id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.051 Rolnummer: A. 245490/XIV-39859 Zaak: Arrest 264051 - Overheidsopdrachten - 02/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-02 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-15 05:53 Fiche Arrest nr 264.051 van 2 september 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 264.051 van 2 september 2025 in de zaak A. 245.490/XIV-39.859 In zake: de BV ARCADE ENGINEERING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Geert Van Engelgem en Joris Wouters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV VAN PUBLIEK RECHT NORTH SEA PORT FLANDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ann Eeckhout en Lotte Ottevaere kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Droesbekeplein 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 4 augustus 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van North Sea Port Flanders van 18 juli 2025 zoals gevoegd bij het aangetekend schrijven van North Sea Port Flanders van 18 juli 2025 en waarbij wordt beslist om de opdracht voor diensten, voorwerp van het bestek met ref. 2024- 013 ‘Technische studie voor de integratie van walstroom ten behoeve van de zeevaart geïntegreerd in een energiemanagementsysteem aan North Sea Port Terminals’, voor wat betreft Perceel 1 (Technische studie walstroom zeevaart voor 2 North Sea Port Terminals), te gunnen aan [een derde]”. XIV-39.859-1/38 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 5 augustus 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025, om 14 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Wouters, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ann Eeckhout, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp: “Technische studie voor de integratie van walstroom ten behoeve van de zeevaart geïntegreerd in een energiemanagementsysteem aan North Sea Port terminals.” De opdracht bestaat uit twee percelen waarbij perceel 1 betrekking heeft op de technische studie walstroom zeevaart voor twee terminals XIV-39.859-2/38 gelegen in het havengebied van Gent en perceel 2 betrekking heeft op de technische studie walstroom zeevaart voor terminals gelegen in het havengebeid “North Sea Port Netherlands”. 3.
- In de selectiefase worden bij beslissing van de verwerende partij van 24 april 2025 tien kandidaten geselecteerd, waaronder de verzoekende partij en de gekozen inschrijver. 3.
- Zes kandidaten dienen offertes in voor de opdracht, waaronder de verzoekende partij en de gekozen inschrijver. Zij dienen allen een offerte in voor perceel 1 en een offerte voor perceel 1 en 2 samen. Er wordt met elk van de inschrijvers een mondeling onderhandelingsmoment georganiseerd. Van deze vergadering wordt een audio- opname gemaakt. Nadien hebben alle inschrijvers een ‘best and final offer’ (BAFO) ingediend. 3.
- Op 17 juli 2025 wordt een gunningsverslag opgemaakt. De BAFO’s worden regelmatig bevonden en het volgende voorstel tot gunning van de opdracht wordt geformuleerd: “Op grond van de kwalitatieve selectie van de inschrijvingen, het regelmatigheidsonderzoek van de offertes en de vergelijking van de offertes gemaakt in de voorgaande punten, wordt voorgesteld om dit perceel te gunnen aan het bedrijf met de economisch meest voordelige (op basis van de beste prijskwaliteitsverhouding) offerte, zijnde [de gekozen inschrijver].” 3.
- Op 18 juli 2025 beslist de verwerende partij de opdracht te gunnen aan de in het gunningsverslag voorgestelde gekozen inschrijver. Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.859-3/38 IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- De verwerende partij vraagt in haar nota om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt. Ter terechtzitting is bevestigd door de partijen dat de verzoekende partij voor de terechtzitting een kopie ontving van de geluidsopname van haar gesprek bij de onderhandeling. Voorts betwist de verzoekende partij het aangevoerde karakter van de overige stukken niet. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XIV-39.859-4/38 VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 81 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten (hierna: de wet van 17 juni 2016), de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991), de formelemotiveringsplicht, het transparantiebeginsel, het patere legem-beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht, “Doordat verwerende partij de opdracht voor wat betreft perceel 1 heeft gegund aan [een derde] inschrijver […]; Dat deze inschrijver een score ontving van 79,58 op 100 en derhalve over de economisch meest voordelige offerte zou beschikken; Dat aan verzoekende partij een score is gegeven van 72 punten; Dat verzoekende partij de beste prijs heeft geboden en daarvoor de maximale score van 40 punten ontving; Dat verwerende partij aan de offerte van verzoekende partij voor de subgunningscriteria “Plan van aanpak” en “Studieteam” evenwel een bijzonder slechte beoordeling gaf met scores van respectievelijk 15 op 35 en 7 op
- Dat geenszins afdoende wordt gemotiveerd om welke redenen aan verzoekende partij zulke lage punten zijn gegeven en waarom zij als enige van al de inschrijvers met grote achterstand de laagste score kreeg voor de genoemde subgunningscriteria; Dat de wel voorliggende motivering bovendien onjuist is en geen rekening houdt met de offertes van verzoekende partij; “ Terwijl de verwerende partij gehouden is haar beslissing tot gunning van de opdracht en in het bijzonder de keuze van de economisch meest voordelige offerte afdoende te motiveren dermate dat de inschrijvers kennis kunnen krijgen van de motieven waarom hun offerte beter of slechter werd beoordeeld dan de offertes van de overige inschrijvers zodat achteraf elke inschrijver kan nagaan of de puntentoekenning rechtmatig is gebeurd; Dat de beoordeling van de offertes en de motivering daarvan bovendien moet steunen op een zorgvuldig onderzoek van de offertes; Dat de door XIV-39.859-5/38 verwerende partij toegepaste verschillen in scores bovendien in correcte verhouding moeten staan tot de verschillen tussen de offertes; Dat de verwerende partij daarbij rekening moet houden met al de door verzoekende partij ingediende offertes;” Na een juridische uiteenzetting van een aantal principes inzake de eis dat een beslissing om een opdracht te gunnen dient te worden gemotiveerd (punt I) en inzake het bij de verdeling van de punten te respecteren proportionaliteitsbeginsel (punt II), licht de verzoekende partij het middel omstandig toe inzake de volgende vijf punten: A. Het verschil in punten met betrekking tot het subgunningscriterium “Plan van aanpak” en het subgunningscriterium “Studieteam”; B. Het verloop van de onderhandelingen en de beoordeling van de offertes ; C. De onjuistheid en tegenstrijdigheid van de gedane beoordeling; D. De verslagen van de onderhandelingen en opnames; E. Het belang van de verzoekende partij.
- Wat het punt A (het verschil in punten met betrekking tot het subgunningscriterium “Plan van aanpak” en het subgunningscriterium “Studieteam”) betreft, vat de verzoekende partij haar grief als volgt samen: “Kort gezegd, komt de kritiek van verzoekende partij erop neer dat de gegeven scores niet in verhouding staan tot de inhoud van de verschillende offertes. Verwerende partij heeft aan verzoekende partij extreem lage scores gegeven voor de subgunningscriteria “Plan van aanpak” en “Studieteam”. Het is enkel op die manier dat de offerte van verzoekende partij niet op de eerste plaats in de rangschikking is uitgekomen. Minstens wordt niet afdoende gemotiveerd waarom aan de offerte van verzoekende partij voor de subgunningscriteria “Plan van aanpak” en “Studieteam” zeer lage scores zijn gegevens (telkens een onvoldoende) en waarom het verschil in punten met al de overige inschrijvers zo groot is.” Wat het subgunningscriterium “Plan van aanpak” betreft, biedt volgens de verzoekende partij het verslag van nazicht geen enkele motivering over het waarom van het zeer grote verschil in score tussen haar aanbod en dat van de XIV-39.859-6/38 overige inschrijvers. Er wordt niet geduid of gemotiveerd waarom haar offerte dusdanig weinig punten kreeg voor dit subgunningscriterium met als gevolg dat zij als enige inschrijver een onvoldoende behaalde, met een grote achterstand op alle andere inschrijvers (waarbij het kleinste verschil reeds 12 punten op 30 bedraagt). Volgens de verzoekende partij laat de verwerende partij na een concrete vergelijking te maken tussen de offertes en beperkt zij zich daarbij per offerte tot een beschrijving waaraan dan plots een score wordt toegekend. Nergens wordt uitgelegd waarom de ene offerte meer scoort dan de andere offerte. Nog minder wordt uitgelegd waarom het verschil in punten dusdanig groot is gemaakt ten opzichte van het aanbod van verzoekende partij. Zeker wanneer wordt gekeken naar de beoordeling van de andere offertes, kan volgens de verzoekende partij niet anders dan besloten worden dat de beoordeling van haar plan van aanpak onjuist is en dat niet gemotiveerd wordt waarom het verschil in punten zo groot is. Ter adstructie voert zij de volgende grieven aan: - een aantal positieve elementen worden benoemd met betrekking tot de offerte van een andere inschrijver die 12 punten extra scoort dan zijzelf, terwijl de elementen die in de offerte van die inschrijver als positief zijn beoordeeld, worden genegeerd bij de beoordeling van haar offerte (terwijl die elementen volgens haar ook voorhanden zijn in haar offerte); - Anderzijds blijkt bijvoorbeeld dat een aantal negatieve punten bij twee inschrijvers inzake ervaring worden vernoemd, terwijl de verzoekende partij volgens haar ” een van de weinige marktspelers is die reeds op gelijkaardige schaal ervaring bezit” en haar specialist ter zake “gewoonweg [wordt] genegeerd in de motivering door verwerende partij, terwijl zij aan walstroomervaring wel bijzondere aandacht schenkt in de beoordeling van het aanbod van [twee andere ] inschrijvers;” - de voor dit subgunningscriterium als derde gerangschikte inschrijver wordt positief beoordeeld voor zijn aanpassingen in de BAFO met betrekking tot de optionele scope voor scheepsmodificaties (““De high level aanpak voor scheepsmodificaties wordt in de bafo op hetzelfde detailniveau meegenomen als andere delen.”), terwijl de verzoekende partij dit ook heeft gedaan in haar BAFO. Toch wordt dit volgens haar ten onrechte niet mee in rekening gebracht in het XIV-39.859-7/38 verslag van nazicht; - eenzelfde redenering gaat volgens haar op voor de opmerking bij de gekozen inschrijver dat “In de bafo wordt verduidelijkt dat optionele taken volledig worden geïntegreerd in de conceptontwerpen, inclusief lay-outtekeningen en single-line diagrammen”, terwijl zij ook deze vraag heeft gehad en net als de gekozen inschrijver die bevestigend heeft beantwoord in haar laatste offerte. De beoordeling van de offertes is derhalve volgens de verzoekende partij manifest onzorgvuldig gebeurd. In ieder geval staat het verschil in punten geenszins in verhouding tot het verschil in inhoud van de offertes. Nog minder motiveert de verwerende partij volgens haar behoorlijk het grote verschil in punten. Sowieso blijkt dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met het addendum dat door de verzoekende partij bij haar BAFO is gevoegd. Hiervan is geen enkel beoordelingsspoor terug te vinden in de gunningsbeslissing. Dit getuigt niet van een zorgvuldige beoordeling van de offerte van verzoekende partij, minstens schendt zij haar formelemotiveringsplicht. Volgens de verzoekende partij dringt zich eenzelfde vaststelling op inzake het subgunningscriterium “1.
- Studieteam”. Vooreerst wordt geenszins gemotiveerd waarom het verschil in punten inzake de scores voor dit subgunningscriterium tussen haar score en die van de op een na laatste inschrijver dusdanig groot is, hoewel de beschrijving van de beoordeling van haar offerte volgens de verzoekende partij “nochtans grotendeels positief” is. Ten tweede doet zij gelden dat haar team wel degelijk ervaring heeft met walstroom – terwijl die wordt aangemerkt als “beperkt” – en over een zeer doorgedreven kennis beschikt inzake de Belgische energie- en havenmarkt. Het eerstgenoemde blijkt volgens haar uit de expertise van V. en het tweede uit de expertise van G. en S., hetgeen volgens de verzoekende partij doet blijken aan de hand van de expertise van deze teamleden. Volgens de verzoekende partij beschikt geen enkele andere inschrijver, ook niet de gekozen inschrijver, over deze kennis. Op grond van dit alles vraagt de verzoekende partij zich af hoe de verwerende partij ernstig kan voorhouden dat de ervaring van de verzoekende partij “beperkt” is. Er kan niet worden ingezien waarom de offerte van de verzoekende partij dan nog steeds vier punten lager XIV-39.859-8/38 scoort dan het aanbod van twee andere door haar nader genoemde inschrijvers. Ten derde betoogt de verzoekende partij dat haar lage score voor dit subgunningscriterium bovendien niet in overeenstemming is met de inhoud van de gevoerde onderhandelingen, waarin aan de verzoekende partij werd gemeld dat die over een uitstekend team beschikte en dat het niet zou liggen aan dit team. Bijgevolg heeft de verzoekende partij haar offerte na de onderhandelingen niet meer bijgestuurd wat het subgunningscriterium “studieteam” betreft.
- Wat het punt B betreft (Het verloop van de onderhandelingen en de beoordeling van de offertes) voert de verzoekende partij de volgende kritiek aan: Vooreerst betoogt de verzoekende partij dat de formelemotiveringsplicht is geschonden, doordat niet wordt verduidelijkt wat de voorlopige beoordeling van de eerste door de inschrijvers ingediende offertes was. Ervan uitgaande dat de score van de verzoekende partij inzake het gunningscriterium “Kwaliteit en timing” na de eerste offerte minstens 30 op 60 bedroeg, doet de verzoekende partij gelden dat de verwerende partij niet uitlegt waarom de uiteindelijke score van de verzoekende partij na BAFO slechts zeer beperkt is gestegen, terwijl de verwerende partij bevestigde dat haar BAFO-offerte wel degelijk een aanvulling gaf aan de eerste offerte en dat er een uitgebreide toelichting werd toegevoegd voor de gevolgde methodologie. Ten tweede geven de bestreden beslissing noch het verslag van nazicht enige verduidelijking over de beoordelingscommissie en de gebeurlijke samenstelling ervan. Er kan derhalve niet worden nagegaan of de bepalingen van het bestek zijn gevolgd en de beoordeling door de juiste personen is gebeurd, hetgeen inhoudt dat opnieuw de formelemotiveringsplicht is geschonden.
- Wat het punt C betreft (de gedane beoordeling is onjuist en tegenstrijdig) voert de verzoekende partij aan dat de formele motivering in het gunningsverslag inzake de subgunningscriteria “Plan van aanpak “ en “studieteam” XIV-39.859-9/38 onjuist is. Vooreerst doet zij gelden dat inzake het subgunningscriterium “Plan van aanpak” ten onrechte is gemotiveerd dat tijdens het gesprek over de offerte, niet werd ingegaan op het plan van aanpak en het eerder bleef bij een algemene bedrijfsvoorstelling, terwijl tijdens de onderhandelingen wel degelijk ook inhoudelijk werd ingegaan op het plan van aanpak. Ten tweede bekritiseert de verzoekende partij inzake datzelfde subgunningscriterium, het motief dat haar offerte blijk zou geven van “een sterke onderschatting van de gevraagde diepgang en werkuren”. Zij zet uiteen dat zij wel degelijk beseft wat de opdracht inhoudt en dat zij daarvoor een normale prijs heeft gegeven. De geboden prijzen zijn door de verwerende partij ook uitdrukkelijk als normaal bestempeld, wat volgens de verzoekende partij inhoudt dat daarmee vaststaat dat de verwerende partij van mening is dat de door de verzoekende partij geboden prijs haar in staat stelt de opdracht op een kwalitatieve wijze uit te voeren. De motivering dat de verzoekende partij blijk zou geven van een sterke onderschatting van de gevraagde diepgang en werkuren is onjuist. Indien de verwerende partij van oordeel was dat de door de verzoekende partij geboden prijs haar niet zou toelaten om de opdracht behoorlijk uit te voeren, had zij om een prijsverantwoording moeten vragen, wat ze niet heeft gedaan. De prijs werd in de BAFO ook nog aangepast om enkel optionele elementen toe te voegen conform de gevraagde scope tijdens de onderhandelingen. Door alsnog te oordelen dat de verzoekende partij de opdracht zou onderschatten en door minder punten te geven bij de beoordeling van het plan van aanpak, is de motivering bijgevolg tegenstrijdig met de overige inhoud van het verslag van nazicht en dus onjuist, hetgeen een schending inhoudt van de materiëlemotiveringsplicht. De verwerende partij legt daarnaast niet uit hoe het mogelijk is dat de prijs te laag zou zijn voor een behoorlijke uitvoering van de opdracht maar dat de prijs wel onderzocht werd en niet als abnormaal werd beschouwd. XIV-39.859-10/38
- Wat het punt D betreft (de verslagen van de onderhandeling – de opnames) voert de verzoekende partij aan dat de gesprekken in het kader van de onderhandeling zijn opgenomen door de verwerende partij en dat die moeten worden neergelegd in het administratief dossier. In punt E doet de verzoekende partij gelden dat zij belang heeft bij haar kritieken. Beoordeling Vooraf
- Artikel 2, § 1, tweede lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), dat op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de procedureregeling in kort geding) – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid van dat besluit – is van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin, zoals te dezen, nog geen verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend. De vordering moet derhalve een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens artikel 2, § 1, tweede lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630). Te dezen maakt het middel het voorwerp uit van zeer omstandige toelichtingen over meer dan tien pagina’s, waarin de verzoekende partij in detail en concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. XIV-39.859-11/38 Het verzoekschrift bevat weliswaar een uiteenzetting van het middel met een zeer beknopte uiteenzetting van de wijze waarop de aangehaalde normen zijn geschonden (“doordat”) en een zeer beknopte uiteenzetting van de wijze waarop die normen hadden moeten worden toegepast (“terwijl”), maar het bevat geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl het verzoekschrift zeer omstandige toelichtingen over meer dan tien pagina’s bevat, waarin de verzoekende partij in detail en concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt als hierna is gedaan.
- De Raad van State beoordeelt hierna het in het verzoekschrift uiteengezette middel in de volgorde van de door de verzoekende partij opeenvolgend gemaakte kritieken. Punten D en E in het verzoekschrift die geen grieven bevatten, behoeven in het kader van het middelonderzoek derhalve geen beoordeling. A. Inzake de grief betreffende het verschil in punten met betrekking tot het subgunningscriterium “Plan van aanpak” en het subgunningscriterium “Studieteam” Betreffende het subgunningscriterium “plan van aanpak” – formele motivering
- Kort gezegd – en ook ter terechtzetting benadrukt door de verzoekende partij - komt een eerste grief erop neer dat wat het gunningscriterium “Plan van aanpak” betreft, volgens de verzoekende partij niet afdoende wordt gemotiveerd waarom aan haar “zulke lage punten zijn gegeven,” noch is het grote verschil in score tussen haar aanbod en dat van de overige inschrijvers gemotiveerd. Er wordt niet geduid of gemotiveerd waarom de offerte van de verzoekende partij weinig punten heeft gekregen voor dit subgunningscriterium. XIV-39.859-12/38
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Voorts bepaalt, wat de formele motivering van een gunningsbeslissing betreft, artikel 5 van de wet van 17 juni 2013 dat die beslissing een reeks vermeldingen moet bevatten, waaronder (9°) de juridische en feitelijke motieven voor de beslissingen die betrekking hebben op onder meer de gekozen inschrijver en de inschrijvers van wie de regelmatige offerte niet werd gekozen. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. Geconcretiseerd op het voorliggende geschil, vereist de voormelde formelemotiveringsplicht dat de niet-gekozen inschrijver op grond van de motivering in het gunningsverslag waarop de gunningsbeslissing steunt, afdoende te weten komt waarom de aanbestedende overheid, in het licht van de gunningscriteria, de voorkeur geeft aan deze of gene offerte.
- In de mate dat in het middel ook de “formelemotiveringsplicht” als aparte grond wordt aangevoerd, is de formelemotiveringsplicht geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voor zover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Voor zover deze grond samenvalt met de XIV-39.859-13/38 aangevoerde schending van de voormelde wettelijke bepalingen, is er geen reden om die afzonderlijk te beoordelen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State bij zijn navolgende beoordeling van het afdoend karakter de gehele formele motivering betrekt inzake het eerste subgunningscriterium. In het verslag van nazicht van de offertes, dat met de bestreden beslissing is goedgekeurd, wordt de vergelijking van de offertes wat het subgunningscriteria nr. 1.
- “Plan van aanpak” als volgt gemotiveerd: “ Gunningscriterium nr. 1.1: Plan van aanpak Beoordeling op 35 punten De inschrijver dient een plan van aanpak in dat minstens het volgende behandelt: - een heldere en volledige beschrijving van de studiemethodiek inclusief stappen en fases - een heldere beschrijving van de voorgestelde technieken voor data verzameling - een heldere beschrijving van de analytische benadering van onder andere de elektrische vereisten, de netcapaciteit, de technische haalbaarheid,... - een voorontwerp voor de walstroom infrastructuur dat rekening houdt met de technische en omgevingsfactoren - aanzet tot layout voor het walstroomsysteem met beschrijving van componenten en materialen - aanzet tot voorontwerp voor de integratie van hernieuwbare energiebronnen met het walstroomsysteem - aanzet tot risico evaluatie - CAPEX en OPEX inschattingen - geanonimiseerd voorbeeld van een multi-site feasibility of pre-design studie (bij voorkeur gerelateerd aan haveninfrastructuur, walstroom of complexe industriële elektrische systemen) - ... Het plan van aanpak dient efficiënt te worden opgesteld, concreet, duidelijk en to the point, beknopt en zonder overbodige toevoegingen. beoordelingsmethodiek: onafhankelijke evaluatie door een beoordelingscommissie van minstens 2 personen waaronder de projectleider, van alle beoordelingselementen en aspecten die toelaten om een appreciatie uit te spreken over het criterium in zijn geheel. Er zal daarbij onder andere gekeken worden naar duidelijkheid, volledigheid, specificiteit, relevantie, haalbaarheid, robuustheid, probleembenadering, innovatie, .... XIV-39.859-14/38 De offerte en presentatie getuigen van een zeer heldere, gestructureerde en complete aanpak. Alle stappen, van dataverzameling tot risicoanalyse en operationele modellen, zijn uitstekend onderbouwd. De inschrijver toont diepgaande kennis van alle relevante technische normen en kan adviseren over de beste operationele modellen gebaseerd op ruime en internationale praktijkervaring voor zowel zeevaart, [Gekozen inschrijver] - binnenvaart als elektrificatie van terminal equipment, 3 offerte voor enkel inclusief de nodige aanpassingen hieraan. 33 Perceel 1 De offerte voorziet in meerdere versies van de rapportering, wat getuigt van een iteratieve en zorgvuldige aanpak in samenspraak met de klant. In de bafo wordt verduidelijkt dat optionele taken volledig worden geïntegreerd in de conceptontwerpen, inclusief lay-outtekeningen en single-line diagrammen. Ook tijdens het gesprek toont men aan de opdracht tot in detail te begrijpen. [gekozen inschrijver] - Gegroepeerde offerte Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte gelijk aan 4 Perceel 1, 33 de offerte voor perceel
- Perceel 2 Sweco presenteert een zeer duidelijke 4-fasenaanpak met concrete databronnen, analysemethoden en duidelijke mijlpalen. Het plan getuigt van een professionele en gestructureerde projectbeheersing. De offerte bevat een sterk en relevant geanonimiseerd voorbeeld dat de capaciteit voor vergelijkbare opdrachten aantoont. De high level aanpak voor scheepsmodificaties wordt in de bafo op hetzelfde [offerte nr.9] - offerte detailniveau meegenomen als andere delen. 9 32 voor enkel Perceel 1 De vooropgestelde nauwkeurigheid van de CAPEX/OPEX-ramingen is aan de lage kant voor een pre-design studie, wat een risico kan vormen voor de budgettaire planning. Sweco stelt een beperkt aanpassing dossier voor voor scheepsmodificaties en geeft geen ervaring in gecombineerde shore power configuraties. [offerte nr. 10 - Gegroepeerde Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte 10 offerte 32 gelijk aan de offerte voor perceel
- Perceel 1, Perceel 2 XIV-39.859-15/38 De inschrijver stelt een beproefde, iteratieve aanpak voor om de vraagbepaling te doen op basis van AIS-data of in direct overleg met de terminals en presenteert meerdere scenario's om tot een gedragen oplossing te komen. De [offerte nr. 11] - betrouwbaarheid van de CAPEX-raming wordt 11 offerte voor enkel 32 sterk onderbouwd. De onduidelijkheden op Perceel 1 bepaalde punten in de offerte worden tijdens het gesprek verduidelijkt en door toevoeging van onder andere een dashboardvoorbeeld en een verdere uitwerking van de opties grotendeels weggewerkt. [offerte nr. 12] - Gegroepeerde Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte 12 offerte 32 gelijk aan de offerte voor perceel
- Perceel 1, Perceel 2 De samenwerking tussen SBE en VITO is een sterk punt door de combinatie van direct toepasbare kennis en innovatieve, model- gebaseerde analyses om complexe energieprofielen te simuleren. De voorgestelde methodiek is logisch opgebouwd in duidelijke fases en omvat alle gevraagde onderdelen van de studie. Er wordt een iteratief proces met [offerte nr. 7] - feedbackmomenten voorgesteld. Het 7 offerte voor enkel 30 voorgestelde eindproduct is meer gedetailleerd Perceel 1 dan gevraagd. Men heeft de ambitie om een kant en klare oplossing aan te leveren maar de opdracht vraagt naar een concept. De directe, praktische ervaring met het ontwerpen en realiseren van walstroom voor zeeschepen is beperkt. De expertise van VITO is aanpalend (elektrificatie van voortstuwing) maar niet specifiek op walstroom gericht. [offerte nr. 8] Gegroepeerde Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte 8 30 offerte Perceel 1, gelijk aan de offerte voor perceel
- Perceel 2 XIV-39.859-16/38 Ingenium toont een zeer goed begrip van de strategische context en maakt een duidelijk onderscheid tussen de uitdagingen in België en de complexere situatie in Nederland. De voorgestelde aanpak is zeer gestructureerd, met onder meer het gebruik van eigen simulatiemodellen voor aanmeergedrag en een duidelijke planning voor bezoeken aan schepen, terminals en leveranciers. De inschrijver neemt de verantwoordelijkheid voor de communicatie met rederijen op zich en stelt proactief gesprekken met de netbeheerders voor. [offerte nr. 5] - Het voorgestelde eindproduct is meer 5 offerte voor enkel gedetailleerd dan gevraagd. Men heeft de 27 ambitie om een kant en klare oplossing aan te Perceel 1 leveren maar de opdracht vraagt naar een concept. In de bafo wordt de offerte inhoudelijk versterkt met extra budget voor de juridische analyse, een duidelijker plan voor de analyse van scheepsmodificaties en belastingsprofielen en een flexibel, overkoepelend investeringsmodel. De wijziging van hoogspanningsinfrastructuur en het spanningsniveau worden niet meegenomen in de scope, wat als risicovol wordt geëvalueerd. De directe, gerealiseerde projectervaring in walstroom voor zeevaart is beperkt. [offerte nr. 6] - Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte gelijk aan de 6 Gegroepeerde offerte 27 offerte voor perceel
- Perceel 1, Perceel 2 Arcade toont een goed begrip van de verschillen tussen de percelen in Vlaanderen en Nederland en geeft aandacht aan belangrijke aspecten als redundantie, flexibiliteit en de integratie van een energie management systeem. In het algemeen geeft de offerte blijk van een sterke onderschatting van de gevraagde diepgang en werkuren. Dit wekt twijfel over het begrip van de opdracht, zeker voor de complexe optionele studies waarvan er 1 niet Arcade Engineering bv wordt aangeboden in de initiële offerte. In de bafo wordt 1 - offerte voor enkel dit aangevuld en wordt er een uitgebreide toelichting 15 Perceel 1 toegevoegd over de gevolgde methodologie. Er zijn echter geen referenties voor de toepassing van dit model op walstroomprojecten. Tijdens het gesprek over de offerte werd niet ingegaan op het plan van aanpak maar bleef het eerder bij een algemene bedrijfsvoorstelling. Ook na de bafo blijven er cruciale zorgen over de mate waarin de complexiteit van de opdracht wordt ingeschat en aangepakt. XIV-39.859-17/38 Arcade Engineering bv Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte gelijk aan de 2 - Gegroepeerde offerte 15 offerte voor perceel
- Perceel 1, Perceel 2 Uit deze motivering blijkt dat wat dit subgunningscriterium betreft, aan de offerte van de verzoekende partij een gewicht van 15 op 35 is toegekend. Uit de motivering blijkt dat die is toegekend omwille van een sterke onderschatting van de gevraagde diepgang (en werkuren) waarbij getwijfeld wordt over het begrip en de complexiteit van de opdracht, van het feit dat er geen referenties zijn voor de toepassing van het gehanteerde model op walstroomprojecten (waaruit blijkt dat de verwerende partij vragen heeft bij de toepassing van dit model op walstroomprojecten) en van het feit dat er ook na de BAFO cruciale vragen bleven over de inschatting van de complexiteit van de opdracht door de verzoekende partij. Hieruit volgt op het eerste gezicht dat de verzoekende partij uit de lezing van de motivering op afdoende wijze kon afleiden waarom haar het cijfer van 15/35 is toegekend, zodat zij met afdoende kennis van zaken kan uitmaken of het aangewezen is deze motieven te bestrijden. Zulks volstaat om te voldoen aan de geschonden geachte formelemotiveringsplicht. De enkele omstandigheid dat de verzoekende partij zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering en een andere opvatting over het afdoend karakter ervan heeft, maakt die daarom niet onwettig.. In de mate dat de verzoekende partij doet gelden dat het zeer grote verschil in score tussen haar offerte en die van de overige inschrijvers niet formeel is gemotiveerd, volstaat in deze stand van het geding de vaststelling dat uit de lezing van de hiervoor weergegeven motiveringen, voor elk van de offertes kan worden afgeleid waarop de aanbestedende overheid de telkens toegekende score steunt en in welke mate hun offerte aan het subgunningscriterium voldoet en waarom een bepaalde offerte meer aan dat criterium voldoet en zich aldus van de andere offertes onderscheidt. Zulks volstaat prima facie om te voldoen aan de geschonden geachte formelemotiveringsplicht. De enkele omstandigheid dat de verzoekende partij zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering en een andere opvatting over het afdoend karakter ervan heeft, maakt die daarom niet onwettig. In het bijzonder geldt dit voor haar stelling dat de verwerende partij zich XIV-39.859-18/38 per offerte heeft beperkt tot een beschrijving waaraan dan “plots” een score is toegekend, aangezien de verzoekende partij zich ter zake beperkt tot een blote bewering zonder enige concrete toetsing van dat standpunt aan de uitgedrukte motieven.
- Het middel is in die mate niet ernstig. Betreffende het subgunningscriterium “plan van aanpak” – materiële motivering
- De verzoekende partij voert als wat een tweede grief lijkt, aan dat wanneer wordt gekeken naar de beoordeling van de andere offertes, niet anders dan besloten kan worden dat de beoordeling van het plan van aanpak onjuist is. Met deze kritiek lijkt de verzoekende partij de door haar geschonden geachte materiëlemotiveringsplicht aan te voeren. Deze grief wordt in deze stand van het geding vanuit dat oogpunt beoordeeld.
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.. Ter beoordeling van deze grief moet ook worden gewezen op het feit dat de aanbestedende overheid bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes en hun toetsing aan de gunningscriteria, beschikt over een beoordelingsruimte. Het is in de eerste plaats de aanbestedende overheid die bepaalt wat zij als sterke en zwakke punten in de offertes beschouwt en om er dienovereenkomstig punten aan toe te kennen. Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het XIV-39.859-19/38 voormelde materiëlemotiveringsbeginsel aldus dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte de inhoudelijke beoordeling van de offertes en hun toets aan de gunningscriteria verantwoorden. Voorts kan een verzoekende partij die kritiek wil leveren op de toetsing door de aanbestedende overheid van de offertes aan de hand van de gunningscriteria, er niet mee volstaan één of meer uit hun context gehaalde onderdelen van de motivering selectief te citeren en te bekritiseren. Het is immers de motivering van de toetsing van de offertes in haar geheel genomen die afdoende moet zijn.
- De formele motivering van het eerste subgunningscriterium wordt hiervoor weergegeven (supra, punt 17). Er wordt naar verwezen. Hiervoor is vastgesteld dat de aan de verzoekende partij voor dit subgunningscriterium toegekende score wordt verantwoord door het feit dat er een sterke onderschatting is van de gevraagde diepgang (en werkuren) waarbij getwijfeld wordt over het begrip en de complexiteit van de opdracht, dat er geen referenties zijn voor de toepassing van het gehanteerde model op walstroomprojecten (waaruit blijkt dat de verwerende partij vragen heeft bij de toepassing van dit model op walstroomprojecten) en dat er ook na de BAFO cruciale vragen bleven over de inschatting van de complexiteit van de opdracht door de verzoekende partij. Deze beweegredenen vormen samengenomen, de motieven voor de puntentoekenning aan de offerte van de verzoekende partij. Ze vormen ook het onderscheidend motief wat de overige offertes betreft. Bij geen van de andere inschrijvers wordt immers een dergelijke fundamentele globale kritiek gegeven inhoudend dat het plan van aanpak onvoldoende diepgang vertoont en de complexiteit van de opdracht niet vat. Zulks maakt dat op het eerste gezicht afdoend onderscheidend is vastgesteld waarom de offerte van de verzoekende partij een mindere score kreeg dan die van de overige inschrijvers. De verzoekende partij betwist op generlei wijze in het verzoekschrift deze op het eerste gezicht fundamentele kritieken die immers het volledig voorgestelde plan van aanpak aantasten. .Zij beperkt zich ter adstructie van haar grief tot het eigen standpunt dat de beoordeling van het plan van aanpak onjuist is en het grote puntenverschil niet kan verantwoorden, hierbij zich steunend XIV-39.859-20/38 op punctuele kritiek die zij in essentie afleidt uit de vaststelling 1°) dat (positieve) elementen zijn benoemd in andere offertes en waarvan zij volgens haar ook doet blijken en dat 2°) negatieve elementen zijn benoemd in andere offertes en waarin zij volgens haar beter scoort. Met die punctuele kritiek maakt zij evenwel op het eerste gezicht geenszins aannemelijk dat de aanbestedende overheid op grond van de niet-betwiste fundamentele kritiek op het plan van aanpak van de verzoekende partij, de grenzen van haar appreciatieruimte is te buiten gegaan door de offerte van verzoekende partij te waarderen met een score van 15/
- Het middel is in de mate niet ernstig. Betreffende het subgunningscriterium “plan van aanpak” – onzorgvuldige beoordeling
- De verzoekende partij voert ook aan dat de beoordeling van de offertes manifest onzorgvuldig is gebeurd. Zij voert aldus de schending aan van het eveneens aangevoerde zorgvuldigheidsbeginsel.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan de verzoekende partij toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de aanbestedende overheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door de verzoekende partij van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. XIV-39.859-21/38
- Ter adstructie van deze grief steunt de verzoekende partij zich op dezelfde punctuele kritiek als hiervoor. Zij voegt hieraan toe dat de verwerende partij geen rekening hield met haar bij haar BAFO gevoegd addendum, waarvan volgens haar geen enkel beoordelingsspoor te vinden is in de bestreden beslissing. Wat de punctuele kritiek betreft die de verzoekende partij aanvoerde, is hiervoor reeds vastgesteld dat zij in haar kritiek de fundamentele kritieken die de aanbestedende overheid formeel uitte ten aanzien van haar plan van aanpak en dat haar offerte op dat punt onderscheidt van de overige, niet betrekt noch betwist. Evenmin betwist zij de zorgvuldige besluitvorming wat dit determinerend motief betreft. In deze context maakt zij derhalve op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de onzorgvuldige besluitvorming die volgens haar zou blijken uit punctuele kritiek, moet doen besluiten dat daardoor de besluitvorming van de bestreden beslissing, gesteund op determinant bevonden motieven, onzorgvuldig zou zijn tot stand gekomen. Wat de kritiek betreft dat de verwerende partij geen rekening hield met haar bij haar BAFO gevoegd addendum, komt het aan haar toe om in een technische materie als de voorliggende, concreet en met de nodige precisie aan te duiden op welk punt uit het addendum geen rekening werd gehouden, te meer dat in het verslag van nazicht en inzonderheid in de formele motivering betreffende de verzoekende partij, uitdrukkelijk wordt verwezen naar aanvullingen in het BAFO. Op het eerste gezicht lijkt deze kritiek een eigen aanname zonder enig begin van bewijs, hetgeen niet volstaat om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
- Het middel is in die mate niet ernstig. Betreffende het subgunningscriterium “studieteam” – formele motivering
- In wat als een eerste grief kan worden beschouwd, voert de verzoekende partij een gebrek in de formele motivering aan, met name 1°) dat het verschil in punten inzake de scores voor dit subgunningscriterium tussen die van haar score en die van twee nader bepaalde inschrijvers (hierna: offerte 7 en offerte XIV-39.859-22/38 5 genoemd: infra, punt 29) dusdanig groot is en 2°) dat de bestreden beslissing geen afdoende uitleg geeft waarom zij de ervaring van het team als “beperkt” bestempelt.
- De draagwijdte van de formelemotiveringsplicht is hiervoor gegeven. Er wordt verwezen (supra, punt 15).
- In het verslag van nazicht van de offertes, dat met de bestreden beslissing is goedgekeurd, wordt de vergelijking van de offertes van de verzoekende partij, van de gekozen inschrijver en van de inschrijvers die respectievelijk offerte 7 en 5 indienden wat betreft het subgunningscriteria nr. 1.
- “Studieteam,” als volgt gemotiveerd: Het team heeft zeer uitgebreide en recente ervaring met walstroomprojecten wereldwijd, voor [gekozen alle relevante scheepstypes. Alle benodigde inschrijver] - offerte disciplines worden op expertniveau gecoverd, 3 14 voor enkel inclusief de regelgevende context. De offerte en Perceel 1 presentatie tonen een duidelijke teamopbouw en een heldere verdeling van de taken, wat vertrouwen geeft in een efficiënte uitvoering. [gekozen inschrijver] - Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte gelijk 4 Gegroepeerde 14 aan de offerte voor perceel
- offerte Perceel 1, Perceel 2 […] […] […] XIV-39.859-23/38 Het team beschikt over een duidelijke expert met meerdere jaren ervaring in elektrische projecten en specifieke, zij het iets gedateerde, ervaring met walstroomstudies, al gaat het niet over concepten voor walstroom zeevaart. Ingenium heeft een groot team van [offerte nr. 5] - offerte elektrische ingenieurs met diverse specialisaties in o.a. 11 5 voor enkel Perceel 1 hernieuwbare energie, PV-installaties en complexe elektrische systemen, wat een solide technische basis biedt. De specifieke walstroomervaring lijkt sterk geconcentreerd te zijn bij één persoon wat risico's inhoudt. [offerte nr. 6] - Gegroepeerde offerte Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte gelijk aan de 6 11 Perceel 1, Perceel 2 offerte voor perceel
- De samenwerking tussen SBE (praktische engineering, elektromechanica, haveninfra) en VITO (wetenschappelijk onderzoek, energiemodellen) is een duidelijke meerwaarde. De offerte presenteert een doordachte teamstructuur met specifieke projectteams per perceel en een back-up organisatie om de continuïteit [offerte nr. 7] - offerte te garanderen. Het team heeft een brede expertise in 7 11 voor enkel Perceel 1 elektromechanica, energiesystemen, en relevante onderzoeksprojecten. VITO gaf expliciet aan geen directe ervaring te hebben met walstroomprojecten en de praktische walstroomervaring bij SBE lijkt voornamelijk bij één teamlid geconcentreerd te zijn, wat als minpunt wordt geëvalueerd. [offerte nr. 8] - Gegroepeerde offerte Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte gelijk aan de 8 11 Perceel 1, Perceel 2 offerte voor perceel
- XIV-39.859-24/38 Het team beschikt over uitstekende expertise in haveninfrastructuur en energiesysteemintegratie, met een expert met meerdere jaren ervaring. De combinatie van diepgaande logistieke en operationele havenkennis met hoogwaardige strategische energiekennis is een Arcade Engineering bv potentieel sterk punt. Concrete projectervaring lijkt wel 1 - offerte voor enkel vooral gekoppeld aan batterijprojecten. 7 Perceel 1 Het team blijkt beperkt ervaring te hebben met walstroom voor coasters en binnenvaartschepen. Tijdens het gesprek kon er ook niet specifiek worden ingegaan op walstroom en de praktische implementatie van deze technologie. Arcade Engineering bv 2 - Gegroepeerde offerte Voor dit criterium is de gegroepeerde offerte gelijk aan de 7 Perceel 1, Perceel 2 offerte voor perceel
- Uit deze motivering blijkt dat wat dit subgunningscriterium betreft, aan de offerte van de verzoekende partij een gewicht van 7 op 15 is toegekend. Uit de motivering blijkt dat die is toegekend omwille van het feit dat de concrete projectervaring vooral gekoppeld is aan batterijprojecten, dat er slechts beperkte ervaring is van het team met walstroom voor coasters en binnenvaartschepen en dat er tijdens het gesprek niet specifiek kon worden ingegaan op walstroom en de praktische implementatie van deze technologie. Hieruit volgt op het eerste gezicht dat de verzoekende partij uit de lezing van de motivering op afdoende wijze kon afleiden waarom haar het cijfer van 7/15 is toegekend, zodat zij met afdoende kennis van zaken kan uitmaken of het aangewezen is deze motieven te bestrijden. Zulks volstaat om te voldoen aan de geschonden geachte formelemotiveringsplicht. In de mate dat de verzoekende partij het standpunt huldigt dat er geen afdoende uitleg is waarom haar ervaring als beperkt wordt bestempeld, vraagt zij eigenlijk op het eerste gezicht naar de beweegredenen van de motieven. Dat ligt niet vervat in de geschonden geachte formelemotiveringsplicht. De enkele omstandigheid tot slot dat de verzoekende partij zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering en een andere opvatting over het afdoend karakter ervan heeft, maakt die daarom niet onwettig. In de mate dat de verzoekende partij doet gelden dat het zeer grote verschil in score tussen haar offerte en die van de twee voor haar gerangschikte inschrijvers niet formeel is gemotiveerd, volstaat in deze stand van XIV-39.859-25/38 het geding de vaststelling dat uit de lezing van de hiervoor weergegeven motiveringen voor elk van deze offertes kan worden afgeleid waarop de aanbestedende overheid de telkens toegekende score steunt en in welke mate hun offerte aan het subgunningscriterium voldoet en waarom een bepaalde offerte meer aan dat criterium voldoet en die zich aldus van de andere offertes onderscheidt. Zulks volstaat om te voldoen aan de geschonden geachte formelemotiveringsplicht. De enkele omstandigheid tot slot dat de verzoekende partij zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering en een andere opvatting over het afdoend karakter ervan heeft, maakt die daarom niet onwettig.
- Het middel is in die mate niet ernstig. Betreffende het subgunningscriterium “studieteam” – materiële motivering
- De verzoekende partij bekritiseert ook de gedane waardering van het studieteam. Vooreerst bekritiseert zij de overweging dat het team een beperkte ervaring heeft. Ten tweede stelt zij dat die waardering niet in overeenstemming is met de inhoud van de onderhandelingen. Met die kritiek voert de verzoekende partij in wezen een schending aan van de materiëlemotiveringsplicht.
- De draagwijdte van dit beginsel is hiervoor gegeven. Er wordt verwezen (supra, punt 20).
- In de bestreden beslissing is gesteld dat het team beperkte ervaring heeft met walstroom voor coasters en binnenvaartschepen. Het voorwerp van de voorliggende opdracht betreft de implementatie van walstroom voor zeevaart-terminals. Bij de omschrijving van het subgunningscriterium ‘studieteam’ in het bestek, is aangegeven dat bij dit gunningscriterium de ervaring van het team met gelijkaardige studies, vooral op gebied van walstroom (zeevaart), energiesysteem, integratie en haveninfrastructuur belangrijk is. De ervaring op het gebied van walstroom is derhalve een determinerend beoordelingsgegeven. XIV-39.859-26/38 Wat de grief betreft dat volgens de bestreden beslissing het team een beperkte ervaring heeft, stelt de verwerende partij in haar nota dat de opgegeven referenties van de betrokken expert V. beperkt zijn tot conceptstudies die nog niet zijn gerealiseerd en dat “de praktische knowhow en trackrecord in walstroom” volledig ontbreken. Zulks wordt niet betwist door de verzoekende partij en vindt steun in de stukken van het dossier. Evenmin wordt betwist dat de expertise van de andere experten die de verzoekende partij aanhaalt, op andere vlakken ligt. In het licht van de concrete ervaring van deze experten en inzonderheid inzake die van de door de verzoekende partij als relevant aangewezen expert V., maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid op grond van de concrete ervaring van de betrokken experten, de grenzen van haar appreciatieruimte te buiten is gegaan door de ervaring van het team als beperkt te omschrijven wat walstroom voor coasters en binnenvaartschepen betreft. Wat het argument betreft dat de waardering niet zou stroken met de inhoud van de onderhandelingen, stelt de verwerende partij dat uit het (opgenomen) gesprek van de onderhandelingen voldoende duidelijk blijkt “dat er toch nog wel vragen waren i.v.m. de ervaring van het team”, hetgeen zij illustreert aan de hand van precieze aanduidingen in de geluidsopname van dat gebrek aan ervaring. De verzoekende partij, die kopie en inzage had van dit geluidsfragment (supra, punt 4), weerlegt deze feitelijke en precieze aanduidingen door de verwerende partij in het geluidsfragment niet. Haar standpunt dat de lage score voor dit subgunningscriterium niet in overeenstemming is met de inhoud van de onderhandelingen, toont zij derhalve niet aan. Zulks bovendien los van het gegeven dat onderhandelingen in beginsel niet tot doel hebben om een tweede kans te geven aan degene die niet de econonomisch voordeligste offerte indiende, door die toe te laten diens offerte te verbeteren om de kansen te verhogen om de opdracht binnen te halen. Het komt derhalve aan de verzoekende partij toe om te evalueren of haar team voldoende relevante ervaring heeft en of dit moet worden aangepast bij (kennis- of ervarings)lacunes.
- Het middel is in die mate niet ernstig. XIV-39.859-27/38 B. Inzake de grief betreffende het verloop van de onderhandelingen en de beoordeling van de offertes
- De verzoekende partij voert in dit onderdeel twee grieven aan die zij plaatst onder de schending van de formelemotiveringsplicht. Deze grieven worden hierna vanuit dit oogpunt onderzocht.
- De draagwijdte van de formelemotiveringsplicht is hiervoor weergegeven (supra, punt 15). Er wordt verwezen.
- Een eerste kritiek houdt in dat in de bestreden beslissing niet is ingegaan op de onderhandelingsprocedure, te weten de beoordeling van de eerste offertes, de voorlopige quotering, de onderhandelingen en de beoordeling van de gebeurlijk aangepaste offertes. Op het eerste gezicht overtuigt deze grief niet. In het bestek is bepaald dat aan de initieel ingediende offertes een “voorlopige algemene quotering” wordt gegeven, waarbij “de slechtst gerangschikte offertes kunnen afvallen”. De verbeterde offertes – de BAFO - “worden beschouwd als volledig nieuwe offertes die opnieuw aan een beoordeling worden onderworpen”, waarbij “de beoordeling en de eruit resulterende punten volledig nieuw zijn.” De verzoekende partij is niet afgevallen, maar toegelaten tot de onderhandelingen en heeft een BAFO kunnen indienen. Zonder dat in deze stand van het geding moet worden onderzocht of de geschonden geachte formelemotiveringsverplichting de verplichting zou inhouden om in de bestreden beslissing de voorlopige algemene quotering van de initieel ingediende offertes op te nemen, doet de verzoekende partij op het eerste gezicht niet blijken dat zij belang heeft bij haar kritiek dat zij de voorlopige score van haar eerste offerte niet kent. Bij de beoordeling van de definitieve offertes in een onderhandelingsprocedure, moet de aanbestedende overheid immers elke definitieve offerte waarderen ten opzichte van de andere definitieve offertes, waarbij zij voor de definitieve score XIV-39.859-28/38 weliswaar de volledige offerte in beschouwing dient te nemen met inbegrip van de eventueel hernomen delen uit de eerste offerte. In die zin maakt de verzoekende partij niet aannemelijk waarom zij inzicht dient te hebben in de voorlopige quotering van haar eigen eerste offerte om met kennis van zaken te kunnen beslissen of het zin heeft zich in rechte te verweren tegen de bestreden gunningsbeslissing. Wat haar kritiek betreft dat niet is uitgelegd waarom de uiteindelijke score na het BAFO slechts zeer beperkt is gestegen, volstaat in deze stand van het geding het gegeven dat de formelemotiveringsplicht niet zo ver gaat dat die de aanbestedende overheid zou verplichten, bij het waarderen van de definitieve offertes in een onderhandelingsprocedure, formeel in de bestreden beslissing uiteen te zetten waarom de definitieve score na BAFO slechts “zeer beperkt is gestegen.” Zoals ook uit het bestek blijkt, betreft enkel de offerte na BAFO een definitieve offerte en moet die worden gewaardeerd, zonder dat zulks op het eerste gezicht vereist dat die wordt afgemeten aan de voorlopige algemene quotering van de initieel ingediende offerte. Het middel is in die mate niet ernstig.
- In de mate dat de verzoekende partij de formelemotiveringsplicht geschonden acht omdat de bestreden beslissing noch het verslag van nazicht enige verduidelijking geven over de beoordelingscommissie en de samenstelling, gaat de geschonden geachte formelemotiveringsplicht niet zo ver dat die de aanbestedende overheid zou verplichten daarop uitdrukkelijk in te gaan en dat in de bestreden beslissing te moeten uiteenzetten. De omstandigheid dat de verzoekende partij, bij lezing van de bestreden beslissing, derhalve niet kan nagaan of de bepalingen van het bestek zijn gevolgd en de beoordeling door de juiste personen is gebeurd, maakt niet dat zulks formeel zou moeten worden uiteengezet en gemotiveerd in de bestreden beslissing. Het middel is in die mate niet ernstig. XIV-39.859-29/38 C. Inzake de grief dat de gedane beoordeling onjuist en tegenstrijdig is
- De kritiek dat inzake het subgunningscriterium “Plan van aanpak” het onjuist is dat tijdens het gesprek over de offerte niet werd ingegaan op het plan van aanpak en het eerder bleef bij een algemene bedrijfsvoorstelling, betreft de materiële motivering van de bestreden beslissing. De draagwijdte van de materiëlemotiveringsplicht is hiervoor weergegeven (supra, punt 20). Er wordt verwezen. Te dezen stelt de verwerende partij in haar nota, verwijzend naar inzonderheid de geluidsopname van het gesprek tijdens de onderhandeling, dat de verzoekende partij een presentatie had voorbereid die een bedrijfsvoorstelling was en dat de verzoekende partij geen verduidelijking van haar plan van aanpak had voorbereid. Het plan van aanpak werd besproken aan de hand van zeer veel vragen gesteld door de verwerende partij en antwoorden van de verzoekende partij, waarbij de verwerende partij stelt dat “veel vragen die betrekking hadden op het plan van aanpak” door de verzoekende partij niet concreet werden beantwoord. De verzoekende partij betwist noch weerlegt dit in het verzoekschrift noch ter terechtzitting, maar meent ter terechtzitting dat hieruit wel degelijk blijkt dat de betwiste overweging in de bestreden beslissing onjuist is, daar het plan van aanpak aan de hand van vragen en antwoorden werd besproken. De bekritiseerde overweging in de formele motivering van het tweede subgunningscriterium is hiervoor weergegeven. Het volstaat evenwel niet om één of meerdere uit hun context gehaalde onderdelen van de motivering selectief te citeren en te bekritiseren. Er moet bij de beoordeling van de juistheid van de bekritiseerde overweging, rekening te worden gehouden met de motivering in haar geheel, omdat het de toetsing van de offertes in haar geheel genomen die afdoende moet zijn. Uit de lezing van het gunningsverslag lijkt te dezen de door de verzoekende partij bekritiseerde overweging te moeten worden samengelezen met XIV-39.859-30/38 de daarop volgende overweging dat er ook na de BAFO nog cruciale zorgen blijven over de mate waarin de complexiteit van de opdracht werd ingeschat en aangepakt. Op het eerste gezicht geeft de verwerende partij hiermee aan dat noch uit de BAFO, noch uit het daaraan voorafgaande onderhandelingsgesprek een voldoende bijkomende uiteenzetting van het plan van aanpak blijkt die de zorgen over de inschatting van de complexiteit van de opdracht bij de verwerende partij hebben kunnen wegnemen. Dit wordt niet weerlegd noch tegengesproken zodat zelfs aannemend dat tijdens het gesprek werd ingegaan – weliswaar op niet- gestructureerde wijze door de verzoekende partij, maar via niet-concrete antwoorden op door de verwerende partij meerdere gestelde vragen – op het plan van aanpak, deze kritiek op zich niet kan leiden tot het ernstig bevinden van het middel(onderdeel). De verzoekende partij toont met haar kritiek immers niet aan dat het motief dat uit de BAFO, noch uit het daaraan voorafgaande onderhandelingsgesprek een voldoende bijkomende uiteenzetting van het plan van aanpak blijkt die de zorgen over de inschatting van de complexiteit van de opdracht bij de verwerende partij hebben kunnen wegnemen. Het middel is in die mate niet ernstig.
- Ten tweede bekritiseert de verzoekende partij inzake datzelfde subgunningscriterium het motief dat haar offerte blijk zou geven van “een sterke onderschatting van de gevraagde diepgang en werkuren,” in die zin dat dit argument tegenstrijdig is met de vaststelling dat de geboden prijzen door de verwerende partij als normaal werden beoordeeld. Ook deze kritiek betreft de materiële motivering van de bestreden beslissing. De draagwijdte van de materiëlemotiveringsplicht is hiervoor weergegeven (supra, punt 20). Er wordt verwezen. Het staat niet ter discussie dat de verwerende partij in het kader van het prijsonderzoek, de prijs van de verzoekende partij voor haar offerte niet abnormaal heeft bevonden. XIV-39.859-31/38 Het argument uit de motivering waarop de verzoekende partij zich steunt ter adstructie van haar middel is hiervoor weergegeven (supra, punt 17) Er wordt naar verwezen. Voorafgaand wordt herhaald dat het evenwel niet volstaat om één of meerdere uit hun context gehaalde onderdelen van de motivering selectief te citeren en te bekritiseren. Er moet bij de beoordeling van de vraag of deze overweging strijdt met een andere bevinding in het dossier, rekening worden gehouden met de motivering in haar geheel, omdat het de toetsing van de offertes in haar geheel genomen is die afdoende moet zijn. Uit die formele motivering, in haar geheel gelezen, blijkt dat de verwerende partij de mindere kwaliteitsbeoordeling van het subgunningscriterium “plan van aanpak” (mede) afleidde uit de (lagere) prijs, niet dat zij de prijs op zich beoordeeld heeft of betrokken heeft in het kader van de beoordeling van de kwaliteit van de offerte. Anders dan hoe de verzoekende partij het lijkt te zien, staat het niet abnormaal bevinden van de prijs van haar offerte in het kader van het prijsonderzoek, er op het eerste gezicht niet aan in de weg dat de verwerende partij, in het kader van de beoordeling van de kwaliteit van de offerte voor een opdracht voor diensten zoals de voorliggende, uit de voorgestelde prijzen voor een studieopdracht, het aantal voorziene werkuren voor de uitvoering van (delen van) de opdracht afleidt en op grond daarvan tot de beoordeling komt dat de studie mogelijks met onvoldoende diepgang en oog voor de complexiteit van de opdracht wordt aangepakt in het plan van aanpak. Zoals de verwerende partij in haar nota aangeeft, bleek uit het onderzoek van de offerte dat de prijs correct was in het licht van de voorgestelde aanpak. In die zin was er geen sprake van “fantasieprijzen” in de offerte van de verzoekende partij. Het verschil in prijs kon worden verklaard door het verschil in diepgang waarmee de studie zou worden aangepakt. Het is overigens eigen aan opdrachten waarbij zowel de prijs als de kwaliteit worden beoordeeld, dat inschrijvers naar eigen inzicht een evenwicht zoeken tussen de prijs waarmee ze inschrijven en de kwaliteit die ze daarvoor kunnen leveren en waarbij zij naar eigen inzicht de keuze maken om de nadruk te leggen op een lagere prijs met minder inzet van middelen, zoals werkuren, dan wel op een betere kwaliteit. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet aantoont dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen enerzijds de bevinding van het XIV-39.859-32/38 prijsonderzoek dat er geen indicatie is dat er mogelijk abnormale prijzen zijn opgegeven enerzijds en anderzijds het gegeven dat de verwerende partij bij haar kwalitatieve beoordeling, de correlatie tussen de geboden prijs en het voorgestelde plan van aanpak betrekt en mede op grond daarvan oordeelt dat er “cruciale zorgen [blijven] over de mate waarin de complexiteit van de opdracht wordt ingeschat en aangepakt.” Aldus is evenmin de formele motivering ter zake tegenstrijdig. Het middel is in die mate niet ernstig. D. Overige geschonden geachte bepalingen en beginselen
- Aangezien uit de voorgaande beoordeling van de punten A en B niet blijkt dat de grief gesteund op het gebrek aan motivering van het “grote verschil in punten tussen de offerte van verzoekende partij en de overige offertes voor de subgunningscriteria ‘plan van aanpak’ en ‘studieteam’ “ ernstig is, noch dat is aangetoond dat werd vastgesteld dat dat verschil “niet in overeenstemming is met de inhoudelijke verschillen tussen de offertes”, is de kritiek dat “in die optiek” het proportionaleitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden, evenmin ernstig.
- Wat de overige door de verzoekende partij in het middel aangevoerde en geschonden geachte regels en beginselen betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. E. Conclusie
- Het eerste middel is niet ernstig. XIV-39.859-33/38 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 4, 81 en 153 van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2013, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, de formelemotiveringsplicht, het transparantiebeginsel, het patere legem-beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht, “Doordat verwerende partij de opdracht voor wat betreft perceel 1 heeft gegund aan inschrijver Haskoning Nederland BV; Dat deze inschrijver een score ontving van 79,58 op 100 en derhalve over de economisch meest voordelige offerte zou beschikken; Dat aan verzoekende partij een score is gegeven van 72 punten; Dat verzoekende partij de beste prijs heeft geboden en daarvoor de maximale score van 40 punten ontving; Dat verwerende partij aan de offerte van verzoekende partij voor het subgunningscriterium “Plan van aanpak” een bijzonder slechte beoordeling gaf met een score van 15 op 35; Dat verwerende partij dienaangaande motiveert dat de offerte van verzoekende partij blijk zou geven van “een sterke onderschatting van de gevraagde diepgang en werkuren”; Terwijl de verwerende partij gehouden is haar beslissing tot gunning van de opdracht en in het bijzonder de keuze van de economisch meest voordelige offerte afdoende te motiveren; Dat verwerende partij tevens een correcte toepassing moet maken van de verschillende in het bestek vooropgestelde gunningscriteria en het autonoom karakter van deze gunningscriteria moet respecteren; Dat verwerende partij de door verzoekende partij aangeboden prijs derhalve niet mocht betrekken bij de beoordeling van het subgunningscriterium “Plan van aanpak”; Dat verwerende partij alleszins niet motiveert waarom dit wel zou kunnen; Zodat de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde wetsbepalingen en beginselen schendt.” De verzoekende partij licht toe dat de beoordeling van het subgunningscriterium “plan van aanpak” onwettig is. In wat als een eerste kritiek kan worden beschouwd miskent de verwerende partij het onderscheiden karakter van de gunningscriteria “prijs” en XIV-39.859-34/38 “kwaliteit en timing” waarvan het subgunningscriterium “plan van aanpak” deel uitmaakt. Volgens haar sanctioneert de verwerende partij haar omwille van een beweerde onderschatting van het aantal werkuren, waaraan zij het vermoeden koppelt over het begrip van de opdracht door de verzoekende partij. Het aantal werkuren leidt de verwerende partij af uit de door de verzoekende partij geboden prijzen. De verwerende partij miskent derhalve het onderscheiden karakter van de gunningscriteria “prijs” en “kwaliteit en timing,” door de door de verzoekende partij aangeboden prijs bij de beoordeling van het subgunningscriterium te betrekken. Dit schendt artikel 82 juncto artikel 153 van de wet van 17 juni
- In wat als een tweede kritiek kan worden beschouwd, stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij niet motiveert hoe zij de door de verzoekende partij aangeboden prijs bij de beoordeling van het subgunningscriterium “plan van aanpak” zou kunnen betrekken. Onder beschrijving van dat subgunningscriterium “plan van aanpak” in het bestek is nergens gerept over de prijs en de daarvoor voorziene uren en nergens is gesteld dat ook de voorziene uren mee in de beoordeling mogen worden betrokken, wat maakt dat in die optiek het patere legem-beginsel is geschonden. Naast het feit dat deze werkwijze de autonomie van de gunningscriteria miskent, wordt tevens de gelijkheid van de inschrijvers geschonden want de verzoekende partij wordt immers benadeeld ten opzichte van de overige inschrijvers door haar prijs te betrekken bij de beoordeling van een ander gunningscriterium. Beoordeling
- In het middel wordt in essentie aangevoerd dat de verwerende partij ten onrechte de prijs van de offerte van de verzoekende partij betrokken heeft bij de beoordeling van het subgunningscriterium ‘plan van aanpak’ voor haar offerte, wat volgens de verzoekende partij strijdt met artikel 81, samen te lezen met artikel 153 van de wet van 17 juni
- In de omschrijving van het subgunningscriterium ‘plan van aanpak’ werd voorts ook niet gesteld dat de voorziene uren mee bij de beoordeling zouden kunnen worden betrokken. Door bij de beoordeling van dit subgunningscriterium voor de verzoekende partij wel de prijs te betrekken, zou ook de gelijkheid onder de inschrijvers zijn geschonden. XIV-39.859-35/38
- De grief dat de verwerende partij ten onrechte de prijs van de offerte van de verzoekende partij betrokken heeft bij de beoordeling van het subgunningscriterium ‘plan van aanpak’, overtuigt op het eerste gezicht niet. Het motief waarop de verzoekende partij zich steunt ter adstructie van haar middel is hiervoor weergegeven (supra, punt 17) en in het eerste middel beoordeeld (supra, punt 40) . Er wordt naar verwezen. Wat een inschrijver aanbiedt (plan van aanpak) voor de prijzen die hij opgeeft (prijs) is op het eerste gezicht een correlatie die mag worden betrokken bij de beoordeling van de kwaliteit van de ingediende offerte. Het is immers eigen aan opdrachten waarbij zowel de prijs als de kwaliteit worden beoordeeld, dat inschrijvers naar eigen inzicht een evenwicht zoeken tussen de prijs waarmee ze inschrijven en de kwaliteit die ze daarvoor kunnen leveren en waarbij zij naar eigen inzicht de keuze maken om de nadruk te leggen op een lagere prijs met minder inzet van middelen, zoals werkuren, dan wel op een betere kwaliteit. Te dezen heeft de verwerende partij uit de opgegeven prijs – waarvan niet wordt betwist dat die niet abnormaal was – en wat daarvoor wordt geboden ook na de BAFO, op het eerste gezicht afgeleid dat de offerte getuigt van een sterke onderschatting van de gevraagde diepgang en voorziene werkuren, wat twijfel wekt over het begrip van de opdracht, zeker voor de complexe optionele studies. Ook na het gesprek in de BAFO werd niet de afdoende gevraagde diepgang uitgewerkt. Aldus heeft de verwerende partij niet de prijs op zich beoordeeld maar heeft zij in het kader van de beoordeling van de kwaliteit van de offerte, de mindere kwaliteit van de offerte van de verzoekende partij (mede) afgeleid uit de geboden prijs en wat daarvoor wordt aangeboden in de offerte. Zij heeft aldus een correlatie gelegd tussen de aangeboden prijs en de kwaliteit van de ingediende offerte. Wat een inschrijver aanbiedt (plan van aanpak) voor de prijzen die hij opgeeft (prijs) is op het eerste gezicht een correlatie die mag worden betrokken bij de beoordeling van de kwaliteit van de ingediende offerte. Zoals reeds is aangehaald, is het immers eigen aan opdrachten waarbij zowel de prijs als de kwaliteit worden beoordeeld, dat inschrijvers naar eigen inzicht een evenwicht XIV-39.859-36/38 zoeken tussen de prijs waarmee ze inschrijven en de kwaliteit die ze daarvoor kunnen leveren en waarbij zij naar eigen inzicht de keuze maken om de nadruk te leggen op een lagere prijs met minder inzet van middelen, zoals werkuren, dan wel op een betere kwaliteit. Hieruit volgt op het eerste gezicht dus niet dat de verwerende partij, bij haar beoordeling van de offerte van de verzoekende partij, de aangevoerde artikelen van de wet van 17 juni 2016 heeft miskend. Aangezien er geen schending voorligt van het onderscheiden karakter van de gunningscriteria, ligt derhalve evenmin een schending van de gelijkheid van inschrijvers voor. Het middel is in die mate niet ernstig.
- In de mate dat de verzoekende partij doet gelden dat onder de beschrijving van het subgunningscriterium “plan van aanpak” zoals opgenomen in het bestek, nergens is vermeld dat de voorziene prijs en uren mee in de beoordeling mogen worden betrokken, blijkt uit de beoordeling van de eerste grief dat de verzoekende partij bij deze kritiek uitgaat van het hiervoor onjuist bevonden standpunt dat de verwerende partij de geboden prijs en de daarvoor voorziene uren ten onrechte heeft betrokken bij de kwalitatieve beoordeling van de offerte van de verzoekende partij en de toets ervan aan de onderscheiden gunningscriteria. De grief dat dit betrekken het patere legem -beginsel zou schenden gaat derhalve uit van een verkeerd standpunt en is bijgevolg niet ernstig. Om dezelfde reden is de kritiek dat de verwerende partij niet motiveert hoe zij de door de verzoekende partij aangeboden prijs bij de beoordeling van het subgunningscriterium “plan van aanpak” zou kunnen betrekken, evenmin ernstig nu zulks niet tot de inhoud van de formelemotiveringsverplichting lijkt te behoren. Het middel is in die mate niet ernstig
- Wat de overige door de verzoekende partij in het middel aangevoerde en geschonden geachte regels en beginselen betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden XIV-39.859-37/38 ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Conclusie
- Het tweede middel is niet ernstig. VIII. Besluit
- Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Geert Debersaques XIV-39.859-38/38 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div