← België

Arrest 264077 - Examens (onderwijs) - 05/09/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.077 Rolnummer: A. 245686/IX-10727 Zaak: Arrest 264077 - Examens (onderwijs) - 05/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-09 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-15 05:55 Fiche Arrest nr 264.077 van 5 september 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.077 van 5 september 2025 in de zaak A. 245.686/IX-10.727 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW ONDERWIJSINRICHTING VAN DE URSULINEN TE ONZE-LIEVE-VROUW-WAVER -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 28 augustus 2025, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslis- sing van de beroepscommissie van de vzw Onderwijsinrichting van de Ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver van 25 augustus 2025, waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 29 augustus 2025 werd de procedurekalen- der vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. IX-10.727-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 september 2025, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en algemeen directeur Dag De Baere, die verschijnt voor de verwe- rende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Nino Vermeire, gemachtigd om ter terechtzit- ting advies te verlenen, heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2024-25 leerling in het eerste jaar van de derde graad, richting Bedrijfswetenschappen, in het Sint-Ursula-Insti- tuut. Verzoekers rapport vertoont jaartekorten voor aardrijkskunde (43%), bedrijfswetenschappen (45,8%), natuurwetenschappen (46,5%) en infor- maticawetenschappen (26,7%). De klassenraad beslist om verzoeker niet geslaagd te verklaren en hem een C-attest toe te kennen. Overleg met de directie leidt niet tot een opnieuw samenroepen van de klassenraad. Deze weigering wordt als volgt aan verzoeker meegedeeld: IX-10.727-2/11 “Naar aanleiding van het C-attest van [verzoeker] hadden wij een onder- houd op maandag 30 juni 2025. Tijdens dit onderhoud hebt u uw bezwaren met betrekking tot deze beslissing bekend gemaakt. • Een aantal tekorten komen onverwachts. De resultaten werden anders in- geschat. • Er wordt vergeleken met een andere leerling in de klas die ook een aantal tekorten heeft. Er heerst een gevoel van ongelijkheid. • Het jaarwerk toont een positieve evolutie. In het tweede semester heeft hij enkel een tekort voor het jaarwerk wiskunde. In kleine hoeveelheden toont [verzoeker] dus aan dat hij de onderdelen beheerst. • De papa geeft aan dat [verzoeker] nog marge geeft tijdens het jaar en te weinig herhaald. • Er wordt aangegeven dat [verzoeker] stiller wordt gepercipieerd dan wer- kelijk het geval is. De relatie met de leerkracht van informaticawetenschap- pen heeft het zelfvertrouwen van [verzoeker] naar beneden gehaald. • De punten van informatica zijn niet representatief door het gewicht van de toetsen en het beperkte volume aan evaluaties. • De directie neemt akte van het voorbereid verslag waarmee [verzoeker] en zijn vader naar het gesprek komen. Ik ben van mening dat de elementen die zijn aangebracht, geen nieuwe bij- eenkomst van de delibererende klassenraad rechtvaardigen. Dit omwille van het feit dat de klassenraad bij het nemen van de beslissing al rekening gehouden heeft met de aangehaalde argumenten. De klassenraad ziet een stijging in het aantal tekorten tijdens de synthese- proeven. De resultaten voor het jaarwerk zijn zeer afwisselend en na gron- dige analyse blijkt dat er bepaalde leerplandoelstellingen voor de vakken met een jaartekort niet behaald werden. De klassenraad geeft gedurende het schooljaar meermaals gewezen op de precaire situatie en het feit dat de er weinig marge werd opgebouwd met het jaarwerk. De zorgcoördinator heeft gesprekken gevoerd met [verzoe- ker] om hem te ondersteunen bij het plannen. Na de paasvakantie zou hij zelf het initiatief nemen om terug contact op te nemen. Hier heeft hij geen gebruik van gemaakt. De klassenraad hield voldoende rekening met alle resultaten, een analyse van [verzoeker] zijn globale resultaten en een het feit dat de leerplandoelen voor één van de hoofdvakken (Bedrijfswetenschappen) onvoldoende be- heerst zijn. Daarnaast werd er ook voldoende rekening gehouden met de schoolloopbaan van [verzoeker] en het vervolgtraject.” Verzoeker stelt vervolgens een beroep in bij het schoolbestuur. In dit beroep vraagt hij niet om een A-attest, maar stelt hij in het vooruitzicht dat hij in de vakantie het “hoofdvak” bedrijfswetenschappen opnieuw zal studeren en vraagt hij om door middel van een bijkomende proef voor dit vak het verlies van IX-10.727-3/11 een schooljaar te vermijden. Hij werkt een aantal argumenten uit om de beroeps- commissie tot het toestaan van deze bijkomende proef te overtuigen. Met de thans bestreden beslissing van 25 augustus 2025 beslist de beroepscommissie om de beslissing van de klassenraad te bevestigen en aan verzoeker een C-attest toe te kennen. De beslissing luidt: “1 Gelet op de beslissing van de delibererende klassenraad d.d. 26/06/2025 t.a.v. [verzoeker], leerling van het 1ste leerjaar van de derde graad van de richting Bedrijfswetenschappen; 2 Gelet op art. 115/6 en art. 123/15 tot 123/18 van de Codex Secundair Onderwijs; 3 Gelet op het overleg dat plaatshad d.d. 30/06/2025 tussen de graaddi- recteur en de ouders, […]; 4 Gelet op de beslissing van de directeur van 30/06/2025 om de delibe- rerende klassenraad niet opnieuw samen te roepen; 5 Gelet op de uitnodiging van de voorzitter van de beroepscommissie, aangetekend verzonden d.d. 12/07/2025 om aanwezig te zijn op de zitting van de beroepscommissie d.d. 25/08/2025 om 11u30; 6 Gelet op de verhoren die die dag hebben plaatsgevonden en de aldaar aangebrachte argumenten door de […] vader van [verzoeker] en meester Vangeel, raadsman: º De vader van [verzoeker] en de raadsman bevestigen dat met voor- liggende rapportcijfers eind juni de beslissing tot C-attest gerecht- vaardigd was. º [Verzoeker] heeft tijdens de vakantie echter een aanzienlijke in- spanning geleverd voor zijn hoofdvak, bedrijfswetenschappen, en dit onder begeleiding van iemand gekwalificeerd; º [Verzoeker] zou op die manier niet alleen zijn capaciteiten tonen voor deze richting, maar ook zijn motivatie een duidelijke omslag in zijn studiebereidheid en -houding voor deze richting; º Gevraagd wordt voor een uitgestelde, bijkomende proef voor het hoofdvak bedrijfswetenschappen, zodat [verzoeker] kan tonen wat zijn kennis en vaardigheden zijn in functie van zijn zesde jaar. oordeelt de beroepscommissie het volgende: º In het document MLER_123 met als titel ‘Betwisting van evaluatiebeslis- sing’ van Katholiek Onderwijs Vlaanderen wordt duidelijk gesteld: ‘De be- tekenis van bijkomende proeven is dat de klassenraad niet in staat is om eind juni een verantwoorde beslissing te nemen wegens de onvolledigheid van een dossier van de leerling.’ De beroepscommissie is van oordeel dat het dossier voor [verzoeker] eind juni volledig en representatief was om tot een verantwoorde beslissing te komen, en er dus geen grond is om te be- slissen tot een of meerdere bijkomende proeven. Deze visie van Katholiek Onderwijs Vlaanderen werd bovendien overgenomen in het geldende schoolreglement van het Sint-Ursula-Instituut.” IX-10.727-4/11 IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigver- klaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het on- derzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5. De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de eerste schorsingsvoorwaarde. VI. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen 6. Het “eerste”, maar ook enige middel is geput uit een schending van, onder meer, “de motiveringsplicht”. Verzoeker voert aan dat de bestreden be- slissing zijn grieven negeert. Hij citeert de acht bladzijden argumentatie die aan de beroepscommissie is voorgelegd en stelt vast dat er “op geen enkele wijze” op wordt ingegaan. Hij wijst erop dat als een leerling uitzonderlijke omstandigheden inroept om een bijkomende proef te krijgen, “de klassenraad” die vraag ernstig moet onderzoeken en dat “de klassenraad” zich een oordeel moet vormen over het werkelijk bestaan van die bijzondere omstandigheden. In geval van ingrijpende ge- beurtenissen is er reden voor “de klassenraad” om middels bijkomende proeven na IX-10.727-5/11 te gaan of de resultaten al dan niet door externe factoren zijn beïnvloed. Verzoeker verwijst voorts naar omzendbrief SO 64 “die zelfs stelt dat uitzonderlijke gebeur- tenissen zelfs niet nodig zijn”. Verzoeker heeft onder meer betoogd dat “(

  1. a)[verzoeker] in zijn dagelijks werk behoorlijke resultaten haalde en de problemen zich vooral bij de eindexamens stelden, (
  2. b)er didactische onregelmatigheden waren (bijvoorbeeld een onderdeel Bedrijfswetenschappen dat zelfstandig moest worden verwerkt en waarop [verzoeker] 0/22 scoorde, een ICT-leerkracht met demotiverend gedrag en een disproportionele puntenweging, en het feit dat een inhaaltoets niet werd mee- gerekend), (
  3. c)[verzoeker] bereid was tijdens de zomer het hoofdvak volledig in te studeren en een herexamen af te leggen om zijn competentie aan te tonen, en (
  4. d)een medeleerlinge met vergelijkbare resultaten […] wél een A-attest kreeg”. Dit zijn pertinente elementen die een antwoord vergen. Toch blijkt nergens uit de be- streden beslissing dat de beroepscommissie deze argumenten weerlegt of zelfs maar behandelt. Door louter naar een interne regel te verwijzen zonder in te gaan op zijn specifieke argumenten, kan verzoeker niet met kennis van zaken tegen de beslissing opkomen en is het doel van de formelemotiveringsplicht niet bereikt. Door te refereren aan een document van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en het schoolreglement en te stellen dat uitgestelde proeven niet mogelijk zijn, wekt de beroepscommissie zelfs de indruk dat zij helemaal geen beoordelingsruimte heeft en dat zij nalaat de haar toegekende discretionaire beoordelingsruimte te gebrui- ken. 7. In de nota met opmerkingen antwoordt de verwerende partij hierop dat de vergelijking met de andere leerling niet opgaat. Zij geeft vervolgens een concrete analyse van verzoekers tekorten en vergelijkt dagelijks werk en syn- theseproeven. Zij argumenteert waarom de aangekaarte didactische problemen on- juist zijn. IX-10.727-6/11 De beroepscommissie erkent dat in sommige gevallen een bijko- mende proef nuttig kan zijn. Zij kent ook de reglementeringen en de visies dien- aangaande. In het geval van verzoeker volgt de beroepscommissie de redenering van de delibererende klassenraad: alle elementen waren gekend. De dalende trend in de syntheseproeven, het gebrek aan motivatie en inzet tijdens de les, ook na alle aansporingen van de leerkrachten, geven onvoldoende perspectief voor het zesde jaar. De resultaten op het eindrapport waren representatief voor het afgelopen schooljaar. Dat is ook de mening van de beroepscommissie bij lezing van het rap- port en de talrijke commentaren van vakleerkrachten. De beroepscommissie heeft vastgesteld dat het leerlingendossier van eind juni volledig en representatief was om een pedagogisch verantwoorde beslissing te nemen. Er bestond dan ook geen rechtsgrond noch pedagogische noodzaak om bijkomende proeven toe te staan. Deze lijn is consistent met de toepasselijke regelgeving en het geldende schoolre- glement. De verwerende partij verwijst naar het verslag van de hoorzitting. Alle bezwaren en argumenten van verzoeker werden besproken, gecontroleerd en in acht genomen door de beroepscommissie om tot een besluit te komen. Beoordeling 8. Verzoeker verwijst in zijn betoog herhaaldelijk naar de verplich- tingen van “de klassenraad”. Hij verliest uit het oog dat hij niet een beslissing van de klassenraad aanvecht, maar wel een beslissing van de beroepscommissie. Nu is het wel zo dat die beroepscommissie volheid van bevoegdheid heeft en dus moet beslissen over het dossier zoals een klassenraad, maar dat betekent nog niet dat die beroepscommissie een klassenraad is. De Raad betreurt dit gebrek aan accuratesse in het verzoekschrift, des te meer omdat in deze zaak verzoeker nu net niét aan de klassenraad – al ware het indirect tijdens het overleg met de directie – maar enkel aan de beroepscommissie om bijkomende proeven gevraagd heeft, wat mogelijk niet zonder belang is voor het onderzoek van zijn vraag. IX-10.727-7/11 9. Verzoeker refereert in het middel aan een omzendbrief die, naar het zo lijkt, niet verordenend is of – mocht ze het zijn – niet is voorgelegd aan het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State en daarom buiten toepas- sing moet blijven. Er wordt voorshands dus geen rekening mee gehouden. 10. Verzoeker heeft aan de beroepscommissie enkel om een bijko- mende proef verzocht. Het middel wordt uit dat oogpunt onderzocht. 11. Uit de toelichting bij het middel blijkt dat verzoeker met “de mo- tiveringsplicht” de formelemotiveringsplicht bedoelt. Het middel wordt uit dat oogpunt onderzocht. 12. Met de motieven die de verwerende partij geeft in haar nota met opmerkingen mag de Raad van State geen rekening houden, in zoverre ze niet ook zijn terug te vinden in de bestreden beslissing. Die motieven kunnen immers niet worden toegeschreven aan de beroepscommissie zelf én ze lijken, uit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht, laattijdig. 13. De verwerende partij merkt terecht op dat van de hoorzitting een verslag is opgesteld, waarin de grieven van verzoeker minstens deels ter sprake komen. Dit verslag kan op het eerste gezicht evenwel niet met een motivering van de bestreden beslissing worden gelijkgesteld. Het gaat aan de eigenlijke beraadsla- ging en beslissing van de beroepscommissie vooraf en geeft enkel punctuele vra- gen en opmerkingen weer van individuele leden van de beroepscommissie, waar- van op het eerste gezicht niet blijkt of en in welke mate de beroepscommissie er aansluiting bij heeft willen vinden. 14. De beroepscommissie is op de vraag van verzoeker niet ingegaan omdat zij van oordeel is dat het dossier van verzoeker “eind juni volledig en repre- sentatief was om tot een verantwoorde beslissing te komen”. IX-10.727-8/11 Dat lijkt een eigen oordeel van de beroepscommissie, waarmee zij zich inschrijft in de visie over bijkomende proeven van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en het schoolreglement van de verwerende partij, namelijk dat bijko- mende proeven bedoeld zijn voor de gevallen waarin een klassenraad eind juni niet over alle nuttige gegevens beschikt om een verantwoorde beslissing te nemen over de leerling. Anders dan verzoeker, leest de Raad in de huidige stand van de rechts- pleging de referentie aan document MLER_123 dus niet alsof de beroepscommis- sie afstand zou hebben gedaan van haar beoordelingsbevoegdheid. De beroeps- commissie beslist autonoom en discretionair, binnen de grenzen van het recht, over haar beleid inzake bijkomende proeven. Het staat haar vrij, zo lijkt, om de visie van Katholiek Onderwijs Vlaanderen over te nemen. Dat een – zoals gezien overi- gens niet-bindende – omzendbrief erop wijst dat die proeven ook de vorm van klas- sieke “herexamens” mógen aannemen, vormt voorts voor de beroepscommissie prima facie geen belemmering om er zelf een ándere pedagogische opvatting op na te houden. 15. Wat voorafgaat leidt tot de conclusie dat de beroepscommissie in beginsel niet onwettig handelt door bijkomende proeven af te wijzen, als zij recht- matig vaststelt dat de klassenraad zijn evaluatiebeslissing heeft genomen op grond van een “volledig en representatief” dossier en dat de leerling geen uitzonderlijke omstandigheden aanvoert die de klassenraad tot het opleggen van een bijkomende proef hadden moeten brengen. 16. Het ligt op de weg van verzoeker om aan te tonen dat er reden is om af te wijken van dat beginsel. In dat verband blijft de vraag of verzoekers dossier inderdaad “volledig en representatief” is. Verzoeker betwist zulks in zijn administratief beroep. Bij wijze van voorbeeld, bekritiseert verzoeker in zijn bezwaarschrift de wijze waarop de vakken bedrijfswetenschappen en informaticawetenschappen zijn onderwezen en IX-10.727-9/11 geëvalueerd, wat – volgens hem – rechtstreeks heeft bijgedragen tot zijn tekorten. Dit betekent, zo lijkt, dat verzoeker weliswaar niet weerspreekt dat met de voorlig- gende jaarcijfers zoals ze te lezen zijn op zijn rapport een C-attest verantwoord is, maar dat hij de representativiteit van die cijfers – en dus zijn jaartekorten – in twij- fel trekt. Het valt de Raad van State niet toe om de concrete grieven van verzoeker te onderzoeken en om, in de plaats van de beroepscommissie, deze op hun merites te beoordelen in het licht van het nut van een bijkomende proef voor het vak bedrijfswetenschappen en de overige behaalde resultaten. Zoals verzoeker terecht opmerkt, strekt de administratieve beroepsprocedure er net toe om van het beroepsorgaan een antwoord te verkrijgen over die grieven. Hierbij wordt eraan herinnerd, eensdeels, dat de beroepscommissie niet alle grieven afzonderlijk moet beantwoorden indien in de beslissing een motivering opgenomen is die volstaat om ze te dragen maar, anderdeels, dat de indiener van het beroep er wel op moet kun- nen rekenen een antwoord te vinden op zijn fundamentele grieven. Zoals de Raad het al in tal van arresten heeft geschreven, vereisen het bestaan en de zin van een beroepsprocedure dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leer- ling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepsschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. 17. Hierin schiet de beroepscommissie schromelijk tekort. Het mid- del is in die mate ernstig. VII. Besluit 18. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn IX-10.727-10/11 wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toe- gewezen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Onderwijsinrichting van de Ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver van 25 augustus 2025, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toe- gekend. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.727-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.077 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.