← België

Arrest 264027 - Overheidsopdrachten - 22/08/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 augustus 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.027 Rolnummer: A. 245461/XIV-39856 Zaak: Arrest 264027 - Overheidsopdrachten - 22/08/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-08-25 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-15 05:52 Fiche Arrest nr 264.027 van 22 augustus 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 264.027 van 22 augustus 2025 in de zaak A. 245.461/XIV-39.856 In zake: de NV V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mathias Van Belleghem kantoor houdend te 8000 Brugge Hoogstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën Centrale Rechtskundige dienst FOD Financiën North Galaxy - Toren B, 26ste verdieping kantoor houdend te 1030 Brussel Koning Albert II-laan 33, bus 15 alwaar woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 31 juli 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Financiën van 14 juli 2025 inzake de gunning van het bestek nr. DA_UNIF_2025_Lot01-08, waarbij de offerte van de verzoekende partij voor Lot 03_Interventiebroek onregelmatig werd verklaard en het desbetreffende lot werd gegund aan een derde. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 1 augustus 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-39.856-1/19 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2025, om 11:00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mathias Van Belleghem, die verschijnt voor de verzoekende partij en adviseur Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit met als voorwerp ‘de levering van uniformartikelen voor het personeel van de Belgische douane’. 3.
  5. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.
  6. De opdracht is onderworpen aan het bestek met referentie nr. DA_UNIF_2024_Lot 01-
  7. Het voorwerp van de opdracht is daarin als volgt omschreven: XIV-39.856-2/19 “[…] de levering van uniformartikelen voor het mannelijk personeel (H) en het vrouwelijk personeel (D) voor rekening van: • de Dienst Uniform van de Algemene Administratie Douane & Accijnzen (afgekort: Dienst Uniform AAD&A), en • de Raad Uniform AAD&A, opgericht bij koninklijk besluit van 22 oktober 2017 (BS van 3 november 2017) (afgekort: de Raad)”. De opdracht bestaat uit leveringen, in verschillende distributiecentra (momenteel 26 centra), verspreid over het land of in een enig distributiecentrum. Het betreft een opdracht volgens prijslijst voor een duur van een jaar. 3.
  8. De opdracht bevat acht loten/percelen: • L01_Kousen + panty’s + kniekousen • L02_Parka (+ softshell) + blouson + regenbroek • L03_Interventiebroek • L04_Polyvalente schoenen + bottines • L05_Riem L06_Interventietas • L07_Badgehouder • L08_Commandopull Lot 03_Interventiebroek van de opdracht betreft de levering van interventiebroeken voor het personeel van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen. Elke inschrijver mag deelnemen aan één of meerdere loten. De inschrijver moet een offerte indienen voor elk van de loten waarvoor hij zich inschrijft. De verschillende loten worden beschreven in deel B ‘Technische voorschriften’ van het bestek. De offertes moeten worden ingediend vóór 18 februari
  9. 3.
  10. In het bestek wordt nog gepreciseerd dat er identieke stalen van elk artikel en desgevallend van de gebruikte materialen overeenkomstig de in de XIV-39.856-3/19 technische fiche opgenomen tabellen, bij de offerte moeten worden gevoegd. Het ontbreken op het moment van de uiterste indieningsdatum van de per post aan te leveren stalen, leidt tot ongeldigheid van de offerte. In punt ‘
  11. Beschrijving van de uit te voeren leveringen’ van het bestek waarin wordt herinnerd aan deel B ‘Technische voorschriften’, wordt nog vermeld dat de aanbestedende overheid zich het recht toe-eigent om de ingediende stalen en de geleverde artikelen aan de proeven te onderwerpen die ze noodzakelijk acht. 3.
  12. Onder punt ’
  13. Uitsluitingscriteria – Selectiecriteria – Regelmatigheid van de offertes – Gunningscriteria’ wordt met betrekking tot de regelmatigheid van de offertes bepaald dat de aanbestedende overheid met toepassing van artikel 76, §1, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 april 2017), de regelmatigheid van de offertes controleert. Enkel de regelmatige offertes komen in aanmerking om te worden getoetst aan de gunningscriteria. Voor de keuze van de “economisch meest interessante offerte” worden de regelmatige offertes per lot aan de volgende gunningscriteria getoetst: Gunningscriteria Punten
  14. De kwaliteit van het voorgestelde artikel en ecologie / 60
  15. De prijs / 40 Totaal / 100 3.
  16. Het genoemde deel B ‘Technische voorschriften’ van het bestek bevat eveneens een legende voor de minimale eisen, die luidt: “Alle punten die voorzien zijn van een asterisk (*) zijn minimale voorwaarden waarvan niet mag worden afgeweken op straffe van nietigheid van de inschrijving. Legende: .(*) = de volledige paragraaf vormt een minimale voorwaarde (*). = de zin vormt een minimale voorwaarde XIV-39.856-4/19 (*) = de eigenschap (kenmerk, criterium) voor het (*) is een minimale voorwaarde”. In de technische fiche voor ‘Lot 03_Interventiebroek’ is in deel B ‘Technische voorschriften’ onder rubriek ‘C. MATERIALEN,
  17. Basisstof’ bepaald dat het ‘Gewicht’ 250 g/m2 (+/- 5 g/m2).(*) een minimale eis uitmaakt. De meting gebeurt via ISO-norm
  18. In de betrokken tabel van het toepasselijke bestek wordt het als volgt afgebeeld: “C. MATERIALEN
  19. Basisstof Eigenschap Waarde + eenheid ISO-norm Gewicht (g/m²) 250 g/m² (+/-5%).(*) ISO 3801 Onder rubriek ‘G. BIJ DE OFFERTE TE LEVEREN STALEN’ van diezelfde technische fiche (Lot 03) wordt nog gesteld dat voor de eventuele labo-analyses stofstalen (50 x 50 cm) van alle gebruikte stoffen worden toegevoegd, evenals het aan te leveren aantal. Op deze stofstalen is de firmanaam op onuitwisbare wijze aangebracht. 3.
  20. Voor ‘Lot 3_Interventiebroek’ worden zes offertes (en bijhorende stofstalen) ingediend, waaronder een door de verzoekende partij. De door de kandidaten ingediende stofstalen worden, met het oog op onderzoek en verificatie, gelijktijdig verzonden naar het laboratorium van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen. Met betrekking tot het door de verzoekende partij als staal aangeleverde stuk textiel staat in het beproevingsverslag van 4 april 2025 van het labo dat de stofstaal circa 269g/m2 weegt. Aangezien de verzoekende partij sinds 2021 de huidige leverancier is van interventiebroeken – krachtens een haar toen gegunde opdracht waarvan de technische vereisten inzake het gewicht van de basisstof identiek zijn XIV-39.856-5/19 aan die van de thans voorliggende opdracht –, verzoekt de aanbestedende overheid het labo om het ingediende stofstaal opnieuw te onderzoeken teneinde eventuele vergissingen uit te sluiten. In het beproevingsverslag van 5 mei 2025 deelt het labo na een nieuw onderzoek mee dat het gewicht volgens het gemeten gemiddelde 262 g/m2 bedraagt. Ook het stuk stof aangeleverd in 2020 in het kader van de eerder (aan de verzoekende partij) gegunde opdracht werd daarbij opnieuw gewogen, wat een gemiddelde meting oplevert die wel conform de minimale eis is. In het verslag van 5 mei 2025 staat hieromtrent: “ […] Op uw vraag hebben we het gewicht van het stuk stof voor de interventiebroek (DA_UNIF_2024_lot 03, Van Heu[r]ck NV) opnieuw gemeten op verschillende plaatsen. We hebben volgende resultaten bekomen: 262 g/m2, 264 g/m2 en 260 g/m
  21. Het gemiddelde van deze nieuwe metingen is dus ca. 262 g/ m
  22. Het stuk stof gegeven in 2020 werd eveneens opnieuw gemeten op verschillende plaatsen. We hebben volgende resultaten bekomen: 255 g/m2, 257 g/m2 en 251 g/m
  23. Het gemiddelde van deze nieuwe metingen is dus ca. 254 g/m
  24. Bijkomend willen we opmerken dat beide stukken stof visueel licht van elkaar verschillen. Het lijkt dus niet noodzakelijkerwijs om dezelfde stof te gaan. […]”. 3.
  25. In het evaluatieverslag / de evaluatiefiche voor ‘Lot 3_Interventiebroek’ van 7 mei 2025 staat wat de offerte van de verzoekende partij betreft, hetgeen volgt: “Algemene opmerkingen Laborapport 20250306-03054; 04/04/
  26. UITGESLOTEN WEGENS: Substantiële onregelmatigheid. De offerte werd onderzocht in het kader van artikel 76 van het Koninklijk Besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017 betreffende de regelmatigheid. Het laboratoriumonderzoek heeft uitgewezen dat het gewicht van de gebruikte stof bedraagt 262 g/m². XIV-39.856-6/19 In de betrokken technische fiche van het bestek (blz. B-31, rubriek C,
  27. Basisstof (tabel)) is het gewicht vastgelegd op 250 g/m² (+/- 5 g/m²) (*) en wordt het als uitsluitingscriterium (*) vermeld. Op basis van artikel 76, §1, 3° van dit KB wordt de ingediende offerte nietig verklaard en uitgesloten voor verdere overweging.”. 3.
  28. Op 14 juli 2025 beslist de verwerende partij om de offerte van de verzoekende partij voor ‘Lot 03 – Interventiebroek’ af te wijzen en de opdracht voor dit perceel te gunnen aan de nv [S.], dit is de derde belanghebbende partij. In de gunningsbeslissing wordt de substantiële onregelmatigheid van de offerte van de verzoekende partij als volgt vastgesteld: “Inschrijver 11: [De verzoekende partij] (Lot 03) De offerte werd onderzocht in het kader van artikel 76 van het Koninklijk Besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren van 18 april 2017 betreffende de regelmatigheid. Het laboratoriumonderzoek heeft uitgewezen dat het gewicht van de gebruikte stof bedraagt 262 g/m². In de betrokken technische fiche van het bestek (blz. B-31, rubriek C,
  29. Basisstof (tabel)) is het gewicht vastgelegd op 250 g/m² (+/- 5 g/m²) (*) en wordt het als uitsluitingscriterium (*) vermeld. Op basis van artikel 76, §1, 3° van dit KB wordt de ingediende offerte nietig verklaard en uitgesloten voor verdere overweging”. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  30. De verzoekende partij wordt met een aangetekend schrijven van 16 juli 2025 in kennis gesteld van de bestreden beslissing. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  31. De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt. XIV-39.856-7/19 Er zijn geen gronden aangevoerd door de verzoekende partij om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  32. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  33. In het verzoekschrift wordt een eerste middel genomen uit een schending van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016) “doordat de beslissing, met name een schending [inhoudt] van het gelijkheids- transparantie en proportionaliteitsbeginsel”. De verzoekende partij stelt dat de door haar ingediende offerte voor Lot 03_Interventiebroek, na het uitgevoerde regelmatigheidsonderzoek, nietig werd verklaard en uitgesloten voor verdere overweging omdat het laboratoriumonderzoek zou hebben uitgewezen hebben dat het gewicht van de gebruikte stof 262 g/m2 bedraagt terwijl in de betrokken technische fiche van het bestek het (maximale) gewicht is vastgelegd op 250 g/m2 (+/-5g/m2), en een overschrijding daarvan als uitsluitingscriterium geldt. XIV-39.856-8/19 Zij voert in eerste instantie een schending aan van het transparantiebeginsel omdat, volgens haar, de procedure van weging, hoewel op het eerste gezicht eenvoudig, allesbehalve transparant gebeurt. Zij zet uiteen dat het resultaat van een weging van textiel op verschillende wijzen kan worden beïnvloed. Uit de beproevingsverslagen van het labo dat de wegingen zou hebben uitgevoerd, blijkt op geen enkele wijze de voorafgaandelijke conditionering van het (beproefde) staal, noch de wijze van weging. Evenmin worden de resultaten voorgelegd, het betreft enkel een “conclusie” van het labo, zonder dat de procedure wordt toegelicht of de resultaten (rapport meettoestel) worden voorgelegd. Op die manier valt niet te controleren op welke wijze de meting is gebeurd, wat nochtans essentieel is om tot een correct weegresultaat te kunnen komen. Er worden geen concrete resultaten weergegeven; enkel een “verslag”. Bovendien voort de verzoekende partij zelf wekelijks wegingen uit op de textiel aangezien dit voor haar essentieel is. De verzoekende partij voert aan dat ook zij “de rol dewelke gehanteerd werd voor de douane [woog] en andere resultaten [bekwam] dewelke wel binnen de norm van 250 (+/- 5g) / m2 viel”. Zij voerde vijf metingen uit en bekwam achtereenvolgens de volgende resultaten : 253, 254, 256, 254 en 254 g/m², wat resulteert in een gemiddelde van 254,2 g/m², wat binnen de besteknorm valt. De verzoekende partij voert voorts een schending van het gelijkheidsbeginsel aan. De weging, zo stelt zij, dient op uniforme wijze te gebeuren waarbij het belangrijk is het stofstaal (textiel) op dezelfde wijze te conditioneren voorafgaandelijk aan elke weging omdat dit een enorm verschil maakt op het resultaat. De vraag rijst, zo stelt zij, of er (al dan niet) een voorbehandeling plaatsvond, of de stof voorafgaandelijk werd gewassen en nadien correct geconditioneerd. Conditionering van textiel is belangrijk en essentieel wat de weegresultaten betreft. Deze procedure is niet omschreven, noch meegedeeld. Het oprollen van de stof wijzigt de densiteit en bijgevolg onmiddellijk ook het weegresultaat. Om tot een objectieve meting te komen moet men de stof eerst laten rusten. Evenmin wordt meegedeeld of er enige voorbehandeling plaatsvond (werd er al dan niet gewassen?). Zij merkt nog op dat per weging een significant verschil op resultaten wordt vastgesteld, “wat zeker te verantwoorden is door het oprollen / XIV-39.856-9/19 onvoldoende conditioneren (laten rusten) alvorens te meten”, in het bijzonder “gezien de vorige aanbestedingen wél binnen de normen vielen”. Uit de beproevingsverslagen van het labo in de voorliggende gunningsprocedure blijkt dat het labo van de douane “een gemiddelde [weerhoudt] van 269 g/m2 bij eerste weging, en 262 g/m2 bij een tweede weging”. Hieruit blijkt reeds dat de resultaten van de wegingen kunnen variëren, afhankelijk van talrijke factoren, waarbij tussen de eerste meting en een tweede meting door het labo van de douane al een verschil van 7 g/m2 komt vast te staan. Derhalve is de meting niet objectief en geen transparante maatstaf om tot nietigverklaring van een offerte over te gaan. De verzoekende partij komt zelf, zo herhaalt ze, op een gewicht van 254,2 g/m2, wat wél binnen de norm van het bestek valt ( Tot slot meent de verzoekende partij dat een schending van het proportionaliteitsbeginsel voorligt. Zij stelt dat “verschillende tijdstippen van weging grote verschillen in resultaten met zich meebrengen. Uitsluiting op basis van deze zeer volatiele resultaten is dan ook een schending van het proportionaliteitsbeginsel”. Beoordeling
  34. Luidens artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 behandelen de aanbesteders de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen zij op een transparante en proportionele wijze”. XIV-39.856-10/19
  35. Krachtens artikel 76, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 is een offerte substantieel onregelmatig wanneer zij van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. Artikel 76, § 1, vierde lid, 3°, van datzelfde koninklijk besluit bepaalt dat de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten, wordt beschouwd als een substantiële onregelmatigheid. Wanneer een offerte behept is met een onregelmatigheid zoals bedoeld in het voormelde artikel 76, § 1, is de aanbestedende overheid op grond van artikel 76, § 3, van datzelfde besluit verplicht deze offerte nietig te verklaren. De aanbestedende overheid beschikt ter zake over geen enkele beoordelingsruimte.
  36. Het komt in de eerste plaats de aanbestedende overheid toe om de technische specificaties in het bestek vast te stellen en deze te interpreteren. Het is immers zij die haar behoeften bepaalt. De vraag in hoeverre uit de opdrachtdocumenten minimale eisen of substantiële vereisten kunnen worden afgeleid, waarvan de niet-naleving aanleiding geeft tot het substantieel onregelmatig verklaren van de offerte, moet worden beantwoord aan de hand van de tekst van die documenten, bekeken in het licht van hun context. Het komt in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid en niet aan de Raad van State toe om te beoordelen of een offerte beantwoordt aan de bestekbepalingen, en om vast te stellen of een afwijking van het bestek een afwijking inhoudt van vereisten die in het bestek als substantieel of als een minimale eis worden aangemerkt. Wel mag de Raad van State daarbij nagaan of die beoordeling steunt op in rechte en in feite aanvaardbare motieven die voortvloeien uit een zorgvuldig onderzoek. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. XIV-39.856-11/19
  37. Het supra in punt 7 genoemde artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 vereist – zoals dat ook volgt uit de (grondwettelijke) beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel, toegepast op overheidsopdrachten –, dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige wijze zodat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier kunnen interpreteren, en zodat de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn.
  38. Te dezen, dient vastgesteld dat het vereiste dat de door de inschrijvers ingediende stofstaal voor Lot 03_Interventiebroek moet voldoen aan de in het bestek opgelegde minimale eis inzake het gewicht van de basisstof, zijnde 250 g/m², met een toegelaten afwijking van ± 5 g/m². Deze technische eis werd in het bestek uitdrukkelijk als minimale eis aangeduid, die bij niet-naleving tot de nietigheid van de offerte leidt (zie supra punt 3.7). De verzoekende partij betwist trouwens niet dat het hier om een minimale eis of vereiste gaat die als substantieel moet worden aangemerkt. Evenmin wordt de wettigheid van deze minimale eis in vraag gesteld.
  39. Voorts, en anders dan wat de verzoekende partij lijkt voor te houden, wordt voor Lot 03_Interventiebroek onder deel B ‘Technische voorschriften’ in het bestek uitdrukkelijk aangegeven dat voor de eigenschap “Gewicht” ISO-3801-norm wordt gehanteerd (cfr. supra de tabel in punt 3.7). ISO-3801 is een internationale norm met als titel ‘Textiles — Woven fabrics — Determination of mass per unit length and mass per unit area’ (vrije vertaling: Textiel — Geweven stoffen — Bepaling van de massa per lengte- eenheid en per oppervlakte-eenheid). Het bestek verwijst aldus voor het gewicht XIV-39.856-12/19 expliciet naar de ISO-3801-norm als meetmethode aan de hand waarvan de meting dan ook wordt uitgevoerd. Deze norm definieert gestandaardiseerde methoden om het gewicht van geweven stoffen per lengte-eenheid (bijvoorbeeld gram per meter) en per oppervlakte-eenheid (gram per vierkante meter) nauwkeurig te bepalen. Deze ISO-norm laat een gestandaardiseerde meting toe van stoffen, wat de aanbestedende overheid prima facie toelaat om de naleving van de technische specificaties door de inschrijvers met hun offerte te achterhalen en op objectieve wijze de offertes onderling te vergelijken. ISO-3801 beschrijft de werkwijze die wordt gevolgd om een stofstaal te meten. ISO-3801 legt vast dat alle stalen onder dezelfde, vooraf gedefinieerde klimaatcondities moeten worden gebracht, zonder voorbehandeling die het gewicht kan beïnvloeden, en volgens gestandaardiseerde meetprocedures moeten worden gewogen, zodat vergelijkbare en reproduceerbare resultaten ontstaan. Uit ISO-3801 blijkt eveneens dat gekreukte delen dienen te worden vermeden en de stalen in spanningsvrije toestand in evenwicht met de standaardatmosfeer moeten worden gebracht. Deze norm verhindert dat de stofstalen worden opgerold of onnodig worden gevouwen. Wassen maakt geen deel uit van de voorgeschreven meetmethode omdat de massa en structuur van de stof daardoor kunnen veranderen.
  40. De verwerende partij licht in de nota bijkomend toe dat deze ISO 3801-norm expliciet vermeldt dat de standaardatmosfeer voor conditionering en testen van textiel, zoals gedefinieerd in ISO-139, bestaat uit een temperatuur van 20 ± 2° C en een relatieve vochtigheid van 65 ± 2 %. Evenwel is de test om de door haar in de nota uiteengezette reden bij een luchtvochtigheid van 50% gebeurd. De verzoekende partij heeft hierbij volgens de verwerende partij geen nadeel geleden omdat “hoe hoger de luchtvochtigheid, hoe hoger het gewicht van het stofstaal (waarbij het verschil op een dergelijk kleine schaal echter zeer miniem is).”. XIV-39.856-13/19 Er kan op het eerste gezicht worden aangenomen dat bij een lagere luchtvochtigheid het gewicht (van het in omvang beperkte stofstaal), in minimale mate, lager lijkt uit te vallen.
  41. Gelet op deze toelichting kan prima facie worden achterhaald hoe de meting is verlopen waardoor er geen schending lijkt voor te liggen van het transparantiebeginsel.
  42. Wat de vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, voert de verzoekende partij aan dat elke staal textiel op dezelfde wijze dient te worden gewogen. Zij leidt de ongelijkheid af uit de vaststelling dat het meetresultaat in het beproevingsverslag van 4 april 2025 duidelijk verschilt van het resultaat in het beproevingsverslag van 5 mei
  43. Er is volgens haar geen sprake van een objectieve meting.
  44. Uit het administratief dossier (beproevingsverslag van 4 april 2025) blijkt dat het labo bij de eerste meting van het door de verzoekende partij aangeleverde staal een gewicht van ca. 269 g/m² vaststelde, hetgeen de minimale eis overschrijdt. Gelet op het feit dat de verzoekende partij de huidige leverancier was van interventiebroeken met identieke technische eisen (en het door haar destijds aangeleverde staal wel voldeed), heeft de aanbestedende overheid het labo om een herweging gevraagd teneinde vergissingen uit te sluiten. Bij dit tweede onderzoek werd volgens het beproevingsverslag van 5 mei 2025 – op basis van drie uitgevoerde metingen met volgende resultaten: 262, 264 en 260 g/m² –, een gemiddelde vastgesteld van ca. 262 g/m². Bij al deze resultaten wordt een overschrijding van het toegelaten gewicht, afwijking inbegrepen, vastgesteld. Het verschil in meetresultaten in het eerste beproevingsverslag (ca. 269 g/m²) en in het tweede beproevingsverslag (ca. 262 g/m²) toont prima facie niet aan dat de offerte van de verzoekende partij op onwettige wijze substantieel onregelmatig is verklaard. XIV-39.856-14/19 Zowel uit ISO 3801 die meerdere metingen voorschrijft om tot een representatief gemiddelde te komen als uit het beproevingsverslag van 5 mei 2025 waarin wordt benadrukt dat het gewicht “opnieuw gemeten [is] op verschillende plaatsen”, volgt dat meerdere metingen die nodig zijn om een duidelijk beeld te krijgen, werden uitgevoerd. Immers valt op het eerste gezicht aan te nemen dat wegens een zekere mate van ongelijkmatigheid in het geleverde stofstaal (“inhomogeen”, d.i. wanneer een stof niet overal dezelfde eigenschappen heeft) de metingen in beperkte mate van elkaar kunnen afwijken. Door meerdere metingen, zo lijkt, kunnen deze inhomogene kenmerken, zoveel als mogelijk, worden weggewerkt/geneutraliseerd. De verzoekende partij werkt blijkens het door haar bijgebrachte stuk overigens ook met meerdere metingen. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat een verschil van 7 g/m2 tussen de eerste meting (eerste beproevingsverslag (ca. 269 g/m²)) en de tweede meting (tweede beproevingsverslag (ca. 262 g/m²)) het gevolg is van een gebrek aan objectiviteit in de meting.
  45. Voorts kan niet om de vaststelling heen worden gegaan, zoals uit de beproevingsverslagen van 4 april en van 5 mei 2025 blijkt, dat de verschillende metingen die door het labo zijn verricht op het door de verzoekende partij aangeleverde staal telkenmale leidt tot resultaten die boven de maximaal toegelaten bovengrens van 255 g/m² liggen, toegestane afwijking inbegrepen (250 g/m² (+/- 5%). Deze metingen geven op het eerste gezicht een eenduidig beeld dat de offerte van de verzoekende partij met het door haar aangeleverde staal niet aan de minimale gewichtseis van het bestek voldoet. Dit beeld wordt nog versterkt doordat de verwerende partij in het tweede beproevingsverslag heeft vastgesteld dat het stuk stofstaal dat de verzoekende partij bij de vorige gunningprocedure heeft aangeleverd – en dat om eventuele vergissingen uit te sluiten opnieuw werd gemeten –, een gemiddelde meting van ca. 254 g/m² heeft, wat binnen de technische bestekseis valt. Het labo stelt daarbij wel vast dat beide stukken stof (stofstaal eerdere gunningsprocedure en het huidige aangeleverde stofstaal), “visueel licht van elkaar verschillen”, waardoor het dus prima facie niet noodzakelijkerwijs om dezelfde stof lijkt te gaan. XIV-39.856-15/19
  46. In zoverre de verzoekende partij ter terechtzitting nog bijkomend opwerpt dat zoals uit het tweede beproevingsverslag blijkt, het stofstaal tijdens de tweede meting die door de aanbestedende overheid bijkomend werd aangevraagd, slechts aan drie (en geen vijf) metingen is onderworpen om tot een gemiddelde van 262 g/m² te komen en waaruit zij afleidt dat “de procedure niet is gevolgd”, geeft zij een nieuwe wending aan haar middel waarvan zij niet aantoont dat zij dit niet reeds in haar verzoekschrift kon ontwikkelen. De verzoekende partij heeft het tweede beproevingsverslag waaruit die drie (en geen vijf) metingen uitgevoerd tijdens de herweging blijken, immers zelf met haar verzoekschrift bijgebracht en, anders dan ze voorhoudt, wist of moest ze weten dat voor het bepalen van het gewicht ISO 3801 zou worden gehanteerd. Voorts – en daargelaten nog dat daarmee geen ongelijke behandeling of gebrek aan transparantie is aangetoond –, maakt de verzoekende partij daarbij in het kader van het prima facie-onderzoek, eigen aan de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid evenmin aannemelijk, mede in acht genomen hetgeen hiervoor in de punten 16 en 17 is uiteengezet, dat de door haar op de terechtzitting naar voren gebrachte beweerde tekortkoming de geloofwaardigheid - en dus ook de wettigheid - van de vaststellingen heeft aangetast.
  47. In de mate de verzoekende partij, tot slot, nog verwijst naar haar eigen onderzoek met wegingen uitgevoerd op 17 juli 2025, waarbij zij komt tot een gemiddelde weging van 254,2 g/m², blijkt uit het middel, noch overigens uit het betrokken stuk, volgens welke wegingsmethode de verzoekende partij deze weging heeft verricht. Eveneens lijken er andere stofstalen te zijn gewogen. Een dergelijk stuk dat overigens na de bestreden onregelmatig verklaring van haar offerte is opgesteld, laat niet toe de onwettigheid van de metingen door de verwerende partij aan te tonen of redelijkerwijze aannemelijk te maken. XIV-39.856-16/19
  48. Er lijkt op het eerste gezicht geen schending van het gelijkheidsbeginsel voor te liggen.
  49. Wat de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, merkt de Raad van State op dat aangezien uit alle metingen waarvan prima facie de onwettigheid niet is aangetoond, blijkt dat de offerte van de verzoekende partij niet voldoet aan de minimale bestekseis van het gewicht van de interventiebroeken, uit artikel 76, § 3, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 volgt dat de verwerende partij de offerte van de verzoekende partij - zonder ter zake nog over enige beoordelingsruimte te beschikken -, nietig dient te verklaren. Er kan van een schending van het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel geen sprake zijn, indien een substantiële onregelmatigheid werd vastgesteld.
  50. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  51. In het tweede middel van haar verzoekschrift dat zij aanduidt als “geen objectieve uitsluitingsgrond” stelt de verzoekende partij dat “[h]et vast[staat] dat verschillende ogenblikken van meting, zelfs van een zelfde stuk textiel, tot verschillende gewogen resultaten kan leiden”. Zij leidt daaruit af dat “de meting geen objectieve maatstaf [is] waaraan getoetst kan worden of op basis waarvan een partij kan uitgesloten worden”. Omdat drie verschillende metingen drie verschillende resultaten met zich meebrengen en het verschil tussen de bekomen gemiddelden ca. 269 g/m² (eerste beproevingsverslag) en 262 g/m² (tweede beproevingsverslag) maar liefst 7g uit elkaar liggen, werpt de verzoekende partij op dat “[i]ndien er nog eens gemeten zou worden er een resultaat van 255 g/m2 [zou] kunnen bekomen worden op basis waarvan de offerte van de verzoekende partij wel binnen de marge zou vallen en niet uitgesloten zou worden”. XIV-39.856-17/19
  52. De verwerende partij repliceert dat het tweede middel niet ontvankelijk is. Een ontvankelijk middel vereist immers de vermelding van de rechtsregel waarvan de schending wordt aangevoerd en van de wijze waarop die rechtsregel concreet overtreden zou zijn. De verzoekende partij deelt mee dat verschillende ogenblikken van meting, zelfs van een zelfde stuk textiel, tot verschillende gewogen resultaten kunnen leiden, waardoor de meting van het gewicht van stofstaal geen objectieve maatstaf is om op basis daarvan een partij een offerte uit te sluiten. De verzoekende partij laat echter na om de rechtsregel of rechtsbeginsel te vermelden waarvan zij de schending aanvoert. Ondergeschikt, verwijst de verwerende partij naar haar opmerkingen ter weerlegging van het eerste middel. Zij benadrukt dat de verschillen in meting niet het gevolg zijn van de gebruikte meetmethode maar wel van inhomogene kenmerken van het geleverde stofstaal. Beoordeling
  53. Daargelaten de vraag of de verzoekende partij met het tweede middel al dan niet een rechtsregel of rechtsbeginsel aanvoert die zij geschonden acht, moet worden vastgesteld dat zij in het tweede middel een gedeelte van haar kritiek in het eerste middel herneemt zonder daaraan evenwel iets toe te voegen of enigszins inzichtelijk te maken waarin het tweede middel zou verschillen met hetgeen zij eerder heeft uiteengezet. Uit het niet ernstig bevinden van het eerste middel in al zijn onderdelen, volgt dat ook het tweede middel niet ernstig is. VII. Besluit
  54. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. XIV-39.856-18/19 BESLISSING
  55. De Raad van State verwerpt de vordering.
  56. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig augustus tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIde vakantiekamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Kaat Leus XIV-39.856-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.027 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.