id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.915 Rolnummer: A. 245095/XIV-39825 Zaak: Arrest 263915 - Overheidsopdrachten - 08/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-10 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-16 03:21 Fiche Arrest nr 263.915 van 8 juli 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:AR.260.560 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre AR.260.560 ecli_typedec AR ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid type decision AR ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:AR.260.560 invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid type decision AR ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.915 no lien 284256 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 263.915 van 8 juli 2025 in de zaak A. 245.095/XIV-39.825 In zake: de NV V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30/0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Garsse en Simon Verhoeven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 18 juni 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van 3 juni 2025 van de VDAB waarbij de opdracht ‘Raamovereenkomst leveren van signalisatie- en beursmateriaal’ (bestek nr. 2024/878/INK/GEN/RE) wordt gegund aan [de bv M.] tegen de eenheidsprijzen vermeld in de offerte van deze inschrijver, en de beslissing van diezelfde datum tot niet-gunning van diezelfde opdracht aan verzoekende partij”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 20 juni 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-39.825-1/15 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 juli 2025, om 11 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Buket Karaca, die loco advocaat Koenraad Maenhout verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Ellen Wouters, die loco advocaten Steven Van Garsse en Simon Verhoeven verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit met als voorwerp ‘Raamovereenkomst Signalisatie- en Beursmateriaal’. De raamovereenkomst bestaat concreet uit het leveren van allerhande beursmateriaal, zoals onder meer rollups, beurspanelen, beachvlaggen, desks en beursstanden. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een openbare procedure. De opdracht wordt Europees en nationaal bekendgemaakt. XIV-39.825-2/15 3.
- Het bestek bevat het volgende selectiecriterium met betrekking tot de technische en beroepsbekwaamheid van de inschrijver: In het overzicht van de bij de offerte te voegen documenten wordt verduidelijkt: “Een volledige offerte dient de volgende bescheiden te bevatten die elektronisch moeten worden ingediend in afzonderlijke files in doorzoekbaar PDF-formaat. Gelieve nauwgezet de hieronder gevraagde naamgeving te gebruiken voor de aangeboden files. Het ontbreken van één of meerdere van deze documenten of het niet correct invullen, kan aanleiding geven tot het niet weerhouden van de offerte. […]
- Documenten m.b.t. de selectiecriteria: […] c. Een lijst met referenties van minstens 3 gelijkaardige opdrachten (aard en omvang) van de voorbije 3 jaar bij 3 verschillende klanten. (naamgeving: 2024-878-referenties-Naaminschrijver).” 3.
- De verzoekende partij dient een offerte in waarin drie, volgens haar gelijkaardige opdrachten, nader worden beschreven en toegelicht. 3.
- In het gunningsverslag van 2 juni 2025 wordt de verzoekende partij niet geselecteerd omdat niet voldaan wordt aan het selectiecriterium met betrekking tot de technische en beroepsbekwaamheid: XIV-39.825-3/15 “De opgegeven referenties betreffen louter een opsomming van raamovereenkomst met enkele klanten, zonder omschrijving of toelichting van enige concrete opdracht die in het kader van die raamovereenkomst zou zijn uitgevoerd. [V.] NV geeft geen enkele concrete referentie op van projecten met betrekking tot beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden waar signalisatie- en beursmateralen geleverd en geplaatst werden, hetgeen in het bestek in het kader van dit selectiecriterium als een minimumvereiste werd bepaald. Op basis van de opgegeven referenties kunnen we onmogelijk inschatten of [V.] NV voldoende in staat is om dergelijke grote events zoals gevraagd in het bestek en omschreven in het betrokken selectiecriterium tot een goed einde te brengen. Nochtans komt het aan de inschrijver toe om zijn offerte met de vereiste zorg te stofferen en te onderbouwen, teneinde de aanbestedende overheid toe te laten om op grond hiervan te beoordelen of betrokken[e] aan de gestelde selectiecriteria voldoet (RvS 2 september 2024, nr. 260.560, ECLI:BE:RVSCE:2024:AR.260.560).” 3.
- De verwerende partij beslist op 3 juni 2025 om het gunningsverslag geheel te onderschrijven en de opdracht te gunnen aan de bv M. Op dezelfde dag wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat zij niet werd geselecteerd. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken.
- Er zijn, althans in deze fase van het geding, geen gronden aangevoerd door de verzoekende partij om de vertrouwelijkheid van die stukken te lichten. XIV-39.825-4/15 V. Ontvankelijkheid van de vordering Beroep tegen de impliciete weigeringsbeslissing
- De verzoekende partij vordert ook de schorsing van de impliciete beslissing om de opdracht niet aan haar te gunnen. Een verzoekende partij die de nietigverklaring vraagt of de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van een impliciete weigeringsbeslissing, moet aantonen dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die wijzen op een rechtsplicht om de opdracht aan haar te gunnen. Geen van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen, lijkt op het eerste gezicht in te houden dat de verwerende partij na de schorsing geen andere rechtsgeldige keuze meer heeft dan de opdracht aan de verzoekende partij te gunnen.
- De vordering dient als niet ontvankelijk te worden verworpen in zoverre ze is gericht tegen de impliciete weigeringsbeslissing. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XIV-39.825-5/15 VII. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 5, 6°, van de wet van 17 juni 2013, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 68 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017), van de materiële- en de formelemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij zet uiteen dat uit het gunningsverslag blijkt dat zij niet werd geselecteerd omdat uit de opgegeven referenties inzake technische en beroepsbekwaamheid niet zou blijken dat zij voldoende in staat is om grote events, zoals omschreven in het bestek en in het betrokken selectiecriterium, tot een goed einde te brengen, dat de verwerende partij bij de beoordeling van de voorgelegde referenties “de regels die zijzelf heeft vastgesteld in de opdrachtdocumenten” moet respecteren en dat zij heeft voldaan aan het selectiecriterium in kwestie door “het opgeven van drie referenties, waarbij de naam van de opdracht, regio en contactgegevens van de opdrachtgever, een korte beschrijving en doelstelling van de opdracht, totaalbedrag en looptijd van de opdracht zijn weergegeven”. In zoverre de verwerende partij laat uitschijnen dat zij niet in staat zou zijn om de opdracht op beurzen met 70 of meer standen tot een goed einde te brengen, wijst zij erop dat de opgegeven referenties betrekking hebben op “drie grote klanten” en dat zij aldus afdoende heeft aangetoond te beschikken over de vereiste technische en beroepsbekwaamheid. Daarenboven zou de verwerende partij voorwaarden aan het bestek toevoegen door te vereisen dat de gevraagde referenties betrekking moeten hebben op “minstens 70 beursstanden”. De verzoekende partij meent tot slot dat de verwerende partij over de mogelijkheid beschikte om, indien nodig, bijkomende uitleg te vragen over haar beroepsbekwaamheid. XIV-39.825-6/15
- De verwerende partij vat haar standpunten als volgt samen: “Het bestek vermeldt duidelijk - als minimale vereiste en in het vetgedrukt - dat voor wat betreft de voor te leggen referenties met gelijkaardige diensten ‘het leveren en plaatsen van signalisatie- en beursmaterialen voor beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden’ wordt bedoeld. Hieruit volgt dat uit de voor te leggen referenties moet blijken dat de referenties daaraan dienen te voldoen. Dit is geen bijkomende voorwaarde die wordt opgelegd, maar volgt inherent uit (de tekst van) het bestek. Uit de referenties van verzoekende partij kon niet worden afgeleid of deze aan die besteksbepaling voldeden, reden waarom zij niet werd geselecteerd. Dat verzoekende partij in het kader van de ingetrokken gunningsbeslissing wel werd geselecteerd doet niet ter zake. Deze beslissing wordt geacht nooit te hebben bestaan. Het betrof in casu een vergissing in de beoordeling door verwerende partij die met het nemen van de bestreden beslissing werd rechtgezet. Verwerende partij was ook niet verplicht om hieromtrent bijkomende duiding aan verzoekende partij te vragen. Het is aan verzoekende partij om haar offerte zorgvuldig en diligent op te stellen rekening houdende met de eisen vermeld in de opdrachtdocumenten. Met de nieuwe informatie inzake de vermeende technische en beroepsbekwaamheid die verzoekende partij aandraagt in haar verzoekschrift kan geen rekening worden gehouden, noch bij de beoordeling van de selectie, noch bij de vraag naar de wettigheid van de bestreden beslissing.” Voorts betoogt zij dat het middel niet ernstig is om de volgende redenen: “Verzoekende partij heeft in haar offerte louter een opsomming gegeven van enkele raamovereenkomsten, zonder omschrijving of toelichting van enige concrete opdracht die in het kader van die raamovereenkomst zou zijn uitgevoerd. Met andere woorden heeft verzoekende partij geen enkele concrete referentie bijgebracht met betrekking tot beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden waar signalisatie - en beursmaterialen geleverd en geplaatst werden, hetgeen in het bestek in het kader van dit selectiecriterium als een minimumvereiste werd bepaald. Op basis van de opsomming van deze raamovereenkomsten in de offerte van verzoekende partij kon door verwerende partij niet worden nagegaan of deze raamovereenkomsten reeds zijn gegund aan verzoekende partij en of verzoekende partij reeds concrete opdrachten heeft uitgevoerd in uitvoering van deze raamovereenkomsten, noch dat deze concrete opdrachten op basis van vermelde raamovereenkomsten betrekking hadden op de levering en plaatsing van signalisatie - en beursmaterialen voor beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden zoals in het bestek opgenomen als minimale vereiste […]. XIV-39.825-7/15 Op basis van de door verzoekende partij in haar offerte opgegeven lijst van raamovereenkomsten kon verwerende partij dan ook onmogelijk inschatten of verzoekende partij effectief voldoende in staat is om dergelijke grote events zoals gevraagd in het bestek en omschreven in het betrokken selectiecriterium tot een goed einde te brengen. Nochtans komt het aan de inschrijver toe om zijn offerte met de vereiste zorg te stofferen en te onderbouwen, teneinde de aanbestedende overheid toe te laten om op grond hiervan te beoordelen of de betrokken inschrijver aan de in het bestek gestelde selectiecriteria voldoet […]. [...] Verwerende partij is niet alleen bij verzoekende partij tot die vaststelling gekomen, maar ook bij inschrijvers […]. Om die reden heeft verwerende partij ook deze inschrijvers, met vermelding van gelijkaardige motieven, niet geselecteerd [...]. In de offertes van de geselecteerde inschrijvers daarentegen waren wel referenties gevoegd waaruit duidelijk blijkt dat de inschrijvers in kwestie de afgelopen drie jaren signalisatie – en beursmaterialen voor beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden hebben geleverd en geplaatst, zoals gevraagd in het bestek […]. Dit kan eenvoudig worden vastgesteld na raadpleging van de offertes van de inschrijvers. Alle inschrijvers zijn dus gelijk behandeld geweest in het kader van de beoordeling. In haar verzoekschrift geeft verzoekende partij de referenties zoals vermeld in haar offerte in extenso weer […] en besluit hieruit dat zij wel degelijk voldoet aan het betrokken selectiecriterium. In haar verzoekschrift voert zij echter geen gerichte en concrete kritiek op de formele motivering in de bestreden beslissing ter zake om de voorgelegde referenties niet te aanvaarden. […] Wanneer verzoekende partij erkent dat in het bestek vermeld wordt dat in het kader van de voor te leggen referenties met gelijkaardige opdrachten ‘het leveren en plaatsen van signalisatie- en beursmaterialen voor beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden’ wordt bedoeld spreekt het voor zich dat uit de voor te leggen referenties moet blijken dat deze betrekking hebben op ‘het leveren en plaatsen van signalisatie- en beursmaterialen voor beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden’. Dit is geen bijkomende voorwaarde die wordt toegevoegd aan het bestek, maar ligt inherent besloten in het bestek. Verzoekende partij toont het tegendeel niet prima facie aan. Verwerende partij wijst er in dat verband op dat de betrokken besteksbepaling werd opgenomen als een minimumvereiste en dat deze in het vet gedrukt werd. Daarnaast wijst verwerende partij erop dat verwerende partij als aanbesteder over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt inzake de beoordeling van de selectiecriteria, en daarbij volgens Uw Raad zelfs veeleisend mag zijn. Het is ook in eerste instantie aan verwerende partij als aanbesteder om haar bestek te interpreteren. De betrokken minimale eis is alleszins proportioneel en relevant voor de betrokken opdracht, niettegenstaande dit niet in twijfel wordt getrokken door verzoekende partij. XIV-39.825-8/15 Bovendien is in het bestek uitdrukkelijk bepaald dat dit om een minimumvereiste gaat […]. In haar verzoekschrift […] geeft verzoekende partij ‘nog bijkomende duiding’ ter onderbouwing van haar tweede middel. Verzoekende partij licht in haar verzoekschrift onder meer toe dat zij vaste samenwerkingen zou hebben met deze partners, verwijst naar enkele opdrachten die zij in het kader van de in haar offerte vermelde raamovereenkomsten voor deze partners zou hebben uitgevoerd en voegt ter illustratie enkele foto’s bij. Verzoekende partij tracht m.a.w. post factum door het bezorgen van bijkomende informatie de onzorgvuldigheid in haar offerte recht te trekken, maar zulks kan evident niet worden aanvaard. Verwerende partij is als aanbestedende overheid verplicht om de offertes te beoordelen en daaromtrent een beslissing te nemen zoals ze zijn ingediend. Met bijkomende/nieuwe informatie inzake de vermeende technische en beroepsbekwaamheid die wordt aangedragen in het kader van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor Uw Raad kan verwerende partij evident geen rekening houden bij het nemen van de gunningsbeslissing. Evenmin kunnen deze elementen in rekening worden gebracht bij de vraag naar de wettigheid van de bestreden gunningsbeslissing. Los daarvan en ten overvloede merkt verwerende partij op dat verzoekende partij in haar verzoekschrift nalaat het totaalbedrag en de looptijd van deze concrete opdrachten te vermelden, wat eveneens minimumvereisten zijn zoals bepaald in het bestek […]. Verder stelt de verzoekende partij dat verwerende partij over de mogelijkheid beschikt om bijkomende duiding te vragen. In zoverre de verzoekende partij alludeert op de mogelijkheden die aanbesteder geboden wordt in artikel 66, § 3, Overheidsopdrachtenwet, dient te worden opgemerkt dat het inderdaad om een mogelijkheid, een recht voor de aanbesteder handelt om bijkomende verduidelijking te vragen. De aanbesteder is daartoe niet verplicht. Het gaat m.a.w. niet om een recht dat de betrokken inschrijver kan inroepen. Het is aan de inschrijver in kwestie om haar offerte zorgvuldig op te stellen rekening houdend met de eisen die ter zake in de opdrachtdocumenten zijn bepaald om zodoende voor selectie en gunning in aanmerking te komen. De betrokken inschrijver kan de onzorgvuldige redactie en samenstelling van zijn offerte niet afwentelen op de aanbestedende overheid, bijvoorbeeld door een recht af te dwingen ingeval van onvolledigheden en dergelijke om bijkomende informatie op te vragen. Verder biedt artikel 66, § 3 Overheidsopdrachtenwet geen basis om aan een inschrijver nog de mogelijkheid te bieden haar offerte aan te passen of om, in casu, haar offerte alsnog aan te vullen met concrete opdrachten (referenties die niet waren gevoegd bij de offerte en) die werden uitgevoerd in het kader van deze raamovereenkomsten. Dit zou immers een wijziging van een essentieel element in de offerte van de inschrijver uitmaken en de facto neerkomen op de indiening van een nieuwe offerte wat de gelijke behandeling van de inschrijvers als algemeen beginsel bij overheidsopdrachten in het gedrang zou brengen. Deze overwegingen zijn overigens ook opgenomen in de formele motivering die verzoekende partij geenszins betrekt in haar verzoekschrift. […] XIV-39.825-9/15 Waar dat verzoekende partij opnieuw verwijst dat zij in de ingetrokken gunningsbeslissing wel werd geselecteerd, verwijst verwerende partij naar hetgeen daaromtrent supra [wordt] gesteld. Verwerende partij wijst erop dat zij op grond van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ gehouden is haar eigen bestek te respecteren wat betekent dat zij verplicht is inschrijvers niet te selecteren die niet voldoen aan de selectiecriteria zoals omschreven in het bestek, op straffe van schending van haar bestek. Om die reden heeft verwerende partij de eerdere selectie van o.a. verzoekende partij in het kader van de ingetrokken gunningsbeslissing van 28 maart 2025 rechtgezet in het kader van de huidige bestreden gunningsbeslissing.” Beoordeling
- Artikel 68 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 luidt als volgt: “§
- Met betrekking tot de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid kan de aanbestedende overheid voorwaarden opleggen opdat ondernemers over de noodzakelijke personele en technische middelen en ervaring beschikken om de opdracht volgens een passend kwaliteitsniveau uit te voeren. De aanbestedende overheid kan met name eisen dat de ondernemers een voldoende mate van ervaring hebben die kan worden aangetoond met geschikte referenties inzake in het verleden uitgevoerde opdrachten. §
- In geval van een opdracht voor werken, een opdracht voor leveringen waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn of een opdracht voor diensten, kan de aanbestedende overheid: 1° de technische of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers om de werken of de installatie uit te voeren of de diensten te verstrekken beoordelen aan de hand van met name hun knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid; […] §
- De technische en beroepsbekwaamheid van de ondernemer kan worden aangetoond op één of meer van de wijzen bedoeld in paragraaf 4, naargelang de aard, de hoeveelheid of het belang en het gebruik van de werken, leveringen of diensten. §
- Bewijsmiddelen van de technische bekwaamheid van de ondernemer zijn: 1° de volgende lijsten: […] b) een lijst van de voornaamste leveringen of diensten die gedurende de afgelopen periode van maximaal drie jaar werden verricht, met vermelding van het bedrag, de datum en van de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor zij bestemd waren. Indien noodzakelijk om een toereikend ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.915 XIV-39.825-10/15 mededingingsniveau te waarborgen, kunnen de aanbestedende overheden aangeven dat bewijs van relevante leveringen of diensten die langer dan drie jaar geleden zijn geleverd of verleend toch in aanmerking wordt genomen.” Overeenkomstig artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016) dienen de kwalitatieve selectiecriteria verband te houden met en in verhouding te staan tot het voorwerp van de opdracht.
- In de aankondiging van de opdracht, in het Bulletin der Aanbestedingen en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie, werden de van de kandidaat-inschrijvers gevraagde referenties als volgt omschreven: “Een lijst van referenties van minstens 3 gelijkaardige diensten (aard en omvang) van de voorbije 3 jaar. Minimumeisen: Lijst van minstens 3 gelijkaardige diensten van laatste 3 jaar met opgave van de gevraagde informatie: * naam opdracht, regio en contactgegevens opdrachtgever * korte beschrijving en doelstelling van de opdracht * totaalbedrag opdracht /project * looptijd van de opdracht.”
- Als reden voor de niet-selectie van de verzoekende partij wordt gesteld dat uit de door haar opgegeven referenties niet blijkt dat zij projecten heeft uitgevoerd op beurzen “met een minimale grootte van 70 beursstanden waar signalisatie- en beursmaterialen [werden] geleverd en geplaatst”. In de huidige stand van het geding kan niet besloten worden tot de feitelijke onjuistheid van dit motief aangezien uit de referentielijst die de verzoekende partij heeft voorgelegd, inderdaad niet kan worden afgeleid dat het gaat over projecten die werden uitgevoerd op beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden, conform de minimumvereiste die voortvloeit uit de omschrijving van het begrip ‘gelijkaardige diensten’ in het bestek. In dit verband moet echter worden vastgesteld dat de verwerende partij in de aankondiging van de opdracht enkel heeft vereist dat de technische en XIV-39.825-11/15 beroepsbekwaamheid wordt bewezen aan de hand van een lijst van referenties van minstens drie gelijkaardige diensten (aard en omvang) van de voorbije drie jaar. In de aankondiging van de opdracht wordt geen gewag gemaakt van het vereiste dat de geleverde gelijkaardige diensten betrekking moeten hebben op beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden.
- Artikel 65, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 schrijft voor dat de selectiecriteria, alsook de aanvaardbare bewijsmiddelen, door de aanbestedende overheid worden vermeld in de aankondiging van de opdracht of, in afwezigheid van een dergelijke aankondiging, in de opdrachtdocumenten. In het verslag aan de Koning wordt bij deze bepaling de volgende duiding gegeven: “Het eerste lid handelt over de verplichting om de vereiste selectievoorwaarden en bewijsmiddelen aanvaard in het kader van de kwalitatieve selectie op te nemen in de aankondiging van opdracht of, indien deze niet voorzien is, in de opdrachtdocumenten in te dienen. Het [is een] bepaling die quasi gelijkloopt maar niet identiek is met artikel 58, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011.”
- Bij artikel 15 van het koninklijk besluit van 7 februari 2014 ‘tot wijziging van meerdere koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 alsook van de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied’ werd artikel 58, § 1, tweede lid, van het destijds geldende koninklijk besluit van 15 juli 2011 ‘plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren’ gewijzigd om voortaan als volgt te luiden: “De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of, bij gebrek aan een dergelijke aankondiging, in de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan welke de vastgestelde kwalitatieve selectiecriteria zijn en welke de te verstrekken noodzakelijke inlichtingen en documenten zijn.” XIV-39.825-12/15 Het verslag aan de Koning verduidelijkt over artikel 15 van het koninklijk besluit van 7 februari 2014: “Dit artikel vervolledigt artikel 58, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit. Volgens de huidige bepaling zijn de kwalitatieve selectiecriteria vermeld in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot het indienen van een offerte. De vermelding in de uitnodiging tot het indienen van een offerte is evenwel slechts mogelijk in de gevallen waarin geen aankondiging van opdracht moet worden bekendgemaakt, m.a.w. bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Immers, wanneer de bekendmaking van een aankondiging verplicht is, moeten de bedoelde criteria daarin worden vermeld. Om die reden worden de woorden ‘bij gebreke aan een dergelijke aankondiging’ ingevoegd.”
- Uit wat voorafgaat volgt prima facie dat in geval de opdracht moet worden aangekondigd, zoals te dezen het geval is, de kwalitatieve selectiecriteria in de aankondiging moeten worden vermeld. Die selectiecriteria mogen eventueel in het bestek herhaald worden, maar het bestek mag op dat punt niet afwijken van hetgeen is opgenomen in de aankondiging. De niet-selectie van de verzoekende partij op grond van de niet in de aankondiging gestelde vereiste dat de voor te leggen referenties betrekking moeten hebben op beurzen met een minimale grootte van 70 beursstanden, is bijgevolg gestoeld op een rechtens niet aanvaardbaar motief.
- De verwerende partij werpt vergeefs tegen dat er nog een bijkomende reden werd opgegeven om de verzoekende partij niet te selecteren, met name dat op basis van de opsomming van de raamovereenkomsten in haar offerte niet kon worden nagegaan of deze raamovereenkomsten effectief waren gegund aan de verzoekende partij en er reeds uitvoering was gegeven aan deze raamovereenkomsten. De betrokken redengeving is immers niet zo eenduidig geformuleerd dat voetstoots aangenomen moet worden dat de niet-selectie van de verzoekende partij gedragen wordt door verscheidene zelfstandige motieven.
- Het tweede middel is in de aangegeven mate ernstig. XIV-39.825-13/15 VIII. Overige middelen
- Aangezien het ernstig bevonden tweede middel volstaat om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden gunningsbeslissing over te gaan, is het niet nodig om ook de ernst van het eerste middel te beoordelen. IX. Kosten
- Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de VDAB van 3 juni 2025 waarbij de verzoekende partij niet wordt geselecteerd en de overheidsopdracht ‘Raamovereenkomst leveren van signalisatie- en beursmateriaal’ (bestek nr. 2024/878/INK/GEN/RE) wordt gegund aan de bv M.
- De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. XIV-39.825-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Peter Sourbron XIV-39.825-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.915 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.387 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.816 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.