedebattenprocedure – ontvankelijkheid van het beroep
- Verzoeker zet in het inleidend verzoekschrift uiteen wat volgt: “Middelen en juridische gronden De stilzwijgende weigering van de verwerende partij schendt de volgende rechtsregels: IX-10.649-4/8 - Schending van de openbaarheid van bestuur: De verwerende partij heeft gehandeld in strijd met de bepalingen van de Wet van 11 april 1994 betref- fende de openbaarheid van bestuur, met name: • Artikel 4: Bestuursdocumenten zijn in beginsel openbaar en kun- nen door iedere burger worden opgevraagd. • Artikel 6: Weigering van toegang tot documenten moet uitdrukke- lijk en gemotiveerd worden meegedeeld binnen de wettelijk voor- ziene termijn. • Artikel 15: Indien een verzoek wordt geweigerd, heeft de verzoe- ker recht op een heroverweging. - Schending van de motiveringsplicht: Volgens de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen moeten administratieve beslissingen behoorlijk gemotiveerd worden. De initiële weigering werd onvoldoende gemotiveerd en de stilzwijgende weigering van de heroverweging is hier niet mee in overeenstemming. - Schending van het recht op een eerlijk bestuur: De afwezigheid van een expliciete beslissing of motivering belet de verzoekende partij om haar rechten effectief uit te oefenen. - Schade veroorzaakt door onrechtmatige administratieve handelingen: Op basis van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan schadevergoeding gevorderd worden voor onrechtmatige handelingen van de overheid die schade hebben veroorzaakt aan burgers .”
- Artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement bepaalt dat het inleidend verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Onder de uiteenzetting van de middelen wordt verstaan de vol- doende duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregelen en van de wijze waarop die regelen door de bestreden rechtshandeling worden miskend. De uiteenzetting van een middel is een essentieel onderdeel van de inleidende akte omdat ze de verwerende partij moet toelaten zich te verdedigen tegen de grieven die ten aanzien van haar bestreden beslissing worden aangevoerd en ze tevens de Raad van State in staat moet stellen de gegrondheid van die grieven te beoordelen. 12.
- Opdat een door haar aangevoerd middel ontvankelijk zou zijn, dient een verzoekende partij niet alleen duidelijk te maken welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht, maar ook op welke wijze, naar haar IX-10.649-5/8 oordeel, die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing wordt miskend. Verzoeker beperkt zich in de eerste plaats tot een opsomming van enkele geschonden geachte bepalingen van de wet openbaarheid van bestuur – onder meer een niet bestaand artikel 15 – maar hij laat na op een duidelijke wijze te omschrijven op welke wijze die bepalingen door het bestreden besluit in het concreet voorliggende geval werden miskend. Hij geeft enkel aan welke verplich- tingen of rechtsgevolgen uit de door hem geschonden geachte wettelijke bepa- lingen volgen, maar laat na concreet te verduidelijken op welke wijze het bestreden besluit aan die verplichtingen of rechtsgevolgen tekortdoet. 12.
- Verzoekers referentie aan de schending van de motiveringsplicht stoot op dezelfde tekortkoming. In zoverre verzoeker met verwijzing naar de wet van 29 juli 1991 aanvoert dat de “initiële weigering […] onvoldoende [werd] ge- motiveerd en de stilzwijgende weigering van de heroverweging […] hier niet mee in overeenstemming” is, moet minstens worden vastgesteld dat hij de overwegin- gen van de initiële weigering niet in zijn uiteenzetting betrekt. Hij laat ook op dit punt na concreet uiteen te zetten op welke wijze de formele-, dan wel materiële- motiveringsplicht naar zijn oordeel is geschonden. 12.
- Aan de Raad van State is geen algemeen rechtsbeginsel van “recht op een eerlijk bestuur” bekend. 12.
- Dat “[o]p basis van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State” schadevergoeding kan worden gevorderd “voor onrechtmatige handelingen van de overheid die schade hebben veroorzaakt aan burgers”, houdt tot slot geen verband met de beoordeling van de wettigheid van de bestreden be- slissing.
- De uiteenzetting in het verzoekschrift met betrekking tot de “middelen en juridische gronden” is niet ontvankelijk. IX-10.649-6/8 Verzoeker kan dit niet meer verhelpen in zijn “nota ter zitting”. In die nota neemt hij een “Correctie van juridische grondslag” op en een “Verdere motivering van juridische gronden”, waarmee hij doet hetgeen hem te doen stond in het inleidend verzoekschrift en hij zijn nalatigheid tracht te herstellen. Deze ju- ridische aanvullingen in de pleitnota, die reeds in het inleidend verzoekschrift had- den kunnen worden aangevoerd, zijn laattijdig en dus niet ontvankelijk.
- Het beroep is, bij gebrek aan ontvankelijke middelen, niet ont- vankelijk, wat ambtshalve moet worden vastgesteld. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat een kort debat hiertoe kan volstaan. VI. Voorlopige maatregelen
- In het beschikkend gedeelte van zijn verzoekschrift vraagt ver- zoeker aan de Raad van State, behalve de nietigverklaring, (i) een voorlopige maat- regel te nemen waarbij de verwerende partij wordt verplicht om de gevraagde do- cumenten ter beschikking te stellen binnen een door de Raad van State vastgestelde termijn; (ii) een voorlopige maatregel te nemen die de opschorting van de stilzwij- gende weigering bewerkstelligt, om onherstelbare schade te vermijden en (iii) elke andere maatregel te bevelen die de Raad van State passend acht.
- Het inleidend verzoekschrift bevat geen opschrift dat refereert aan een “vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen” noch een uiteen- zetting over de spoedeisendheid van het bevelen van dergelijke maatregelen, zodat het verzoekschrift procedureel niet als een dergelijke vordering kan worden begre- pen – en ook zo niet is afgehandeld. Zo verzoeker met deze vorderingen een ander doel voor ogen staat, volstaat de vaststelling van de onontvankelijkheid van het beroep om te besluiten dat over deze maatregelen geen uitspraak moet worden ge- daan. IX-10.649-7/8 VII. Schadevergoeding tot herstel
- De schadevergoeding tot herstel, die een accessorium is van het annulatieberoep, volgt hetzelfde lot. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schadevergoeding tot herstel
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
- Het onverschuldigde rolrecht van 200 euro en de onverschuldigde bijdrage van 26 euro voor het verzoek tot schadevergoeding tot herstel worden aan de verzoekende partij terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.649-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.910 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div