id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.067 Rolnummer: A. 240150/X-18482 Zaak: Arrest 264067 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 05/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-19 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-15 05:55 Fiche Arrest nr 264.067 van 5 september 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 264.067 van 5 september 2025 in de zaak A. 240.150/X-18.482 In zake : de VZW VOGELBESCHERMING VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled en Junior Geysens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot bepaling van de zaken van hoger openbaar belang en de mogelijke organisatorische maatregelen in de zin van artikel 101/1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973’ (B.S. 26 juli 2023), hierna: het bestreden koninklijk besluit. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 261.422 van 22 november 2024 wordt het debat heropend en wordt het bevoegde lid van het auditoraat ermee gelast een aanvullend verslag op te stellen. X-18.482-1/16 Adjunct-auditeur Benjamin Meeusen heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 juni 2025. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yüksel Samet Gündogan, die loco advocaat Gwijde Vermeire verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Junior Geysens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benjamin Meeusen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Juridische context 3. Met de wet van 11 juli 2023 ‘tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973’ (hierna: de wet van 11 juli 2023) wordt onder meer beoogd de doorlooptijd van een annulatieprocedure te verkorten en de rechtszekerheid te bevorderen. Meer bepaald is het opzet dat voor een gewoon annulatieberoep de maximale doorlooptijd in beginsel herleid wordt tot achttien maanden. Gelet op de andere zaken waarvoor reeds de mogelijkheid bestaat ze bij voorrang te behandelen wordt ook een bepaling aan artikel 101/1 van X-18.482-2/16 de Raad van State-wet toegevoegd die “inhoudt dat de Koning de zaken van hoger openbaar belang bepaalt die eveneens een dergelijke behandeling vergen”. De Koning mag voor die zaken de organisatorische maatregelen bepalen die de korpsoversten kunnen nemen opdat de doorlooptijd van een gewoon annulatieberoep met betrekking tot dit type dossiers teruggebracht wordt tot vijftien maanden. Het betreft, volgens de memorie van toelichting (Parl.St. Kamer 2022-2023, nr. 3220/001, 40), “thans in het bijzonder de dossiers die betrekking hebben op de inzet van hernieuwbare energiebronnen en de energietransitie”. Concreet vult artikel 23 van de wet van 11 juli 2023 artikel 101/1 van de Raad van State-wet aan met een tweede en derde lid: “Onverminderd de specifieke termijnen en behandelingen bij voorrang voor bepaalde beroepen bepaald door de wet, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de zaken van hoger openbaar belang die eveneens een dergelijke behandeling vergen. Hij bepaalt eveneens, op dezelfde wijze, de noodzakelijke organisatorische maatregelen die het college van korpschefs daartoe kan nemen. De korpschefs geven in het activiteitenverslag bedoeld in artikel 119 een overzicht van de stand van zaken van de behandeling van de in het tweede lid bedoelde zaken van hoger openbaar belang. Zij bezorgen daarnaast aan het einde van elk semester aan de minister van Binnenlandse Zaken een bondig overzicht van die stand van zaken.” 4. Het thans bestreden koninklijk besluit voert het geciteerde tweede lid van artikel 101/1 van de Raad van State-wet uit. Het strekt er, volgens het verslag aan de Koning (B.S. 26 juli 2023, 62649), “vooreerst toe de zaken die betrekking hebben op de energietransitie of op het gebruik en de inzet van hernieuwbare energiebronnen aan te duiden als zaken van hoger openbaar belang in de zin van artikel 101/1, tweede lid, [van de Raad van State-wet]”. Die keuze wordt in het verslag aan de Koning als volgt verantwoord: “In het kader van het conflict in Oekraïne en met het oog op de energieonafhankelijkheid teneinde de onafhankelijkheid ten opzichte van X-18.482-3/16 fossiele brandstoffen te vergroten en de huidige energiecrisis, is het inderdaad passend om de doorlooptijden te verkorten van de vernietigingsberoepen die worden ingesteld tegen beslissingen over de energietransitie of over projecten rond hernieuwbare energie. Overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, wordt onder ‘hernieuwbare energie’ verstaan: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche zonne-energie) en geothermische energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas. In het voorstel voor een Richtlijn van 18 mei 2022 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001 worden de lidstaten, in het nieuwe artikel 16, zevende lid, verzocht ervoor te zorgen dat administratieve en gerechtelijke beroepen in het kader van een project voor de ontwikkeling van installaties voor de productie van hernieuwbare energie of de bijbehorende aansluiting ervan op het net, met inbegrip van die welke verband houden met milieuaspecten, worden onderworpen aan de snelste administratieve en gerechtelijke procedure die op het relevante nationale, regionale en lokale niveau beschikbaar is. De Commissie neemt in haar voorstel een nieuw artikel op waarin het volgende wordt bepaald: ‘Tot klimaatneutraliteit is bereikt, zorgen de lidstaten ervoor dat in de vergunningsprocedure, de planning, bouw en exploitatie van installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, de aansluiting ervan op het net en het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden geacht van hoger openbaar belang te zijn en de volksgezondheid en de openbare veiligheid te dienen.’ In haar aanbeveling (EU) 2022/822 merkt de Commissie op dat vertragingen in de afhandeling van projectvergunningen de tijdige verwezenlijking van de energie- en klimaatdoelstellingen in gevaar brengen en de kosten van de projecten die daarvoor nodig zijn verhogen. De Commissie merkt op dat deze vertragingen ook kunnen leiden tot de bouw van minder efficiënte installaties voor hernieuwbare energie ten gevolge van de dynamiek van de innovatie. De Commissie beveelt de lidstaten aan termijnen en specifieke procedureregels vast te stellen om de efficiëntie van de gerechtelijke procedures met betrekking tot de rechtspraak te waarborgen voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie. De Commissie heeft ook een RePowerEU-plan opgesteld, waarin ze vaststelt dat trage en complexe vergunningsprocedures een belangrijk obstakel vormen voor het doorbreken van de revolutie op het gebied van hernieuwbare energie. De termijn om een vergunning te verkrijgen kan voor windmolenprojecten oplopen tot 9 jaar en voor zonne- energieprojecten op de grond tot 4,5 jaar. Uit de verschillen in de vergunningsperiode tussen de lidstaten blijkt dat nationale regels en administratieve capaciteiten de vergunningverlening bemoeilijken en vertragen. X-18.482-4/16 Hetzelfde kan worden gezegd over België, waar er bij de verschillende administratieve en administratiefrechtelijke verhaalinstanties achterstand bestaat in de dossiers op het gebied van stadsplanning en ruimtelijke ordening. Om doorlooptijden te vermijden die de transitie naar de ontplooiing van hernieuwbare energie in heel België zouden belemmeren, is het bijgevolg passend deze zaken door de Raad van State met voorrang te laten behandelen en met een verkorte maximale procedurele termijn.” 5. Artikel 2 van het bestreden koninklijk besluit beschouwt “de volgende zaken die betrekking hebben op de energietransitie of op het gebruik en de inzet van hernieuwbare energiebronnen” als “zaken van hoger openbaar belang in de zin van artikel 101/1, tweede lid, van de [Raad van State-wet], ingevoegd door de wet van 11 juli 2023”: “1° de vergunningen en toelatingen met betrekking tot de installaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen:
- a)onshore of offshore windmolenparken met een energieproductiecapaciteit van 8 megawatt of meer;
- b)gebieden of structuren met fotovoltaïsche zonnepanelen met een energie- productiecapaciteit van 4 megawatt of meer;
- c)eenheden voor de terugwinning van energie uit biomassa met een energie-productiecapaciteit van 4 megawatt of meer;
- d)eenheden voor de terugwinning van geothermische energie met een energieproductiecapaciteit van 4 megawatt of meer;
- e)waterkrachtcentrales met een energieproductiecapaciteit van 4 megawatt of meer; 2° de vergunningen en toelatingen met betrekking tot de vervoersinstallaties en opslaginstallaties voor aardgas, het waterstofvervoersnet, alsook de waterstofvervoersinstallaties en grote waterstofopslagfaciliteiten; 3° de vergunningen en toelatingen met betrekking tot de infrastructuurprojecten voor het transmissienet en distributienet en grote energieopslagfaciliteiten, met inbegrip van de aansluitingen daarop; 4° de vaststelling van plannen overeenkomstig de wet van 13 februari 2006 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s en de inspraak van het publiek bij de uitwerking van de plannen en programma’s in verband met het milieu, met betrekking tot vergunningen en toelatingen bedoeld onder 1° tot 3°.” Artikel 1 van het bestreden koninklijk besluit verduidelijkt welke definities van toepassing zijn op het bestreden koninklijk besluit en wat moet worden verstaan onder “gebieden of structuren met fotovoltaïsche zonnepanelen”. X-18.482-5/16 Artikel 3 somt de organisatorische maatregelen in de zin van artikel 101/1, tweede lid, Raad van State-wet op die het college van korpschefs kunnen nemen. Bij het bepalen van die maatregelen dient het college van korpschefs er rekening mee te houden dat de doorlooptijd van een gewoon beroep tot nietigverklaring van de beslissingen bedoeld in artikel 2, maximaal vijftien maanden bedraagt. Artikel 4 legt verder ook verplichtingen op aan de partijen inzake het vermelden en kennisgeven van de toepassing ervan in een procedure. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 160 van de Grondwet, van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van het rechtszekerheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. 7. In wat als een eerste middelonderdeel kan worden beschouwd voert de verzoekende partij, wat de ingeroepen schending van artikel 160 van de Grondwet betreft, aan dat de geregelde materie in het bestreden besluit minstens gedeeltelijk betrekking heeft op de rechtspleging bij de Raad van State. Artikel 160 van de Grondwet vereist een wettelijke grondslag voor de beginselen van rechtspleging, terwijl die volgens de verzoekende partij niet te vinden is in artikel 101/1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna RvS-wet). 8. Volgens een tweede middelonderdeel wekt het bestreden koninklijk besluit de indruk enkel te zijn gericht op organisatorische maatregelen, X-18.482-6/16 maar gaat het ook om een inhoudelijk besluit. Het begrip “hoger openbaar belang” houdt volgens de verzoekende partij de erkenning in van hogere maatschappelijke belangen en/of waarden. Voor een dergelijke inhoudelijke opdeling ontbreekt volgens de verzoekende partij de vereiste rechtsgrond. 9. Luidens een derde middelonderdeel wordt het rechtszekerheidsbeginsel geschonden omdat noch in het bestreden besluit zelf, noch in artikel 101/1 van de RvS-wet, wordt bepaald op grond van welke criteria een zaak wel of niet als van “hoger openbaar belang” dient te worden gekwalificeerd. Het gaat volgens de verzoekende partij om een essentieel begrip. Niettemin beperkt het bestreden besluit zich tot een opsomming van een achttal soorten rechtshandelingen, hetgeen volgens de verzoekende partij niet neerkomt op een begripsomschrijving, maar op een concrete reeks toepassingsgevallen. 10. Wat betreft het vierde middelonderdeel aangaande de ingeroepen miskenning van het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie houdt de verzoekende partij voor dat artikel 3 van het bestreden besluit voorziet in de mogelijkheid van een bevoorrechtende behandeling van een zaak die van hoger openbaar belang is. De verzoekende partij ziet niet in waarom er voor de betrokken plannen en projecten maatregelen mogelijk zijn overeenkomstig artikel 3 van het bestreden besluit, en voor andere plannen en projecten niet. De verzoekende partij verwijst ter zake naar het verslag aan de Koning bij het bestreden besluit, waaruit zou voortvloeien dat zaken die verband houden met de energietransitie worden aangemerkt als van hoger openbaar belang. Uit het desbetreffende verslag blijkt volgens de verzoekende partij niet waarom andere materies niet in aanmerking komen voor een prioritaire behandeling. Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel zou volgens de verzoekende partij eveneens geschonden zijn omdat geen onderscheid wordt gemaakt in functie van de gebieden waar deze vergunningen van toepassing zijn, waarbij de “gevoeligheid van een gebied [voor de natuur] een relevant element is”. X-18.482-7/16 Beoordeling 11.1. Artikel 160, eerste lid, van de Grondwet bepaalt: “Er bestaat voor geheel België een Raad van State, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking door de wet worden bepaald. De wet kan evenwel aan de Koning de macht toekennen de rechtspleging te regelen overeenkomstig de beginselen die zij vaststelt.” 11.2. De beginselen waarnaar artikel 160 van de Grondwet verwijst, omvatten de fundamentele waarborgen die essentieel zijn voor het berechten van een geschil en die een algemene regel vormen voor elk met eigenlijke rechtsmacht belast orgaan, zoals de rechten van verdediging, de openbaarheid van terechtzittingen en de uitspraak van arresten, en de verplichting om binnen een redelijke termijn uitspraak te doen. 11.3. De verzoekende partij overtuigt er niet van dat de bestreden regeling raakt aan dergelijke fundamentele voorschriften. De maatregelen uit artikel 3 van het bestreden besluit hebben in essentie immers enkel betrekking op de interne organisatie. Het gaat over het prioritair behandelen van zaken, het herverdelen van dossiers binnen de kamers of afdelingen van het auditoraat, het versterken van bepaalde afdelingen en het samenstellen van aanvullende kamers. Zelfs indien wordt aangenomen dat de artikelen 3 en 4 van het bestreden besluit betrekking heeft op de rechtspleging, zijn zij niet gerelateerd aan één van de hierboven omschreven fundamentele waarborgen. Geen enkel aspect van de voornoemde bepalingen is van aard om de rechten van de verzoekende partij in te perken. Zodoende wordt een miskenning van artikel 160 van de Grondwet niet aangetoond. 12.1. Artikel 101/1, tweede lid, van de RvS-wet machtigt de Koning om “de zaken van hoger openbaar belang” te bepalen die “eveneens” “specifieke X-18.482-8/16 termijnen en behandelingen bij voorrang” vergen. Hij kan eveneens de organisatorische maatregelen vaststellen die daartoe dienen te worden genomen. 12.2. De artikelen 1 en 2 van het bestreden koninklijk besluit strekken louter tot de aanduiding van zaken van hoger openbaar belang in de zin van artikel 101/1, tweede lid, van de RvS-wet, hetgeen enkel de mogelijkheid met zich meebrengt om de beroepen bij voorrang te laten behandelen door de Raad van State. De betrokken regeling behelst in geen enkel opzicht een inhoudelijke beoordeling of kwalificatie van de betrokken plannen en projecten, in de zin dat de in de artikelen 1 en 2 van het bestreden koninklijk besluit vermelde plannen en projecten belangrijker zouden zijn dan de andere plannen en projecten. De vermelde regeling strekt er evenmin toe enige invulling of prioritering te geven aan de belangen die tijdens het beleidsvormingsproces door de overheid moeten worden afgewogen. 12.3. Vermits de bestreden regeling er niet toe strekt zich inhoudelijk uit te spreken over het onderscheiden belang van de betrokken projecten en plannen, biedt artikel 101/1, tweede lid, van de RvS-wet wel degelijk de vereiste rechtsgrond voor het bestreden koninklijk besluit. 13. In de mate dat de verzoekende partij aanvoert dat nergens wordt bepaald op grond van welke criteria een zaak wel of niet als “van hoger openbaar belang” dient te worden gekwalificeerd, gaat het om een onontvankelijke kritiek ten aanzien van de desbetreffende wettelijke bepaling. Artikel 2 van het bestreden besluit bepaalt daarentegen op concrete wijze welke beroepen als van hoger openbaar belang kunnen worden aangemerkt en derhalve bij voorrang behandeld kunnen worden. Daardoor neemt het bestreden koninklijk besluit alle onzekerheid over de zaken van hoger openbaar belang weg. X-18.482-9/16 Van een miskenning van het rechtszekerheidsbeginsel is in die omstandigheden geen sprake. 14.1. Wat betreft de ingeroepen miskenning van het gelijkheidsbeginsel, verantwoordt het verslag aan de Koning bij het bestreden koninklijk besluit de aanduiding van “de zaken van hoger algemeen belang” door te verwijzen naar de energiecrisis, het conflict in Oekraïne, de nood aan een grotere onafhankelijkheid ten opzichte van fossiele brandstoffen, en de vraag van de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat administratieve en gerechtelijke beroepen in het kader van projecten voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie worden onderworpen aan de snelste administratieve en gerechtelijke procedure die beschikbaar is. 14.2. Door de betrokken beroepen aan te duiden als zaken “van hoger algemeen belang” in de zin van artikel 101/1, tweede lid, van de RvS-wet, wordt een snellere geschillenbeslechting door de Raad van State mogelijk gemaakt. Door de plannen en projecten in aanmerking te nemen die verband houden met hernieuwbare energie en de energietransitie, is de draagwijdte van de maatregel ook afgestemd op de nagestreefde doelstelling. De verzoekende partij overtuigt er zodoende niet van dat voor de bekritiseerde onderscheiden behandeling geen redelijke verantwoording zou bestaan. Zij toont ook niet aan dat de bestreden bepaling disproportionele negatieve effecten heeft, nu de bestreden maatregel uitsluitend gevolgen heeft voor de interne organisatie van de Raad van State en geenszins met zich meebrengt dat de andere zaken zouden worden veronachtzaamd of op de lange baan zouden kunnen worden geschoven. 14.3. In de mate dat de verzoekende partij inroept dat de verwerende partij heeft nagelaten om een onderscheid te maken naargelang de plannen en projecten zich binnen of buiten een beschermd gebied bevinden, gaat X-18.482-10/16 de verzoekende partij er andermaal aan voorbij dat de kwalificatie als “van hoger openbaar belang” uitsluitend begrepen moet worden als betrekking hebbend op de versnelling van de geschillenbeslechting en dat er geen inhoudelijke draagwijdte aan mag worden gegeven. In dit licht levert het loutere gegeven dat geen onderscheid wordt gemaakt in functie van de bescherming van het betrokken gebied, geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel op. 15. Het eerste middel is ongegrond B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 16. De verzoekende partij voert de schending aan van het principe van de scheiding der machten, het principe van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 33 van de Grondwet. 17. Doordat in artikel 2 van het bestreden besluit wordt opgesomd welke zaken van hoger openbaar belang zijn, zou de Raad van State zijn beoordelingsbevoegdheid ter zake worden ontnomen. Meer bepaald zou de Raad van State niet meer de mogelijkheid hebben om te beslissen dat de in artikel 2 van het bestreden besluit opgesomde zaken “geen hoger openbaar belang” hebben. Ook een procespartij zou niet meer over de mogelijkheid beschikken om de kwalificatie van de beroepen nog in vraag te stellen, dan wel het tegendeel aan te tonen. Volgens de verzoekende partij brengt dit met zich mee dat de Raad niet langer onafhankelijk en onpartijdig kan beslissen. Het bestreden besluit zou de Raad verplichten tot de aanname dat het gaat om zaken van hoger openbaar belang. Het recht op een eerlijk proces zou daardoor worden aangetast. X-18.482-11/16 De verzoekende partij betoogt ook dat zij veel minder kans zou hebben om aspecten van privaat of openbaar belang evenwaardig behandeld te zien als de aspecten die als “van hoger openbaar belang” wordt beschouwd. Beoordeling 18. Uit de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat de kwalificatie van beroepen als van hoger openbaar belang in de zin van artikel 101/1 van de RvS-wet geen enkele inhoudelijke beoordeling tot uitdrukking brengt (zie randnummer 12.2). De doelstelling van een snellere afhandeling van de betrokken dossiers brengt evenmin met zich mee dat andere elementen van privaat of openbaar belang niet of in mindere mate in aanmerking worden genomen. De kwalificatie van de betrokken beroepen als van hoger openbaar belang heeft enkel tot gevolg dat een aantal maatregelen gelden die moeten bijdragen tot een versnelde behandeling. Het recht op een eerlijk proces of de scheiding der machten wordt daardoor in geen enkel opzicht aangetast. 19. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 20. De verzoekende partij voert de schending aan van de bevoegdheidsverdelende regels inzake de bescherming van het leefmilieu, van artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’, van artikel 143, eerste lid, van de Grondwet, van het subsidiariteitsbeginsel en van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. X-18.482-12/16 21.1. De verzoekende partij houdt voor dat het bestreden besluit in alle redelijkheid niet kan worden aanzien als een besluit dat enkel impact heeft op de mogelijke organisatorische maatregelen en de rechtspleging. Door te bepalen welke de zaken zijn van hoger openbaar belang, zou het bestreden besluit interfereren met de bevoegdheden die aan de gewesten zijn toegekend. Meer bepaald zouden de plannen en projecten opgesomd in artikel 2 van het bestreden besluit betrekking hebben op aangelegenheden die binnen de bevoegdheden van de gewesten vallen, met name het leefmilieu, het waterbeleid en het energiebeleid, waaronder “de nieuwe energiebronnen”. 21.2. Minstens zijn er volgens de verzoekende partij substantiële aanknopingspunten met de gewestelijke bevoegdheden. Daarom diende er overleg plaats te vinden tussen de federale overheid en de betrokken gewestregeringen. In dit verband verwijst zij naar het beginsel van de federale loyauteit, zoals dat vervat ligt in artikel 143, eerste lid, van de Grondwet. 21.3. Voorts meent de verzoekende partij dat ook het subsidiariteitsbeginsel geschonden is. Dit beginsel houdt volgens de verzoekende partij in dat een beslissing op een hoger niveau enkel is te verantwoorden als het belang of de reikwijdte ervan op het lagere niveau duidelijk overstegen wordt. Volgens de verzoekende partij is in alle redelijkheid niet in te zien waarom enkel op federaal niveau en niet op gewestelijk niveau kan worden bepaald of vergunningen en toelatingen inzake hernieuwbare energie als van hoger openbaar belang moeten worden beschouwd. 21.4. De verzoekende partij verklaart het redelijkheidsbeginsel in te roepen “voor zoveel [als] nodig mocht uw Raad van oordeel zijn dat geen volwaardige maar enkel een marginale toetsing mogelijk is bij de vraag of het bestreden K.B. wel of niet de wettelijke bevoegdheids[verdelende regels] schendt”. Het zorgvuldigheidsbeginsel wordt ingeroepen omdat bij de voorbereiding van dit besluit niet zou zijn nagegaan of er overleg met de gewestelijke overheden nodig was. X-18.482-13/16 Beoordeling 22. Voor zover de verzoekende partij haar middel steunt op de veronderstelling dat het bestreden besluit een inhoudelijke draagwijdte heeft, kan worden verwezen naar wat hierboven reeds is uiteengezet onder randnummer 12.2. 23. Luidens de adviespraktijk van de afdeling Wetgeving van de Raad van State legt artikel 160 van de Grondwet “de unieke en federale aard van de Raad van State vast, wat betekent dat alleen de federale wetgever, die met een gewone wet handelt, gerechtigd is om de bevoegdheid, de organisatie en de werking van deze instelling te regelen” (zie Advies van de Afdeling Wetgeving nr. 45.646/AV van 13 januari 2009 over een voorontwerp van wet ‘tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, met het oog op de bekendmaking van de adviezen van de afdeling wetgeving’). In het arrest nr. 22/2025 van 13 februari 2025 heeft het Grondwettelijk Hof in herinnering gebracht dat artikel 160 van de Grondwet aan de federale wetgever de bevoegdheid voorbehoudt om de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van de Raad van State te bepalen, met inbegrip van de procedureregels, en de gevallen te definiëren waarin de Raad van State bij wege van arrest uitspraak doet als administratief rechtscollege (overweging B.6). Bijgevolg is de federale overheid bevoegd om te bepalen welke beroepen al dan niet versneld moeten worden behandeld. Er is dan ook geen sprake van enige miskenning van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De versnelde behandeling van beroepen heeft voorts geen invloed op de materiële bevoegdheden van de gewesten, zodat voorafgaandelijk overleg geen te vervullen substantiële vormvereiste uitmaakt. X-18.482-14/16 24. Voor zover de verzoekende partij een schending van het subsidiariteitsbeginsel inroept, toont zij niet aan dat het gaat om een norm die de bevoegdheidsverdeling binnen het federale België bepaalt. 25. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 26. De verzoekende partij vraagt dat de Raad van State het Grondwettelijk Hof bevraagt inzake de bestaanbaarheid van artikel 101/1 van de RvS-wet met de artikelen 10, 11, 13, 23, 33 en 160 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het rechtszekerheidsbeginsel, afzonderlijk genomen of in samenhang, schendt. De argumentatie ter zake is dezelfde als degene die in het eerste en het tweede middel wordt uiteengezet. Beoordeling 27. Het verzoek tot prejudiciële vraagstelling gaat ervan uit dat het bestreden besluit meer is dan een organisatorische maatregel, en integendeel een inhoudelijke draagwijdte heeft. Uit het voorgaande is gebleken dat de Raad van State die visie niet deelt (zie randnummer 12.2). De aangevoerde redenen kunnen de voorgestelde vraagstelling dan ook niet verantwoorden. 28. Het vierde middel is ongegrond. X-18.482-15/16 V. Kosten 29. De verzoekende partij heeft voor haar beroep tot nietigverklaring te veel betaald. Er is reden om haar het onverschuldigd en per vergissing betaald bedrag van 400 euro terug te geven. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Het door de verzoekende partij te veel betaalde bedrag van 400 euro wordt aan haar terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.482-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.067 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.422 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div