← België

Arrest 264039 - Natuurbehoud - Vergunningen - 01/09/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.039 Rolnummer: A. 245568/VII-42992 Zaak: Arrest 264039 - Natuurbehoud - Vergunningen - 01/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-01 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-15 05:52 Fiche Arrest nr 264.039 van 1 september 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 264.039 van 1 september 2025 in de zaak A. 245.568/VII-42.992 In zake :

  1. M.D.
  2. W.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2000 Antwerpen Scheldestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de bv ROCES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Laurent Proot en Florence Lobelle kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. De vordering, ingesteld op 13 augustus 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het “Besluit van de adjunct-directeur adviezen & vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos tot individuele afwijking op de verbodsbepaling van artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu” van 27 mei
  4. VII-42.992-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij beschikking van 14 augustus 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De bv Roces heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verzoeksters, advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Laurent Proot, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. VII-42.992-2/9 III. Tussenkomst
  7. De bv Roces blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. IV. Feiten 4.
  8. Op 28 april 2025 dient de bv Roces een aanvraag in tot individuele afwijking op de verbodsbepalingen van artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998) ter realisatie van een koppelwoning in woongebied op een terrein te Koksijde. Het gaat om een regularisatie van de wijziging (verwijdering) van duinvegetatie, meer bepaald van duindoornstruweel. Het Agentschap voor Natuur en Bos staat op 27 mei 2025 de gevraagde afwijking toe onder voorwaarden en met een geldigheid van 28 mei 2025 tot en met 31 mei
  9. Dit is de bestreden beslissing. 4.
  10. Volledigheidshalve kan worden vermeld dat de bv Roces op 4 juni 2021 een (derde) aanvraag heeft ingediend voor het bouwen van twee koppelwoningen op het kwestieuze perceel. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen heeft de gevraagde vergunning verleend op 21 april 2022, doch de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft de tenuitvoerlegging van die stedenbouwkundige vergunning geschorst met een arrest van 9 september 2022 en ze vernietigd met een arrest van 26 januari
  11. De partijen bevestigen dat de deputatie tot heden geen nieuwe beslissing heeft genomen. Verder kan worden vermeld dat de verzoeksters op 12 februari 2025 een (tweede) verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen hebben ingediend. Het bestuur heeft dit verworpen met een beslissing van 4 juli 2025, VII-42.992-3/9 waartegen de verzoeksters op 10 juli 2025 administratief beroep hebben aangetekend. Dit beroep is nog hangende bij de bevoegde minister. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  12. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  13. De verzoeksters wijzen er eerst op dat de bv Roces reeds op het einde van 2018 beschermde duinvegetatie heeft vernietigd en een ondergrondse verdieping van haar bouwproject heeft gerealiseerd, dit in uitvoering van een stedenbouwkundige vergunning die door de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd vernietigd met een arrest van 26 februari
  14. Sedert het staken van de werken in 2019 doet zich een voorzichtig herstel van de vegetatie voor, althans op plaatsen waar geen constructies aanwezig zijn. Een klein deel van het perceel is nog steeds ingedeeld als “biologisch waardevol” en er zijn nog elementen van duindoorn aanwezig. De verzoeksters wijzen er vervolgens op dat thans nog een (tweede) procedure tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen hangende is. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen heeft hun op 12 februari 2025 ingediend verzoek afgewezen op 4 juli 2025, doch zij hebben op 10 juli 2025 VII-42.992-4/9 beroep aangetekend bij de bevoegde minister. Deze laatste dient uiterlijk op 8 september 2025 een beslissing te nemen. De verzoeksters voeren aan dat de thans bestreden beslissing de voormelde beroepsprocedure bij de minister inzake het opleggen van bestuurlijke maatregelen doorkruist. Volgens hen “zal [de minister] ingevolge het vermoeden van wettigheid ertoe gehouden zijn rekening te houden met de toegekende ontheffing, en zal [hij] bijgevolg ervan moeten uitgaan dat de afwijking effectief is toegekend, wat allicht ertoe zal leiden dat de minister het beroep zal afwijzen, waardoor er geen herstelmaatregelen kunnen worden opgelegd”. Het inwilligen van het beroep bij de minister zou leiden tot het verplicht opleggen van bestuurlijke maatregelen, waardoor de oorspronkelijk beschermde duinvegetatie op het perceel achter de woningen van de verzoeksters in de oorspronkelijke staat zou worden hersteld. Dat deze procedure door de thans bestreden beslissing wordt doorkruist, leidt tot een ernstig nadeel in hoofde van de verzoeksters. De verzoeksters voeren verder aan dat de bestreden beslissing de toelating inhoudt om 1.256 m² vegetatie te verwijderen, hetgeen het volledige perceel inhoudt, behoudens een gedeelte aan de westzijde. Hoewel de beslissing een regularisatie betreft, is op een deel van het perceel nog steeds duinvegetatie aanwezig en zal deze laatste dus op ieder moment kunnen worden verwijderd. Al is de aanwezige duinvegetatie beperkt tot een deel van het perceel, ze vormt waardevolle natuur in de onmiddellijke omgeving van de woningen van de verzoeksters en draagt aldus bij tot de woonkwaliteit. De met de bestreden beslissing gegeven toelating tot vernietiging leidt tot een ernstige benadeling. Beoordeling
  15. De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstotelijke wijze wordt aangetoond. Deze procedure houdt immers een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de VII-42.992-5/9 mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Naar luid van artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. De verzoekende partij moet aan de hand van precieze, pertinente en concrete gegevens aannemelijk maken dat de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en zelfs niet gedurende de doorlooptijd van een gewone vordering tot schorsing.
  16. De bestreden beslissing blijkt slechts de regularisatie in te houden van de reeds door de bv Rocas op het kwestieuze perceel uitgevoerde ingrepen, wat de wijziging (verwijdering) van de duinvegetatie betreft. In dat opzicht kan de huidige vordering de verzoeksters geen enkel voordeel opleveren: het gaat om een feitelijk reeds bestaande toestand die door een gebeurlijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet kan worden vermeden noch ongedaan worden gemaakt. In de motivering van de bestreden beslissing staat onder meer: “Ter hoogte van de duindoornvegetatie (+/- 364 m², gelegen in VEN en SBZ- H) die wordt behouden, zal worden ingezet op kwaliteitsverbetering door een omvormingsbeheer toe te passen. Hierbij wordt de boomopslag van o.m. populier, abeel en esdoorn verwijderd. Het duindoornstruweel kan hierdoor de vrijgekomen ruimte weer innemen. In een latere fase is het aangewezen deze oppervlakte op te nemen in een natuurbeheerplan. Op het woonperceel worden bijkomende herstelmaatregelen genomen om verbossing tegen te gaan, zodat de aanwezige relicten van duinstruweel zich verder kunnen ontwikkelen.” VII-42.992-6/9 Artikel 2 van de bestreden beslissing voorziet uitdrukkelijk dat in ieder geval het aanwezige duinstruweel dat zich in het VEN- en het habitatrichtlijngebied bevindt, “ongewijzigd” moet blijven. Er wordt een “omvormingsbeheer toegepast, waarbij boomopslag van populier, abeel en esdoorn wordt verwijderd”, doch hiervoor moet het onbebouwde deel van perceel 1035d “als duinzone [worden] ingericht” met de aanplant van “enkel inheemse streekeigen soorten”. Op dit perceel wordt binnen woongebied “een inheemse, streekeigen haag” voorzien als buffer, die aan de oostkant moet aansluiten “bij het te behouden duinstruweel”. Het voorgaande wijst veeleer op een verbetering van de bestaande feitelijke toestand op het terrein dan op een (mogelijke) verslechtering van die toestand ten nadele van de verzoeksters. Bovendien bevestigt de raadsman van de bv Roces ter terechtzitting formeel dat deze laatste de werken niet verder zal uitvoeren noch verder vegetatie zal verwijderen totdat zij over een uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning beschikt.
  17. Verder vormt het feit dat de thans bestreden beslissing is genomen in de loop van de behandeling van het door de verzoeksters op 10 juli 2025 ingestelde administratief beroep tegen de beslissing van 4 juli 2025 tot afwijzing van hun verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen, geen decisief element om te besluiten tot een uiterst dringende noodzakelijkheid om de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing te schorsen. Al beschikt de minister op grond van artikel 16.4.18, § 4, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ over een termijn van 60 dagen om uitspraak te doen over het voormelde beroep van 10 juli 2025, er is geen sanctie voorzien bij het overschrijden ervan, zodat het slechts om een termijn van orde gaat. De stelling van de verzoeksters dat de minister ingevolge de thans bestreden beslissing hun beroep “wellicht” zal afwijzen, vormt bovendien enkel een hypothese waaruit op zich geen uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden afgeleid. Uit het dossier van de zaak blijkt overigens dat het verzoek om VII-42.992-7/9 bestuurlijke maatregelen op te leggen reeds in eerste instantie werd afgewezen op 4 juli 2025, zonder enige verwijzing naar de thans bestreden beslissing.
  18. De verzoeksters tonen de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan. Conclusie
  19. Aangezien de in artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond, is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  20. Het verzoek tot tussenkomst van de bv Roces wordt ingewilligd.
  21. De Raad van State verwerpt de vordering.
  22. De verzoeksters worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.992-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.992-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.