← België

Arrest 263911 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 08/07/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.911 Rolnummer: A. 241829/IX-10464 Zaak: Arrest 263911 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 08/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-10 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-16 03:21 Fiche Arrest nr 263.911 van 8 juli 2025 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.911 van 8 juli 2025 in de zaak A. 241.829/IX-10.464 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A/10 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verbist kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 187, bus 302 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 april 2024, strekt tot de nietigverkla- ring van “het niet nemen door de Universiteit Antwerpen na daartoe overeenkom- stig art. 14 § 3 wetten op de Raad van State op 2 november 2023 te zijn aange- maand, verzoekster aan te stellen tot docente”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.464-1/24 Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 juni
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende par- tij en advocaten Christophe Coen en Liesbeth Van der Straten, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is sinds 20 september 1999 met opeenvolgende ar- beidsovereenkomsten of tijdelijke aanstellingen voor bepaalde duur, BAP of ZAP, tewerkgesteld bij de Universiteit Antwerpen. Op 20 november 2012 beslist de raad van bestuur van de Uni- versiteit Antwerpen om verzoekster aan te stellen voor een periode van drie jaar als deeltijds docent (40%) in het domein ‘Onderwijsrecht en Internationalisering IX-10.464-2/24 van opleiding en onderwijs’ bij het Instituut voor Onderwijs en Informatieweten- schappen met ingang van 1 december
  6. Verzoekster doceert vanaf academiejaar 2012-2013 de oplei- dingsonderdelen ‘Onderwijsrecht’ en ‘Internationalisering van opleiding en onder- wijs’. Op 19 juni 2015 meldt de decaan van de faculteit Sociale We- tenschappen aan verzoekster dat haar aanstelling als deeltijds ZAP-lid (40%) in de graad van docent ten einde loopt op 30 november 2015 en niet wordt verlengd. Op 14 december 2015 deelt de rector aan verzoekster mee dat haar kandidatuur voor bevordering tot hoofddocent hierdoor zonder voorwerp is geworden. Het daarop aansluitende beroep van verzoekster tot nietigverkla- ring van “[de] beëindiging van de aanstelling [van verzoekster] als deeltijds ZAP- lid van de Universiteit Antwerpen op 30 november 2015 door de Raad van Bestuur van de Universiteit Antwerpen en [haar] niet-aanstelling op 17 november 2015 door de Raad van Bestuur van de Universiteit Antwerpen tot hoofddocente” wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 247.434 van 21 april
  7. Wat het einde van verzoeksters aanstelling betreft, overweegt de Raad onder meer: “
  8. […] Als de raad van bestuur [op 17 november 2015] in het kader van [de alge- mene, universiteitsbrede] bevorderingsronde, waarin verzoekster – samen met 160 andere kandidaten – een promotiedossier heeft ingediend, een aan- tal personen bevordert, dan blijkt hieruit de impliciete weigering om ver- zoekster te bevorderen tot hoofddocent – het tweede voorwerp van het be- roep. Dit staat echter los van haar tijdelijke aanstelling als docent. Over die aanstelling spreekt de raad van bestuur zich op 17 november 2015 niet uit: uit zijn beslissing van 17 november 2015 blijkt noch expliciet, noch impli- ciet een weigering om verzoeksters aanstelling in haar bestaande IX-10.464-3/24 betrekking te verlengen en noch expliciet, noch impliciet een beslissing om die aanstelling te beëindigen. […]
  9. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, is er nooit een uitdrukke- lijke beslissing genomen door het daarvoor bevoegde orgaan over de al dan niet verlenging van de aanstelling van verzoekster. Haar tijdelijke statutaire aanstelling eindigt van rechtswege op het einde van de gestelde duur, hetgeen betekent dat van de universitaire overheid in principe ook geen handelend optreden vereist is. […]
  10. De aanstelling van verzoekster, bij beslissing van de raad van bestuur van 20 november 2012, ‘gebeurt in een tijdelijk dienstverband voor een periode van drie jaar’ – zo kon verzoekster lezen in de kennisgeving door de rector op 6 december
  11. Indien verzoekster van oordeel is dat die beperking in de tijd ‘niet rechts- geldig’ is, dan lag het op haar weg om tijdig – dat wil zeggen, bij de ken- nisgeving van dit aanstellingsbesluit, het ogenblik waarop met de woorden van verzoekster in haar laatste memorie en volgens haar overtuiging ‘in rechte moet worden vastgesteld dat er op onrechtmatige wijze geponeerd wordt dat het om een aanstelling ging die kon ten einde lopen na drie jaar’ – de erin besloten weigering om haar voor onbepaalde duur aan te stellen aan te vechten. Dat heeft zij niet gedaan. Daarvoor is het nu te laat. 15.
  12. Verzoekster laat voorts opvallend in het midden wat volgens haar dan wel ‘rechtsgeldig’ moest volgen op 1 december 2015, als zij moet worden ‘geacht verbonden te zijn met de verwerende partij’. 15.
  13. Indien zij meent dat haar dienstverband met de verwerende partij van rechtswege is omgezet in een arbeidsovereenkomst of in een sui generis overeenkomst, dan ziet haar geschil op de uitvoering van de tussen haar en de verwerende partij uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. De Raad van State is niet bevoegd om zich over een dergelijk geschil uit te spreken; het beroep is in dat geval onontvankelijk wat zijn eerste voorwerp betreft. 15.
  14. Het betoog van verzoekster zou ook zo kunnen worden opgevat dat de verwerende partij volgens haar niet mocht stilzitten, omdat op haar rech- tens een verplichting rust om een nieuwe (constitutieve) beslissing te ne- men over de aanstelling van verzoekster voor onbepaalde duur, hetzij sta- tutair, hetzij bij overeenkomst. Artikel 14, § 3, RvS-Wet biedt in die hypothese aan een verzoekende partij de mogelijkheid om een bestuur dat stilzit, alhoewel het verplicht is te be- schikken, aan te manen en onder de in dat artikel beschreven voorwaarden een beroep tot nietigverklaring van de fictief afwijzende beslissing aan de Raad van State voor te leggen. Verzoekster heeft op geen enkel ogenblik tijdens haar vele opeenvolgende aanstellingen en ook niet na december 2015 die weg bewandeld. Ook zo beschouwd is het beroep niet ontvankelijk, minstens voorbarig.” IX-10.464-4/24 3.
  15. Op 23 januari 2018 beslist het bestuurscollege van de Universi- teit Antwerpen een vacature uit te schrijven voor een voltijds onderzoeksprofessor in het domein Governance of learning in an era of globalisation. Acht kandidaten, onder wie verzoekster en NC, solliciteren naar het te begeven ambt. Op 28 augustus 2018 beslist het bestuurscollege om NC aan te stellen als voltijds docent in het tenure track stelsel bij het departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen van de faculteit Sociale Wetenschappen met een op- dracht van onderwijs, onderzoek en dienstverlening in het domein Governance of learning in an era of globalisation voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 oktober
  16. Op 11 december 2018 wordt die beslissing door het bestuurscol- lege ingetrokken en op dezelfde datum neemt het bestuurscollege een nieuwe be- slissing waarbij NC opnieuw wordt aangesteld. Op vordering van verzoekster wordt de laatstvermelde aanstel- ling van NC door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 249.191 van 10 de- cember
  17. 3.
  18. Op 8 januari 2021 zendt verzoeksters raadsman de verwerende partij een aangetekend schrijven met verwijzing naar artikel 14, § 3, van de geco- ordineerde wetten op de Raad van State om verzoekster aan te stellen als voltijds docent in het tenure track stelsel in het domein Governance of learning in an era of globalisation. 3.
  19. Op 26 januari 2021 beslist het bestuurscollege de selectieproce- dure voor de vacature voor onderzoeksprofessor (TTZAPBOF) in het domein Go- vernance of learning in an era of globalisation binnen het departement Opleidings- IX-10.464-5/24 en Onderwijswetenschappen van de faculteit Sociale Wetenschappen met de be- langhebbenden te hervatten vanaf de selectiecommissie. Op 23 maart 2021 beslist het bestuurscollege om NC aan te stel- len als voltijds docent in het tenure track stelsel bij het departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen van de faculteit Sociale Wetenschappen in het domein Governance of learning in an era of globalisation voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 oktober
  20. 3.
  21. Op 2 november 2023 zendt verzoeksters raadsman de verwe- rende partij volgend aangetekend schrijven: “Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 5 mei 2022 uitspraak gedaan in de zaak C-265/20 tegen de Universiteit Antwerpen. Het Hof oor- deelde dat de Universiteit Antwerpen bij de toepassing van de bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs een praktijk voert die het beginsel van ge- lijke behandeling schendt en dat het gevoerde personeelsbeleid strijdig is met het Unierecht. De Universiteit Antwerpen heeft [verzoekster] nooit in- gelicht over dit voor haar nochtans zeer relevante arrest. Op 31 juli 2023 hebben wij kennisgenomen van voormeld arrest. Sinds 2015 zoekt [verzoekster] rechtsherstel voor de wederrechtelijk[e] besluit- vorming over haar aanstelling. Bij wijze van rechtsherstel na het voormelde arrest C-265/20 tegen de Universiteit Antwerpen lijkt dit des te meer evi- dent te zijn maar toch schrijven we U bijkomend aan krachtens art. 14 § 3 Raad van State-wet om een besluit te nemen en onverwijld het Unierecht toe te passen zoals geïnterpreteerd in de zaak waar de Universiteit Antwer- pen zelf verwerende partij bij was. Als publiekrechtelijke overheid is de Universiteit Antwerpen verplicht haar besluitvorming te herzien in de zin van arrest C-265/20 van het Hof van Justitie van de Europese Unie en on- verwijld een besluit te nemen over de aanstelling, re-integratie, en schade- loosstelling van [verzoekster] wegens het misbruik van opeenvolgende tij- delijke en deeltijdse aanstellingen door het gebruik van draaideurconstruc- ties, wegens de jarenlange discriminatie waarvan [verzoekster] het slacht- offer is geweest en wegens haar wederrechtelijk ontslag. [Verzoekster] is 16 jaar lang met opeenvolgende aanstellingen en/of over- eenkomsten voor bepaalde duur verbonden geweest aan de Universiteit Antwerpen. Zij heeft sinds 2016 succesvol de aanstelling van haar opvolger aangevochten voor de Raad van State (Arrest nr. 243.846 van 28 februari 2019 in de zaak A. 225.338/IX-9309; Arrest nr. 249.190 van 10 december 2020 in de zaak A. 225.338/IX-9309; Arrest nr. 244.080 van 1 april 2019 in de zaak A. 226.265/IX-9400; Arrest nr. 249.191 van 10 december 2020 in de zaak A.
  22. 356/IX-9502). IX-10.464-6/24 [Verzoekster] was in de periode 2006-2015 als enig vrouwelijk personeels- lid verbonden aan het Departement Opleidings- en Onderwijswetenschap- pen en werd gedurende 16 jaar tewerkgesteld op grond van 24 opeenvol- gende, kortlopende, voltijdse en deeltijdse arbeidsovereenkomsten en sta- tutaire aanstellingen van enkele maanden tot een en maximaal 3 jaar, zon- der enige beperking in het totaal aantal opeenvolgende verlengingen en zonder enige objectieve reden. Na een jarenlange voltijdse BAPZAP-aanstelling waarbij zij wegens het BAP-statuut als gevolg van het uitblijven van een open vacature, werd uit- gesloten van elke promotiekans, gebeurde de hernieuwing van haar aanstel- ling in 2012, in twee statuten waarvan een tijdelijke statutaire aanstelling van 40% (in een te lage inschaling) in combinatie met een contractuele 20% als BAPZAP, een draaideurconstructie die bewust gebruikt werd om te ver- mijden dat zij een vaste aanstelling krijgt. Terwijl de mannelijke collega’s, die nota bene aan de Universiteit Antwer- pen hadden gedoctoreerd of post-doc waren geweest bij de leidinggevende [X], in 2015 met vergelijkbare opdrachten een vaste benoeming kregen, werd [verzoekster] als enige ontslagen zonder enige vorm van opzegver- goeding. Na het ontslag van [verzoekster], werd een 100% structurele open vacature uitgeschreven voor een interne doctorandus. Tot op heden heeft [verzoek- ster] de aanstelling van haar opvolger N.C. succesvol betwist bij de Raad van State. Er is geen sprake van enige ‘objectieve redenen’, precieze en concrete om- standigheden die een bepaalde activiteit kenmerken en rechtvaardigen dat in die specifieke context gebruik wordt gemaakt van opeenvolgende ar- beidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Looptijden van 16 jaar en 24 opeenvolgende arbeidsverhoudingen zijn vol- gens het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-274/18, absoluut beschouwd, zeer lang en worden door het Hof als buitensporig aangemerkt. Er werd dan ook met betrekking tot [verzoekster] misbruik gemaakt van arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd. Deze werkwijze is en blijft strijdig met o.a. Clausule 4 en Clausule 5 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereen- komsten voor bepaalde tijd, en Clausule 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid zoals uitgelegd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2020 in gevoegde zaken C-103/18 en C- 429/18 Ruiz met Conclusie van Advocaat-Generaal J. Kokott van 17 okto- ber 2019, in het arrest van 3 oktober 2019 in zaak C-274/18 Minoo Schuch- Ghannadan met conclusie van Advocaat-Generaal G. Pitruzzella van 27 juni 2019, en met Richtlijn 200/
  23. Maar het is voormelde zaak C-265/20 tegen de Universiteit Antwerpen die van bijzonder belang is. Het Hof stelt dat het Unierecht zich verzet tegen een regeling en een praktijk volgens welke een lid van het academisch per- soneel met een voltijdse onderwijsopdracht automatisch vast wordt be- noemd, zonder andere objectieve reden dan het feit dat hij die opdracht vol- tijds uitoefent, terwijl een lid van het academisch personeel met een IX-10.464-7/24 deeltijdse onderwijsopdracht ofwel vast wordt benoemd ofwel tijdelijk wordt aangesteld. Bijgevolg heeft [verzoekster] steeds terecht volgehouden dat zij in 2015 nooit had mogen worden ontslagen gezien ze volgens het Unierecht vast benoemd was. Zij had nooit mogen vervangen worden door de interne doc- torandus N.C. wiens aanstellingen de Universiteit Antwerpen tegen het Unierecht in, blijft bevestigen om deze vervolgens in te trekken of te zien vernietigd worden door de Raad van State. De toepassing door de Universiteit Antwerpen van de artikelen over deel- tijdse ZAP-aanstellingen en opeenvolgende tijdelijke aanstellingen in de Codex Hoger Onderwijs, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate de in deze artikelen opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur een ongelijke behandeling van deeltijds en tijdelijk aange- steld ZAP mogelijk maken en een vaste benoeming uitsluiten. Het Grond- wettelijk Hof veroordeelt in het arrest nr. 93/2021 van 17 juni 2021 uitdruk- kelijk de draaideurtechniek die werd toegepast om ook [verzoekster] niet vast te benoemen. Door een hierboven vermelde werkwijze heeft de Uni- versiteit Antwerpen [verzoekster] als tijdelijk (60%) en deeltijds ZAP (40%) bij haar tewerkstelling en bij de niet verlenging bij de jaarwisseling 2015/2016 de bescherming van het Unierecht zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie en van het vermoeden van een aanstelling voor onbepaalde duur zoals geïnterpreteerd door het Grondwettelijk Hof, ontzeg[d]. Enkel voor de opleidingsonderdelen die [verzoekster] doceerde werd de open vacature voor een structurele aanstelling systematisch en zonder enige deadline steeds weer uitgesteld tot na de niet verlenging van haar 24e ar- beidsverhouding. Pas na haar niet verlenging, werd een structurele 100% vacature voor een vaste benoeming uitgeschreven in de discipline die zij doceerde sinds AJ 2005/2006 waaruit zij zoals blijkt uit de arresten van de Raad van State, ten onrechte werd geweerd. Al de (mannelijke) collega’s met vergelijkbare opdrachten van opleiding, onderzoek en academische dienstverlening in het Departement Opleidings- en Onderwijswetenschap- pen werden vast en voltijds statutair benoemd en kregen systematisch pro- motie tot gewoon hoogleraar. [Verzoekster] werd dan ook ongelijk behan- deld op grond van haar gender. Het Auditoraat bij de Raad van State heeft in de zaak A é.763/ IX-9890 op 30 juni 2023 opnieuw de nietigverklaring van de beslissing van het be- stuurscollege waarbij opvolger N.C. wordt aangesteld, geadviseerd. Deze zaak wordt gepleit op 4 december e.k. Doordat de Universiteit Antwerpen artikel Art. V.28 Codex Hoger Onder- wijs blijft toepassen op een met het Unie-recht strijdig[e] wijze, Clausule 4 en Clausule 5 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en Clausule 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijd- arbeid blijft miskennen, maakt de Universiteit zich schuldig aan misbruik en aan ongelijke behandeling van [verzoekster] op grond van Richtlijn 97/81/EG met Raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid en op grond van Richtlijn 1999/70/EG met Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkom- sten voor bepaalde tijd en dat zowel als vrouwelijk academisch IX-10.464-8/24 personeelslid, als deeltijds academisch personeelslid, en als academisch personeelslid aangesteld met opeenvolgende arbeidsverhoudingen. Krachtens het Europees recht is zij nog steeds aangesteld als ZAP voor on- bepaalde duur wat krachtens het Vlaams Decreet Hoger Onderwijs een vaste benoeming impliceert. Het niet in dienst houden van [verzoekster] nadat 16 jaar lang allerlei klei- nere contracten en/of aanstellingen aan elkaar werden gebreid, kan de toets aan het Unierecht niet doorstaan. Mogen wij dan ook verzoeken dat U in respect voor het Unierecht en voor het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-265/20, en uiteraard ook in respect voor de arresten van de Raad van State, en voor het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 93/2021 van 17 juni 2021, [verzoekster] onverwijld de aanstelling verleent en dat U haar vergoedt voor de schade die haar door het wederrechtelijk handelen werd toegebracht. Mocht de Universiteit Antwerpen na het arrest C-265/20 in gelijkaardige zaken overgaan tot minnelijke schikkingen, is het evident dat [verzoekster] op gelijke wijze moet behandeld worden. Mag ik U hierbij uitdrukkelijk vragen om uiterlijk binnen de 4 maand een positieve beslissing te nemen ten aanzien van [verzoekster].” Verzoekster ontvangt geen antwoord op voormelde aanmaning. 3.
  24. Bij arrest nr. 258.554 van 24 januari 2024 wordt op vordering van verzoekster de sub 3.4 vermelde aanstelling van NC van 23 maart 2021 door de Raad van State vernietigd. Het beroep wordt verworpen in zoverre het is gericht, eensdeels, tegen de stilzwijgend afwijzende beslissing om verzoekster aan te stellen als vol- tijds docent in het tenure track stelsel in het domein Governance of learning in an era of globalisation, afgeleid uit het stilzwijgen van de verwerende partij na het verstrijken van een termijn van vier maanden vanaf de door verzoekster op 8 janu- ari 2021 betekende aanmaning conform artikel 14, § 3, RvS-Wet en, anderdeels, tegen de impliciete weigering om verzoekster aan te stellen als voltijds docent in het tenure track stelsel in het domein Governance of learning in an era of globali- sation, afgeleid uit de eveneens met het beroep aangevochten aanstelling van NC van 23 maart
  25. Het arrest legt omstandig uit waarom het beroep niét een vraag als voorwerp heeft om verzoekster aan te stellen, los gezien van de aanstelling in IX-10.464-9/24 de welbepaalde vacature waarop de aanstelling van NC betrekking heeft als docent in het tenure track stelsel in het domein Governance of learning in an era of glo- balisation. 3.
  26. Op 30 augustus 2024 beslist het bestuurscollege om NC aan te stellen als voltijds docent in het tenure track stelsel bij het departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen van de faculteit Sociale Wetenschappen in het do- mein Governance of learning in an era of globalisation voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 oktober
  27. Van deze beslissing vordert verzoekster de nietigverklaring met het (nog hangende) beroep, bekend onder rolnummer A. 243.441/IX-10.
  28. 3.
  29. Naast de beroepen bij de Raad van State heeft verzoekster tegen de verwerende partij ook een procedure bij de arbeidsgerechten gevoerd, onder meer om de verwerende partij “te bevelen [verzoekster] te re-integreren in haar functie”. Op 14 december 2020 worden de vorderingen van verzoekster afgewezen door het Arbeidshof van Antwerpen. Een voorziening in cassatie van dit arrest wordt door het Hof van Cassatie op 18 november 2024 verworpen. IV. Precisering van het voorwerp van het beroep Uiteenzettingen van verzoekster
  30. Verzoekster stelt in het inleidend verzoekschrift dat het “is ge- richt tegen het niet nemen door de Universiteit Antwerpen na daartoe overeenkom- stig art. 14 § 3 wetten op de Raad van State op 2 november 2023 te zijn aange- maand, verzoekster aan te stellen tot docente”. Onder de hoofding ‘feiten’ wordt het volgende vermeld: “Dit verzoekschrift is dan ook beperkt tot het niet reageren op een aanma- ning art. 14 § 3 Gecoördineerde Wetten. [. . .] IX-10.464-10/24 De verzoekende partij heeft dus expliciet verwezen naar het arrest C-265/20 van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de verzoekende partij meent dan ook dat krachtens dit duidelijke nieuwe arrest op prejudiciële vraagstelling hoe dan ook haar verzoek art. 14 §3 met ernst diende onder- zocht te worden door de verwerende partij. En aangezien de verwerende partij dit heeft verzuimd, dient dit verzuim een beslissing te nemen, te wor- den vernietigd door Uw Raad.” Onder de hoofding ‘ontvankelijkheid’ wordt als toelichting ge- geven: “II.
  31. Verzoekster wenst een beroep te doen op de raamovereenkomst voor bepaalde tijd, waarnaar verder zal verwezen worden. Dit vormde uiteraard het voorwerp van de aanmaning art. 14 §
  32. II.
  33. Dit dient overigens nu vanuit een andere bril en nog eens opnieuw bekeken te worden, overeenkomstig de inzichten die kunnen afgeleid wor- den uit het pas sinds kort gekende arrest van het Europees Hof van Justitie van 5 mei 2022, C-265/
  34. [. . .] II.
  35. Het komt hoe dan ook de verwerende partij toe om rekening houdende met een prejudicieel arrest van het Europees Hof van Justitie, nota bene dan nog uitgesproken ten aanzien van de verwerende partij zelve, standpunt te bepalen en te antwoorden op de aanmaning. A fortiori is dit het geval, waar de verzoekende partij er uiteraard van uit gaat dat tengevolge de aanma- ning, zij dient te worden heraangesteld, nog eens a fortiori waar er hoe dan ook een nieuwe vacature bestaat na de annulatie van de aanstelling van [NC].” Tot besluit vraagt verzoekster: “De weigering verzoekende partij aan te stellen, waartoe overeenkomstig art. 14 § 3 Gecoördineerde Wetten werd aangemaand, te vernietigen.”
  36. Verzoekster stelt vervolgens in de memorie van wederantwoord onder de rubriek ‘ontvankelijkheid ratione materiae’: “Verzoekende partij beoogt [. . .] met haar aanmaning op grond van artikel 14, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State [. . .] de verwe- rende partij te bewegen tot het nemen van een (constitutieve) beslissing over de herziening van eerdere besluitvorming die in strijd is met het Unie- recht, zoals geïnterpreteerd door het [Hof van Justitie] in zaak C-265/
  37. [. . .] IX-10.464-11/24 Wat de verzoekende partij wenst, is de nietigverklaring van de eenzijdige rechtshandeling betreffende de niet-herziening van de besluitvorming door de verwerende partij. Uiteraard impliceert de Unierechtelijke herziening dat de verwerende partij na de herziening ook verplicht is een nieuw besluit te nemen in overeenstemming met het Unierecht, zoals geïnterpreteerd door het [Hof van Justitie] in de zaak C-265/
  38. Na kennisname van de [voornoemde uitspraak], heeft verzoekende partij de verwerende partij prompt aangemaand om binnen een redelijke termijn na kennisname van dit arrest door de verzoekende partij haar besluitvor- ming te herzien. Verzoekende partij merkt op dat de verwerende partij met opzet had nagelaten de verzoekende partij over het arrest in de zaak C- 265/20, dat verwerende partij in haar bezit had, in te lichten. Dit brengt de Unierechtelijke verplichting met zich mee om de eenzijdige rechtshande- lingen met betrekking tot de aanstelling en het ontslag van de verzoekende partij zelf te herzien in overeenstemming met het Unierecht zoals geïnter- preteerd door het [Hof van Justitie].” Onder de rubriek ‘Ontvankelijkheid ratione temporis’, geeft zij aan dat zij voldoet aan de criteria die werden ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie om herziening van de besluitvorming, meer bepaald in zijn arrest van 13 januari 2004 in de zaak C-453/00 Kühne & Heitz nv: “Op basis van deze voorwaarden vraagt verzoekende partij de heropening van de vroegere besluitvorming door verweerster en een arrest aan Uw Raad om te voldoen aan de eisen van het Unierecht en om effectieve rechts- bescherming te waarborgen. Verzoekende partij vraagt via artikel 14, § 3, Wetten op de Raad van State, rechtsherstel voor de weigering door verwerende partij om [haar besluit- vorming gelet op] het arrest van het [Hof van Justitie] van 5 mei 2022 in de zaak C-265/20 te herzien.”
  39. In haar laatste memorie vat verzoekster samen: “Om het zeer kort uit te drukken: er is aangegeven dat de verwerende partij na de talloze aanstellingen voor bepaalde tijd, verzoekster heeft geweigerd als vastverbonden aan te nemen, en er is gevraagd dat te herzien in het licht van dit arrest van het Europees Hof van Justitie. […] De verzoekende partij is en blijft de mening toegedaan dat op het ogenblik van het teneinde lopen van de laatste tijdelijke aanstelling, er vanuit Euro- peesrechtelijk perspectief geen andere keuze bestond voor de verwerende partij dan de verzoekende partij vast in dienst te nemen. Dat dit niet was gebeurd met de laatste tijdelijke aanstelling, verandert daar niets aan. A fortiori, bij de laatste tijdelijke aanstelling had de verwerende partij IX-10.464-12/24 eigenlijk niet meer tijdelijk mogen aanstellen maar vast in dienst moeten nemen maar a fortiori had de verwerende partij dit moeten doen wanneer deze eigenlijk niet correcte tijdelijke aanstelling teneinde liep. De verwerende partij had op 20 november 2012 niet mogen overgaan tot de tijdelijke aanstelling voor een periode van 3 jaar maar a fortiori had de verwerende partij op het einde daarvan, 2015, niet mogen doen alsof daar- mee het doek viel. Het einde van het hele besluitvormingsproces.” Beoordeling
  40. In principe bepaalt het voorwerp van het beroep zoals het in het verzoekschrift wordt omschreven, de grenzen van de rechtsstrijd en van de vernie- tiging die wordt uitgesproken. Het voorwerp moet in het inleidend verzoekschrift worden aangegeven. Het inquisitoriaal karakter van de rechtspleging voor de Raad van State houdt onder meer in dat het evenwel aan de Raad toevalt om uit te maken wat het precieze voorwerp is van een beroep of vordering, rekening houdend met de omschrijving ervan in het verzoekschrift. In geval van onduidelijkheid dient de Raad het verzoekschrift te interpreteren.
  41. De hiervóór aangehaalde geschriften brengen het auditoraat over het voorwerp van het beroep tot de volgende conclusie: “Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat het voorwerp van de vorde- ring de afwijzende beslissing is om de besluitvorming met betrekking tot verzoeksters aanstelling bij de verwerende partij te herzien en verzoekster in een vaste benoeming aan te stellen in een functie die zij bij de verwe- rende partij vóór 2015 bekleedde, afgeleid uit het stilzwijgen van de ver- werende partij na het verstrijken van een termijn van vier maanden vanaf de door verzoekster op 2 november 2023 betekende aanmaning conform artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.” IX-10.464-13/24
  42. Die conclusie, welke verzoekster in haar laatste memorie niet heeft weersproken, kan door de Raad worden bijgevallen.
  43. Volledigheidshalve mag worden aangestipt dat verzoekster met huidig beroep niet verzoekt om de in artikel 31 RvS-wet bedoelde herziening van enig door de Raad van State gewezen arrest, hetgeen zij ook bevestigt in haar laat- ste memorie. V. Rechtsmacht Exceptie
  44. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoekster dezelfde vordering al heeft aanhangig gemaakt bij de Raad van State en dat die inmiddels definitief beslecht werd bij arrest nr. 258.554 van 24 januari
  45. In hoofdorde is de verwerende partij bovendien van oordeel dat verzoekster zich niet dienstig op artikel 14, § 3, RvS-Wet kan steunen, daar het werkelijke voorwerp van haar vordering de erkenning van een subjectief recht be- treft. Uit verzoeksters aanmaning blijkt dat zij niet taalt naar een (nieuwe) gemoti- veerde beslissing omtrent de beëindiging van haar tijdelijke aanstelling, maar dat zij op grond van richtlijn 1999/70/EG en de raamovereenkomst, aanspraak maakt op een afdwingbare rechtsplicht in hoofde van de Universiteit Antwerpen om haar opnieuw aan te stellen als personeelslid. Aangezien de uitdrukkelijke weigering een subjectief recht te erkennen geen handeling is die vatbaar is voor een beroep bij de Raad van State, kan het stilzwijgen van een bestuur over een aanvraag tot erkenning van een subjectief recht ook niet via artikel 14, § 3, RvS-Wet worden bestreden. Door een vordering in te leiden bij de arbeidsrechtbank, erkent verzoek- ster overigens dat zij aanspraak maakt op een subjectief recht. IX-10.464-14/24 Beoordeling
  46. De vordering van verzoekster bij de arbeidsrechter had een ander voorwerp dan wat zij met huidig beroep nastreeft. Aan de arbeidsrechter heeft zij de re-integratie gevraagd in haar contractuele betrekking, als in de functie van do- cent waarin zij vanaf 1 december 2012 was aangesteld. In zoverre verzoekster zou beogen de Raad van State het bestaan van een contractuele arbeidsrelatie met de verwerende partij te doen vaststellen of van de Raad een uitspraak zou wensen over de draagwijdte van die contractuele verhouding, zou de Raad van State inderdaad onbevoegd zijn om van zo een ge- schil kennis te nemen. Daartoe strekt het beroep evenwel niet. Thans richt verzoekster zich tegen de weigering van de verwe- rende partij om haar dossier te heroverwegen en een nieuwe beslissing te nemen om haar te benoemen. Het feit dat verzoekster staande houdt dat de bestreden wei- geringsbeslissing onverenigbaar is met de aan het Unierecht ontleende gebonden bevoegdheid van de verwerende partij om haar vast te benoemen, maakt het wer- kelijke voorwerp van haar beroep niet tot de erkenning van een subjectief recht op benoeming. Verzoekster beweert in de huidige zaak ook niet dat zij van rechtswege als vastbenoemde moet worden beschouwd. Verzoekster verkrijgt de hoedanigheid van vast benoemd personeelslid van de verwerende partij maar door een individu- ele constitutieve handeling van het bestuurscollege als bevoegd gezag van de ver- werende partij. Het is die rechtshandeling die de vaste benoeming verleent en aldus rechtens bindend de rechtspositie van de betrokkene vaststelt en, omgekeerd, zon- der die beslissing kan de rechtstoestand van de betrokkene niet rechtens als vast- staand worden beschouwd. Constitutieve handelingen van administratieve overhe- den kunnen bij de Raad van State met een annulatieberoep bestreden worden op grond van artikel 14 RvS-Wet tenzij ze, bij wijze van uitzondering op dat artikel, door een wetsbepaling aan dat beroep onttrokken zijn. Een zodanige wetsbepaling wijst de verwerende partij niet aan. Ook de weigering om een constitutieve beslis- sing te nemen is voor annulatieberoep vatbaar. IX-10.464-15/24
  47. Zoals uit het feitenrelaas blijkt, is dat overigens evenmin een voorwerp waarover de Raad zich al in vroegere arresten heeft uitgesproken. Meer in het bijzonder in zijn arrest nr. 258.554 van 24 januari 2024 heeft de Raad zich uitgesproken over de na een aanmaning door stilzitten fictief tot stand gekomen stilzwijgende weigering om verzoekster “aan te stellen als voltijds docent in het tenure track stelsel in het domein ‘Governance of learning in an era of globalisa- tion’, nadat een eerste aanstelling van [NC] in die betrekking door de Raad van State was vernietigd” en over de impliciete weigering om verzoekster diezelfde aanstelling te begeven. Met huidig beroep beoogt verzoekster niet die welbepaalde aanstelling en door zich daarover uitgesproken te hebben, heeft de Raad zijn rechts- macht over de voorliggende zaak niet uitgeput.
  48. De exceptie wordt verworpen. VI. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  49. De verwerende partij werpt op dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde van artikel 14, § 3, RvS-Wet, namelijk dat zij verplicht was te beschik- ken. Verzoekster is een gewezen personeelslid van de Universiteit Antwerpen, met wie zij geen enkele rechtsband heeft. Het louter aanvoeren, door een gewezen personeelslid, meer dan vijf jaar na het beëindigen van de laatste aan- stelling, dat die aanstelling geacht moet worden van onbepaalde duur te zijn ge- worden, verplicht de overheid niet tot het nemen van een beslissing. Verzoekster kan, wat betreft de beoordeling van de voorwaarde dat het bestuur verplicht moet zijn een beslissing te nemen, niet worden vereenzelvigd met een personeelslid in actieve dienst dat omwille van dat dienstverband met toepassing van het zorgvul- digheidsbeginsel een expliciete beslissing mag verwachten inzake een vaste benoe- ming. IX-10.464-16/24 Er rust op de verwerende partij geen enkele wettelijke, reglemen- taire of aan het zorgvuldigheidsbeginsel ontleende plicht om in de hier voorlig- gende omstandigheden een uitdrukkelijke beslissing te nemen.
  50. Verzoekster antwoordt dat het Unierecht de verwerende partij verplicht om een definitief besluit te herzien, vooral omdat verzoekster haar vor- dering vanaf het begin heeft gesteund op het Unierecht zoals later geïnterpreteerd in arrest C-265/
  51. De verwerende partij moet zich houden aan het Unierecht en het loyaliteitsbeginsel van artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Eu- ropese Unie, en moet besluiten heroverwegen in het licht van de uitlegging van het Hof van Justitie. Verzoekster voert aan dat aan de vereisten is voldaan van de rechtspraak van het arrest van het Hof van Justitie van 13 januari 2004 in de zaak C-453/00 Kühne & Heitz nv, die er de verwerende partij toe verplicht haar besluit- vorming met betrekking tot haar aanstelling te herzien.
  52. In haar laatste memorie herhaalt verzoekster dat is voldaan aan de vereisten die in het arrest Kühne & Heitz nv zijn gepreciseerd. Beoordeling
  53. Artikel 14, § 3, RvS-Wet luidt: “Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende be- slissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststel- len of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden.” Krachtens deze wetsbepaling ontstaat een aanvechtbare fictieve weigeringsbeslissing wanneer een administratieve overheid verplicht is te IX-10.464-17/24 beschikken en zij bij het verstrijken van een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de aanmaning die zij daartoe vanwege de belanghebbende heeft ontvangen, geen beslissing heeft genomen. Met verwijzing naar artikel 14, § 3, RvS-Wet heeft verzoekster de verwerende partij aangemaand om, gelet op het gewijzigde Unierecht, haar be- sluitvorming met betrekking tot haar aanstelling te herzien.
  54. De verwerende partij betoogt dat aan ten minste één van de in artikel 14, § 3, RvS-Wet besloten voorwaarden niet is voldaan, namelijk de ver- plichting om te beschikken.
  55. De te onderzoeken vraag is niet, voor alle duidelijkheid, of de verwerende partij mág terugkomen op een definitief geworden beslissing, maar wel of zij dat in de gegeven omstandigheden moét doen, zodat verzoekster aanspraak mag maken op een nieuwe beslissing.
  56. Verzoekster weerspreekt niet dat in beginsel geen wettelijke of reglementaire bepaling de verwerende partij verplicht om terug te komen op een definitief geworden administratieve rechtshandeling. Verzoekster betoogt evenwel dat dit beginsel uitzondering kent, omdat de voorliggende situatie geregeld is door Unierecht, waarbij zij wijst op een nieuwe uitlegging die het Europees Hof van Justitie aan het toepasselijke Unierecht heeft gegeven én aan de criteria die door het Hof van Justitie zijn uiteengezet in het arrest Kühne & Heitz nv. Dat betekent dat de vraag of de verwerende partij verplicht is om over het dossier van verzoekster te beschikken in de zin van artikel 14, § 3, RvS- Wet afhangt van de vraag of inderdaad is voldaan aan de jurisprudentiële criteria die het Hof van Justitie heeft vastgesteld, opdat een bestuursorgaan verplicht zou zijn om een definitief geworden besluit te heroverwegen. IX-10.464-18/24
  57. Slechts in bijzondere omstandigheden bestaat op grond van het Unierecht voor het bestuur de verplichting, wegens aan het Unierecht ontleende materiële aanspraken, terug te komen van een definitieve administratieve beslis- sing. Het ligt op de weg van verzoekster om aannemelijk te maken dat dergelijke omstandigheden zich voordoen.
  58. In het door verzoekster aangewezen arrest Kühne & Heitz nv is geoordeeld dat een bestuursorgaan onder bepaalde voorwaarden verplicht is om een besluit dat in strijd is met het Unierecht te heroverwegen, ook al is dat besluit naar nationaal recht definitief geworden. De relevante overwegingen in het arrest luiden: “

(24)Er zij aan herinnerd, dat de rechtszekerheid tot de in het gemeen- schapsrecht erkende algemene beginselen behoort. Dat een besluit van een bestuursorgaan definitief wordt na het verstrijken van een redelijke be- roepstermijn of na uitputting van alle rechtsmiddelen, draagt bij aan die zekerheid. Bijgevolg vereist het gemeenschapsrecht niet dat een bestuurs- orgaan in beginsel moet terugkomen op een besluit dat aldus definitief is geworden. [. . .]
(28)Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geant- woord, dat een bestuursorgaan ingevolge het in artikel 10 EG [thans artikel 4, lid 3 VEU] vervatte samenwerkingsbeginsel een definitief geworden be- sluit desgevraagd opnieuw moet onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof inmiddels aan de relevante bepaling van het gemeenschapsrecht heeft gegeven, wanneer: - hij naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen; - het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep; - voormelde uitspraak, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berust op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG [thans artikel 267, lid 3, VWEU] is verzocht om een prejudiciële beslissing, en - de betrokkene zich tot het bestuursorgaan heeft gewend onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen.” IX-10.464-19/24
  1. Daargelaten of voldaan is aan de andere drie vereisten, moet worden vastgesteld dat verzoekster niet aantoont dat is voldaan aan de eis dat “het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep”.
  2. Vooreerst is op te merken dat verzoekster zowel in haar aanma- ning als in haar verzoekschrift tot nietigverklaring het steeds heeft over “de besluit- vorming” met betrekking tot haar persoon, zonder te preciseren welk besluit de verwerende partij precies geacht wordt te herzien. Dat is nochtans van belang omdat het overeenkomstig het door verzoekster ingeroepen arrest van het Hof van Justitie moet gaan om een besluit dat definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechter- lijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep.
  3. Wel valt uit zowel de aanmaning als het verzoekschrift tot nie- tigverklaring te onderkennen dat verzoekster het gegeven hekelt dat de verwerende partij haar met opeenvolgende tijdelijke aanstellingen heeft tewerkgesteld, in plaats van voor onbepaalde duur, met een vaste benoeming. Het “besluit” dat volgens verzoekster dan moet worden heroverwogen in het licht van de latere jurisprudentie van het Hof van Justitie, is een “besluit” dat voorbijgaat aan haar aanstelling voor onbepaalde duur. Zoals de Raad al vroeger heeft opgemerkt, kan zo een beslissing impliciet gelezen worden in elk van de aanstellingen van bepaalde duur die aan verzoekster zijn toegekend. Verzoekster evenwel heeft die aanstellingen, of de erin besloten impliciete weigering, nooit in rechte bestreden. In het kader van haar tij- delijke aanstellingen heeft verzoekster aldus nooit alle rechtsmiddelen uitgeput, laat staan de schending van het Unierecht aan de kaak gesteld. Dit is reeds vastge- steld in ’s Raads arrest nr. 247.434 van 21 april
  4. IX-10.464-20/24 Zoals de Raad voorts heeft vastgesteld in hetzelfde arrest nr. 247.434 van 21 april 2020, heeft verzoekster na afloop van haar aanstellingen evenmin te gelegener tijd een afzonderlijke beslissing uitgelokt over haar niet-aan- stelling – daargelaten of toentertijd aan de verwerende partij een laakbaar stilzitten verwijtbaar was en voldaan was aan de voorwaarden die bij artikel 14, § 3, RvS- Wet zijn gesteld – en die beslissing aangevochten.
  5. Overeenkomstig de Europeesrechtelijke rechtspraak waarop ver- zoekster wil steunen, moet diegene die verzoekt om heroverweging van een defi- nitief geworden besluit eerder tot in hoogste rechterlijke instantie hebben geproce- deerd tegen het te herziene besluit. Verzoekster heeft haar tijdelijke aanstellingen niet aangevoch- ten. Uit het feitenrelaas blijkt dat zij evenmin op ontvankelijke wijze enige uitdruk- kelijke, impliciete of fictieve beslissing heeft aangevochten over een aanstelling voor onbepaalde duur. Er is over een dergelijk besluit ook geen uitspraak van een nationale rechterlijke instantie voorhanden. Het beoordelingskader uit het Kühne & Heitz-arrest verplicht de verwerende partij dan ook niet om haar besluiten hou- dende verzoekers aanstelling te herzien in het licht van het Unierecht.
  6. In haar memorie van wederantwoord verwijst verzoekster zon- der goede gronden naar arrest nr. 247.434 van 21 april 2020 om aan te tonen dat er een uitspraak is die onherroepelijk is geworden. Verzoekster heeft weliswaar ge- procedeerd, maar om een herziening van de administratieve beslissing betreffende de aanstelling te verkrijgen, heeft zij haar pijlen niet op de relevante administra- tieve beslissing gericht. Nochtans wordt in voormeld arrest duidelijk uiteengezet dat verzoekster het lot van haar aanstelling als docent met de bevorderingsronde 2016 verwart. Maar zelfs indien voor het debat wordt meegegaan met verzoekster, dat die uitspraak wél te vinden is in voormeld arrest nr. 247.434 van 21 april 2020, is nog niet voldaan aan de voorwaarden van het arrest Kühne & Heitz nv. Een arrest dat besluit tot de onontvankelijkheid van het beroep naar zijn voorwerp, doet im- mers geen uitspraak – al dan niet onjuist – over de uitlegging van het Unierecht, IX-10.464-21/24 wat de derde cumulatieve eis is die in het arrest Kühne & Heitz nv wordt gesteld. Noch in voormeld arrest van 21 april 2020, noch in enig ander tussen verzoekster en de verwerende partij gedurende de afgelopen jaren gewezen arrest, is de Raad ertoe gekomen zich inhoudelijk over het Unierecht te moeten uitspreken. Overigens heeft ook het Arbeidshof zich in zijn arrest van 14 december 2020 niet uitgesproken over materiële aanspraken die verzoekster zou kunnen ontlenen aan het Unierecht: “Nog afgezien van de vraag of UA zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster], kan het arbeidshof –bij hypothese– een dergelijk ontslag niet ongedaan maken en kan het UA niet bevelen om [verzoekster] opnieuw tewerk te stellen. Wat de statutaire aanstelling betreft behoort het tot de uitsluitende bevoegd- heid van de Raad van State om de administratieve beslissingen van de aan- stellende overheid te vernietigen.”
  7. De verwerende partij is niet verplicht een onherroepelijk gewor- den besluit dat beweerdelijk in strijd is met het Unierecht te heroverwegen, nu ver- zoekster de nationale beroepsmogelijkheden niet heeft benut.
  8. Uit het voorgaande volgt dat er voor de verwerende partij geen verplichting was om te beschikken. De exceptie is gegrond. VII. Prejudiciële vraagstelling
  9. Verzoekster vraagt de Raad van State om het Hof van Justitie te ondervragen. 32.
  10. De eerste door verzoekster voorgestelde vraag luidt: “is het bestaanbaar met clausule 4.
  11. van de op 6 juni 1997 gesloten raam- overeenkomst inzake deeltijdse arbeid, dat wie zich daarop beroept na ken- nisname van het arrest van het Europees Hof van Justitie C-265/20 van 5 mei 2022, daartoe het recht ontzegd wordt omdat de vraag aan de werkgever niet IX-10.464-22/24 is gesteld vooraleer er kennis is genomen van het arrest van 5 mei 2022, C- 265/20.” 32.
  12. Aangezien het beroep om een andere reden onontvankelijk is, is er geen reden om deze prejudiciële vraag te stellen. 33.
  13. De tweede door verzoekster voorgestelde vraag luidt: “is het bestaanbaar met clausule 4.
  14. van de op 6 juni 1997 gesloten raam- overeenkomst inzake deeltijdse arbeid, dat wie zich daarop beroept na ken- nisname van het arrest van het Europees Hof van Justitie C-265/20 van 5 mei 2022, daartoe het recht ontzegd wordt omdat de vraag aan de werkgever in het verleden is gesteld vooraleer er kennis was genomen van het arrest van 5 mei 2022, C-265/20 waardoor dit arrest bij de beoordeling niet kon betrok- ken worden door de Raad van State?” 33.
  15. Ook deze vraag houdt geen verband met de voorwaarde waarop de ontvankelijkheid van het beroep afstuit, zodat er geen reden is om ze aan het Hof van Justitie voor te leggen.
  16. Het verzoek tot prejudiciële vraagstelling wordt verworpen. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep.
  18. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij.
  19. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.464-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.464-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.911 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.