← België

Arrest 263951 - Dierenwelzijn - 11/07/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.951 Rolnummer: A. 243800/XII-9815 Zaak: Arrest 263951 - Dierenwelzijn - 11/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-15 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-16 03:22 Fiche Arrest nr 263.951 van 11 juli 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.951 no lien 284292 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 263.951 van 11 juli 2025 in de zaak A. 243.800/XII-9815 In zake: I.S. tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 26 juni 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “Bestemmingsbeslissing dd. 14.10.2024 met dossiernummer : G-24-4948 waarbij bestemming gegeven wordt aan twaalf paarden met chipnummers […]” en “in het bijzonder met spoed [voor] de drie paarden met chipnummers 96700010141404 […] en 96700010480469 […] en 96700010271782 [die] in volle eigendom werden gegeven aan VOC Heusden Zolder”. Tevens wordt gevraagd dat voorlopige maatregelen worden opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 27 juni 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XII-9815-1/10 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 juli 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Verzoekster, en advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaten Bart Staelens en Joost Hoste verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 262.674 van 19 maart
  5. Er wordt naar verwezen. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  6. De na het sluiten van het debat neergelegde stukken worden niet in aanmerking genomen en zijn niet ontvankelijk. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.951 XII-9815-2/10 dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. Deze bepaling sluit niet uit dat meerdere verzoeken tot schorsing tegen eenzelfde besluit kunnen worden ingediend. Hierbij moet echter rekening worden gehouden met, enerzijds, artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat bepaalt : “[w]anneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, […] een nieuwe vordering slechts [kan] worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”, en anderzijds, het gezag van gewijsde van een arrest waarbij een eerder verzoek tot schorsing werd afgewezen. VI. Ernst van de middelen
  8. Tegen de bestreden beslissing wordt op 23 december 2024 een enig verzoekschrift ingediend, waarbij de vernietiging en schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing werden gevorderd. De Raad van State heeft bij arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025 de vordering tot schorsing verworpen wegens gebrek aan een ernstig middel. Met een vordering, ingediend op 16 april 2025, vraagt verzoekster de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Bij arrest nr. 263.174 van 30 april 2025 heeft de Raad van State de vordering verworpen, omdat verzoekster niet ter terechtzitting was verschenen noch vertegenwoordigd. XII-9815-3/10 Met een vordering, ingediend op 9 mei 2025, vraagt verzoekster opnieuw de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Bij arrest nr. 263.358 van 20 mei 2025 heeft de Raad van State de vordering verworpen wegens gebrek aan een ernstig middel.
  9. In het huidig verzoekschrift voert verzoekster vijf middelen aan, een eerste middel wordt genomen uit de schending van het materiëlemotiveringsbeginsel, een tweede middel wordt genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, een derde middel wordt genomen uit de schending van het proportionaliteitsbeginsel en een vierde middel wordt genomen uit de schending van het redelijkheidsbeginsel. Deze middelen zijn grotendeels identiek aan de middelen zoals aangevoerd in de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing waarover de Raad van State in zijn arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025 en in zijn arrest nr. 263.358 van 20 mei 2025 heeft geoordeeld dat ze niet ernstig zijn, met dien verstande dat de in de voorliggende vordering aangevoerde middelen worden gestaafd met, volgens verzoekster, “nieuwe elementen”. Het vijfde middel, waarin een schending van het fair-playbeginsel wordt aangevoerd, is nieuw.
  10. Vooreerst dient te worden benadrukt dat, ook al was het voornoemde arrest nr. 262.674 een uitspraak over een vordering tot schorsing, uit de overwegingen ervan niettemin blijkt dat de – grotendeels identieke – middelen van verzoekster toen reeds werden afgewezen wegens het gebrek aan de vereiste ernst die ook voor de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereist is. Voor zover verzoekster meent dat de argumentatie van de middelen met een aantal “nieuwe elementen” wordt aangevuld, wordt vastgesteld dat de meeste van die elementen reeds in de vordering tot schorsing, die heeft geleid tot het arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025, in het kader van de beoordeling van de middelen werden vermeld, zodat deze elementen sowieso geen aanleiding kunnen vormen tot een nieuwe beoordeling door de Raad van State. XII-9815-4/10 Voor zover verzoekster opnieuw verwijst naar elementen die reeds werden beoordeeld in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, die heeft geleid tot het arrest nr. 263.358 van 20 mei 2025, kunnen deze evenmin aanleiding vormen tot een nieuwe beoordeling door de Raad van State.
  11. De door verzoekster in deze procedure aangevoerde “nieuwe elementen” worden in het verzoekschrift omschreven in een aparte titel “Nieuwe elementen die de uiterst dringende noodzakelijkheid inroepen alsook het opleggen van voorlopige maatregelen”. Deze nieuwe elementen worden omschreven als een “ooggetuigenverslag dat verzoekster ontving van [V.] i.v.m. het paardje Hope dat duidelijk geen goede verzorging geniet op het VOC”, het feit dat “er geen 100% duidelijkheid [is] waar de paardjes Brandy en Jasmine zijn”, en de vaststelling dat “het opsporingsonderzoek bij de politiediensten nog steeds lopende [is]” en zij op maandag 23 juni 2025 naar het politiekantoor te Heusden-Zolder is gereden om “verder een klacht neer te leggen”. Deze door verzoekster aangevoerde “nieuwe elementen” doen geen afbreuk aan de wettigheid van de vaststellingen in de bestreden beslissing van 14 oktober 2024 en nopen niet tot een andere beoordeling van de ernst van de middelen. Het ooggetuigenverslag van een derde over de verzorging van één van de drie paarden in het VOC Heusden-Zolder in de maanden volgend op de bestreden beslissing en verzoeksters onzekerheid over het lot van de twee andere paarden weerleggen het geheel van de vaststellingen in de bestreden beslissing niet. Het voorgelegde, niet gedateerde, sms-verkeer met een derde, wiens verhouding met verzoekster niet duidelijk is, en waarin enkel sprake is van een aantal vage verder niet onderbouwde beweringen (“ofzoiets”), toont bovendien geenszins de vermeende slechte behandeling van de paarden in het VOC Heusden-Zolder aan. De omstandigheid dat ondertussen het opsporingsonderzoek tegen het dierenasiel nog lopende is, vormt evenmin een nieuwe element dat een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.951 XII-9815-5/10 ander licht werpt op de ernst van de middelen. Het toont enkel aan dat de bevoegde instanties de door verzoekster aangekaarte verwaarlozing onderzoeken. Een mogelijke overtreding op het dierenwelzijn door het dierenasiel neemt de vaststellingen lastens verzoekster, waarop de bestreden beslissing is gesteund, niet weg. Het toont evenmin aan dat de verwerende partij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing onzorgvuldig gehandeld heeft. Daarnaast wordt opgemerkt dat de e-mail van 9 mei 2025, die door verzoekster onder meer wordt aangehaald in de bespreking van het tweede middel maar niet in de aparte hoofding waarin ze de “nieuwe elementen” opsomt, betrekking heeft op een ander paard dan de drie paarden waarvoor zij “in het bijzonder met spoed” de schorsing van de bestemmingsbeslissing vraagt. De e-mail verwijst naar een bespreking van enkele RX-beelden van het paard Lucky in het kader van een cursus over hoefbevangenheid, en bekritiseert de beslissing om dat paard te euthanaseren. Deze mail geeft enkel de subjectieve conclusies van een derde, wiens verhouding met de partijen niet duidelijk is, weer. Daarmee is niet aangetoond dat de overheid onzorgvuldig gehandeld heeft. Bovendien doet deze e-mail geen afbreuk aan het geheel van de vaststellingen in de bestreden beslissing. Verzoekster brengt geen nieuwe elementen aan die ertoe nopen de aangevoerde middelen ernstig te bevinden.
  12. Het “nieuwe” stuk dat verzoekster op 3 juli 2025 toezendt aan de Raad van State, doet evenmin anders oordelen. Vooreerst legt zij slechts een kopie voor van een uittreksel uit een document, opgemaakt op 24 juni 2025 door de korpschef van de politiezone Berlaar-Nijlen, waardoor de Raad van State geen zicht krijgt op de totaliteit van het document. Door slechts een fragment voor te leggen, is er een gebrek aan transparantie en kan geen volledig beeld worden gevormd van het document. Zo is het bijvoorbeeld niet duidelijk naar welke processen-verbaal de brief verwijst en tot wie de brief is gericht. De verwerende partij merkt ter terechtzitting op dat de korpschef intussen ook heeft laten weten dat de brief bewerkt is en dat belangrijke ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.951 XII-9815-6/10 informatie is weggelaten. Hoe dan ook is het document niet van wezenlijk belang voor de oplossing van het geschil. Artikel 34, § 3, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: wet van 14 augustus 1986) bepaalde inderdaad dat de processen-verbaal opgemaakt door de in artikel 34, § 1, bedoelde overheidspersonen bewijskracht hadden tot het tegenbewijs was geleverd. Een afschrift ervan moest binnen vijftien dagen na de vaststelling aan de overtreders worden toegezonden. Het op de zaak toepasselijke artikel 34, § 3, van de wet van 14 augustus 1986 legt geen enkele sanctie op bij de overschrijding van de termijn. Hoogstens komt de bijzondere bewijswaarde in het gedrang, maar daarmee is nog niet gezegd dat de bevindingen opgenomen in het proces-verbaal niet kunnen gelden als inlichting waarvan de Raad van State de geloofwaardigheid beoordeelt. Al met het arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025 heeft de Raad van State geoordeeld dat de verwerende partij binnen de perken van de wettigheid lijkt te hebben gehandeld door zich te steunen op de processen- verbaal lastens verzoekster. Ook het “nieuwe” stuk dat verzoekster op 3 juli 2025 toezendt aan de Raad van State is geen nieuwe element dat ertoe noopt de aangevoerde middelen ernstig te bevinden.
  13. Uit het voorgaande volgt dat de door verzoekster aangevoerde middelen, welke grotendeels identiek zijn aan deze die bij arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025 en arrest nr. 263.358 van 20 mei 2025 niet ernstig werden bevonden, om de redenen uiteengezet in deze arresten en hierboven, thans evenmin ernstig worden bevonden.
  14. Verzoekster toont niet aan dat zij het vijfde middel, waarin zij de schending van het fair-playbeginsel opwerpt, niet eerder had kunnen aanvoeren in het aanvankelijk verzoekschrift. Het vijfde middel is niet ontvankelijk. XII-9815-7/10 VII. Conclusie
  15. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VIII. Voorlopige maatregelen
  16. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen voorlopige maatregelen slechts worden bevolen indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of reglement prima facie kan verantwoorden. Vermits geen van de middelen ernstig is gebleken, dient de vraag tot het opleggen van voorlopige maatregelen om die reden alleen al te worden verworpen. IX. Verzoek tot het opleggen van een verbod tot het instellen van een nieuwe vordering Standpunt van de verwerende partij
  17. De verwerende partij argumenteert het verzoek als volgt: “Verwerende partij verzoekt Uw Raad om, conform het artikel 17 § 2 Wetten Raad van State, een termijn van minstens 6 maanden op te leggen aan verzoekende partij waarbinnen zij geen vordering tot schorsing en voorlopige maatregelen kan indienen. Verzoekende partij blijft immers, met steeds dezelfde elementen en argumenten, vorderingen tot schorsing indienen waarbij werkelijk proceduremisbruik wordt gemaakt. Nogmaals, in nauwelijks 6 maanden tijd werden reeds 4 schorsingsverzoeken ingediend, steeds op basis van dezelfde argumenten en in wezen louter na verloop van enige tijd, zonder dat feitelijk iets gewijzigd is. Conform het artikel 17 § 2 Wetten Raad van State beschikt uw Raad over de mogelijkheid om aan verzoekende partij een termijn op te leggen waarbinnen zij geen vorderingen tot schorsing en voorlopige maatregelen kan indienen. Verwerende partij verzoekt Uw Raad dit voor een redelijke termijn van 6 maanden.” XII-9815-8/10 Beoordeling
  18. Artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd.”
  19. De Raad van State heeft de vordering niet verworpen wegens gebrek aan spoedeisendheid, maar omdat de verscheidene door verzoekster ingeroepen elementen geen nieuwe elementen zijn die ertoe nopen één van de middelen ernstig te bevinden. Uit het voorgaande volgt dat de Raad van State geen beroep kan doen op het voormelde artikel 17, § 2, derde lid, om een termijn te bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enig nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd.
  20. Het verzoek tot het opleggen van een verbod tot het instellen van een nieuwe vordering wordt verworpen.
  21. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen wordt verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van voorlopige maatregelen. XII-9815-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Frédéric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Frédéric Vanneste XII-9815-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.951 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.674 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.174 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.358 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.