id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.987 Rolnummer: A. 245219/XIV-39838 Zaak: Arrest 263987 - Overheidsopdrachten - 29/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-31 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-16 03:03 Fiche Arrest nr 263.987 van 29 juli 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.987 no lien 284517 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 263.987 van 29 juli 2025 in de zaak A. 245.219/XIV-39.838 In zake: de BV E. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Wouters en Geert Van Engelgem kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: TOERISME VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Maeyaert en Jolien Hermans kantoor houdend te 1000 Brussel Koloniënstraat 18-24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 juli 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van Toerisme Vlaanderen van 18 juni 2025 waarbij wordt beslist om de overheidsopdracht voor diensten ‘Tijdelijke consultancyopdracht voor eventexperten sport en cultuur voor EventFlanders’, wat perceel 2 ‘Eventexpert cultuur’ betreft, te gunnen aan de CommV E. en niet aan de verzoekende partij. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 4 juli 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-39.838-1/24 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 juli 2025, om 12.00 uur. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Wouters, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jolien Hermans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij plaatst een “Tijdelijke consultancyopdracht voor eventexperten sport en cultuur voor EventFlanders” volgens een openbare procedure. De opdracht bestaat uit twee percelen: de aanstelling van een eventexpert sport en de aanstelling van een eventexpert cultuur. Volgens het bestek van de opdracht (punt 4.3.1) bestaat de taak van de aan te stellen eventexperten uit: “het leveren van consultancydiensten met het oog op het verder uitbouwen van de werking van EventFlanders en het Vlaams topevenementenbeleid, met name het ontwikkelen, behartigen en/of implementeren van het beleid met als doel de beleidsbepaler(s) in staat te stellen juiste en politiek gedragen beleidsbeslissingen te nemen en toepassingen omtrent het beleid te initiëren, stimuleren en bewaken. De eventexperten detecteren, screenen, adviseren en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.987 XIV-39.838-2/24 evalueren (potentiële) topevenementen voor Vlaanderen en ondersteun[en] mee de verdere uitbouw van een Vlaams topevenementenbeleid door Vlaamse evenementen naar een hoger niveau te tillen. De dossiervoorbereiding voor validatie door de Vlaamse Regering maakt deel uit van het takenpakket, de organisatie van evenementen niet. Voor dit laatste wordt samengewerkt met professionele partners uit de sector.” 3.
- Het bestek van de opdracht (punt 3.3.2) bepaalt dat de inschrijvers moeten voldoen aan het volgende selectiecriterium: “Technische en beroepsbekwaamheid: De vereisten met betrekking tot de technische en beroepsbekwaamheid zijn ervaring en expertise. De eventexpert moet over een gespecialiseerde en grondige ervaring en expertise beschikken met betrekking tot de diensten die tot het voorwerp van de opdracht behoren, in het bijzonder op het vlak van respectievelijk de organisatie van publieksevenementen op het gebied van sport (perceel 1) of cultuur (perceel 2). De inschrijver bewijst deze geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen aan de hand van een referentielijst met opgave van de voornaamste referentieopdrachten van de voorgestelde eventexpert die maximaal vijf
(5)jaar oud zijn. Deze referenties moeten van een gelijkwaardig of beter niveau zijn als het niveau van onderhavige opdracht, minstens moet Toerisme Vlaanderen uit de referenties kunnen afleiden dat de eventexpert in staat is om een opdracht van een dergelijk niveau uit te voeren. De referentielijst bevat minimaal drie
(3)referenties (events), waarbij per referentie in elk geval de volgende gegevens worden opgegeven: 1) Een beknopte maar duidelijke omschrijving, 2) De periode van uitvoering, 3) De opdrachtgever, 4) De relevantie van de referentie voor deze opdracht, 5) Het bedrag van de opdracht, en 6) Een contactpersoon (inclusief telefonische en/of elektronische contactgegevens) bij de opdrachtgever, waarbij inlichtingen over de uitvoering van de referentieopdracht kunnen worden ingewonnen. Toerisme Vlaanderen houdt zich het recht voor op ieder moment deze referenties te contacteren. Offertes met een referentielijst van de voorgestelde eventexpert met minder dan drie
(3)relevante referenties (events) worden om die reden uit de procedure geweerd.” 3.3. Het bestek (punt 3.4) bepaalt dat de verwerende partij de economisch meest voordelige offerte zal vaststellen rekening houdende met de beste prijs-kwaliteitsverhouding die als volgt wordt ingevuld: prijs (40 punten) en kwaliteit (60 punten). XIV-39.838-3/24 Met betrekking tot het gunningscriterium ‘kwaliteit’ zet het bestek (punt 3.4.1, 2)) uiteen: “Dit gunningscriterium wordt beoordeeld op basis van de kwaliteit en deskundigheid van de voorgestelde eventexpert die de opdracht zal uitvoeren. Bij de beoordeling van het kwaliteitscriterium wordt onder meer rekening gehouden met de mate van gespecialiseerde en grondige ervaring en expertise van de eventexpert met betrekking tot de diensten die tot het voorwerp van de opdracht behoren en de mate waarin de kwaliteit en deskundigheid van de eventexperten relevant is voor Toerisme Vlaanderen en EventFlanders in het bijzonder. Hierbij zal onder meer rekening worden gehouden met: • De mate waarin de eventexpert beantwoordt aan de profielvereisten zoals opgegeven in [punt 4.3.2] van dit bestek; • De mate waarin de eventexpert kan aantonen da[t] de gespecialiseerde en grondige ervaring en expertise van de eventexpert aanleunt bij of verband houdt met de activiteiten van Toerisme Vlaanderen en EventFlanders in het bijzonder. Hoe hoger de mate van gespecialiseerde en grondige ervaring en expertise in meerdere of alle relevante diensten die tot het voorwerp van de opdracht behoren, hoe positiever de offerte op dit vlak wordt beoordeeld. De beoordeling van dit criterium wordt beoordeeld aan de hand van volgende bij de offerte toegevoegde documenten: • Het offerteformulier (ingevuld volgens het model van bijlage 1); • Het uitgebreid curriculum vitae (cv); • Minimaal drie
(3)referenties uit de referentielijst volgens het referentieformulier van bijlage 3 bij dit bestek.” De hier bedoelde “profielvereisten zoals opgegeven in [punt 4.3.2] van dit bestek” zijn de volgende: - Minimaal opleidingsniveau: masterdiploma; - Gewenste kennis: o Kennis van plannen, organiseren en budgetteren van publieksevenementen o Kennis van marketing en PR in kader van publieksevenementen o Kennis over de nationale en internationale publieksevenementensector o Kennis van overheidsprocessen o Kennis van de toeristische thema’s is een pluspunt o Kennis van standaard Microsoft applicaties en CRM-database - Gewenste ervaring: o Minimum vijf
(5)jaar ervaring op vlak van publieksevenementen XIV-39.838-4/24 o Ervaring in organisatieprocessen gelinkt aan het aantrekken van publieksevenementen o Ervaring in projectmanagement o Ervaring in samenwerken met verschillende partners / stakeholders via verschillende participatietechnieken - Algemene vaardigheden: o Nederlandstalig o Uitstekende mondelinge en schriftelijke vaardigheden in Nederlands, Frans en Engels o Vermogen om presentaties te geven voor een klein en groter publiek o Sterke onderhandelingsvaardigheden en overtuigingskracht zowel telefonisch, digitaal als face-to-face o Duidelijke, gestructureerde en vlotte communicatie naar medewerkers én management, zowel mondeling als schriftelijk met aandacht voor wat er gezegd wordt o Geboren teamspeler. Omtrent de toets van de offertes aan het gunningscriterium ‘kwaliteit’ bepaalt het bestek (punt 3.4.1, 2)) nog nader: “De inschrijvers moeten voor elke voorgestelde eventexpert op het gunningscriterium kwaliteit een score behalen van minstens 42 op
- Behaalt een inschrijver voor een eventexpert deze minimumscore niet, dan wordt de offerte voor deze [expert] niet (verder) in aanmerking genomen en van (verdere) beoordeling uitgesloten.” 3.
- Over de vervanging en vertegenwoordiging van de eventexpert wordt in de technische specificaties van het bestek (punt 5.1.7) bepaald: “De uitvoering van de opdracht wordt toegekend aan de eventexpert intuitu firmae. Het is de eventexpert dan ook niet toegestaan enige of alle rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de opdracht over te dragen aan derden en/of, tenzij met voorafgaand schriftelijk akkoord van Toerisme Vlaanderen, een beroep te doen op onderaannemers (bijvoorbeeld als vervanger). Als de eventexpert om gelijk welke reden (bijv. ziekte, ontslag bij de opdrachtnemer, etc.) niet meer kan ingezet worden, wordt in onderling overleg tussen de opdrachtnemer en Toerisme Vlaanderen overlegd of de eventexpert kan/moet worden vervangen, en zo ja, op welke wijze en binnen welke tijdspanne. Het is hierbij aan de opdrachtnemer om in voorkomend geval een geschikte eventexpert voor te stellen. Toerisme Vlaanderen zal zelf niet op zoek gaan naar deze vervanger. Enkel Toerisme Vlaanderen beslist hierbij over de geschiktheid en gelijkwaardigheid van de eventueel voorgestelde eventexpert vervanger.” 3.
- Het bestek (punt 3.9) voorziet als volgt dat tijdens de gunningsprocedure een interview kan worden georganiseerd: XIV-39.838-5/24 “Toerisme Vlaanderen kan de voorgestelde eventexpert voor een interview uitnodigen. De volgende regeling voor het interview is in voorkomend geval van toepassing: • Het interview zal ofwel doorgaan in de kantoren van Toerisme Vlaanderen […] ofwel via videoconferentie […]; • Toerisme Vlaanderen probeert het interview op dezelfde dag of opeenvolgende dagen te laten doorgaan […]; • Enkel kandidaat-eventexperts die op het kwaliteitscriterium een score behalen van minstens 42 op 60 kunnen voor het interview worden uitgenodigd; • Toerisme Vlaanderen zal de inschrijvers die niet voor een interview worden uitgenodigd (of de door hen voorgestelde eventexpert), pas na het nemen van de gunningsbeslissing hiervan op de hoogte brengen (er wordt hierover geen informatie verstrekt vooraleer de gunningsbeslissing werd genomen); • De uitgenodigde eventexperts zullen zich tijdens het interview kunnen presenteren en hun cv, ervaring en expertise en profiel kunnen toelichten, alsook hun talenkennis kunnen aantonen, en zal Toerisme Vlaanderen vragen kunnen stellen, zonder evenwel dat de eventexperts nieuwe informatie mogen aanbrengen die afwijkt van de inhoud van de offerte en zonder dat Toerisme Vlaanderen vragen mag stellen die een wijziging van deze offerte in de hand werkt; • Toerisme Vlaanderen zal van het interview een gemotiveerd verslag opmaken dat mee in rekening wordt gebracht bij de beoordeling van het kwaliteitscriterium; • Het interview kan enkel leiden tot het behoud of een verhoging van de eerste score op het kwaliteitscriterium.” 3.
- Voor het tweede perceel van de opdracht, de aanstelling van een eventexpert cultuur, worden drie offertes ingediend, onder meer door de verzoekende partij. De verzoekende partij stelt in haar offerte J.V. (in samenwerking met W.X.) voor als eventexpert cultuur. 3.
- De verwerende partij beslist op 18 juni 2025 om de offerte van de verzoekende partij voor het tweede perceel van de opdracht niet te kiezen, en om het tweede perceel van de opdracht te gunnen aan de CommV E. als de economisch meest voordelige bieder. Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.838-6/24 In de motivering van de bestreden beslissing wordt uiteengezet dat alle inschrijvers voor het tweede perceel voldoen aan de selectiecriteria. Met betrekking tot de evaluatie van de offertes voor het tweede perceel aan de hand van de gunningscriteria, worden blijkens de motieven van de bestreden beslissing voor het criterium ‘prijs’ volgende punten toegekend: - BV C. (eventexpert cultuur O.D.): 30,12; - BV C. (eventexpert cultuur R.V.): 30,12; - Verzoekende partij (eventexpert cultuur J.V.): 40,00; - CommV E. (eventexpert cultuur B.H.): 30,
- Wat de toets van de offertes voor het tweede perceel aan het gunningscriterium ‘kwaliteit’ betreft, bevat de bestreden beslissing volgende motieven: - wat de offerte van de CommV E. betreft: “De offerte toont aan dat [B.H.] beschikt over gespecialiseerde en grondige ervaring (meer dan de minimale 5 jaar) en expertise in culturele publieksevenementen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het projectleiderschap van culturele topevenementen dat hij opnam (bij EventFlanders als eventexpert sinds 2018), zoals de World Choir Games 2021 (referentie 2), Heropening KMSKA 2022 (referentie 3), Bouts festival 2023, Topstukkententoonstelling 2023 en Ensorjaar 2024 (referentie 4). Dit omvat het samenbrengen van alle betrokken partners, het uitwerken van een projectplan en -aanpak, de opmaak van een haalbaarheidsonderzoek, het opzetten en opvolgen van een beheersstructuur, het bewaken van de (beleids)doelstellingen, het opvolgen van budget, het opmaken van een meetkader en het opvolgen van de impactmeting. Op die manier beschikt hij over de nodige kennis en ervaring in het aantrekken en organiseren van culturele top- en publieksevenementen maar ook op vlak van projectmanagement en overheidsopdrachten. Gezien hij ook instond voor het creëren van draagvlak en betrokkenheid bij steden en de culturele sector voor de uitbouw van een cultureel topevenementenbeleid heeft hij een ruim netwerk in de (internationale) culturele en evenementenwereld opgebouwd. Maar weet hij ook hoe met verschillende partners en stakeholders samen te werken, hetgeen een meerwaarde uitmaakt. Tijdens het interview werd de specifieke kennis en ervaring in de culturele eventsector duidelijk naar voor [gebracht] en werden bovenstaande elementen bevestigd. Er kan dus worden besloten dat [B.H.] aan alle gestelde (minimale) profielvereisten voldoet en in heel grote mate specifieke ervaring en kennis heeft rond culturele publieksevenementen. XIV-39.838-7/24 De score na het interview blijft ongewijzigd. Score: Gelet op deze beoordeling en de beoordelingsmethodiek scoort deze inschrijver zeer goed en behaalt deze inschrijver een score van 54 op
- Op basis van het interview bleef de score hetzelfde.” - wat de offerte van de verzoekende partij betreft: “Op basis van het cv van [J.V.] zien we dat hij een 5-tal jaar in de sales en marketing werkte en nadien 10 jaar general manager van Circuit Zolder was. Sinds 2007 heeft hij [bv E.] opgericht. Via deze firma organiseert hij voor klanten corporate events, doet hij begeleiding op vlak van brandactivatie en speelt hij ook een rol in muziekfestivals. Op die manier heeft hij ervaring in projectmanagement, het samenwerken met verschillende partners/ stakeholders en de evenementensector. Tijdens het interview werd nader gepeild naar de vereiste kennis en ervaring maar bleek hij echter geen idee te hebben van wat de opdracht inhoudt. Hij dacht dat het om een strategische, leidinggevende functie zou gaan. Wat niet het geval is. Er werd ook gevraagd naar welke specifieke rol [J.V.] opgenomen heeft bij de opgegeven referenties. Maar daar kon geen duidelijk antwoord worden op gegeven, waardoor de kennis en ervaring in vraag wordt gesteld. Op die manier schatten we de relevante werkervaring binnen de culturele publieksevenementen van deze kandidaat beperkt in. Daarnaast werd er ook naar zijn beschikbaarheid gepolst, gezien de offerte samen met zijn collega [W.X.] werd ingediend. Hij zou de opdracht voltijds opnemen maar zijn collega [W.] zou dit verder stofferen. Dit, in combinatie met het heel beperkte inzicht in de functie, geeft hij ons weinig vertrouwen dat hij fulltime beschikbaar zal zijn en dedicated op de opdracht zal kunnen werken, hetgeen toch noodzakelijk is. We kunnen daarom besluiten dat [J.V.] onvoldoende aan de gestelde (minimale) profielvereisten voldoet na het interview waardoor de score naar een onvoldoende wordt aangepast. Score: Gelet op deze beoordeling en de beoordelingsmethodiek scoort deze inschrijver redelijk goed en behaalt deze inschrijver een score van 42 op
- Op basis van het interview werd de score aangepast naar onvoldoende en 24 op
- Op die manier voldoet de inschrijver niet meer aan de minimale score van 42 en komt hij niet voor gunning in aanmerking.” De BV C. behaalt na het interview respectievelijk 42 punten voor de voorgestelde eventexpert O.D. en 30 punten voor de voorgestelde eventexpert R.V., waaruit de bestreden beslissing afleidt dat ook de offerte van deze inschrijver met eventexpert R.V. niet in aanmerking komt voor gunning. Van de twee overgebleven in aanmerking genomen inschrijvingen behaalt de CommV E. een score van (30,12 + 54,00 =) 84,12 punten en de BV C. met eventexpert O.D. (30,12 + 42,00 =) 72,12 punten, zodat de offerte van de CommV E. als de economisch meest voordelige wordt beschouwd. XIV-39.838-8/24 IV. Verzoek om vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. V. Ontvankelijkheid
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Dat is, zoals hierna zal blijken, niet het geval. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XIV-39.838-9/24 VII. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 66, 71 en 81 van de wet van 17 juni 2016 ‘betreffende de overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016), van artikel 68 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 april 2017), van het gelijkheidsbeginsel en van de formelemotiveringsplicht. Zij zet uiteen dat in het bestek van de opdracht wordt bepaald dat het gunningscriterium ‘kwaliteit’ onder meer wordt beoordeeld aan de hand van de referenties van de inschrijver, zonder dat hiervoor een motivering voorhanden is. Volgens de verzoekende partij zijn referenties een selectiecriterium en mogen zij in beginsel niet als gunningscriterium worden gebruikt. Selectiecriteria hebben immers betrekking op de geschiktheid, bekwaamheid en draagkracht van de persoon van de inschrijver, terwijl de gunningscriteria moeten toelaten de intrinsieke waarde van de offerte te beoordelen. Het valt weliswaar niet uit te sluiten dat ervaring en referenties toch een gunningscriterium uitmaken, doch enkel indien daardoor de intrinsieke kwaliteit van de offertes in het licht van de specificiteit van de opdracht op een differentiërende wijze kan worden aangetoond, wat bij een opdracht voor aanneming van diensten het geval kan zijn. In dergelijk geval wordt evenwel van de aanbestedende overheid verwacht dat zij zulks aantoont of dat duidelijk uit de dossierstukken blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan. In het bestek van de voorliggende opdracht zou een dergelijke motivering niet terug te vinden zijn. Hoe dan ook is het volgens de verzoekende partij niet verdedigbaar om referenties tegelijk als selectiecriterium en als gunningscriterium te hanteren. De verwerende partij zou alleszins nergens motiveren waarom zij dit wel mocht doen. XIV-39.838-10/24 Artikel 81, § 2, 3°, b), van de wet van 17 juni 2016, dat bepaalt dat de ervaring van het personeel voor de uitvoering van de opdracht kan worden gebruikt als gunningscriterium wanneer de kwaliteit van dat personeel een aanzienlijke invloed kan hebben op het niveau van de uitvoering van de opdracht, kan volgens de verzoekende partij niet worden ingeroepen ter rechtvaardiging van het bekritiseerde gunningscriterium, nu in dit criterium niet gevraagd wordt naar de ervaring van het personeel, maar naar minimum drie referenties van de inschrijver zelf. Beoordeling
- Artikel 66, § 1, van de wet van 17 juni 2016 bepaalt dat overheidsopdrachten worden gegund op basis van één of meerdere gunningscriteria, vastgesteld overeenkomstig artikel 81, mits de aanbestedende overheid erop heeft toegezien dat onder meer is voldaan aan de voorwaarde dat de offerte afkomstig is van een inschrijver die voldoet aan de door de aanbestedende overheid vastgestelde selectiecriteria. Op grond van artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 kunnen selectiecriteria betrekking hebben op onder meer de technische en beroepsbekwaamheid van de inschrijver. In artikel 68 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 wordt uiteengezet welke eisen de aanbestedende overheid daartoe kan stellen, waarbij onder meer wordt bepaald dat zij kan “eisen dat de ondernemers een voldoende mate van ervaring hebben die kan worden aangetoond met geschikte referenties inzake in het verleden uitgevoerde opdrachten”. Artikel 81, §§ 1 tot 3, van de wet van 17 juni 2016 luidt: “§
- De aanbestedende overheid baseert de gunning van overheidsopdrachten op de economisch meest voordelige offerte. §
- De economisch meest voordelige offerte uit het oogpunt van de aanbestedende overheid wordt, naar keuze, vastgesteld: 1° op basis van de prijs; 2° op basis van de kosten, rekening houdend met de kosteneffectiviteit, zoals de levenscycluskosten, overeenkomstig artikel 82; 3° rekening houdend met de beste prijs-kwaliteitsverhouding die bepaald wordt op basis van de prijs of de kosten alsook criteria waaronder kwalitatieve, milieu- en/of sociale aspecten, die verband ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.987 XIV-39.838-11/24 houden met het voorwerp van de betrokken opdracht. Het kan onder meer gaan om de volgende criteria: a) kwaliteit, waaronder technische verdienste, esthetische en functionele kenmerken, toegankelijkheid, geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers, sociale, milieu- en innovatieve kenmerken, de handel en de voorwaarden waaronder deze plaatsvindt; b) de organisatie, de kwalificatie en de ervaring van het personeel voor de uitvoering van de opdracht, wanneer de kwaliteit van dat personeel een aanzienlijke invloed kan hebben op het niveau van de uitvoering van de opdracht; c) klantenservice en technische bijstand, alsook leveringsvoorwaarden zoals de leveringsdatum, de leveringswijze en de leverings- of uitvoeringstermijn. […] §
- Gunningscriteria worden geacht verband te houden met het voorwerp van de overheidsopdracht wanneer zij betrekking hebben op de in het kader van die opdracht te verrichten werken, leveringen of diensten, in alle opzichten en in elk stadium van de levenscyclus ervan, met inbegrip van factoren die te maken hebben met: 1° het specifieke productieproces, het aanbieden of de verhandeling van deze werken, leveringen of diensten, of 2° een specifiek proces voor een andere fase van de levenscyclus ervan, zelfs wanneer deze factoren geen deel uitmaken van de materiële basis ervan. Gunningscriteria mogen er niet toe leiden dat de aanbestedende overheid onbeperkte keuzevrijheid heeft. Ze waarborgen de mogelijkheid van daadwerkelijke mededinging en gaan vergezeld van specificaties aan de hand waarvan de door de inschrijvers verstrekte informatie daadwerkelijk kan worden getoetst om te beoordelen in welke mate de offertes aan de gunningscriteria voldoen. […]” Uit deze bepaling blijkt dat het onderzoek van de offertes aan de hand van de gunningscriteria peilt naar de intrinsieke waarde van de offertes en dient te worden onderscheiden van de selectie van de kandidaten, die verband houdt met de bekwaamheid van de inschrijvers om de betrokken opdracht uit te voeren. Ook blijkt dat enkel gunningscriteria kunnen bepaald worden die verband houden met het voorwerp van de opdracht en ertoe strekken de economisch meest voordelige offerte te bepalen. Deze criteria moeten bovendien worden geformuleerd op een wijze waardoor alle redelijk geïnformeerde en zorgvuldige inschrijvers in staat zijn ze op dezelfde wijze te begrijpen. XIV-39.838-12/24
- Anders dan de verzoekende partij dit ziet, lijkt het bestek de gevraagde referenties als zodanig niet te beschouwen als een (sub)gunningscriterium. Het bestek bepaalt immers: “De beoordeling van [het gunningscriterium ‘kwaliteit’] wordt beoordeeld aan de hand van volgende bij de offerte toegevoegde documenten: • Het offerteformulier […] • Het uitgebreid curriculum vitae (cv) ; • Minimaal drie
(3)referenties uit de referentielijst volgens het referentieformulier van bijlage 3 bij dit bestek.” De referenties lijken hier dus op het eerste zicht niet meer te zijn dan een beoordelingselement, zijnde een element waarvan in het bestek wordt aangekondigd dat het wordt betrokken in de toets van de offerte aan een gunningscriterium, zonder dat het zelf een (sub)gunningscriterium uitmaakt waaraan een eigen relatief gewicht wordt toegekend in het kader van de beoordeling van de waarde van de offerte. In de omschrijving van het gunningscriterium ‘kwaliteit’ wordt uiteengezet dat hiermee wordt gepeild naar de ervaring en expertise van de voorgestelde eventexpert met betrekking tot de diensten die tot het voorwerp van de opdracht behoren, en de mate waarin die relevant zijn voor de verwerende partij en EventFlanders in het bijzonder, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de voorgestelde eventexpert beantwoordt aan de in het bestek opgenomen profielvereisten. Het lijkt in dit verband niet abnormaal dat de ervaring en expertise van de voorgestelde eventexpert – en de mate waarin hij beantwoordt aan de profielvereisten – getoetst wordt, niet enkel aan zijn curriculum vitae maar ook aan de inhoud van de opdrachten die als referentie worden opgegeven, met name om na te gaan in welke mate die referenties inhoudelijk relevant zijn voor de verwerende partij en EventFlanders in het bijzonder.
- De beoordeling van de referenties in het kader van het gunningscriterium ‘kwaliteit’ lijkt dan ook op het eerste zicht wel de intrinsieke waarde van de offerte te betreffen, en niet de technische bekwaamheid van de inschrijver om de opdracht uit te voeren. Het lijkt daarbij in het kader van dit XIV-39.838-13/24 gunningscriterium te gaan om de vraag in hoeverre de opgegeven referenties de ervaring en expertise kunnen aantonen van de eventexpert, zijnde de fysieke persoon die door de inschrijver in de offerte wordt voorgesteld om de taken van de opdracht uit te voeren. Uit het geheel van de bestekbepalingen lijkt afgeleid te kunnen worden dat het de inschrijver toekomt om in zijn offerte de eventexpert, een welbepaalde fysieke persoon, voor te stellen die de taken van de opdracht zal uitvoeren. Het is ook die fysieke persoon die dan lijkt te kunnen worden beschouwd als “het personeel” in de zin van artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, b), van de wet van 17 juni
- De omstandigheid dat dezelfde referenties ook gevraagd worden in het kader van de kwalitatieve selectie van de inschrijvers, lijkt hieraan niet in de weg te staan. De referenties dienen in dat kader immers een ander doel, namelijk de vraag of de inschrijver getuigt van de vereiste bekwaamheid om de opdracht uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 en artikel 68 van het koninklijk besluit van 18 april
- De verzoekende partij lijkt in het middel overigens geen kritiek te voeren op de formulering van het betrokken selectiecriterium in het bestek.
- Met de omschrijving van het gunningscriterium ‘kwaliteit’, gelezen in samenhang met de andere bestekbepalingen, in het bijzonder de bepalingen betreffende de profielvereisten en de vervanging van de eventexpert, en beschouwd in het licht van het voorwerp van de opdracht, lijkt op afdoende wijze te worden aangetoond dat de ervaring en expertise van de in te zetten eventexpert een aanzienlijke invloed kan hebben op het niveau van de uitvoering van de opdracht, in de zin van artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, b), van de wet van 17 juni
- Ten onrechte lijkt de verzoekende partij aan te voeren dat er op dit punt nog een verdere formele motivering vereist is in het bestek. Het lijkt te volstaan dat de aanzienlijke invloed van het personeel op het niveau van de uitvoering van de opdracht wordt aangetoond aan de hand van het geheel van de bestekbepalingen. XIV-39.838-14/24
- Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 4 en 81, § 1, van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het transparantiebeginsel en de formelemotiveringsplicht. Zij voert aan dat de verwerende partij de offertes met betrekking tot het gunningscriterium ‘kwaliteit’ niet op gelijke wijze heeft beoordeeld. De beoordeling van de offerte van de verzoekende partij, zoals neergeschreven in de bestreden beslissing, zou ten zeerste beperkt zijn en uitsluitend betrekking hebben op het curriculum vitae van J.V., terwijl de beoordeling van de offerte van de gekozen inschrijver ruimer zou zijn en tevens zou ingaan op de referenties die dan positief worden beoordeeld. De verzoekende partij wijst erop dat het bestek erin voorziet dat de offertes met betrekking tot het gunningscriterium ‘kwaliteit’ zouden beoordeeld worden aan de hand van het curriculum vitae alsook aan de hand van minimaal drie referenties van de inschrijver. De verwerende partij kon zich dan ook volgens de verzoekende partij niet beperken tot het curriculum vitae van J.V. maar moest ook haar referenties bij de beoordeling betrekken. Door dit niet te doen, zouden het gelijkheidsbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fectisti zijn miskend. Voorts zou volgens de verzoekende partij nergens gemotiveerd worden om welke reden haar voor dit gunningscriterium een initiële score werd gegeven van 42 punten, en de gekozen inschrijver een score kreeg van 54 punten. XIV-39.838-15/24 De verwerende partij zou echter ertoe gehouden zijn te motiveren waarom de offerte van de gekozen inschrijver een betere score ontving, en om die reden een concrete vergelijking tussen de offertes moeten bevatten. De bestreden beslissing bevat volgens de verzoekende partij enkel een beschrijving van de inhoud van de twee offertes wat dan plots zou resulteren in een score. De formelemotiveringsplicht en artikel 5, 9°, van de wet van 17 juni 2013 vereisen volgens de verzoekende partij echter dat de gunningsbeslissing een vergelijking van de offertes bevat. Nergens zou zijn verduidelijkt wat dan de relatieve voordelen zouden zijn van het aanbod van de gekozen inschrijver ten opzichte van het aanbod van de verzoekende partij. De verwerende partij zou per inschrijver louter een opsomming hebben gegeven van een aantal elementen uit de offerte zonder daaraan concreet een waardeoordeel toe te kennen, wat in strijd zou zijn met artikel 81 van de wet van 17 juni 2016 en de formelemotiveringsplicht. Minstens zou hieruit volgen dat de verwerende partij geen zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd. Beoordeling
- Het middel komt op tegen de beoordeling die de bestreden beslissing maakt van de offertes op het vlak van de kwaliteit ervan, zijnde het belangrijkste gunningscriterium. De aanbestedende overheid beschikt bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes en de toetsing ervan aan de gunningscriteria over een zekere vrijheid. Het staat aan die overheid om aan de hand van de beoordelingselementen die in het bestek zijn opgenomen te bepalen wat zij als sterke en zwakke punten in de offertes beschouwt en om de hiermee overeenstemmende punten toe te kennen. De Raad van State mag die beoordeling niet overdoen en een eigen beoordeling in de plaats stellen van die van de overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht kan de Raad desgevraagd wel nagaan of de beoordeling van de overheid berust op voldoende veruitwendigde en in feite en in rechte draagkrachtige motieven, of die motieven na een zorgvuldig onderzoek van het dossier tot stand zijn gekomen, en of de overheid de perken van haar beoordelingsruimte niet te buiten is gegaan. XIV-39.838-16/24
- De aanbestedende overheid lijkt daarbij enkel de motieven te moeten opgeven die de eindbeoordeling van de offertes schragen, en niet de motieven van een eventuele tussentijdse beoordeling op basis van een eerste onderzoek van de offerte. Wanneer, zoals hier, in het kader van de beoordeling van de offertes ook interviews worden georganiseerd met de door de inschrijvers voorgestelde eventexperten, lijkt het op het eerste zicht dan ook niet vereist te zijn dat motieven worden opgegeven voor de voorlopige scores die vóór die interviews werden gegeven, en volstaat de motivering die gegeven wordt voor de eindbeoordeling die na de interviews wordt gemaakt. De verzoekende partij overtuigt op het eerste zicht niet dat de omstandigheid dat niet afzonderlijk wordt gemotiveerd waarom aan haar offerte vóór het interview een voorlopige score van 42 punten werd gegeven, en aan de offerte van de gekozen inschrijver vóór het interview een voorlopige score van 54 punten werd gegeven, zou leiden tot de onregelmatigheid van de bestreden beslissing.
- In de eindbeoordeling van de offerte van de verzoekende partij die in de bestreden beslissing wordt gemaakt, lijkt wel degelijk aandacht te zijn besteed aan de referenties van de door de verzoekende partij voorgestelde eventexpert, waar gesteld wordt: “Tijdens het interview werd […] gevraagd naar welke specifieke rol [J.V.] opgenomen heeft bij de opgegeven referenties. Maar daar kon geen duidelijk antwoord worden op gegeven, waardoor de kennis en ervaring in vraag wordt gesteld. Op die manier schatten we de relevante werkervaring binnen de culturele publieksevenementen van deze kandidaat beperkt in.” De verwerende partij lijkt met andere woorden geen nood te hebben gehad aan een nader onderzoek van de opgegeven referenties (en met name in welke mate zij inhoudelijk relevant zouden zijn voor de verwerende partij en EventFlanders in het bijzonder) omdat niet kon worden achterhaald welke de specifieke rol was die de voorgestelde eventexpert J.V. heeft opgenomen bij die referenties. XIV-39.838-17/24 Het past hierbij eraan te herinneren dat, zoals uiteengezet bij de beoordeling van de ernst van het eerste middel, de referenties waarnaar gerefereerd wordt in het kader van het gunningscriterium ‘kwaliteit’, referenties lijken te moeten zijn van de voorgestelde eventexpert als fysieke persoon, en dat die referenties bovendien slechts een beoordelingselement lijken uit te maken, en geen (sub)gunningscriterium. Het lijkt de verwerende partij dan ook niet te behoren om in de kader van de toets van de offertes aan het gunningscriterium, de door de inschrijvers opgegeven referenties op eenzelfde wijze in de beoordeling te betrekken. Alleszins maakt de verzoekende partij op het eerste zicht niet aannemelijk dat het de verwerende partij niet toegelaten was om de inhoudelijke relevantie van de door de verzoekende partij opgegeven referenties niet verder te beoordelen nu was gebleken dat niet duidelijk was wat de specifieke rol was van de voorgestelde eventexpert bij die referenties.
- De motieven van de bestreden beslissing die betrekking hebben op de toets van de offertes aan het gunningscriterium ‘kwaliteit’ lijken op afdoende wijze de hogere score van de gekozen inschrijver in vergelijking tot de score van de verzoekende partij te kunnen verantwoorden. De verwerende partij lijkt daarbij op correcte wijze te zijn uitgegaan van de omschrijving van het gunningscriterium in het bestek, en rekening te hebben gehouden met de aldaar vermelde beoordelingselementen. De sterke en zwakke punten van de beide offertes op het vlak van de gevraagde kwaliteit lijken te zijn vermeld op een wijze dat de verzoekende partij kan begrijpen waarom haar offerte in vergelijking tot de offerte van de gekozen inschrijver een lagere score behaalde. Ook al worden de inschrijvers in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk onderling met elkaar vergeleken, toch lijkt uit de motieven van de individuele beoordelingen te kunnen worden afgeleid dat een vergelijking wel degelijk heeft plaatsgevonden.
- De verzoekende partij overtuigt op het eerste zicht niet dat de verwerende partij bij de toets van de offertes aan het gunningscriterium ‘kwaliteit’ haar beoordelingsmarge heeft overschreden en de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen heeft geschonden. XIV-39.838-18/24 Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 4 en 81, § 3, van de wet van 17 juni 2016, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van eerlijke mededinging, het transparantiebeginsel, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, en de formele- en materiëlemotiveringsplicht. De verzoekende partij hekelt in het middel vooreerst de omstandigheid dat de offertes klaarblijkelijk werden beoordeeld door een jury bestaande uit S.L. en E.B.. Beide juryleden zouden lid zijn van hetzelfde team binnen de verwerende partij waarvan B.H. (de door de gekozen inschrijver voorgestelde eventexpert) al sinds maart 2021 ook deel uitmaakt. De twee juryleden en B.H. zouden aldus sedertdien dagelijks samenwerken. Nergens zou gemotiveerd worden hoe in zulke omstandigheden een objectieve en onpartijdige vergelijking van de offertes kan gegarandeerd worden. De omstandigheid dat de jury werd samengesteld uit personen die erg nauw betrokken zijn bij een bepaalde inschrijver, getuigt volgens de verzoekende partij niet van de vereiste zorgvuldigheid en is strijdig met het transparantiebeginsel. De verwerende partij motiveert niet waarom niet kon worden voorzien in een andere samenstelling van de jury. Vervolgens stelt de verzoekende partij vast dat de verwerende partij bij de beoordeling van haar offerte voor het gunningscriterium ‘kwaliteit’ een aftrek van punten heeft doorgevoerd na het interview (van 42 naar 24 punten), terwijl in het bestek uitdrukkelijk wordt bepaald dat het interview enkel kan leiden tot het behoud of een verhoging van de eerste score op het kwaliteitscriterium. Ten slotte voert de verzoekende partij aan dat de motieven van de bestreden beslissing onjuist zijn, nu in tegenstelling tot wat hierin wordt gesteld ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.987 XIV-39.838-19/24 tijdens het interview nooit gevraagd werd welke specifieke rol J.V. heeft opgenomen bij de opgegeven referenties. Ook zou het gebrek aan vertrouwen dat J.V. voltijds beschikbaar zou zijn, niet overeenstemmen met de verbintenis die de inschrijver in de offerte is aangegaan om de opdracht voltijds op te nemen. Dat J.V. geen idee zou hebben van wat de opdracht inhoudt, en een beperkt inzicht zou hebben, is volgens de verzoekende partij ook volstrekt onjuist. De weergave van het interview in de bestreden beslissing en het verslag van de jury zouden niet met de realiteit stroken. Beoordeling
- De verzoekende partij voert niet aan dat de tussenkomst van S.L. en E.B. in de plaatsingsprocedure leidt tot een belangenconflict dat door artikel 6 van de wet van 17 juni 2016 wordt verboden. Zij lijkt enkel aan te voeren dat die tussenkomst leidt tot een schending van het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van eerlijke mededinging, het transparantiebeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht. De beginselen van gelijkheid, eerlijke mededinging en transparantie houden in dat inschrijvers in het kader van een plaatsingsprocedure dezelfde eerlijke kansen krijgen om de opdracht in de wacht te slepen, en hebben tot doel elke vorm van favoritisme uit te sluiten. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. De beslissing moet berusten op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid worden vastgesteld. De materiëlemotiveringsplicht betekent dat de bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn, en die daarom, naar aanleiding van het wettigheidstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd aan de hand van de gegevens van het administratief dossier.
- Wanneer de overheidsopdracht betrekking heeft op consultancy, nadat de termijn is verstreken van een vorige gelijkaardige opdracht, en waarbij het profiel van de consultant als fysieke persoon belangrijk is het kader van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.987 XIV-39.838-20/24 uitvoering, lijkt het onvermijdelijk dat de consultant die de vorige opdracht heeft uitgevoerd, in het kader van die vorige opdracht nauw heeft samengewerkt met personeelsleden van de aanbestedende overheid. Uit de voormelde beginselen lijkt echter niet te kunnen worden afgeleid dat het in een dergelijke situatie zou verboden zijn dat personeelsleden die in die hoedanigheid nauw hebben samengewerkt met de bedoelde consultant, zouden tussenkomen in de nieuwe plaatsingsprocedure wanneer die consultant wordt voorgesteld voor de uitvoering van de nieuwe opdracht. Het lijken immers precies ook die personeelsleden te zijn die een goed zicht hebben op de door de consultant uit te voeren taken en wiens inzichten bijzonder waardevol kunnen zijn voor de aanbestedende overheid. Wel lijken die beginselen in te houden dat de aanbestedende overheid de nodige aandacht besteedt aan het vermijden van situaties die een schijn van partijdigheid of favoritisme kunnen opwekken, met name door het volgen van een objectieve en eenvormige procedure die aan alle inschrijvers gelijke informatie en kansen verschaft.
- Uit de gegevens van het administratief dossier lijkt niet te kunnen worden afgeleid dat de bestreden beslissing genomen werd op basis van een bindend advies van een jury. S.L. en E.B. worden in het dossier genoemd als de personen die de interviews hebben afgenomen van de voorgestelde eventexperts en de verslagen van die interviews hebben opgesteld. S.L. wordt verder vermeld als de ‘voorzitter van het beoordelingsteam’ die de tekst van de gemotiveerde gunningsbeslissing ter goedkeuring heeft voorgelegd aan de budgethouder van de verwerende partij, de dienst Juridische Zaken en Overheidsopdrachten van de verwerende partij, de organisatiemanager van de verwerende partij, en ten slotte aan de waarnemend administrateur-generaal van de verwerende partij. Voorts blijkt uit het administratief dossier dat de interviews met de verschillende kandidaat-eventexperten werden afgenomen op basis van een vast sjabloon waarbij dezelfde, vooraf opgestelde, vragen werden gesteld aan elke voorgestelde eventexpert. De inschrijvingen werden vervolgens ook op het vlak van de kwaliteit beoordeeld aan de hand van een vooraf vastgestelde ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.987 XIV-39.838-21/24 waarderingsschaal. Er lijkt geen enkel gegeven voorhanden te zijn waaruit zou blijken dat de genoemde personen de hun opgedragen taken binnen het ‘beoordelingsteam’ op een partijdige wijze zouden hebben uitgevoerd. Uit voormelde gegevens lijkt niet te kunnen worden afgeleid dat de tussenkomst van D.L. en E.B. in de plaatsingsprocedure aanleiding kan hebben gegeven tot het wekken van een schijn van partijdigheid of favoritisme. Het volgen van het vast stramien bij het afnemen van de interviews, en de tussenkomst van verschillende andere diensten aan wie de voorgestelde gunningsbeslissing ter goedkeuring werd voorgelegd alvorens zij ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de waarnemend administrateur-generaal, lijken op voldoende wijze te waarborgen dat de omstandigheid dat de personeelsleden in kwestie in het verleden hebben samengewerkt met één van de inschrijvers, aan die inschrijver geen onrechtmatig voordeel heeft verschaft. De verzoekende partij lijkt niet te kunnen aantonen dat voormelde beginselen werden geschonden. Ten onrechte lijkt de verzoekende partij nog voor te houden dat in de bestreden beslissing of in het administratief dossier op formele wijze moest worden gemotiveerd hoe in deze situatie een objectieve en onpartijdige vergelijking van de offertes kan worden gegarandeerd. Het lijkt te volstaan dat de gegevens van het administratief dossier aantonen dat voldoende waarborgen werden geboden voor de gelijke behandeling van de inschrijvers, wat hier het geval lijkt te zijn, zonder dat hieraan nog een bijzondere motivering diende te worden gewijd.
- De verzoekende partij lijkt geen belang te hebben bij de kritiek dat het de verwerende partij verboden was om haar score op het gunningscriterium ‘kwaliteit’ na het interview te verlagen. Indien deze score niet was verlaagd, zou de verzoekende partij immers voor dit criterium 42 punten hebben behaald. Uit het gebrek aan ernst van het tweede middel volgt dat de verzoekende partij op het eerste zicht niet aantoont dat het onwettig is om haar voor dit criterium een lagere score te geven dan de gekozen inschrijver. Opgeteld bij de niet-bekritiseerde punten van deze inschrijvers voor het gunningscriterium ‘prijs’, blijkt de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.987 XIV-39.838-22/24 verzoekende partij, indien zij voor het kwaliteitscriterium 42 punten had gekregen, dan op een totaalscore te komen van 82 punten, wat lager is dan de totale score van de gekozen inschrijver van 84,12 punten. De eventuele gegrondheid van de kritiek van de verzoekende partij op de verlaging van haar score op dit gunningscriterium, lijkt aldus niet te kunnen leiden tot de bevinding dat zij de economisch meest voordelige offerte heeft ingediend.
- Wat ten slotte de kritiek betreft van de verzoekende partij op de motieven van de bestreden beslissing die betrekking hebben op het interview met de door haar voorgestelde eventexpert J.V., lijkt de verzoekende partij ten onrechte ervan uit te gaan dat die motieven de letterlijke weergave betreffen van hetgeen tijdens het interview werd gezegd. Wanneer gesteld wordt dat J.V. “geen idee (bleek) te hebben van wat de opdracht inhoudt” en “geen duidelijk antwoord kon geven (op de vraag) naar welke specifieke rol (hij) opgenomen heeft bij de opgegeven referenties”, lijkt het immers louter te gaan om gevolgen die de verwerende partij verbindt aan de verklaringen van J.V. en niet om de letterlijke weergave van die verklaringen. Het lijkt op basis van het interviewverslag in het administratief dossier weliswaar juist te zijn dat J.V. niet letterlijk werd gevraagd “naar welke specifieke rol (hij) opgenomen heeft bij de opgegeven referenties”, maar die vraag lijkt wel impliciet te zijn begrepen in de algemene vraag naar de voorstelling van de kandidaat en de eerdere werkervaring, waarna J.V. blijkens dat interviewverslag niet is ingegaan op de referenties in de offerte van de verzoekende partij en veeleer gewezen heeft op zijn ervaring in het kader van sportevenementen. De bevinding dat J.V. geen duidelijkheid heeft verschaft bij zijn specifieke rol in de referenties die bij de offerte werden opgegeven, lijkt aldus niet onjuist te zijn. De verzoekende partij beperkt zich verder tot het louter tegenspreken van de bevindingen die de verwerende partij heeft afgeleid uit de antwoorden van J.V., doch lijkt hiermee niet aan te tonen dat die bevindingen onjuist zijn of zouden berusten op een onzorgvuldige beoordeling van zijn verklaringen.
- Het middel is niet ernstig. XIV-39.838-23/24 VIII. Besluit
- Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Francis Van Nuffel XIV-39.838-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.987 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div