← België

Arrest 263927 - Wapens – exportvergunningen - 10/07/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.927 Rolnummer: A. 242368/IX-10494 Zaak: Arrest 263927 - Wapens – exportvergunningen - 10/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-11 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-16 03:21 Fiche Arrest nr 263.927 van 10 juli 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.927 van 10 juli 2025 in de zaak A. 242.368/IX-10.494 In zake : B.J. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Van Reyrouck kantoor houdend te 8820 Torhout Boeiaardstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chloé Vanden Eynde kantoor houdend te 1040 Brussel Legerlaan 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 6 juni 2024 houdende de weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van vuurwapens. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.494-1/19 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Met toepassing van artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de IXe kamer bij beschikking van 6 mei 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 16 juni
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is eigenaar van drie vuurwapens. 3.
  6. Ingevolge de inwerkingtreding van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”) worden verzoekers vuurwapens vergunningsplichtig. 3.
  7. Op 28 juni 2007 dient verzoeker drie aanvragen in tot het verkrijgen van een vergunning voor het voorhanden houden van zijn vuurwapens. IX-10.494-2/19 Overeenkomstig artikel 44, § 2, van de wapenwet gelden die aanvragen als voorlopige vergunningen tot de provinciegouverneur een beslissing heeft genomen over de vergunningsaanvragen. 3.
  8. Op 29 juli 2011 weigert de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen verzoekers vergunningsaanvragen, zodat verzoeker het recht wordt ontzegd om zijn vuurwapens nog langer voorhanden te hebben. Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt door de minister van Justitie op 20 december 2011 onontvankelijk bevonden. 3.
  9. Op 9 september 2022 dient verzoeker drie nieuwe aanvragen in tot het verkrijgen van een vergunning voor het voorhanden houden van zijn vuurwapens. 3.
  10. Zowel de lokale politie van Ieper als de procureur des Konings geven een ongunstig advies. 3.
  11. Op 9 mei 2023 weigert de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen verzoekers aanvragen. 3.
  12. Verzoeker stelt op 5 juni 2023 een beroep in tegen die beslissing. 3.
  13. Op 19 juni 2023 verleent de procureur des Konings opnieuw een ongunstig advies, omdat uit het “moraliteitsonderzoek blijkt dat de relationele problemen [van verzoeker] nog niet volledig tot het verleden horen en er nog steeds politionele meldingen zijn”. 3.
  14. De lokale politie geeft op 7 augustus 2023 eveneens een negatief advies, waarvan de motivering luidt: “In de voor ons beschikbare databanken kunnen wij volgende feiten terugvinden die op zijn minst twijfel wekken of de algemene moraliteit en IX-10.494-3/19 persoonlijkheid van betrokkene verenigbaar is met wapenbezit: --/2010 – IE.45.L1.004645/2010 - Klacht wegens mondelinge bedreigingen met bevel of voorwaarde. Slachtoffer: ex-vriendin (A). - 3 jachtwapens werden in verzekerde bewaring genomen door onze diensten en later opnieuw teruggegeven. Geen veroordeling. --/2011 – IE.53.L1.005193/2011 - Klacht wegens belaging ([verzoeker] geeft toe het slachtoffer te hebben willen bang maken met zijn voertuig. Een ongeval kon nipt vermeden worden. Slachtoffer: nieuwe vriend van ex-vriendin (A). Geen veroordeling. 29/07/2011 – Omwille van bovenvermelde dossiers wordt bij besluit van de Gouverneur [verzoeker] zijn recht ontzegd om vuurwapens en bijhorende munitie te bezitten. --/2011 – IE.42.L1.020196/2011 - Klacht wegens weigering recht op persoonlijk contact. Slachtoffer: ex-vriendin (A). Geen veroordeling. --/2013 – IE.92.L1.016837/2013 - Klacht wegens opzettelijke beschadigingen voertuig (schade aan bromfiets) Slachtoffer: ex-vriendin (B) Geen veroordeling. --/2013 – IE.92.3L1.016840/2013 - Klacht wegens opzettelijke beschadigingen voertuig (7 x lekke band gestoken) Slachtoffer: nieuwe vriend van ex-vriendin (B) Geen veroordeling. --/2016 – IE.92.L1.008301/2016 - Klacht wegens opzettelijke beschadigingen voertuig (letter ‘B’ in koetswerk gekrast) Slachtoffer: ex-vriendin (C) Geen veroordeling. Het is onmogelijk om na te gaan of alle klachten lastens [verzoeker] gegrond zijn. Het gaat dan ook om feiten die zonder bekentenis moeilijk te bewijzen zijn. Het is echter op zijn minst opmerkelijk te noemen dat er klachten neergelegd worden lastens [verzoeker] van drie ex-vriendinnen, onafhankelijk van elkaar, en dat sommige klachten vergelijkbaar van aard zijn. Daarnaast heeft [verzoeker] de feiten die het meest verontrustend zijn (feiten beschreven in proces-verbaal IE.53.L1.009153/2011) toegegeven. Citaat uit de verklaring van slachtoffer: Ik merkte op dat [verzoeker] in de tegenovergestelde richting afkwam met zijn Audi A
  15. Toen hij net voor mij was haalde hij over naar links en diende ik alle remmen dicht te gooien om geen ongeval te hebben. Citaat uit de verklaring van [verzoeker]: ‘lk zag uit de tegenovergestelde richting […], de nieuwe vriend van mijn ex, afkomen en wilde hem eens bang maken. Om hem bang te maken trok ik mijn stuur naar links over net voor hij bij mij passeerde. Hierdoor moest hij remmen en uitwijken naar rechts.’ Voormeld gedrag is, ons inziens, niet verenigbaar met wapenbezit en kan bij herhaling, in combinatie met wapenbezit, een gevaar betekenen voor de IX-10.494-4/19 openbare orde en veiligheid.” 3.
  16. De minister van Justitie verwerpt op 6 juni 2024 het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “U diende op 9 september 2022 bij de gouverneur van West-Vlaanderen een aanvraag in tot het verkrijgen van vergunningen tot het voorhanden hebben van de onder punt één genoemde vuurwapens. De wettige reden die u inroept voor dit wapenbezit betreft ‘sportief en recreatief schieten’. U betaalde de wettelijk voorziene retributie op 29 september
  17. Er werd vervolgens nagegaan of wapenbezit in uw hoofde een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou kunnen betekenen. Zoals reeds gesteld moet het voorhanden hebben van vuurwapens voorbehouden zijn aan personen die waarschijnlijk geen gevaar vormen, noch voor zichzelf of anderen, noch voor de openbare orde of veiligheid en, dat een veroordeling voor een opzettelijk geweldmisdrijf wordt beschouwd als een indicatie van een dergelijk gevaar. Of er al dan niet gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete elementen. Bovendien moet rekening gehouden worden met het principe van de proportionaliteit; zo moeten de aangehaalde elementen voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing of intrekking van een vergunning te rechtvaardigen. Uit het dossier is gebleken dat u in een ver verleden vergunningen had voor het voorhanden houden van de onder punt één genoemde vuurwapens waarvoor u op heden opnieuw bezitsvergunningen aanvraagt. Deze vergunningen werden door de gouverneur van West-Vlaanderen bij beslissing van 29 juli 2011 ingetrokken ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Middels de beslissingen van 5 augustus 2020 en 9 september 2022 heeft de gouverneur nieuwe vergunningsaanvragen voor dezelfde vuurwapens telkens geweigerd om dezelfde redenen. Sinds 2011 zijn de wapens in bewaring bij een erkend wapenhandelaar. De redenen voor voormelde beslissingen van de gouverneur van West- Vlaanderen waren de diverse tussenkomsten van de lokale politie n.a.v. klachten van meerdere ex-partners. Tevens had u een captatieverbod geschonden en had u toegegeven gepoogd te hebben in te rijden op de wagen van de nieuwe vriend van een van uw ex-partners (pv van 2011). De federale wapendienst heeft een nieuw moraliteitsonderzoek gevoerd. Hierbij werd opnieuw advies gevraagd aan de korpschef van de lokale politie en aan de procureur des Konings, bevoegd voor uw verblijfplaats. Uit hun adviezen blijken alvast volgende processen-verbaal: - IE.45.L1.004645/2010: klacht wegens mondelinge bedreigingen met bevel of voorwaarde. Deze klacht werd ingediend door ex-vriendin mevrouw [NL] en leidde er toe dat uw drie vuurwapens in verzekerde bewaring werden genomen door de politiediensten, doch later opnieuw werden teruggegeven. U ontkende de feiten. IX-10.494-5/19 - IE.53.L1.005193/2010: klacht wegens belaging. De nieuwe vriend van ex- vriendin mevrouw [NL] legde klacht tegen u neer. U erkende dat u hem bang wou maken met uw voertuig door er op in te rijden. Er kon maar nipt een ongeval worden vermeden. U werd niet vervolgd voor de feiten. - IE.42.L1.020196/2011: klacht wegens weigering persoonlijk contact. Uw ex-vriendin mevrouw [NL] legde klacht neer. Geen vervolging. - IE.92.L1.016837/2013: klacht wegens opzettelijke beschadigingen voertuig. Uw ex-vriendin mevrouw [FG] legde klacht neer. Geen vervolging. - IE.92.3L1.016840/2013: klacht wegens opzettelijke beschadigingen voertuig. De nieuwe vriend van uw ex-vriendin mevrouw [FG] legde klacht neer omdat er zeven maal een lekke band werd gestoken van zijn voertuig. Geen vervolging. - IE.92.L1.008301/2016: Klacht wegens opzettelijke beschadigingen voertuig. Uw ex-vriendin mevrouw [TVB] legde klacht neer omdat de letter ‘B’ in het koetswerk van haar voertuig was gekrast. Geen vervolging. - IE.92.L.1.008788/2017: inbreuk captatieverbod. U ontkende deze feiten niet en betaalde hiervoor een boete. Volgens de politie blijkt hieruit dat er op zijn minst twijfel bestaat of uw algemene moraliteit en persoonlijkheid verenigbaar is met wapenbezit. De politie meent dat het onmogelijk is om na te gaan of alle klachten lastens u gegrond zijn omdat het gaat om feiten die zonder bekentenis moeilijk te bewijzen zijn. Desalniettemin vindt de politie het op zijn minst opmerkelijk dat er klachten neergelegd worden lastens u door drie ex-vriendinnen, onafhankelijk van elkaar, en dat sommige klachten vergelijkbaar van aard zijn. Tevens heeft u de feiten die het meest verontrustend zijn (i.e. de feiten beschreven in proces-verbaal IE.53.L1.009153/2011, nl. het proberen inrijden met de auto op de auto van de nieuwe vriend van uw ex-partner) toegegeven. De politie verwijst naar de verklaring van het slachtoffer: ‘Ik merkte op dat [verzoeker] in de tegenovergestelde richting afkwam met zijn Audi A
  18. Toen hij net voor mij was haalde hij over naar links en diende ik alle remmen dicht te gooien om geen ongeval te hebben’. Citaat uit uw verklaring: ‘Ik zag uit de tegenovergestelde richting [DD], de nieuwe vriend van mijn ex, afkomen en wilde hem eens bang maken. Om hem bang te maken trok ik mijn stuur naar links over net voor hij mij passeerde. Hierdoor moest hij remmen en uitwijken naar rechts.’. De politie meent dat voormeld gedrag niet verenigbaar is met wapenbezit en bij herhaling, in combinatie met wapenbezit, een gevaar kan betekenen voor de openbare orde en veiligheid. De procureur des Konings heeft zich aangesloten bij het ongunstig advies van [de] lokale politie. De procureur verwijst tevens naar een bij het advies gevoegd moraliteitsonderzoek waaruit volgens hem blijkt dat de relationele problemen nog niet volledig tot het verleden behoren en er nog steeds politionele meldingen zijn. Uit dat moraliteitsonderzoek is inderdaad gebleken dat er, sedert de inbreuk op het captatieverbod, nog drie meldingen werden genoteerd, t.w.: - Op 1 november 2019 waar u melding doet van een bevuilde rijbaan. - Op 10 september 2021 waar u melding doet inzake ‘bezoekrecht/omgangsrecht’. Meer bepaald wou uw dochter die avond niet IX-10.494-6/19 meekomen terwijl het vonnis anders zegt. - Op 29 januari 2022 maakt u melding van een contact met uw ex-vriendin mevrouw [TVB] inzake jullie dochter […]. U wenste hiervan melding te doen omdat mevrouw [TVB] u had meegedeeld dat jullie dochter niet naar school mocht omwille van corona, terwijl de directeur van haar school u had bevestigd dat de lessen wel doorgingen. Hieruit blijkt minstens een verstoord vertrouwen in uw omgang met uw ex-partner, mevrouw [TVB]. Uit het dossier blijken tevens enkele eerdere meldingen van problemen inzake het bezoekrecht/omgangsrecht, o.a. met uw ex-vriendin mevrouw [TVB]. Zo legde laatstgenoemde op 10 november 2015 klacht tegen u neer wegens het niet kunnen uitoefenen van het bezoekrecht. Op 15 maart 2016 legde u op uw beurt klacht neer tegen mevrouw [TVB] wegens opnieuw bezoekrecht/omgangsrecht. Ook legde u op 23 mei 2015 klacht tegen haar neer wegens diefstal van uw hond (pv IE.18.L1.010320/2015). Op grond van deze elementen moet worden nagegaan of de bestreden beslissing al dan niet terecht werd genomen en of ze afdoende kan worden gemotiveerd. Meer bepaald moet worden onderzocht of een preventieve maatregel ten aanzien van uw wapenbezit in het kader van de wapenwet aangewezen is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Dat de procureur uit de informatie verzameld gedurende het moraliteitsonderzoek afleidt dat de relationele problemen nog niet geheel van de baan zijn, is niet onredelijk. Nog in 2021 en 2022 waren er immers meldingen waaruit minstens een disfunctionele of verstoorde relatie blijkt tussen u en uw ex-partner mevrouw [TVB]. Het feit dat jullie samen twee kinderen hebben […], brengt bovendien met zich mee dat jullie ook in de toekomst nog geregeld contact zullen hebben met elkaar. Zonder zich uit te spreken over de eventuele schuld of onschuld in deze relatieproblemen betekent het regelmatig terugkeren van een verstoorde omgang met wederzijdse klachten/meldingen evenwel een indicatie van een verhoogd risico of potentieel gevaar. Hierbij komt dat u – wat betreft de klachten van uw ex-partners – spreekt van ongegronde klachten, doch één van de klachten heeft u toegegeven, zijnde de ergste. In 2011 reed u opzettelijk in op de wagen van de vriend van uw ex-partner die maar nipt een aanrijding kon vermijden. Dit incident, dat inderdaad reeds 13 jaar geleden is, is wel een zeer ernstige indicatie dat u niet steeds kalm blijft onder de druk van de relationele spanningen. Als dan uit een recenter verleden blijkt dat die relationele spanningen nog steeds bestaan, brengt dit een gegronde vrees met zich mee voor misbruik van of ongelukken met vuurwapens. Indien zich immers dergelijke escalatie opnieuw voordoet terwijl u beschikt over vuurwapens, dan zijn de gevolgen mogelijks niet te overzien. Uw advocaat heeft gewezen op de elementen in het dossier die in uw voordeel spreken, zoals daar onder meer zijn: de afwezigheid van veroordelingen (blanco strafregister), de stabiele relatie met uw echtgenote […] alsook de goede verstandhouding met uw ex-partner, mevrouw [NL]. Deze elementen spreken inderdaad in uw voordeel maar staan er desalniettemin niet aan in de weg dat er indicaties zijn dat er nog steeds een verhoogd risico is op relationele conflicten, terwijl het vaststaat dat u in het IX-10.494-7/19 verleden zeer disproportioneel heeft gereageerd ingevolge relationele spanningen. U beaamde immers opzettelijk met uw wagen te hebben ingereden op de wagen van de nieuwe vriend van uw ex-partner. Hoewel deze feiten zich 13 jaar geleden hebben voorgedaan en dit dus geen recent gegeven betreft, kan er niet aan worden voorbijgegaan dat dit een zeer verontrustend gegeven blijft in het kader van de evaluatie van de toekenning van vergund wapenbezit. Immers, u gebruikte uw voertuig als wapen om iemand minstens bang te maken. Een ongeluk kon slechts nipt vermeden worden. Dit is dus een zeer ernstige indicatie dat u niet steeds in staat bent om op een evenwichtige wijze te reageren op relationele spanningen, spanningen die er op heden nog zijn zoals dit blijkt uit enkele recente meldingen. Minstens bestaat er aldus gegronde twijfel omtrent uw moraliteit om vuurwapens voorhanden te hebben. Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de betrokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de mogelijkheid om een vuurwapen voorhanden te kunnen houden anderzijds. Meer bepaald moet overwogen worden of vuurwapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preventief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. Vuurwapens zijn van nature zeer gevaarlijke objecten waarmee omzichtig moet worden omgesprongen. De wapenwet heeft een principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergunning (Mem.v.T., Parl.St., Kamer 2005-2006, nr. 2263/1, p.17). De wapenvergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maatregelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. RvS 17 november 2011, nr. 216.296, RvS 1 maart 2012, nr. 218.251 en RvS 29 maart 2012, nr. 218.710). Vanuit dit uitgangspunt van preventie dient wapenbezit dan ook alleen te worden toegestaan aan personen die geen tegenindicatie vertonen. Het komt aan de overheid aldus toe om in te schatten voor de toekomst of het voorhanden hebben van een wapen een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid, waarbij rekening kan worden gehouden met iemands algemene moraliteit en persoonlijkheid. Bij de beoordeling van het risico op een verstoring van de openbare orde kan IX-10.494-8/19 rekening worden gehouden met feiten die niet tot een veroordeling hebben geleid, voor zover die feiten voldoende vaststaan. De vraag is of het op grond van de gegevens in het dossier onredelijk zou zijn om te besluiten dat wapenbezit in uw hoofde de openbare orde en veiligheid zou kunnen verstoren of een gevaar zou kunnen betekenen voor uzelf of voor anderen. Op basis van het administratief dossier werd vastgesteld dat er zich problemen hebben voorgedaan die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid in geval van vuurwapenbezit. Uit het onderzoek van uw administratief dossier blijkt meer bepaald dat u in het verdere verleden, maar ook nog in het recente verleden, te kampen heeft met relationele spanningen. Er werden diverse klachten tegen u neergelegd door meerdere ex-partners. Hoewel deze klachten soms opvallend overeenstemmen, heeft u ze steeds ontkend, behoudens één klacht. Deze betrof het met uw wagen opzettelijk inrijden op de wagen van de nieuwe vriend van een ex-vriendin. U heeft toegegeven dat u dit heeft gedaan. Alhoewel deze feiten zich inmiddels 13 jaar geleden afspeelden, kan er niet aan worden voorbijgegaan dat dit een zeer ernstige indicatie is voor potentieel gevaar. U heeft uw auto gebruikt om iemand naar eigen zeggen bang te maken. Een ongeval kon maar nipt vermeden worden. Uit dossier blijkt voorts dat er nog steeds relationele spanningen zijn, met name met één van uw ex-partners waarmee u twee kinderen heeft. Het gedeeld ouderschap noodzaakt dat jullie ook naar de toekomst toe regelmatig contact zullen moeten hebben, terwijl dit tot slechts enkele jaren terug nog tot spanningen heeft geleid die zelfs noopten om e.e.a. te melden aan de politie. Alhoewel u een goede verstandhouding heeft met uw huidige partner en ook met een van uw andere ex-partners (die zelfs expliciet akkoord gaat met eventueel wapenbezit), dan nog bestaat de vrees dat er escalaties kunnen zijn in het kader van uw andere relatie. Het verleden toont aan dat u meestal kalm reageert op die spanningen, doch dat u dit minstens één keer niet is gelukt met zeer zware gevolgen. In het bezit zijnde van een vuurwapen zou het risico te groot zijn mocht u zich – geconfronteerd met een zoveelste relationeel probleem – opnieuw niet kunnen beheersen. De gevolgen zouden niet te overzien zijn, te meer nu de gekende spanningen zich ook voordoen in het kader van het gedeeld ouderschap (bezoekrecht/omgangsrecht) over twee minderjarige kinderen. Aldus zijn er duidelijke indicaties dat het voorhanden hebben van vergunningplichtige vuurwapens (en de munitie ervoor) in uw hoofde een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. De wapenwet is er op gericht om misbruik van en ongelukken met wapens te voorkomen. Een weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van vergunningen om vuurwapens voorhanden te houden heeft dan ook niet tot doel om u te bestraffen, maar betreft daarentegen een preventieve maatregel genomen ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Gelet op het voorgaande zou het toekennen van het hoogst uitzonderlijke recht op wapenbezit te veel risico betekenen voor de openbare orde en veiligheid. IX-10.494-9/19 De wapenwet heeft net tot doel om misbruik van of ongevallen met vuurwapens te voorkomen en vermijden. Het toekennen van vuurwapenbezit aan bij uitstek iemand die toegeeft op volstrekt disproportionele wijze te hebben gehandeld naar aanleiding van relationele problemen – terwijl er op heden nog steeds relationele spanningen zijn – zou dan ook ingaan tegen het preventieve uitgangspunt van de wapenwet. De wapenwet stelt preventie voorop en laat derhalve wapenbezit enkel en alleen uitzonderlijk toe aan zij die daartoe over een geschikte moraliteit beschikken. Dergelijke moraliteit veronderstelt minstens voldoende verantwoordelijkheidszin, hetgeen impliceert dat men de gevolgen draagt van zijn handelen en bewust opteert voor een gedrag dat geen onnodige risico’s doet ontstaan. In casu blijkt evenwel dat uw moraliteit hieraan niet voldoet. Op grond hiervan moet dan ook vastgesteld worden dat particulier vuurwapenbezit in uw hoofde een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid. In bezit zijnde van vuurwapens wordt het potentieel gevaar onaanvaardbaar vergroot. Bijgevolg is een weigering van uw aanvragen tot het verkrijgen van vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens noodzakelijk ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  19. Het eerste middel is genomen uit de schending van het proportionaliteitsbeginsel. Verzoeker voert aan dat “de houding van de beslissingnemende overheid minstens een schending van het evenredigheidsbeginsel inhoudt”. Hij argumenteert dat hij een blanco strafregister heeft, in het verleden een wapenvergunning heeft gehad voor de drie wapens waarvoor nu opnieuw een vergunning wordt gevraagd, er bij de politie nooit melding werd gemaakt van een wapengerelateerd incident en hij na een moeilijke echtscheidingsprocedure een nieuwe stabiele relatie heeft. Voorts stelt hij dat de tegen hem ingediende klachten dateren van een moeilijkere periode ingevolge een onstabielere relationele situatie. Hij is voor die klachten echter nooit vervolgd en de feiten dateren ook van een lange tijd geleden. De recente interventies van de IX-10.494-10/19 politie waren op vraag van verzoeker, ze waren sporadisch en ze hadden betrekking op de uitoefening van het omgangsrecht met zijn minderjarige zoon. Dit toont aan, aldus verzoeker, dat hij thans op louter legale wijze zijn problemen wil behandelen en daarvoor een beroep doet op de politie wanneer dit nodig is. Op dit moment bevindt verzoeker zich “als een voorbeeldig burger in een nieuwe en stabiele gezinssituatie” en is “de periode van twijfel waarvoor de vergunning destijds werd ingehouden lang achter de rug”. Er kan op heden dan ook niet meer worden gesteld dat verzoeker “waarschijnlijk een gevaar vormt”. Hij heeft ook nooit een gevaar gevormd, aangezien er een nooit een wapengerelateerde klacht tegen hem is ingediend en hij voor de andere klachten nooit is vervolgd. Volgens verzoeker is het dan ook niet ernstig dat de procureur des Konings een negatief advies heeft verstrekt. Als hij destijds heeft geoordeeld dat verzoeker niet vervolgd diende te worden voor de ingediende klachten, dan is er op heden en bij gebrek aan nieuwe klachten, geen enkele reden om een negatief advies te geven. De bestreden beslissing die hierop steunt is derhalve “onevenredig met de uiterst beperkte ingeroepen grieven”.
  20. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de verwerende partij de vergunning blijft weigeren op grond van oude feiten, die totaal irrelevant zijn geworden. De feiten dateren immers van ruim vijftien jaar geleden uit een periode waarin verzoeker “in een relationeel dipje zat en er zich hieromtrent […] discussie is gaan vormen” en waarbij “ook vorige relaties gebruikt en misbruikt [zijn] om verzoeker in het licht van de echtelijke betwisting in een negatief daglicht te plaatsen”. Voor deze meldingen of klachten is verzoeker nooit vervolgd of veroordeeld. De klachten tegen hem zijn zonder gevolg geklasseerd, wat kan worden gelijk gesteld met een vrijspraak ten gronde. Bovendien behoort dit alles tot het verleden en moet dit als een afgesloten hoofdstuk in het leven van verzoeker worden aanzien. De verwerende partij weigert dit echter te aanvaarden. Door op grond van oude en geseponeerde klachten steeds opnieuw een wapenvergunning te weigeren, is het proportionaliteitsbeginsel geschonden. IX-10.494-11/19 Met betrekking tot de recente interventies van de politie herhaalt verzoeker dat ze op zijn vraag zijn gebeurd. Hieruit blijkt, aldus verzoeker, dat hij het recht niet in eigen handen wil nemen en een beroep doet op de bijstand van de overheidsdiensten. Hij geeft daarmee te kennen “dat hij zich volledig onderwerpt aan de werking van de rechtsstaat en dat hij de bevoegde instanties aanspreekt wanneer nodig”. Hij “erkent en respecteert deze instanties en wenst hiervoor als burger ook passend erkenning te krijgen”. Beoordeling
  21. In de bestreden beslissing komt de verwerende partij tot het besluit dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid zodat een weigering van zijn vergunningsaanvragen tot het voorhanden houden van vuurwapens zich opdringt. De verwerende partij steunt dit oordeel op het feit dat verzoeker in het verdere verleden, maar ook thans nog, te kampen heeft met relationele spanningen. Wat het verdere verleden betreft, overweegt zij dat meerdere ex-partners tegen verzoeker diverse klachten hebben ingediend. Verzoeker heeft deze klachten – hoewel ze overeenstemmen – steeds ontkend behoudens één klacht, namelijk het opzettelijk inrijden op de wagen van de nieuwe vriend van een ex-partner. De verwerende partij stelt daaromtrent dat hoewel de feiten zich dertien jaar geleden afspeelden, er niet aan kan worden voorbijgegaan dat dit een zeer ernstige indicatie is voor potentieel gevaar. Verzoeker heeft zijn auto gebruikt om iemand naar eigen zeggen bang te maken, waarbij een ongeval maar nipt kon worden vermeden. Volgens de verwerende partij zijn die relationele spanningen ook thans nog aanwezig, namelijk met de ex-partner waarmee verzoeker twee kinderen heeft. Zij wijst erop dat een en ander zelfs heeft geleid tot meldingen bij de politie – op 10 september 2021 en 29 januari 2022 – waaruit zij afleidt dat verzoeker een verstoorde relatie heeft met zijn ex-partner terwijl het gedeeld ouderschap noodzaakt dat zij ook in de toekomst regelmatig contact moeten hebben. Volgens de verwerende partij bestaat de vrees voor escalaties. Hoewel verzoeker meestal kalm reageert op spanningen, is hem dit minstens één keer niet gelukt. In het bezit van een vuurwapen zou het risico te groot IX-10.494-12/19 zijn mocht verzoeker zich opnieuw niet kunnen beheersen. De gevolgen zouden niet te overzien zijn, te meer daar de spanningen zich ook voordoen in het kader van het gedeeld ouderschap over twee minderjarige kinderen.
  22. Het motief voor de bestreden beslissing is aldus het bestaan van relationele spanningen waarmee verzoeker te kampen heeft, wat door de verwerende partij wordt afgeleid uit een incident van 29 maart 2011 en recente meldingen bij de politie waaruit zij afleidt dat verzoeker nog steeds een verstoorde relatie heeft met de ex-partner waarmee hij twee kinderen heeft.
  23. In het voorliggende beroep heeft verzoeker geen schending aangevoerd van de materiëlemotiveringsplicht. Die keuze impliceert dat hij niet het feitelijk bestaan van dat motief betwist en evenmin dat het in rechte ter verantwoording van bestreden beslissing in aanmerking kan worden genomen. Wel voert hij aan dat het onevenredig is dat daaruit wordt afgeleid dat hij “waarschijnlijk een gevaar vormt” – versta: dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde kan inhouden en dat hem dienvolgens de gevraagde vergunningen moeten worden geweigerd.
  24. Een schending van het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het evenredigheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op feitelijk juiste en op zich rechtens relevante motieven, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen de motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. IX-10.494-13/19 De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het proportionaliteitsbeginsel miskent.
  25. Gelet op de vaststaande feiten – een ernstig incident op 29 maart 2011 tijdens hetwelk verzoeker met zijn wagen de nieuwe vriend van zijn ex-partner heeft belaagd waarbij maar nipt een verkeersongeval kon worden vermeden en de recente meldingen bij de politie die aantonen dat verzoeker ook thans nog een verstoorde relatie heeft met de ex-partner waarmee hij twee kinderen heeft – waaruit blijkt dat verzoeker zowel in het verleden als ook thans nog te kampen heeft met relationele spanningen waarbij hij zich al minstens een keer niet heeft kunnen beheersen en een conflict is geëscaleerd, treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten met het oordeel dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid en dat dienvolgens zijn vergunningsaanvragen tot het voorhanden houden van vuurwapens moeten worden geweigerd. De door verzoeker aangehaalde verzachtende omstandigheden – het feit dat hij een blanco strafregister heeft, in het verleden wel vergunningen heeft verkregen voor de desbetreffende wapens, er bij de politie nooit melding is gemaakt van enig wapengerelateerd incident, hij thans een nieuwe stabiele relatie heeft, de klachten tegen hem en het incident met de auto reeds dateren van vijftien jaar geleden toen hij een moeilijke periode doormaakte maar die thans achter de rug is en een afgesloten hoofdstuk vormt, hij nooit voor die klachten is vervolgd of veroordeeld en de recente politie- interventies op zijn vraag zijn gebeurd – doen aan die conclusie geen afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen. IX-10.494-14/19
  26. Verzoeker formuleert tot slot ook nog kritiek op het feit dat de procureur des Konings een negatief advies heeft verstrekt. Die kritiek kan op zich evenwel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
  27. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  28. Het tweede middel is genomen uit de schending van het legaliteitsbeginsel. Verzoeker voert aan dat hij door de bestreden beslissing in een juridisch vacuüm is terechtgekomen en daarin dreigt te blijven. Sedert de intrekking (lees: de weigering) van zijn wapenvergunningen op 29 juli 2011 zijn de wapens in bewaring gegeven bij een erkend wapenhandelaar. Verzoeker is ogenschijnlijk nog wel eigenaar van deze wapens maar hij kan er niets mee aanvangen. Hij kan er niet over beschikken en indien de overheid blijft weigeren om een nieuwe vergunning te verlenen, wordt hem de facto het eigendomsrecht op de wapens ontzegd. Niemand kan verzoeker verduidelijken wat hij thans nog kan aanvangen met de wapens. De bestreden beslissing brengt hem in een onduidelijke legale toestand; de rechtszekerheid is volkomen zoek. Volgens verzoeker is deze toestand “volledig wetteloos en hoogst onwenselijk” en laat alles uitschijnen dat er geen wettelijke grondslag voorhanden is voor de situatie waarin de bestreden beslissing hem brengt. Daarenboven dient hij jaarlijks te betalen voor de kosten van het bewaren van de wapens bij de wapenhandelaar. Deze situatie brengt de facto ook een financiële sanctie met zich mee zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat.
  29. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker dat de aanhoudende situatie waarin hij terecht is gekomen en waarbij hem de toegang IX-10.494-15/19 tot zijn wapens wordt ontzegd een inbreuk is op het grondwettelijk eigendomsrecht. Verzoeker wordt immers de facto het eigendomsrecht op zijn wapens ontzegd. Hij kan ze zelfs niet verkopen of te gelde maken. Hij bevindt zich hierdoor in een wetteloze toestand waarbij hij wordt geblokkeerd door de weigeringsbeslissing van de overheid. Dit vormt een ernstige inbreuk op het legaliteitsbeginsel waarbij iedere toestand waarin de burger terecht komt gedragen en omkaderd dient te zijn door passende wettelijke voorschriften. Dit is in casu niet het geval. Beoordeling
  30. Artikel 11, § 1, eerste lid, van de wapenwet luidt: “Zonder een voorafgaande vergunning, verleend door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de verzoeker, is het particulieren verboden een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben. […].”
  31. Met de bestreden beslissing worden verzoekers vergunninsgaanvragen tot het voorhanden hebben van de drie vuurwapens waarvan hij eigenaar is (opnieuw) geweigerd. Het gevolg hiervan is, zo blijkt uit artikel 11, § 1, eerste lid, van de wapenwet, dat verzoeker de vuurwapens, die zijn eigendom blijven, (nog steeds) niet voorhanden mag houden. Van een juridisch vacuüm, een onduidelijke legale toestand, een gebrek aan wettelijke grondslag en aan rechtszekerheid is derhalve geen sprake.
  32. Anders dan verzoeker aanvoert, wordt met de bestreden beslissing niet aan zijn eigendomsrecht geraakt in die zin dat hij de wapens niet zou mogen verkopen. Over de gevolgen die de schorsing, intrekking of niet- hernieuwing van de vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen heeft op het bezit en het eigendom van het vuurwapen, heeft het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 154/2007 van 19 december 2007 geoordeeld: IX-10.494-16/19 “B.87.
  33. Hoewel de wet het lot van het wapen in de in B.87.1 beoogde hypothesen niet uitdrukkelijk regelt, wanneer de vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen is ingetrokken, geschorst of niet is hernieuwd, omdat, onder voorbehoud van hetgeen in B.51.2 en B.51.3 is vermeld in verband met de wettige reden, niet langer is voldaan aan de voorwaarden bepaald in artikel 11, wordt het voorhanden hebben van het vergunningsplichtige wapen onwettig zonder een vergunning tot het voorhanden hebben van dat wapen. Dat onwettig geworden voorhanden hebben van het wapen heeft als gevolg dat de persoon die het vergunningsplichtige wapen voorhanden heeft, het vergunningsplichtige wapen niet langer voorhanden kan hebben, op straffe van de strafrechtelijke vervolgingen krachtens artikel 23 van de bestreden wet, eventueel gepaard gaand met de verbeurdverklaring van het wapen. In een dergelijke hypothese kan de persoon die het wapen voorhanden heeft, het voorhanden hebben van het wapen of de eigendom ervan alleen overdragen aan de in artikel 10 van de bestreden wet aangewezen personen of, indien dat voor een dergelijk wapen mogelijk is, ervoor kiezen het vuurwapen definitief onbruikbaar te maken voor het schieten onder de bij de Koning vastgestelde voorwaarden, waardoor de categorie van het wapen wordt gewijzigd en aldus wordt beschouwd dat het een vrij verkrijgbaar wapen wordt op grond van artikel 3, § 2, 3°, van de bestreden wet. Dat alternatief tussen de overdracht van het wapen of het onklaar maken ervan is overigens bevestigd in de parlementaire voorbereiding met betrekking tot artikel 13, tweede lid, dat bepaalt dat diegene die zijn statuut van jager of sportschutter verliest, zijn wapen gedurende drie jaar kan behouden zonder evenwel nog gebruik ervan te kunnen maken. In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt immers gepreciseerd : ‘Na de periode van drie jaar wordt het betrokken wapen vergunningsplichtig, zodat de eigenaar ofwel een vergunning zal moeten bekomen op grond van een nieuwe wettige reden, ofwel het wapen laten neutraliseren door de proefbank, of er afstand van zal moeten doen’ (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2263/001, pp. 27-28). B.88.
  34. Hoewel het voorhanden hebben van een wapen niet noodzakelijk samenvalt met de eigendom ervan, heeft, wanneer de persoon die het wapen voorhanden heeft ook de eigenaar ervan is – wat doorgaans het geval is –, de intrekking, de schorsing, het niet hernieuwen van de vergunning of het einde van de vrijstelling van de vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen tot gevolg dat de eigenaar het wapen dat hij vroeger legaal voorhanden had, niet langer voorhanden kan hebben. Hoewel de eigenaar van een wapen die dat wapen niet langer voorhanden kan hebben, niet ertoe is verplicht de eigendom ervan over te dragen, zodat niet kan worden geacht dat hij het voorwerp uitmaakt van een onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet, wordt hij evenwel geraakt in zijn eigendomsrecht, vermits hij het wapen niet langer voorhanden mag hebben. Indien de eigenaar van het wapen beslist dat laatste onbruikbaar voor het schieten te maken, wanneer dat mogelijk is, teneinde het verder voorhanden IX-10.494-17/19 te kunnen hebben, daalt bovendien de vermogensrechtelijke waarde van het wapen, vermits het wapen waarvan hij eigenaar is, nooit meer zal kunnen worden afgevuurd. B.88.
  35. Wanneer de persoon die het wapen voorhanden heeft, niet de eigenaar ervan is, kan hij weliswaar niet worden geacht het voorwerp te zijn van een onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet, maar wordt hij evenwel geraakt in zijn recht op het voorhanden hebben van een wapen, recht dat de eigenaar hem had toegekend en dat vroeger wettig was. B.88.
  36. Er moet derhalve worden nagegaan of die beperking van het genot van het eigendomsrecht redelijkerwijze verantwoord is. B.89.
  37. Het recht op het ongestoord genot van eigendom belet de wetgever niet het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang te regelen. De reglementering inzake het voorhanden hebben van vuurwapens streeft een gewettigd doel na dat erin bestaat de veiligheid van de burgers te verzekeren. De bij artikel 11 van de bestreden wet ingevoerde voorwaarden zijn dus gerechtvaardigd door dat algemeen doel, alsook door de in B.11 in herinnering gebrachte doelstellingen. B.89.
  38. Wanneer de persoon die het vergunningsplichtige wapen voorhanden heeft, het wapen dat legaal voorhanden werd gehouden niet langer in zijn vermogen kan bewaren, kan hij ervoor kiezen zijn wapen te verkopen of over te dragen aan een persoon met een erkenning of een vergunning : in dat geval zal hij zijn medecontractant vrij kunnen kiezen onder de personen die beschikken over een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen of een erkenning. De overdracht van het voorhanden hebben van een wapen zal plaatshebben tegen een prijs die door de partijen wordt bepaald en kan op zich dus niet leiden tot een onevenredige aantasting van het eigendomsrecht. B.89.
  39. Indien de persoon die het vergunningsplichtige wapen voorhanden heeft, beslist zijn wapen definitief onbruikbaar voor het schieten te maken, teneinde de klassering ervan te wijzigen en het voorhanden te kunnen hebben als een vrij verkrijgbaar wapen, is de aantasting van de vermogensrechtelijke waarde van het wapen dat vroeger legaal voorhanden werd gehouden, slechts het gevolg van de keuze van de persoon die het wapen voorhanden heeft om het niet over te dragen. De mogelijkheid om het wapen definitief onbruikbaar voor het schieten te maken, kan dus niet worden beschouwd als een onevenredige aantasting van het recht van de persoon die een vergunningsplichtig wapen voorhanden heeft en die aldus ervoor kan kiezen zijn wapen te bewaren op voorwaarde dat hij het neutraliseert.”
  40. Met de bestreden beslissing wordt verzoeker geen financiële sanctie opgelegd. Dat verzoeker moet betalen voor het bewaren van zijn vuurwapens is geen gevolg van de bestreden beslissing, maar van zijn eigen keuze om de vuurwapens in bewaring te geven bij een erkend wapenhandelaar. IX-10.494-18/19 Verzoekers kritiek dienaangaande kan niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden.
  41. Het middel is ongegrond. BESLISSING
  42. De Raad van State verwerpt het beroep.
  43. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.494-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.