id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.924 Rolnummer: A. 245060/XIV-39822 Zaak: Arrest 263924 - Overheidsopdrachten - 09/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-10 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-16 03:21 Fiche Arrest nr 263.924 van 9 juli 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 263.924 van 9 juli 2025 in de zaak A. 245.060/XIV-39.822 In zake: de NV GUSTO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Liesbeth Peeters en Cas Verboven kantoor houdend te 2300 Turnhout Parklaan 126, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de OV INTERGEMEENTELIJK SAMENWERKINGSVERBAND PONTES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9620 Zottegem Gentse Steenweg 323 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 13 juni 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van PONTES d.d. 22 mei 2025, houdende de wering van de offerte van de verzoekende partij ingevolge een substantiële onregelmatigheid en bijgevolg de niet-selectie van de verzoekende partij voor de overheidsopdracht voor diensten ‘Raamovereenkomst met meerdere deelnemers voor de levering van caterings- diensten in de crematoria van Antwerpen en Turnhout’, gunningsleidraad/bestek nr. 2025/002, zoals haar kennisgegeven bij deurwaardersexploot op 30 mei 2025”. XIV-39.822-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 17 juni 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 juli 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Liesbeth Peeters, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Manik Peferoen, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij heeft bij beslissing van haar raad van bestuur van 25 september 2024 het bestek, de raming en de plaatsingsprocedure voor de opdracht voor diensten “Raamovereenkomst met meerdere deelnemers voor de levering van cateringdiensten in de crematoria van Antwerpen en Turnhout” (hierna: de opdracht) goedgekeurd. XIV-39.822-2/16 Er wordt als plaatsingsprocedure gekozen voor de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking op basis van de artikelen 88 en 89, § 1, 2°, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016). 3.
- De opdracht heeft een initiële looptijd van een jaar met mogelijkheid tot driemaal verlenging met een periode van een jaar. Daarnaast wordt ook in de mogelijkheid voorzien van een herhalingsopdracht in het derde jaar met een looptijd van maximum vier jaar. De opdracht wordt geraamd op 7.000.000 euro excl. btw en rekening houdend met een looptijd van zeven jaar (basisduur een jaar + mogelijkheid driemaal verlenging van een jaar + mogelijkheid herhalingsopdracht in het derde jaar van maximaal vier jaar). 3.
- In het bestek worden voor de twee percelen (Crematorium Antwerpen en Crematorium Turnhout) de volgende selectiecriteria voorgeschreven inzake economische en financiële draagkracht: “2.3.2 SELECTIECRITERIA (ART. 71 WET, ART. 65-69 EN 70-71 KB PLAATSING) De inschrijver dient te voldoen aan onderstaande selectiecriteria. Economische en financiële draagkracht voor alle percelen: De minimale vereisten qua economische en financiële draagkracht zijn: ● Omzet: de kandidaat bewijst draagkracht door uit de drie jaarrekeningen/resultatenrekeningen informatie te verstrekken die de afgelopen drie meest recente boekjaren (2024, 2023, 2022, 2021, of 2020) zijn neergelegd (Indien geen drie jaarrekeningen beschikbaar zijn, worden de laatst beschikbare in overweging genomen). De minimale omzet bedraagt 1.000.000 euro op jaarbasis. ● Solvabiliteitsrisico: er moet een minimum van 25% gescoord worden over de afgelopen drie meest recente boekjaren (2024, 2023, 2022, 2021, of 2020) ● Geldige verzekering tegen beroepsrisico’s (BA Uitbating) De kandidaat bewijst zijn economische en financiële draagkracht aan de hand van: ● ‘omzet’ uit de Resultatenrekening/code 70 te vermelden van de afgelopen drie meest recente boekjaren (2024, 2023, 2022, 2021, of 2020) die zijn neergelegd; ● De formule die gehanteerd wordt om de solvabiliteit te berekenen is ‘eigen vermogen gedeeld door totaal passief vermogen’. Uit de Resultatenrekening levert men de code 10/15 en 10/49 aan van de XIV-39.822-3/16 afgelopen drie meest recente boekjaren (2024, 2023, 2022, 2021, of 2020) die zijn neergelegd; ● Een geldig actueel attest van een geldige verzekering tegen beroepsrisico’s.” 3.
- De opdracht wordt zowel op Europees als Belgisch niveau bekendgemaakt via een aankondiging van een opdracht op 7 en 13 februari
- De uiterste datum voor het indienen van offertes wordt vastgesteld op 28 februari
- 3.
- Twee ondernemingen, waaronder de verzoekende partij, dienen tijdig een offerte in. 3.
- De verwerende partij stelt op 14 mei 2025 een gunningsverslag op. 3.
- Op 22 mei 2025 neemt de verwerende partij de bestreden beslissing. De opdracht “Raamovereenkomst voor de levering van cateringdiensten in de crematoria van Antwerpen en Turnhout” wordt niet geplaatst. Het gunningsverslag en de daarin opgenomen motivering, worden integraal overgenomen. De motivering van de bestreden beslissing luidt: “[…] Uit dat onderzoek blijkt dat beide inschrijvers geen fiscale, noch sociale schulden hebben en dat zij derhalve om die redenen niet moeten worden uitgesloten van verdere deelname. Vervolgens focust het onderzoek van de kandidaturen zich op de selectiecriteria, wat wil zeggen dat enerzijds de economische en financiële draagkracht van de inschrijvers wordt beoordeeld en anderzijds de technische en beroepsbekwaamheid. Uit het verslag blijkt dat GUSTO niet voldoet op het vlak van economische en financiële draagkracht omdat zij niet voldoen aan het omzetcriterium, de solvabiliteitsvereiste en omdat zij geen geldige verzekering BA Uitbating kunnen voorleggen. Verder voldoen zij wel aan de gestelde eisen inzake technische en beroepsbekwaamheid, ook al is Pontes één van de drie verplichte referenties die moeten worden voorgelegd. XIV-39.822-4/16 Ook UMERIS voldoet niet aan het omzetcriterium en kan geen relevante referenties voorleggen waaruit blijkt dat zij gelijkaardige opdrachten vervullen voor andere opdrachtgevers. Kortom, beide kandidaten beantwoorden niet aan de vooropgestelde selectiecriteria die uitsluitend werken. Hun kandidatuur moet derhalve worden geweerd en een verder onderzoek van de offerte is niet vereist. Het gunningsverslag besluit dan ook dat beide kandidaat-inschrijvers niet geselecteerd kunnen worden.” 3.
- De verzoekende partij wordt van de bestreden beslissing op 30 mei 2025 op de hoogte gebracht. Vóór die formele bekendmaking, op 28 mei 2025, dient de verzoekende partij een verzoek tot herbeoordeling in bij de verwerende partij, nadat zij informeel op de hoogte werd gebracht van de bestreden beslissing. 3.
- Op 2 juni 2025 dient de verzoekende partij (zonder raadsman) een eerste verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing in bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder het rolnummer A. 244.982/XIV-39.
- De verzoekende partij doet afstand van het geding. Bij arrest nr. 263.658 van 20 juni 2025 verleent de Raad van State akte van de afstand. IV. Ontvankelijkheid
- Onder de titel ‘exceptie van onontvankelijkheid’ betoogt de verzoekende partij in het verzoekschrift dat de kennisgeving van de bestreden beslissing niet op rechtsgeldige wijze is gebeurd. Zij voert aan dat deze kennisgeving via een deurwaardersexploot is gebeurd, terwijl artikel 88 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017) niet in een dergelijke wijze van kennisgeving voorziet. XIV-39.822-5/16
- De verwerende partij repliceert in de nota dat de kennisgeving van de eigenlijke beslissing tot niet-selectie van de verzoekende partij en tot stopzetting van de plaatsingsprocedure gebeurde per e-mail en (elektronisch) aangetekende zending. De betekening per deurwaardersexploot heeft enkel betrekking op de stopzetting van het vorige contract met de verzoekende partij.
- Ter terechtzitting doet de verzoekende partij afstand van deze “exceptie van onontvankelijkheid”. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in een enig middel, dat uit drie onderdelen bestaat, de schending aan van de artikelen 4 en 71 van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 65 en 67 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. XIV-39.822-6/16 De verzoekende partij vat het enig middel als volgt samen: “Doordat de bestreden beslissing overgaat tot het niet-gunnen van de overheidsopdracht aan de verzoekende partij door te stellen dat zij niet voldoet aan de vooropgestelde kwalitatieve selectiecriteria, waardoor zij wordt geweerd omwille van een vermeende substantiële onregelmatigheid; Terwijl, eerste middelenonderdeel, enerzijds de verwerende partij onterecht een solvabiliteitspercentage van 25% vereist gedurende de drie voorafgaande boekjaren, en anderzijds de verzoekende partij wel degelijk een solvabiliteit van 25% in de laatste drie boekjaren kon aantonen, En terwijl, tweede middelenonderdeel, de verzoekende partij gedurende de drie laatste boekjaren wel degelijk een omzet van 1.000.000 EUR kan aantonen, En terwijl, derde middelenonderdeel, voor wat betreft het selectiecriterium van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering, werd enerzijds het criterium niet voldoende gespecifieerd en legde de verzoekende partij anderzijds wel degelijk een geldig attest voor met betrekking tot haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering, En terwijl, alle middelenonderdelen, het aantal boekjaren waarvoor de aanbestedende overheid bovengenoemde voorwaarden stelde niet in verhouding staan tot de opdracht, En terwijl, alle middelenonderdelen, de aanbestedende overheid het niet nodig vond om bijkomende stukken op te vragen, noch afdoende motiveerde waarom zij voorliggende beslissing tot wering, verklaring van substantiële onregelmatigheid en niet-gunning nam, Zodat, de voorgenomen kwalitatieve selectiecriteria van de aanbesteding onwettig zijn, En zodat, de offerte van verzoekster onterecht onregelmatig werd verklaard en werd geweerd en de opdracht niet werd gegund.” Beoordeling
- In het verzoekschrift voert de verzoekende partij een eerste en enig middel aan tegen de bestreden beslissing, dat zij in drie middelonderdelen opdeelt: 1) in het eerste middelonderdeel betwist zij haar niet-selectie omwille van het niet- voldoen aan het selectiecriterium inzake een minimale jaaromzet van een miljoen euro tijdens de laatste drie boekjaren; XIV-39.822-7/16 2) in het tweede middelonderdeel betwist zij haar niet-selectie omwille van het niet-voldoen aan het selectiecriterium inzake een minimale solvabiliteitsratio van 25 % tijdens de laatste drie boekjaren; en 3) in het derde middelonderdeel betwist zij haar niet-selectie omwille van het niet- voldoen aan het selectiecriterium inzake het voorleggen van een geldig attest van een afdoende beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Eerste middelonderdeel
- In het eerste middelonderdeel betwist de verzoekende partij haar niet-selectie omwille van het niet-voldoen aan het selectiecriterium inzake een minimale jaaromzet van een miljoen euro tijdens de laatste drie boekjaren. In het gunningsverslag, dat integraal wordt overgenomen door de bestreden beslissing, wordt bij het betrokken selectiecriterium vastgesteld dat de verzoekende partij wel degelijk voldoet aan dit selectiecriterium. In de bestreden beslissing zelf wordt er echter opgemerkt dat de verzoekende partij daaraan niét zou voldoen (supra nr. 3.7). Er is dus sprake van een tegenstrijdigheid in de motivering.
- In de nota met opmerkingen licht de verwerende partij toe dat de vermelding in de bestreden beslissing zelf een materiële vergissing betreft, dat het gunningsverslag volgens haar primeert en erkent zij nadrukkelijk dat de verzoekende partij wel degelijk aan dit selectiecriterium voldoet.
- Gelet op deze vaststellingen, blijkt er niet welk belang de verzoekende partij heeft bij het eerste middelonderdeel. Haar niet-selectie berust immers niet op het niet-voldoen aan het selectiecriterium inzake een minimale jaaromzet van een miljoen euro tijdens de laatste drie boekjaren. XIV-39.822-8/16
- In zoverre de verzoekende partij ter terechtzitting benadrukt dat de verwerende partij hier minstens onzorgvuldig is geweest bij het nemen van de bestreden beslissing en dat zij vanuit die optiek belang zou hebben bij het middelonderdeel, blijkt niet dat een schorsing van de bestreden beslissing, omwille van de betrokken slordigheid in de motivering, de draagwijdte van de bestreden beslissing achteraf in het voordeel van de verzoekende partij zou kunnen wijzigen.
- Het eerste middelonderdeel wordt verworpen bij gebrek aan belang bij dit middelonderdeel.
- De verzoekende partij werd aldus niet geselecteerd omwille van twee onderscheiden redenen: 1) omdat zij niet voldoet aan het selectiecriterium inzake een minimale solvabiliteitsratio van 25 % tijdens de laatste drie boekjaren; 2) omdat zij geen geldig actueel attest van verzekering tegen beroepsrisico’s heeft voorgelegd. Elk van deze twee vaststellingen volstaat op zich genomen om de beslissing tot niet-selectie van de verzoekende partij afdoende te dragen in rechte. Het past in dat licht om eerst het derde middelonderdeel te onderzoeken, dat betrekking heeft op het niet-voorleggen van een actueel attest van een afdoende beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Derde middelonderdeel
- In het derde middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij artikel 67, § 1, tweede lid, 3º, van het koninklijk besluit van 18 april 2017, heeft geschonden door het bij haar offerte gevoegde verzekeringsattest te weigeren. XIV-39.822-9/16
- Het voorleggen van een verzekering tegen beroepsrisico’s als selectiecriterium wordt geregeld door artikel 67, § 1, tweede lid, 3º, van het koninklijk besluit van 18 april 2017: “§
- Met betrekking tot de economische en financiële draagkracht, kan de aanbestedende overheid eisen stellen om ervoor te zorgen dat ondernemers over de nodige economische en financiële draagkracht beschikken om de opdracht uit te voeren. In het algemeen kan de financiële en economische draagkracht van de ondernemer worden aangetoond door één of meer van de volgende referenties : […] 3° het bewijs van een verzekering tegen beroepsrisico’s of, in voorkomend geval, een bankverklaring.”
- Het bestek vereist het volgende van de inschrijvers: “De kandidaat bewijst zijn economische en financiële draagkracht aan de hand van: […] ● Een geldig actueel attest van een geldige verzekering tegen beroepsrisico’s.”
- Bij de offerte van de verzoekende partij wordt een verzekeringsattest gevoegd dat dateert van 4 augustus
- In het gunningsverslag wordt daarover als volgt beslist: “Men moest een geldig actueel attest van een geldige verzekering tegen beroepsrisico’s aanleveren. Men levert een attest aan van afsluiting op 04/08/2023 van een verzekeringspolis BA Uitbating. Dit attest bewijst niet dat er op dit ogenblik nog een geldige verzekering is. Resultaat: niet voldaan aan het selectiecriterium.”
- De uiterste datum voor het indienen van de offertes was 28 februari
- Op het eerste gezicht lijkt de verwerende partij in het gunningsverslag dan ook niet ten onrechte de bewijskracht te verwerpen van een verzekeringsattest dat, op datum van indiening van de offertes, dateert van meer dan anderhalf jaar voordien. XIV-39.822-10/16 Een normaal zorgvuldig inschrijver op een overheidsopdracht moet worden geacht zich bewust te zijn van de op hem rustende plicht tot het zorgvuldig samenstellen van zijn offerte en het bijvoegen van alle door de opdrachtdocumenten vereiste bewijsstukken. Wanneer in het kader van de kwalitatieve selectie uitdrukkelijk wordt gevraagd om een geldig en “actueel” attest van verzekering tegen beroepsrisico’s voor te leggen, kan hij dan ook niet volstaan met het voorleggen van een attest dat meer dan anderhalf jaar oud is. Een dergelijk verouderd attest biedt immers reeds op het eerste gezicht geen enkele waarborg dat de vereiste verzekering op het ogenblik van het indienen van de offerte nog steeds effectief van kracht is. Er mag wel degelijk worden verondersteld dat de verzoekende partij, als redelijk handelend inschrijver, wordt geacht goed en wel te beseffen dat een jarenoud verzekeringsattest in geen geval toereikend kan zijn. Het betreft, anders dan de verzoekende partij aanvoert, dan ook geen onwettigheid in het bestek, maar een voor een normaal zorgvuldig inschrijver geheel te verwachten invulling van de op hem rustende verplichting om tijdig en correct bewijsstukken aan te leveren die de actuele conformiteit met de gestelde selectie-eisen aantonen. Het behoort in dit verband tot de verantwoordelijkheid van de inschrijver om, indien hij niet over een recent attest beschikt, tijdig een nieuw en bijgewerkt attest op te vragen bij zijn verzekeraar. Hij moet daarbij zelf het nodige initiatief nemen en ervoor zorgen dat hij tijdig alle bewijsstukken indient, die niet alleen formeel volledig moeten zijn, maar ook een correcte en actuele weergave bieden van zijn situatie op het ogenblik van de indiening. Een inschrijver die nalaat een recent attest te verkrijgen en toch een jarenoud attest bij zijn offerte voegt, handelt niet met de rechtens vereiste zorgvuldigheid en neemt daardoor zelf het risico dat de aanbestedende overheid om die reden zal beslissen dat hij niet aantoont te voldoen aan het betrokken selectiecriterium. XIV-39.822-11/16
- Het feit dat de verzoekende partij thans bij het verzoekschrift recente betalingsbewijzen en een meer recent attest van haar verzekeraar heeft gevoegd, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Deze stukken hadden, indien de verzoekende partij had gehandeld als een normaal zorgvuldig inschrijver op een overheidsopdracht, reeds van bij de indiening van haar offerte moeten worden toegevoegd. Het overleggen van dergelijke stukken pas voor het eerst in het kader van een jurisdictionele procedure, ná het nemen van de bestreden beslissing, is onverenigbaar met het fundamentele gelijkheids- en transparantiebeginsel dat eigen is aan het overheidsopdrachtenrecht. Die beginselen vereisen dat alle inschrijvers op eenzelfde en transparante wijze worden beoordeeld, op basis van de stukken die zij tijdig en binnen de gestelde termijn hebben ingediend. Het zou indruisen tegen de basisprincipes van eerlijke mededinging en gelijke behandeling indien een inschrijver achteraf, na kennisname van een negatieve beslissing, alsnog op nuttige wijze essentiële bewijsstukken zou kunnen voorleggen om zijn offerte alsnog in regel te stellen.
- Wat het argument betreft dat de verwerende partij de verzoekende partij had moeten bevragen over het verouderde verzekeringsattest, alvorens te beslissen, wordt opgemerkt dat de Raad van State in het verleden al meermaals heeft geoordeeld dat het in de eerste plaats aan een inschrijver op een overheidsopdracht toekomt om zijn offerte met de nodige zorgvuldigheid samen te stellen in overeenstemming met de bepalingen van het bestek en de door het bestek vereiste stukken bij te voegen. Een inschrijver die zulks niet doet, kan niet met goed gevolg de aanbestedende overheid verwijten hem niet bevraagd te hebben over de gebreken in de samenstelling van zijn offerte. De aanbestedende overheid is op grond van artikel 66, § 3, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 immers niet verplicht om aan de inschrijver te vragen de inlichtingen en documenten met betrekking tot de selectie aan te vullen of toe te lichten. Dit lijkt des te minder te gelden wanneer de verzoekende partij zelf onzorgvuldigheid aan de dag legt, zoals XIV-39.822-12/16 te dezen het geval blijkt te zijn. In de concrete omstandigheden van de zaak lijkt het de verwerende partij bijgevolg op het eerste gezicht niet ten kwade te kunnen worden geduid, ook niet in het licht van het zorgvuldigheids- en het proportionaliteitsbeginsel, dat zij de verzoekende partij niet heeft bevraagd.
- Wat het argument in het verzoekschrift betreft dat het betrokken selectiecriterium onwettig zou zijn omdat de verwerende partij in het bestek niet heeft bepaald voor welke bedragen de inschrijver diende te zijn verzekerd, of welke maximale franchise hij zou moeten dragen, wordt opgemerkt dat de vereiste om te beschikken over een geldige verzekering tegen beroepsrisico’s in de eerste plaats moet worden gelezen in het licht van het voorwerp van de opdracht en het concrete offertebedrag van de inschrijver. Het bestek bepaalt te dezen dat de maximale waarde van de opdracht over de volledige maximale looptijd van zeven jaar wordt geraamd op zeven miljoen euro. Het is vervolgens aan de inschrijvers (en hun verzekeraars) om ervoor te zorgen dat zij over een toereikende verzekeringsdekking beschikken die de risico’s, verbonden aan de uitvoering van de opdracht, adequaat dekt. Het opleggen van een algemene verplichting om verzekerd te zijn tegen beroepsrisico’s, zonder daarbij een specifiek minimumbedrag of een maximale franchise vast te leggen, biedt de inschrijvers in dat licht een zekere vrijheid en flexibiliteit. Dit voorkomt een onevenredige beperking van de toegang tot de opdracht en maakt het mogelijk dat ook inschrijvers met uiteenlopende verzekeringsvoorwaarden kunnen deelnemen, zolang deze toereikend zijn in verhouding tot het voorwerp en de waarde van de opdracht. Artikel 65, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 bepaalt weliswaar dat de aanbestedende overheid verplicht is om elk kwalitatief selectiecriterium van economische, financiële of technische aard te verbinden aan een gepast niveau, behalve wanneer het betrokken criterium zich daar niet toe leent. In dit concrete geval leent het criterium zich op het eerste gezicht niet tot het vooraf vaststellen van een uniform niveau, juist omwille van de XIV-39.822-13/16 uiteenlopende manieren waarop inschrijvers hun beroepsaansprakelijkheid structureren en beheersen. Hierbij moet bovendien rekening worden gehouden met de fundamentele doelstelling om overheidsopdrachten open te stellen voor een zo ruim mogelijk deelnemersveld en de mededinging maximaal te bevorderen. Door enkel de eis van een geldige en afdoende verzekering op te leggen, zonder vooraf een vast niveau te bepalen, blijft de aanbestedende overheid dan ook binnen de grenzen van artikel 65, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 april
- De kernvereiste blijft dat de inschrijver effectief toereikend verzekerd is en dit kan aantonen met een recent en geldig attest, waarmee hij voldoende bewijst dat hij financieel en organisatorisch in staat is de opdracht op een betrouwbare wijze uit te voeren. Dat de aanbestedende overheid ex ante geen dekkingsbedrag of franchisebedrag heeft vastgelegd, vormt in dat licht geen inbreuk op artikel 65, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij betoogt.
- Het derde middelonderdeel is niet ernstig. Tweede middelonderdeel
- In het tweede middelonderdeel betwist de verzoekende partij haar niet-selectie omwille van het niet-voldoen aan het selectiecriterium inzake een minimale solvabiliteitsratio van 25 % tijdens de laatste drie boekjaren.
- Zoals reeds opgemerkt, werd de verzoekende partij te dezen niet- geselecteerd om twee onderscheiden redenen, namelijk enerzijds het niet voorleggen van een recent verzekeringsattest en anderzijds het niet voldoen aan de vereiste solvabiliteitsratio. Elk van deze twee vaststellingen volstaat op zich genomen reeds om de beslissing tot niet-selectie van de verzoekende partij afdoende te dragen in rechte. Het derde middelonderdeel, dat betrekking heeft op de niet-selectie omwille XIV-39.822-14/16 van het gebrekkig verzekeringsattest, wordt verworpen. Die grond tot niet-selectie blijft aldus overeind en volstaat op zich om de niet-selectie in rechte en in feite te dragen. De kritiek op het niet-selectiemotief inzake de solvabiliteitsratio betreft aldus, minstens in de huidige stand van het geding, een kritiek op een overtollig motief, dewelke, zelfs indien ernstig, niet tot de schorsing van de uitvoering van de bestreden beslissing kan leiden.
- Het tweede middelonderdeel wordt verworpen als niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
- Het enig middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. Conclusie
- Het enig middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-39.822-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Frédéric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Frédéric Vanneste XIV-39.822-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div