← België

Arrest 263952 - Sluitingen van vestigingen - 11/07/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.952 Rolnummer: A. 245232/X-19093 Zaak: Arrest 263952 - Sluitingen van vestigingen - 11/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-14 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-17 14:48 Fiche Arrest nr 263.952 van 11 juli 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 263.952 van 11 juli 2025 in de zaak A. 245.232/X-19.093 In zake: S.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Yüksel Samet Gündogan kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 7 juli 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[h]et Besluit van de burgemeester van 27 juni 2025 tot tijdelijke sluiting van horecazaak Saray op grond van artikel 9bis Drugswet.”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 7 juli 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. X-19.093-1/14 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juli 2025, om 13.30 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yüksel Samet Gündogan, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Korneel Persoon, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Nino Vermeire, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 24 oktober 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verzoekende partij is de uitbaatster van de horecazaak Saray in de wijk Brugse Poort in Gent. 3.
  5. Bij brief gedateerd 17 juni 2025 wordt de verzoekende partij door de verwerende partij ervan in kennis gesteld dat onder verwijzing naar artikel 9bis van de wet van 24 februari 1921 ‘betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen’ (hierna: wet van X-19.093-2/14 24 februari 1921) wordt overwogen om over te gaan tot de verplichte en volledige sluiting van de voornoemde horecazaak van de verzoekende partij gedurende een periode van drie maanden. Deze brief verwijst naar de bestuurlijke verslagen van de politie van 12 juni 2025 en 17 juni 2025 – tevens gevoegd als bijlage bij deze brief – en de meldingen en de vaststellingen erin vervat. De verzoekende partij wordt uitgenodigd schriftelijk een standpunt te bezorgen uiterlijk op 25 juni 2025 om 16.00 uur. 3.
  6. Op 25 juni 2025 dient de verzoekende partij haar schriftelijk standpunt in. 3.
  7. Op 27 juni 2025 beslist de burgemeester van de stad Gent dat de horecazaak Saray, uitgebaat door de verzoekende partij, dient gesloten te blijven gedurende een periode van drie maanden ingaand op 28 juni 2025 en eindigend op 28 september
  8. Dit is de bestreden beslissing. Na het hernemen van de feiten zoals vervat in de voormelde brief van 17 juni 2025 en na weergave van het ingediende verweer, is de bestreden beslissing als volgt formeel gemotiveerd: “Artikel 9bis van de drugswet luidt als volgt: ‘Onverminderd de bevoegdheden van de rechterlijke instanties en onverminderd de artikelen 134ter en quater van de Nieuwe Gemeentewet, kan de burgemeester, na voorafgaand overleg met de gerechtelijke overheden en indien dat noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde, een publiek toegankelijke inrichting sluiten, indien ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat er illegale activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op de teelt, vervaardiging, verkoop, aflevering of het vergemakkelijken van het gebruik van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, ontsmettingsmiddelen, psychotrope stoffen, antiseptica, voorwerpen of stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Dit is enkel mogelijk na de verantwoordelijke te hebben gehoord in diens middelen van verdediging. De maatregel houdt op uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege wordt bevestigd. X-19.093-3/14 De sluitingsmaatregel heeft een maximale duur van zes maanden, tweemaal hernieuwbaar. De beslissing tot hernieuwing van de maatregel zal onmiddellijk ophouden uitwerking te hebben indien ze niet op de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of van het gemeentecollege wordt bevestigd.’ In uw verweer voert u aan dat de bovenverdieping niet tot het café behoort en stelt u voor ‘dat zowel de ingeschreven bewoner als de verhuurder hierover worden gehoord’. Uit de feiten blijkt echter dat de bovenverdieping wel degelijk gebruikt wordt door klanten van het café. Niet alleen is de bovenverdieping bereikbaar via een toegang achter de toog, maar er wordt in het bestuurlijk verslag van 10 juni 2025 ook opgemerkt dat tijdens de politionele controle op 24 mei 2025 een van de uitbaters ‘net naar de bovengelegen verdieping [wou] gaan of […] terug naar beneden [kwam]’. Tijdens een tweede controle op 14 juni 2025 verklaarden drie mannen die op de eerste verdieping werden aangetroffen dan weer ‘dat zij ‘trouwe klanten’ zijn en daarom boven mogen zitten’. Er worden door de politie ook geen spullen aangetroffen die verwijzen naar de permanente huisvesting van de vrouw die er zou verblijven. Tijdens elke controle werden er op de bovenverdieping sporen van druggebruik aangetroffen: • Op 19 april zaten er drie mannen die verklaarden trouwe klant te zijn en daarom boven mochten zitten, alle drie waren ze in het bezit van verdovende middelen, er hing een duidelijke geur van cannabis en er lagen ‘druggerelateerde voorwerpen’ open en bloot (ballonnen, gripzakjes met restjes cannabis, 3 flessen lachgas). • Op 24 mei werden er opnieuw verschillende gripzakjes met restanten cannabis aangetroffen en lagen er vele lege ballonnen, die wijzen op het gebruik van lachgas. • Op 14 juni lagen er nog steeds gripzakjes met cannabis en lege ballonnen. Op basis van deze elementen zijn er ernstige aanwijzingen dat de bovenverdieping van het café, ingericht als ontspanningsruimte met een sofa en een salontafel, wel degelijk gebruikt wordt door klanten om er verdovende middelen te gebruiken (en om er illegale gokactiviteiten uit te oefenen, hetgeen weliswaar buiten het bestek van dit besluit valt). De loutere bewering in het verweer dat dit niet het geval is, kan hierdoor niet overtuigen. Er valt op basis van het verweer ook niet in te zien waarom u van mening bent dat het aantreffen van sporen van cocaïne middels swipes, zowel op de toiletten als op de gokkasten in het café, geen sluitend bewijs zou zijn van het gebruik van verdovende middelen in de zaak. De resultaten van de swipes laten weinig ruimte voor twijfel. Het enkel toegankelijk maken van het toilet voor klanten komt daar ook niet aan tegemoet aangezien ook klanten drugs kunnen gebruiken in de toiletten én er ook sporen aangetroffen werden op de gokkasten in het café zelf. Voort wordt er aangevoerd dat er ‘aantoonbaar maatregelen [werden] genomen om incidenten te voorkomen’ en dat er bereidheid is om deze verder op te voeren. Het is op basis van het verweer volstrekt onduidelijk waaruit die maatregelen zouden bestaan, laat staan dat deze ‘aantoonbaar’ zouden zijn. Zoals hoger gesteld, is het afsluiten van het toilet weinig afdoende en ook de loutere bewering als zouden de personen waarbij tijdens controles cannabis werd aangetroffen een toegangsverbod hebben gekregen, is weinig overtuigend. In het licht van de meldingen van buurtbewoners over intimidatie, bedreiging, afval, patsergedrag en het claimen van het openbaar domein, die in het verweer op weinig overtuigende wijze worden geminimaliseerd, komt de bewering als zou u ‘actief mee[werken] aan het waarborgen van de veiligheid en rust in de buurt’ weinig X-19.093-4/14 serieus over. Het klopt dat de uitbating van het café niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor alles wat op het openbaar domein gebeurt, maar sommige meldingen hebben wel degelijk een duidelijk relatie met het café (bv de meldingen van 7 juni 2025, 12 mei 2025, 13 oktober 2024). De overige feiten in de buurt van het café en het Seghersplein tonen aan hoezeer de buurt, en bij uitbreiding de Brugse Poort, te lijden heeft onder, veelal druggerelateerde, overlast. Als flankerende maatregel in een integrale aanpak van de overlast in de Brugse Poort werd recent trouwens de plaatsing van tijdelijke vaste camera’s goedgekeurd. Dat het café druggebruik gedoogd en zelfs faciliteert (door het ter beschikking stellen van de bovenverdieping aan ‘vaste klanten’) heeft ontegensprekelijk een negatieve impact op deze kwetsbare buurt. Evident kan er niet ingegaan worden op uw verzoek om identiteiten of nummerplaten te delen. Ondergeschikt blijkt uit het bestuurlijk verslag van 17 juni 2025 dat één van de uitbaters zelf aan politie heeft meegedeeld dat de papieren met namen en getallen die achter de toonbank werden gevonden staan voor uitgeleend geld voor spelers van zijn kansspelen. Bovendien heeft de uitbater zich tegenover politie een paar keer missproken door te zeggen dat er daarnet gespeeld werd rond de tafel. Er zijn dan ook genoeg aanwijzingen dat er in de zaak illegale kansspelactiviteiten plaatsvonden. Voor de teruggave van de inbeslaggenomen documenten zal u zich tot het parket moeten wenden. Tot slot wens ik er nog op te wijzen dat ik mij niet uitspreek over schuld of onschuld, noch leg ik een straf op. Mijn bevoegdheid betreft louter de vrijwaring van de openbare orde en heeft een preventief karakter, namelijk het verhinderen dat in café Saray nog druggebruik wordt gedoogd en gefaciliteerd waarbij de buurt te leiden heeft onder de afgeleide hinder die daarmee gepaard gaat. Dat een bestuurlijke maatregel een zeker nadeel met zich meebrengt, is niet uit te sluiten doch is zeker niet het doel van dergelijke maatregel. De vrijwaring van de openbare orde primeert echter boven enige economische belangen. Gelet op het structurele en herhaalde karakter van de feiten, waarbij een ruimte ter beschikking wordt gesteld waar openlijk drugs kan worden gebruikt door klanten van het café, in een buurt die reeds langer gebukt gaat onder de negatieve gevolgen van drugshandel en druggerelateerde overlast, en het gevoerde verweer, en na voorafgaand overleg met het Parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen, komt het mij noodzakelijk voor om horecazaak Saray verplicht en volledig te sluiten gedurende een periode van 3 maanden. Deze sluitingsmaatregel heeft een essentieel preventief karakter en wordt genomen teneinde de openbare orde te vrijwaren.” 3.
  9. Volgens de verzoekende partij wordt de bestreden beslissing haar ter kennis gegeven op 27 juni
  10. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  11. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst X-19.093-5/14 dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  12. De verzoekende partij voert aan dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid, vooreerst, omdat de bestreden beslissing ontegensprekelijk tot gevolg heeft dat zij zal kampen met financiële problemen en dat de discontinuïteit van de verzoekende partij daarmee “niet uitgesloten” is. Dit blijkt volgens de verzoekende partij uit het financieel verslag van haar boekhouder. Voorts citeert de verzoekende partij de rechtspraak van de Raad van State om het standpunt te onderbouwen dat de mogelijkheid dat “het niet uitgesloten is” dat zij zal kampen met financiële problemen ingevolge de bestreden beslissing en dat dit het einde van de vennootschap zal betekenen, in de rechtspraak wordt aanvaard om aan te tonen dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid. Volgens de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat, gelet op het boekhoudkundig verslag en de rechtspraak van de Raad van State, de bestreden beslissing “een zekere financiële impact” zal hebben op de (financiële) leefbaarheid van de verzoekende partij en diens bestuurders én dat de verzoekende partij zich een sluiting van drie maanden niet kan permitteren, nu dit het einde van de vennootschap kan betekenen. Aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is volgens de verzoekende partij voorts eveneens voldaan, gelet op de krenking van de naam en faam van de verzoekende partij. Zij verwijst daartoe X-19.093-6/14 naar een nieuwsartikel in Het Laatste Nieuws dat vermeldt dat “[c]afé Saray aan het Emilius Seghersplein wordt gesloten wegens inbreuken op de drugs- en gokwetgeving”, alsook dat het café voor een periode van drie maanden gesloten zal blijven “om de openbare orde in de buurt te herstellen, in afwachting van mogelijk gerechtelijke gevolgen”. Dit artikel wekt volgens de verzoekende partij een disproportionele schijn dat heel de problematiek in de Brugse Poort te Gent te wijten zou zijn aan de verzoekende partij. Ook uit de verklaring van de burgemeester van de stad Gent aan dezelfde krant – “We willen absoluut dat de rust terugkeert op en rond het Seghersplein en zullen alles doen om de overlast aan te pakken” – blijkt volgens de verzoekende partij dat met de bestreden beslissing de overlast in de nabije omgeving van de inrichting van de verzoekende partij onnodig aan haar wordt gelinkt. Voorts citeert de verzoekende partij de rechtspraak van de Raad van State om erop te wijzen dat de Raad van State reeds in verschillende arresten de uiterst dringende noodzakelijkheid heeft aanvaard, indien de naam en faam van een verzoekende partij een aanzienlijke knauw wordt gegeven ingevolge een beslissing tot de tijdelijke sluiting van een inrichting op grond van artikel 9bis van de wet van 24 februari
  13. De verzoekende partij besluit dat een afhandeling volgens de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat komt om het nadeel op te vangen en de belangen van zowel de verzoekende partij als de bestuurders ervan veilig te stellen. De sluiting zal volgens de verzoekende partij onherroepelijk tot gevolg hebben dat de bestuurders van de verzoekende partij hun financiële verplichting niet meer kunnen nakomen, naast het gegeven dat er reputatieschade is ontstaan. Beoordeling
  14. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. X-19.093-7/14 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. X-19.093-8/14 Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
  15. Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting, doch vereist het aanreiken van concrete, specifiek op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat, zoals hierna zal blijken, de verzoekende partij te dezen nalaat te doen.
  16. Hoewel de Raad van State te dezen geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat de verzoekende partij niet met gepaste spoed en diligentie haar vordering heeft ingesteld eenmaal zij van de bestreden beslissing kennis kreeg, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
  17. De verzoekende partij voert vooreerst aan dat zij ingevolge de bestreden beslissing zal kampen met financiële problemen, dat de discontinuïteit van de verwerende partij niet uitgesloten is, dat er een zekere financiële impact zal zijn op de financiële leefbaarheid van de verzoekende partij en diens bestuurders, alsook dat zij zich een sluiting van drie maanden niet kan permitteren, daar dit het X-19.093-9/14 einde van de vennootschap kan betekenen. Zij beroept zich derhalve op een financieel nadeel.
  18. Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden beslissing voor de verzoekende partij ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak, dan nog is vereist dat, wil zij spoedeisendheid en te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden, de verzoekende partij concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid – laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid – tenzij de verzoekende partij concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten; bewijs dat, zoals hierna zal blijken, door de verzoekende partij niet wordt geleverd.
  19. Ter staving van haar financieel nadeel verwijst de verzoekende partij naar het financieel verslag van de boekhouder. Dat financieel verslag betreft een e-mail van 4 juli 2025 die luidt: “In bijlage nogmaals de voorlopige cijfers van 2024 en de tussentijdse cijfers van
  20. Hieruit blijk[en] volgende zaken: • De omzet over het 1e kwartaal wijst op een (beperkte) stijging ten opzicht van vorig jaar • Niettemin is er naar netto-resultaat toe nog geen verbetering, en rekening houdend met uw vaste kosten en de liquiditeitspositie, kan de zaak zich momenteel geen tijdelijke sluiting permitteren. Als dit lang aanhoudt, kan dit het einde van de vennootschap betekenen. • Niettemin stel ik vast dat u sinds de overname, misschien enigszins nog een leerproces heeft moeten ondergaan, maar anderzijds dat u toch inspanningen levert om de zaak te laten heropleven. • Wij stellen ook van dat u in grote mate de engagementen van de vennootschap heeft nageleefd en ook inspanningen heeft geleverd om een aantal zaken die in achterstand stonden, heeft bijgewerkt. X-19.093-10/14 Het zou dan ook betreurenswaardig en ook zeer nefast zijn, mocht dit allemaal door de opgelegde sluiting van de zaak, teniet gaan. Uiteraard wil ik er bij deze ook toch op wijzen, dat op een aantal vlakken nog zaken op punt moeten worden gesteld en dat alle geldende reglementeringen moeten worden nageleefd.” De verzoekende partij overtuigt daarmee evenwel niet dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid. Wat ook de bewijs- en overtuigingswaarde van de overgelegde stukken van de verzoekende partij betreft, het komt hoe dan ook aan de verzoekende partij toe, wanneer zij zich zoals te dezen beroept op financiële problemen die het einde van de vennootschap kunnen betekenen, om door middel van geloofwaardige stukken, een globaal en, zodoende, betrouwbaar inzicht te geven in haar bestaande financiële toestand, zodat de Raad van State dit met kennis van zaken kan beoordelen. De verzoekende partij doet dit niet. Zij legt weliswaar de voormelde e-mail van haar boekhouder neer, alsook een document genaamd “balans in scontrovorm per 31/12/2024” en één “per 31/03/2025”, doch blijft in gebreke om een globaal inzicht te geven in haar financiële situatie en in haar financiële reserves. De verzoekende partij legt immers geen volledige balans neer, doch enkel een overzicht van bedrijfskosten en bedrijfsopbrengsten, zonder enig inzicht te geven in het geheel van haar activa en passiva en in het bijzonder in haar liquiditeitspositie. De neergelegde stukken laten dan ook niet toe te besluiten dat de bestreden beslissing leidt tot financiële problemen die het einde van de vennootschap kunnen betekenen. Deze bewering van de verzoekende partij blijkt overigens evenmin uit de e-mail van de boekhouder van de verzoekende partij, die weliswaar vermeldt dat “de zaak zich momenteel geen tijdelijke sluiting [kan] permitteren”, alsook dat “[a]ls dit lang aanhoudt, […] dit het einde van de vennootschap [kan] betekenen” maar deze bewering geenszins ondersteunt met concrete en bewijskrachtige stukken die deze bewering kunnen staven. Daarenboven betrekt de boekhouder in zijn verklaring de concrete duur van de X-19.093-11/14 bestreden beslissing noch de impact daarvan op de concrete financiële situatie van de verzoekende partij. Ook met een verwijzing naar de overige vermeldingen in de e-mail van de boekhouder, zoals het gegeven dat gelet op de vaste kosten en de liquiditeitspositie de zaak zich geen tijdelijke sluiting kan permitteren en het gegeven dat het “betreurenswaardig en ook zeer nefast” zou zijn, mocht de geboekte vooruitgang teniet worden gedaan, toont de verzoekende partij niet aan dat de bestreden beslissing dermate ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak, dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Daar de e-mail van de boekhouder weliswaar aangeeft dat de bestreden beslissing verregaande financiële gevolgen kan hebben, maar verder het stilzwijgen bewaart over de globale financiële situatie van de verzoekende partij en in het bijzonder haar financiële reserves, toont de verzoekende partij ook met dit stuk niet aan in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten.
  21. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat zij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt, niet zal kunnen dragen, en die zou verantwoorden dat haar vordering bij voorrang dient te worden behandeld.
  22. Ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid verwijst de verzoekende partij voorts naar het gegeven dat haar naam en faam wordt gekrenkt. De verzoekende partij voert aldus in wezen een moreel nadeel aan. De verzoekende partij maakt te dezen evenwel niet aannemelijk dat die beweerde morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, haar in een X-19.093-12/14 schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing en aan te voeren dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid de verzoekende partij voor reputatieschade kan behoeden. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat de verzoekende partij ze niet kan lijden totdat over een gewone vordering tot schorsing uitspraak wordt gedaan. De verzoekende partij legt geen enkel stuk neer dat dit ook maar enigszins aannemelijk maakt. Uit de neergelegde persartikels blijkt dit ipso facto niet.
  23. Wat de verwijzing door de verzoekende partij naar de rechtspraak van de Raad van State betreft, merkt de Raad van State op dat, daargelaten dat het Belgische recht geen precedentenwerking kent, zodat de verzoekende partij er derhalve geen leer uit kan halen, de verzoekende partij met die verwijzing niet tegemoet komt aan de vereiste dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot een theoretische uiteenzetting, doch concrete, specifiek op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens moet aanreiken, waaruit blijkt dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen. VI. Conclusie
  24. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt de vordering. X-19.093-13/14
  26. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Ann Coolsaet X-19.093-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.952 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.