← België

Arrest 263991 - Overheidsopdrachten - 30/07/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.991 Rolnummer: A. 245274/XIV-39846 Zaak: Arrest 263991 - Overheidsopdrachten - 30/07/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-07-31 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-06-16 03:03 Fiche Arrest nr 263.991 van 30 juli 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 263.991 van 30 juli 2025 in de zaak A. 245.274/XIV-39.846 In zake: de BV W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD KORTRIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 11 juli 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Kortrijk van 17 juni 2025, waarbij de offerte van verzoekster niet wordt geselecteerd en waarbij de opdracht ‘P.R. 2023/3046 - Reinigen en inspecteren van riolen 2025’ wordt gegund aan de nv D.B.S. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 11 juli 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-39.846-1/17 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 juli 2025, om 11u30 uur. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Fien Duymelinck, die loco advocaat Dirk Van Heuven verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Op 10 maart 2025 schrijft het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij een overheidsopdracht uit voor diensten met als voorwerp ‘Reinigen en inspecteren van riolen 2025’. 3.
  5. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. De opdracht wordt alleen nationaal bekendgemaakt. 3.3.
  6. De opdracht is onderworpen aan het bestek met referentie P.R. 2023/
  7. XIV-39.846-2/17 Het voorwerp wordt daarin (punt ‘I.1 Beschrijving van de opdracht’) als volgt omschreven: “Het onderzoeken, na het voorafgaand reinigen, van diverse rioleringen verspreid over het grondgebied van de stad Kortrijk gedurende een periode van 1 jaar.”. Het betreft een opdracht tegen prijslijst. 3.3.
  8. In het deel ‘I. Administratieve bepalingen’ van het bestek wordt onder punt ‘I.5 Uitsluitingsgronden en kwalitatieve selectie’ met betrekking tot de “[t]echnische en beroepsbekwaamheid van de inschrijver (selectiecriteria)” het volgende gesteld : Nr. Selectiecriteria Minimumvereisten * Een lijst met de bezetting en de studie- en beroepskwalificaties van al het tewerkgesteld personeel of in onderaanneming, een volledig gedetailleerde beschrijving, inbegrepen organigram van het bedrijf (organisatie) met inbegrip van de infrastructuur en de technische middelen, mogelijkheden en bijzondere vaardigheden om de opdracht naar behoren en kwaliteitsvol te kunnen uitvoeren. * Geef een overzicht van de kwalificaties van het personeel die de opdracht zullen uitvoeren. Hierbij wordt gedacht aan bijvoorbeeld volgende zaken: * beschikt het uitvoerend personeel over het 1 veiligheidsattest voor werken in besloten ruimtes? nihil * Inschrijver beschikt over het ISO 17025 – certificaat om rioolonderzoeken uit te voeren volgens NBN – EN 13508-
  9. Voeg een kopie van dit certificaat toe aan de inschrijving. * De operators en hun medewerker(s) bezitten de nodige vakbekwaamheid voor de uit te voeren onderzoeksopdrachten. Elke persoon die een onderzoek uitvoert of beoordeelt volgens de norm NBN – EN 13508-2 beschikt over een attest die aantoont dat hij/zij een cursus heeft gevolgd waarvan het opleidingsprogramma werd goedgekeurd door de stuurgroep van het SB
  10. Voeg een kopie van dit certificaat toe. Geef tevens een overzicht van de eventueel gevolgde opfrissingscursussen. XIV-39.846-3/17 3.3.
  11. Onder punt ‘I.6 Vorm en inhoud van de offerte’ is met betrekking tot ‘onderaanneming’ te lezen wat volgt: “De inschrijver vermeldt in zijn offerte welk gedeelte van de opdracht hij voornemens is in onderaanneming te geven en welke onderaannemers hij voorstelt, indien deze gekend zijn.” 3.3.
  12. Onder punt ‘I.10 Gunningscriteria’ wordt het volgende vermeld: “Prijs is het enige gunningscriterium. De aanbestedende overheid kiest de economisch meest voordelige offerte, vastgesteld op basis van de prijs.” 3.
  13. Vier kandidaten – onder wie verzoekster – dienen een offerte in. 3.
  14. Op 17 juni 2025 beslist het college van burgemeester en schepenen om onder meer verzoekster niet te selecteren. Zij “voldoe[t] niet aan de kwalitatieve selectie”. Daaromtrent wordt overwogen wat volgt: “[Verzoekster] wil samenwerken met [X] voor wat betreft het deel waarvoor een ISO certificaat vereist is. Zelf beschikken ze niet over het betrokken certificaat. Hierdoor dient men beroep te doen op de draagkracht van een firma om aan [het] betrokken selectiecriterium te voldoen. Echter doet een andere inschrijver al beroep op de draagkracht van [X]. Er kunnen geen twee firma’s beroep doen op de draagkracht van [X].” Met hetzelfde besluit wordt de opdracht gegund aan de nv D.B.S. In dat ene besluit onderkent verzoekster de twee door haar bestreden beslissingen. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  15. Verzoekster en de verwerende partij vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. XIV-39.846-4/17 Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  16. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van de middelen
  17. Omdat het tweede middel van aard is de meest ruime schorsing op te leveren, komt het gepast voor dit eerst te onderzoeken. A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  18. Het tweede middel is geput uit de schending van de artikelen 4, eerste lid, en 61 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), van de artikelen 22 – “in samenhang met bijlage 4” – en 7, § 11, 2°, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), van het gelijkheidsbeginsel en van het transparantiebeginsel. XIV-39.846-5/17 Verzoekster vat dit middel zelf samen als volgt: “Doordat, in toepassing van het transparantiebeginsel en het gelijkheidsbeginsel opgenomen in artikel 4, eerste lid, van de Wet van 17 juni 2016, de bekendmaking van een overheidsopdracht de wezenlijke contractvoorwaarden dient te vermelden, nu op basis van deze bepalingen alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers in staat moeten zijn om de omvang en de kenmerken van een overheidsopdracht in te schatten en te interpreteren (zie hieromtrent HvJ 17 juni 2021, C-23/20 en HvJ, 5 juni 2025, C-82/24); Doordat artikel 61 van de Wet van 17 juni 2016, zoals verder uitgewerkt in artikel 22 van het Koninklijk Besluit van 18 april 2017 in samenhang met bijlage 4, bepaalt welke vermeldingen de aankondiging van een overheidsopdracht moet bevatten; Terwijl, enerzijds, de aankondiging van de Opdracht bepaalt dat de looptijd van de Opdracht twaalf

(12)maanden is, doch, anderzijds, op basis van de randnummers van het Bestek, m.n. I.14 en II.7, de Opdracht wordt gesloten voor onbepaalde duur, m.n. een eerste termijn van twaalf
(12)maanden, die, behoudens een opzegging, telkens opnieuw voor opeenvolgende termijnen van twaalf
(12)maanden wordt verlengd; Zodat, bijgevolg, in het licht van de tegenstrijdigheid tussen de bepalingen inzake de looptijd van de Opdracht – zijnde een wezenlijke bepaling van de Opdracht – zoals opgenomen, enerzijds, in de aankondiging van de Opdracht en, anderzijds, in het Bestek, een schending van artikel 4, eerste lid, van de Wet van 17 juni 2016 voorligt, m.n. het transparantiebeginsel en het gelijkheidsbeginsel, zoals geïnterpreteerd uitgaande van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie; Zodat, bovendien, de raming van de Opdracht, uitgaande van één
(1)jaar – zoals opgenomen in het Verslag van Nazicht – gebrekkig is, zodat een schending voorligt van artikel 7, § 11, 2°, van het Koninklijk Besluit van 18 april 2017; Zodat het hierbij gaat om een ernstige wettigheidskritiek betreffende de aankondiging van de Opdracht en het Bestek, die […] nog op ontvankelijke wijze door [verzoekster] kan worden opgeworpen ten aanzien van de Tweede Bestreden Beslissing”. Beoordeling
  1. De kritiek die verzoekster in haar tweede middel aanvoert, komt op het eerste gezicht erop neer dat zij, wat de looptijd van de opdracht betreft, een “substantiële tegenstrijdigheid” ziet tussen de aankondiging van de opdracht en de bestekbepalingen op grond waarvan de inschrijvers hun offerte hebben ingediend. Zij betoogt dat de inschrijvers op die manier werden misleid. XIV-39.846-6/17 9.
  2. In de aankondiging luidt de opdracht ‘Reinigen en inspecteren van riolen 2025’, waarbij de beschrijving leert dat het gaat om “[h]et onderzoeken, na voorafgaand reinigen, van diverse rioleringen verspreid over het grondgebied van de stad Kortrijk gedurende een periode van 1 jaar”. Als looptijd staat vermeld: “12 [m]aand”. 9.
  3. Ook in het bestek onder punt ‘I.1 Beschrijving van de opdracht’ is de opdracht getiteld ‘Reinigen en inspecteren van riolen 2025’. De beschrijving aldaar is identiek aan deze in de aankondiging en bepaalt dat de opdracht “een periode van 1 jaar” omvat. In punt ‘II.7 Looptijd’ wordt de “[t]ermijn in maanden” uitgedrukt als volgt: “12 maanden”. 9.
  4. Aldus lijkt de conclusie tot daar te moeten zijn dat de beide documenten op het vlak van de looptijd van de opdracht gelijkluidend zijn. 10.
  5. Verzoekster refereert evenwel aan de nadere toelichting bij punten ‘II.7 Looptijd’ en ‘I.14 Jaarlijkse opzegbaarheid’ van het bestek. 10.
  6. In punt ‘II.7 Looptijd’ is, na vermelding van de looptijd van “12 maanden”, nog opgenomen wat volgt: “De eerste 12 (twaalf) maanden gaan in bij de betekening van de opdracht. De aannemer is verplicht de werken aan te vangen op de dag die hem wordt meegedeeld en deze regelmatig voort te zetten zodat zij volledig binnen de contractueel bedongen uitvoeringstermijn zullen voltooid zijn.” In punt ‘I.14 Jaarlijkse opzegbaarheid’ is te lezen wat volgt: “De eerste 12 (twaalf) maanden gaan in bij de betekening van de opdracht. Het bestuur heeft evenwel de mogelijkheid om na deze periode van 12 (twaalf) maanden eenzijdig en zonder enige vorm van schadevergoeding aan de inschrijver, de lopende overeenkomst te beëindigen. Dit evenwel per periode van 1 (één) jaar.” XIV-39.846-7/17 10.
  7. In de enkele toevoeging van het woord “eerste” bij de vastgestelde looptijd van twaalf maanden of één jaar, leest de Raad van State vooralsnog niet de bedoeling van de verwerende partij om een opdracht voor méér dan één jaar te sluiten – wat zij, zo lijkt, met de bestreden beslissing ook niet heeft gedaan. Veeleer lijkt het te gaan om een materiële vergissing of een hergebruik van deze bepaling uit een eerder bestek. De bepaling dat voor het bestuur in de “mogelijkheid” is voorzien om “na deze periode van 12 (twaalf) maanden eenzijdig en zonder enige vorm van schadevergoeding aan de inschrijver, de lopende overeenkomst te beëindigen”, is prima facie zonder voorwerp, precies omdat, zoals gezien, in punt ‘II.7 Looptijd’ erop wordt aangedrongen dat de werken een aanvang nemen op de dag die aan de aannemer wordt meegedeeld “zodat [deze werken] volledig binnen de contractueel bedongen uitvoeringstermijn zullen voltooid zijn”. Dit is, zo lijkt, op grond van het bestek binnen een termijn van twaalf maanden.
  8. Aldus lijkt verzoekster uit te gaan van een verkeerde vooronderstelling, zodat het middel op het eerste gezicht faalt. In de huidige stand van de rechtspleging is de Raad van State van oordeel dat verzoekster niet ervan overtuigt dat de inschrijvers niet op een voldoende duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze in de aankondiging van de opdracht en in het bestek de looptijd van de opdracht hebben kunnen vernemen. Evenmin lijkt zij aan te tonen dat de inschrijvers, als behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende ondernemers, de juiste draagwijdte ervan niet konden begrijpen of deze op een andere manier konden interpreteren.
  9. Het tweede middel is niet ernstig. XIV-39.846-8/17 B. Eerste middel Standpunt van de partijen
  10. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 4, eerste lid, en 78 van de wet overheidsopdrachten 2016, van artikel 68, § 3, en § 4, 10°, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van punt ‘I.10’ van het bestek juncto artikel 81, § 1, en § 2, eerste lid, 1°, van de wet overheidsopdrachten 2016, van het gelijkheidsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het evenredigheidsbeginsel en van het transparantiebeginsel. Verzoekster vat het middel zelf samen als volgt: “Doordat de Eerste Bestreden Beslissing de offerte van Verzoekende Partij niet selecteert op basis van het motief dat de in haar offerte opgenomen onderaannemer voor het onderdeel van de Opdracht waarvoor een ISO 17025-certificaat is vereist, m.n. [X], klaarblijkelijk ook een verklaring van draagkracht heeft afgeleverd aan een andere inschrijver […]; Terwijl, zoals door de raadsman van Verwerende Partij intussen werd bevestigd […], een onderneming in het kader van een plaatsingsprocedure voor een overheidsopdracht aan verschillende inschrijvers haar draagkracht kan ter beschikking stellen, dan wel als onderaannemer kan worden voorgesteld, nu een dergelijke verbintenis wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde van de gunning van de betrokken Opdracht aan de betreffende inschrijvers, waarbij deze verbintenis bijgevolg enkel uitvoerende en bindende kracht zal verwerven ten aanzien van de inschrijver aan wie de Opdracht uiteindelijk wordt gegund; Terwijl, bovendien, in haar offerte Verzoekende partij [X] heeft opgenomen als onderaannemer, waarbij een door de partijen ondertekende aannemingsovereenkomst werd toegevoegd en waarbij [X] zich ertoe verbindt, ingeval van gunning aan Verzoekende Partij, om het onderdeel van de Opdracht uit te voeren waarvoor een ISO 17025-certificaat vereist is overeenkomstig het Bestek; Zodat Verzoekende Partij, in toepassing van artikel 78 van de Wet van 17 juni 2016 in samenhang met artikel 68, § 3, juncto § 4, 10°, van het Koninklijk Besluit van 18 april 2017, heeft aangetoond dat haar offerte XIV-39.846-9/17 voldoet aan het betreffende selectiecriterium inzake technische en beroepsbekwaamheid, opgenomen onder randnr. I.5 van het Bestek […]; Zodat, bijgevolg, de Eerste Bestreden Beslissing, m.n. de niet-selectie van Verzoekende Partij, voormelde wettelijke bepalingen schendt, in samenhang met het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel, waarbij derhalve de materiële motivering de wettigheidstoets niet doorstaat; Zodat de Tweede Bestreden Beslissing, d.i. de gunning van de Opdracht aan Belanghebbende Partij op grond van artikel I.10 van het Bestek juncto artikel 81, § 1 en § 2, eerste lid, 1°, van de Wet van 17 juni 2016, onwettig is, nu de offerte van Verzoekende Partij de laagste inschrijvingsprijs bevat, die het nauwst aansluit bij de door Verwerende Partij geraamde waarde van de Opdracht[.]”
  11. De verwerende partij verwijst in haar nota met opmerkingen vooreerst naar het verbod op meervoudige inschrijving zoals neergelegd in artikel 54, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing
  12. Volgens de verwerende partij is de opdracht om de riolen te “onderzoeken” prioritair ten opzichte van de opdracht om ze te “reinigen”. Het is ook voor de onderzoeksopdracht dat een ISO-certificaat is vereist. De verwerende partij betoogt dat daarom te dezen het voormelde verbod geldt. Er anders over oordelen zou, nog steeds volgens de verwerende partij, misbruik toelaten, waarbij de eigenlijke hoofdaannemer zich als onderaannemer via meerdere offertes aanbiedt. De verwerende partij voegt daaraan nog toe dat dit ook tot de niet-selectie van de ándere inschrijver die een beroep doet op de betrokken onderaannemer, had moeten leiden. Evenwel ziet de verwerende partij niet in hoe verzoekster belang erbij heeft om zich erover te beklagen dat alleen zij op die grond niet werd geselecteerd, nu die andere inschrijver al om een andere reden is uitgesloten. De verwerende partij wijst voorts erop dat in het verslag van nazicht terecht wordt aangegeven dat bij de offerte van verzoekster geen uitdrukkelijke verbintenis van de betrokken onderaannemer voorligt om de voor de opdracht noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen. De aannemingsovereenkomst die verzoekster bij haar offerte heeft gevoegd, is niet gedateerd, bevat geen prijs en spreekt niet over de middelen waarop een beroep kan worden gedaan, zo doet de verwerende partij gelden. Dit kan voor haar “onmogelijk” een afdwingbare overeenkomst zijn. XIV-39.846-10/17 De verwerende partij merkt vervolgens op dat, mocht zij ingevolge een schorsing of nietigverklaring ertoe gehouden zijn het regelmatigheidsonderzoek van de offertes over te doen, zij moet concluderen dat de offerte van verzoekster onregelmatig is “omdat, op één na, geen van de ingezette combivoertuigen beantwoordt aan de technische bepalingen […] van het bestek”. Dat is volgens de verwerende partij reden om verzoekster het belang bij het middel te ontzeggen. Ten overvloede, zo besluit de verwerende partij, zou aan verzoekster bij het ontvankelijk bevinden van haar offerte, moeten worden gevraagd om haar totaalprijs te verantwoorden. Immers, deze totaalprijs wijkt meer dan 15% af van de gemiddelde prijs. Beoordeling
  13. In het verslag van nazicht van de offertes van 2 juni 2025 wordt de uitsluiting van verzoekster van de selectie als volgt gemotiveerd: “[Verzoekster] wil samenwerken met [X] voor wat betreft het deel waarvoor een ISO certificaat vereist is. Zelf beschikken ze niet over het betrokken certificaat. Hierdoor dient men beroep te doen op de draagkracht van een firma om aan [het] betrokken selectiecriterium te voldoen. Echter doet een andere inschrijver al beroep op de draagkracht van [X]. Er kunnen geen twee firma’s beroep doen op de draagkracht van [X].” De bestreden beslissing neemt dat motief op het eerste gezicht woordelijk over.
  14. Uit het administratief dossier blijkt dat zowel verzoekster als een andere inschrijver in hun offertes een beroep doen op dezelfde onderaannemer voor het onderzoeksgedeelte van de betrokken opdracht. XIV-39.846-11/17
  15. Aan de Raad van State is vooralsnog geen bepaling of beginsel bekend waaruit voor een onderaannemer het verbod volgt om zijn diensten aan meerdere inschrijvers aan te bieden. In de bestreden beslissing wijst de verwerende partij op het eerste gezicht ook niet op een dergelijke bepaling of een dergelijk beginsel. Evenmin lijkt een dergelijk verbod terug te vinden in de bepalingen van het toepasselijke bestek. Die vaststelling volstaat prima facie om het enige motief voor de uitsluiting van verzoekster niet-deugdelijk te noemen. 18.
  16. Om van het tegendeel te overtuigen, refereert de verwerende partij vooreerst aan de bepalingen van artikel 54, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, die als volgt luiden: “Een inschrijver kan slechts één offerte per opdracht indienen of, in geval van concurrentiegerichte dialoog, per aanvaarde oplossing. De indiening van de initiële offerte belet echter niet dat, voor zover toegelaten in de betreffende plaatsingsprocedure, onderhandelingen worden gevoerd en daaropvolgende offertes worden ingediend, noch dat de definitieve offerte wordt ingediend.” 18.
  17. In de huidige stand van de rechtspleging overtuigt de verwijzing naar die bepalingen niet. Immers, niet de ene onderaannemer, maar wél verzoekster en een andere kandidaat lijken de inschrijvers te zijn. Zíj hebben op het eerste gezicht elk slechts één offerte voor de betrokken opdracht ingediend – zij het met dezelfde onderaannemer – zodat aan het vereiste van artikel 54, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 lijkt te zijn voldaan. XIV-39.846-12/17 18.
  18. Dat de onderzoeksopdracht “duidelijk prioritair” is, doet vooralsnog niet anders besluiten. Immers, er moet worden vastgesteld, zo lijkt, dat het bestek in punt ‘I.6 Vorm en inhoud van de offerte’ uitdrukkelijk toelaat dat (minstens) een gedeelte van de opdracht in onderaanneming wordt gegeven. Alsdan lijkt de redenering van de verwerende partij dat een onderaannemer, omdat hij wordt ingeschakeld voor wat zij als het “prioritaire” gedeelte van de opdracht beschouwt, deze hoedanigheid verliest en van de weeromstuit als hoofdaannemer of zelfs als ‘inschrijver’ moet worden gekwalificeerd, niet op te gaan. In ieder geval maakt de verwerende partij prima facie nergens aan de hand van concrete en precieze gegevens aannemelijk dat bij haar de terechte vrees kon ontstaan dat het verbod zoals vastgelegd in artikel 54, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, werd omzeild. 18.
  19. Overigens is van deze argumentatie op het eerste gezicht geen spoor te bekennen in de bestreden beslissing en lijkt het bijgevolg te gaan om een motivering a posteriori, waarmee de Raad van State geen rekening mag houden. 19.
  20. Dat laatste geldt, zo lijkt, eveneens voor het argument van de verwerende partij dat de door verzoekster voorgebrachte aannemingsovereenkomst geen afdwingbare overeenkomst zou zijn. Daarover is in de bestreden beslissing niets terug te vinden. Om dezelfde reden als hiervóór gezien, mag de Raad van State daarmee derhalve geen rekening houden. 19.
  21. Louter ten overvloede, bedenkt de Raad van State nog dat het betoog van de verwerende partij op dat vlak feitelijke grondslag lijkt te missen. XIV-39.846-13/17 Bij haar offerte heeft verzoekster een ondertekende aannemingsovereenkomst tussen haar en de betrokken onderaannemer gevoegd. Daarin verbinden beide partijen zich ertoe “[i]n geval van gunning van deze opdracht aan [verzoekster], […] te zullen samenwerken voor de uitvoering van de opdracht”, waarbij de onderaannemer “meer specifiek de posten van de opdracht [zal] uitvoeren die betrekking hebben op visueel onderzoek volgens ISO 17025 en geaccrediteerd volgens NBN EN 13508-2”. Waarom dat niet zou volstaan en waarom “de middelen […] waarop beroep kan worden gedaan”, de prijs en de datum van de overeenkomst ook noodzakelijk medegedeeld moeten worden en waarom het onvermeld blijven van deze elementen in de overeenkomst afbreuk zou doen aan de geldigheid ervan, maakt de verwerende partij, zo lijkt, niet duidelijk en is voor de Raad van State evenmin spontaan zichtbaar. Immers, naar luid van punt ‘I.6 Vorm en inhoud van de offerte’, volstaat het dat “[d]e inschrijver […] in zijn offerte [vermeldt] welk gedeelte van de opdracht hij voornemens is in onderaanneming te geven en welke onderaannemers hij voorstelt, indien deze gekend zijn”. 19.
  22. Een en ander klemt op het eerste gezicht des te meer, nu de verwerende partij na het indienen van de offerte aan verzoekster heeft gevraagd om bijkomende documenten te bezorgen, namelijk “[e]en lijst met de bezetting en de studie- en beroepskwalificaties van al het tewerkgesteld personeel of in onderaanneming, een volledig gedetailleerde beschrijving, inbegrepen organigram van het bedrijf (organisatie) met inbegrip van de infrastructuur en de technische middelen, mogelijkheden en bijzondere vaardigheden om de opdracht naar behoren en kwaliteitsvol te kunnen uitvoeren”. Daarop is, zo lijkt, van de zijde van verzoekster wel degelijk een antwoord gekomen, meer in het bijzonder ook wat “de infrastructuur en de XIV-39.846-14/17 technische middelen” betreft waarop zij via de betrokken onderaannemer een beroep kan doen. Dat die bijkomende informatie niet zou volstaan, beweert de verwerende partij prima facie niet. 20.
  23. De verwerende partij voert ook aan dat zij, wanneer zij het regelmatigheidsonderzoek zou moeten overdoen, de offerte van verzoeker onregelmatig zou moeten bevinden “omdat, op één na, geen van de ingezette combivoertuigen beantwoordt aan de technische bepalingen […] van het bestek”. Daarom meent de verwerende partij dat verzoekster geen belang heeft bij het middel. 20.
  24. Vooreerst moet, andermaal en op het eerste gezicht, worden vastgesteld dat dit motief niet in de bestreden beslissing is opgenomen. De Raad van State herinnert de verwerende partij eraan dat hij met een dergelijke motivering a posteriori geen rekening lijkt te mogen houden. 20.
  25. Daarbij komt nog dat een verwerende partij zich in beginsel niet voor het eerst in de procedure voor de Raad van State op de onregelmatigheid van de offerte van een verzoekende partij vermag te beroepen als deze niet reeds in de bestreden beslissing werd opgemerkt. Dat de verwerende partij verzoekster om een andere reden niet heeft geselecteerd, lijkt hieraan niets te veranderen. Het voormelde beginsel lijdt op het eerste gezicht slechts uitzondering – en een dergelijke exceptie wordt bijgevolg in dat geval slechts aangenomen – wanneer ze voor de Raad van State een onbetwistbaar karakter heeft. Dat is vooralsnog te dezen niet het geval. XIV-39.846-15/17 Immers, in haar nota met opmerkingen bepaalt de verwerende partij zich ertoe een tabel bij te voegen over de zogenaamde combivoertuigen. Daarbij geeft zij op het eerste gezicht niet de minste toelichting waarop de Raad van State zou moeten letten en waarin het door haar beweerde precies tot uitdrukking komt. De verwerende partij mag evenwel, zo lijkt, van de Raad van State niet verlangen dat hij de exceptie in haar plaats gaat formuleren en documenteren. 21.
  26. Ten slotte betoogt de verwerende partij nog – “[t]en overvloede” – dat “verzoekster binnen het 3P-systeem zou gevraagd geworden zijn om haar totaalprijs te verantwoorden, als haar offerte ontvankelijk was […]. Immers wijkt haar totaalprijs meer dan 15% af van de gemiddelde prijs”. 21.
  27. Met dat verweer lijkt de verwerende partij aansluiting te zoeken bij de bepalingen van artikel 36, § 4, van het koninklijk besluit plaatsing
  28. Ook hier kan op het eerste gezicht worden volstaan met te herhalen dat met een motivering a posteriori geen rekening mag worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden gunningsbeslissing. De Raad van State kan, zo lijkt, bovendien bezwaarlijk vooruitlopen op het resultaat van dat eventueel opnieuw te voeren prijsonderzoek.
  29. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. VII. Besluit
  30. Het eerste middel is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd. VIII. Kosten
  31. Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot XIV-39.846-16/17 schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Kortrijk van 17 juni 2025, waarbij de offerte van de bv W. niet wordt geselecteerd en waarbij de opdracht ‘P.R. 2023/3046 - Reinigen en inspecteren van riolen 2025’ wordt gegund aan de nv D.B.S. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jurgen Neuts XIV-39.846-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.991 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.076 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.