← België

Arrest 264084 - Examens (onderwijs) - 05/09/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.084 Rolnummer: A. 245685/IX-10726 Zaak: Arrest 264084 - Examens (onderwijs) - 05/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-09 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-15 05:55 Fiche Arrest nr 264.084 van 5 september 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.084 no lien 284868 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.084 van 5 september 2025 in de zaak A. 245.685/IX-10.726 In zake: K.N. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 12 Adite bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 28 augustus 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 12 Adite van het Gemeenschapsonderwijs van 22 augustus 2025 waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest B met clausulering voor de doorstroomfinaliteit en de dubbele finaliteit wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 29 augustus 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10.726-1/15 De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 september 2025 om 11.30 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2024-2025 leerling in het tweede jaar van de eerste graad (A-stroom) ‘ART’ in de school De Prins, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep Adite van het Gemeenschapsonderwijs. Op het einde van het schooljaar laat verzoeker vier jaartekorten optekenen: Frans (37%), Nederlands (48%), wiskunde (46%) en historisch bewustzijn (44%). De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest B toe met clausulering voor de doorstroomfinaliteit en de dubbele finaliteit. Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad. IX-10.726-2/15 3.
  5. Daarop stelt verzoeker een beroep in bij het schoolbestuur. De beroepscommissie beslist op 22 augustus 2025, verzoeker gehoord, om het B-attest met clausulering voor de doorstroomfinaliteit en de dubbele finaliteit te behouden. De motivering van de beroepscommissie luidt: “De beroepscommissie bekrachtigt de beslissing van de delibererende klassenraad en behoudt bijgevolg het B-attest met de clausuleringen dubbele finaliteit en doorstroom finaliteit. Na grondige bestudering van het dossier van de school, het beroepschrift van de ouders, de hoorzitting van 22 augustus 2025, en de medische context motiveert de beroepscommissie het besluit tot behoud van het B- attest met clausulering doorstroomfinaliteit en dubbele finaliteit. De klassenraad heeft uitspraak gedaan over de realisatie van de leerplandoelen van het tweede leerjaar A-stroom. Gezien de tekorten oordeelt de beroepscommissie dat de beslissing van de klassenraad een correcte uitspraak terzake was en bevestigt dat de leerplandoelen niet gerealiseerd werden. De beroepscommissie stelt vast dat alle vakken met tekorten ook voorkomen in de basisvorming van dubbele finaliteit. De beroepscommissie oordeelt dat dit argument de clausulering voor dubbele finaliteit verantwoordt. Uit het dossier blijkt dat de school voldoende en verregaande begeleidende maatregelen heeft getroffen om de slaagkansen te bevorderen.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  6. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij IX-10.726-3/15 uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  7. Het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt door de verwerende partij terecht niet betwist. VI. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
  8. Verzoeker beroept zich in een ‘eerste’ – en, zo blijkt, ook enig – middel op een schending van de artikelen 60 en 61 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (hierna: het organisatiebesluit), de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker stipt aan dat de delibererende klassenraad, en na hem de beroepscommissie, een oriënteringsattest B hebben toegekend, wat naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit betekent dat hij “het tweede leerjaar van de tweede graad” (lees: het tweede jaar van de eerste graad) met vrucht en met clausulering heeft beëindigd. Die clausulering mag evenwel, overeenkomstig artikel 61, derde lid, 1°, van het organisatiebesluit, de studiekeuzes in de loop van het secundair onderwijs niet vroegtijdig sterk verengen. Daaruit volgt dan weer, zo betoogt verzoeker, dat de beroepscommissie na een prospectief onderzoek haar motieven moet veruitwendigen waarom aan de leerling de toegang tot welbepaalde studierichtingen moet worden ontzegd. In die motivering schiet de beroepscommissie volgens verzoeker tekort. De overweging van de beroepscommissie dat de vier vakken waarop een jaartekort werd behaald ook voorkomen in de basisvorming van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.084 IX-10.726-4/15 studierichting met dubbele finaliteit die verzoeker in het eerste jaar van de tweede graad zou willen volgen (Beeldende en audiovisuele kunsten – optie beeldende kunsten), overtuigt verzoeker niet. Eensdeels stelt verzoeker dat van de tekorten een verkeerd beeld wordt opgehangen, omdat hij enkel binnen de ‘cluster taal’ een tekort behaalde, en niet binnen de ‘cluster stem’ (waarin het vak wiskunde is ingedeeld) of de ‘cluster maatschappij en cultuur’ (waarin het vak historisch bewustzijn is ondergebracht). Verzoeker besluit dat de “bestreden beslissing […] een onrechtmatig groot belang [hecht] aan vermeende tekorten die in realiteit niet voorliggen”. Anderdeels gaat de beroepscommissie volgens verzoeker al helemaal niet in op zijn “essentiële grief” dat in de door hem beoogde studierichting, het gewicht van drie vakken waarvoor een tekort werd behaald duidelijk afneemt: Frans gaat van drie uur naar twee uur, wiskunde gaat van vier uur naar drie uur en historisch bewustzijn maakt van het curriculum zelfs geen deel meer uit. Daarnaast stelt verzoeker dat de beroepscommissie evenmin ingaat op de bijzondere omstandigheden die zich in het schooljaar 2024-2025 hebben voorgedaan en die in het beroep uitvoerig zijn toegelicht. De beroepscommissie beperkt zich ertoe te stellen dat er “voldoende en verregaande maatregelen zijn genomen”. Omwille van die tekortkomingen en een gemis aan concreet prospectief onderzoek van de slaagkansen in een volgend jaar, miskent de beroepscommissie volgens verzoeker ook de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel.
  9. De verwerende partij argumenteert in haar nota met opmerkingen dat de grieven van verzoeker niet overtuigen. Wat het evaluatiesysteem betreft, stipt zij aan dat vakken die een zekere gelijkenis vertonen op het rapport weliswaar in clusters zijn samengebracht, maar dat het schoolreglement niet voorziet in een beoordeling per cluster en dat op die wijze ook geen totalen worden berekend. De reële tekorten zijn derhalve deze die per vak worden weergegeven. IX-10.726-5/15 Inzake die tekorten, stelt de verwerende partij dat de beroepscommissie de vaststelling van de klassenraad bevestigt dat verzoeker de leerplandoelstellingen voor Frans, Nederlands, wiskunde en historisch bewustzijn niet heeft behaald. Voor zover verzoeker poogt om die studieresultaten in twijfel te trekken, betoogt de verwerende partij dat in de eerste plaats het vermoeden van deskundigheid van de leerkracht geldt. Voorts wordt aangestipt dat de leerkrachten op de hoogte waren van de leerstoornissen en voldoende maatregelen hebben genomen om daarmee om te gaan. Dat de leerkrachten waken over een correcte toepassing van deze maatregelen en misbruik aanpakken – zoals het toekennen van een 0/15 voor een spreekbeurt die louter werd afgelezen – is voor de verwerende partij geen tegenindicatie van de voormelde deskundigheid. Er werden, zo stelt zij, voor verzoeker stukken leerstof geschrapt, vrijstellingen verleend, leerhulpmiddelen aangeboden en optimale omstandigheden gecreëerd om proefwerken af te leggen. De beroepscommissie stelt daarover dan ook terecht dat uit het dossier blijkt dat de school voldoende en verregaande begeleidende maatregelen heeft getroffen om de slaagkansen te bevorderen. Tot slot brengt de verwerende partij onder de aandacht dat verzoeker zeer veel (meestal gewettigd) afwezig was, dat uit het dossier blijkt dat dit allerminst een goede voorbereiding op de examens is geweest en dat de slechte resultaten werden behaald ondanks bijles, kinderpsychiatrische opvolging en therapie. Nog wat die tekorten betreft, heeft de beroepscommissie naar oordeel van de verwerende partij vervolgens wel degelijk op een prospectieve wijze geoordeeld. Zij stelt dat verzoeker uit het oog verliest dat de vakken waarvoor een jaartekort werd opgetekend, betrekking hebben op de basiskennis van het tweede jaar in de A-stroom. Uit het loutere feit dat de vakken in een volgend jaar nog opnieuw aan bod komen, kan volgens de verwerende partij worden afgeleid dat verzoeker de nodige basis ontbeert. Voorts betoogt de verwerende partij dat verzoeker zich ten onrechte toespitst op één studierichting in de dubbele finaliteit (Beeldende en audiovisuele kunsten – optie beeldende kunsten), maar niet weerlegt dat het tweede leerjaar in de A-stroom ook dient ter voorbereiding van díé richting en de basis die werd aangeboden dus ook voor die richting van toepassing is. Tot slot stelt de verwerende partij dat de beoordeling ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.084 IX-10.726-6/15 van de beroepscommissie ook wordt gestaafd door de in de loop van het schooljaar gemaakte aanbeveling om over te stappen naar een richting uit de arbeidsmarktgerichte finaliteit. Met betrekking tot de clausulering voert de verwerende partij aan dat de beroepscommissie rekening heeft gehouden met de capaciteiten, inzet en verworven kennis van verzoeker. De conclusie daarbij was dat verzoeker zijn studies kan verderzetten in de derde graad (lees: tweede graad) zonder een jaar te verliezen, maar enkel in een aangepaste richting en finaliteit. De beoordeling louter herleiden tot ‘de leerling is geslaagd’, stemt volgens de verwerende partij duidelijk niet overeen met de motivering van het attest. Zij verwijst naar wat de klassenraad ter zake heeft overwogen en stipt aan dat het verzoeker vrij staat om, indien hij daaraan de voorkeur geeft, zijn jaar over te zitten. Beoordeling
  10. Uit de toelichting bij het middel blijkt dat verzoeker met “de motiveringsplicht” zowel de materiëlemotiveringsplicht als de formelemotiveringsplicht bedoelt. Het middel wordt onder dat oogpunt onderzocht. 9.
  11. Het jaarrapport toont dat de vakken waarvoor verzoeker overheen het schooljaar is beoordeeld, thematisch zijn ondergebracht in vier clusters: ‘taal’, ‘stem’, ‘maatschappij & cultuur’ en ‘verkennen’. Zo bevat, bijvoorbeeld, de cluster ‘taal’ de vakken Frans, Nederlands en Engels. Met de verwerende partij moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat de quotering niet geschiedt per cluster, maar per vak, zodat uit de clustering geen voor de deliberatie bepalende elementen kunnen worden gehaald. Het gaat, zo lijkt, dan ook niet op dat verzoeker middels een eigen rekenmethode gemiddelden per cluster berekent om te doen aannemen dat hij in dat opzicht niet voor vier vakken, maar slechts voor één cluster een tekort behaalde. IX-10.726-7/15 9.
  12. Voor zover het enige middel, aldus begrepen, steunt op de materiëlemotiveringsplicht, is het niet ernstig.
  13. In zijn grieven argumenteert verzoeker dat hij op verschillende van zijn bezwaren – over zijn kansen in het volgend leerjaar Beeldende en audiovisuele kunsten, over het wegvallen of het verminderde belang in die studierichting van de vakken waarop hij nu geen slaagcijfer behaalde, over de moeilijkheden en de begeleiding tijdens het schooljaar – vanwege de beroepscommissie geen antwoord kreeg. Hiermee is een schending van de formelemotiveringsplicht bedoeld.
  14. Aan verzoeker is een oriënteringsattest B toegekend. Verzoeker heeft derhalve, naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit, het tweede leerjaar van de eerste graad “met vrucht en met clausulering” beëindigd. Clausulering betekent, aldus artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit, dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd”. In het tweede jaar van de eerste graad zijn de mogelijke clausuleringen naar luid van artikel 61, tweede lid, 2°, van het organisatiebesluit: “de uitsluiting van een of meer finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen”. De jaartekorten die verzoeker liet optekenen waren voor de beroepscommissie geen reden om te besluiten dat hij het leerjaar “niet met vrucht heeft beëindigd” en om hem een daarmee overeenstemmend C-attest toe te kennen. Het doet aannemen, zo lijkt, dat een dergelijk B-attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd, toch de toegang tot welbepaalde finaliteiten, onderwijsvormen of afzonderlijke structuuronderdelen moet worden ontzegd. IX-10.726-8/15 Het toekennen van een B-attest vereist een zogenaamd prospectief onderzoek, dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60 van het organisatiebesluit van 2022). Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen niet aankan. Met dit oordeel stelt de beroepscommissie zich als het ware in de plaats van de klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers lijkt te behoren om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling of van zijn ouders. Een klassenraad of beroepscommissie kan op basis van zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een bepaalde studiekeuze te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, het leerjaar met vrucht heeft beëindigd. De beroepscommissie die een clausulering toevoegt aan het oriënteringsattest, verkiest echter in de plaats van die leerling de schoolloopbaan gedeeltelijk te bepalen. De aard van de prospectieve deliberatie moet een beroepscommissie bij het opleggen van een clausulering aan een leerling die het jaar met vrucht heeft beëindigd tot grotere omzichtigheid in de motivering nopen. Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar beslissing om aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen op te leggen des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. Zo een vooruitblik is noodzakelijk ook deels subjectief. Daarom moet de beroepscommissie deze deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar koppelen aan de beschikbare gegevens van het dossier en in het bijzonder aan de bagage waarover ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.084 IX-10.726-9/15 de leerling nu beschikt. Kan de beroepscommissie dat niet, dan zou zij de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden.
  15. Er zij voorts eraan herinnerd dat een beroepscommissie weliswaar niet verplicht is om op alle grieven en opmerkingen afzonderlijk te reageren, maar dat het volstaat dat in de beslissing de motieven worden opgenomen die de beslissing afdoende kunnen dragen. Zoals de Raad het al in tal van arresten heeft geschreven, vereist het bestaan en de zin van een beroepsprocedure daarentegen wél dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepsschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden.
  16. De beroepscommissie vormt zich als beroepsorgaan een eigen oordeel. Het resultaat daarvan, zo zij de grieven van de leerling niet inwilligt, dient niet beperkt te zijn tot het bevestigen van de oorspronkelijke argumenten van de klassenraad. Zij vermag ook die argumenten bij te stellen, aan te passen, te verduidelijken, uit te breiden of te vervangen. Veeleer dan het te verbieden, verplicht dan de formelemotiveringsplicht om die motieven te veruitwendigen in de definitieve beslissing. Dat betekent vooreerst, inhoudelijk, dat een louter bijvallen van de motivering van de beroepen beslissing van de klassenraad niet volstaat, als het precies die motivering is die in beroep wordt betwist. Het betekent daarnaast, vormelijk, dat de beroepscommissie zich in haar motivering niet mag beperken tot een passe-partout en dat zij haar motieven in haar eigen beslissing moet veruitwendigen. Met motieven die de verwerende partij geeft in haar nota met opmerkingen mag de Raad van State geen rekening houden, in zoverre ze niet ook zijn terug te vinden in de bestreden beslissing. Die motieven kunnen immers niet worden toegeschreven aan de beroepscommissie zelf én ze lijken, uit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht, laattijdig. IX-10.726-10/15
  17. De Raad van State brengt nogmaals de motieven van de bestreden beslissing in herinnering: “De beroepscommissie bekrachtigt de beslissing van de delibererende klassenraad en behoudt bijgevolg het B-attest met de clausuleringen dubbele finaliteit en doorstroom finaliteit. Na grondige bestudering van het dossier van de school, het beroepschrift van de ouders, de hoorzitting van 22 augustus 2025, en de medische context motiveert de beroepscommissie het besluit tot behoud van het B- attest met clausulering doorstroomfinaliteit en dubbele finaliteit. De klassenraad heeft uitspraak gedaan over de realisatie van de leerplandoelen van het tweede leerjaar A-stroom. Gezien de tekorten oordeelt de beroepscommissie dat de beslissing van de klassenraad een correcte uitspraak terzake was en bevestigt dat de leerplandoelen niet gerealiseerd werden. De beroepscommissie stelt vast dat alle vakken met tekorten ook voorkomen in de basisvorming van dubbele finaliteit. De beroepscommissie oordeelt dat dit argument de clausulering voor dubbele finaliteit verantwoordt. Uit het dossier blijkt dat de school voldoende en verregaande begeleidende maatregelen heeft getroffen om de slaagkansen te bevorderen.” 15.
  18. Hierin kunnen prima facie drie motieven worden onderscheiden: de klassenraad heeft terecht vastgesteld dat de leerplandoelen niet werden bereikt, de vakken met tekorten komen ook voor in de basisvorming van de dubbele finaliteit van de tweede graad en aan verzoeker werd voldoende begeleiding geboden. 15.
  19. De beroepscommissie lijkt hierbij noch de overwegingen van de klassenraad uitdrukkelijk te hernemen, noch zich deze, door verwijzing, uitdrukkelijk eigen te maken. Dit doet de Raad van State voorshands besluiten dat voor de beoordeling van de naleving van de formelemotiveringsplicht enkel rekening kan worden gehouden met wat de beroepscommissie zelf heeft uitgeschreven, zoals hiervóór is aangehaald.
  20. Verzoeker heeft in zijn beroepschrift omstandig uiteengezet welke bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan die, naar zijn oordeel, een impact hebben gehad op zijn concentratie- en prestatievermogen. Daarnaast IX-10.726-11/15 heeft verzoeker verschillende grieven geuit over een tekortschietende begeleiding (waaronder tekortkomingen in zorg en ondersteuning inzake ADHD, geen of onvoldoende verhoogde zorg of uitgebreide zorg, sticordimaatregelen die niet werden toegepast en alarmsignalen die niet ernstig werden genomen tot het gesprek met de kinderpsychiater). De beroepscommissie beperkt zich ertoe daarop te antwoorden dat “uit het dossier blijkt dat de school voldoende en verregaande begeleidende maatregelen heeft getroffen om de slaagkansen te bevorderen”. Dat mag, zo lijkt, als een typevoorbeeld van een passe-partoutmotivering – en dus een ontoereikende motivering – worden beschouwd. Hiermee wil niet gezegd zijn dat die grief tot deze of gene deliberatiebeslissing moet leiden, maar wel dat hij niet zonder meer onbesproken lijkt te kunnen blijven. 17.
  21. Voor zover de beroepscommissie de delibererende klassenraad bijvalt in de beoordeling dat “de leerplandoelen van het tweede leerjaar A-stroom” “niet gerealiseerd werden”, lijkt het motief in zijn algemeenheid niet te kunnen overtuigen omdat het, prima facie, strijdt met de voorschriften van het organisatiebesluit. Aan verzoeker is immers een oriënteringsattest B toegekend, wat naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit betekent dat de leerling het voorbije jaar “met vrucht en met clausulering heeft beëindigd”. 17.
  22. In de mate dat de beroepscommissie hiermee enkel doelt op de leerplandoelen voor de vier vakken waarop verzoeker een jaartekort behaalde, lijkt dat motief te samen te moeten worden gelezen met de overweging dat “alle vakken met tekorten ook voorkomen in de basisvorming van dubbele finaliteit”. Het zijn op het eerste gezicht deze overwegingen die de beroepscommissie ertoe hebben gebracht om niet in te gaan op verzoekers vraag om de clausulering aan te passen zodat hij kan inschrijven in de studierichting Beeldende en audiovisuele kunsten – optie beeldende kunsten. IX-10.726-12/15 Voor zover de beroepscommissie stelt dat verzoeker “alle vakken met tekorten” in een volgend jaar opnieuw op zijn weg zal vinden, lijkt het motief onjuist. Verzoeker stelt immers – zonder daarin door de beroepscommissie te worden tegengesproken – dat het vak historisch bewustzijn in het curriculum van de hiervóór vermelde studierichting uit de dubbele finaliteit niet meer voorkomt. Voor zover de overweging van de beroepscommissie dan op de drie andere vakken (Nederlands, Frans en wiskunde) wordt betrokken, kan daarin op het eerste gezicht geen antwoord worden gelezen op verzoekers “essentiële grief” dat het gewicht van twee van die vakken in de door hem beoogde studierichting afneemt (Frans van drie naar twee uur, wiskunde van vier naar drie uur). Ook deze voorlopige vaststelling strekt niet ertoe dat de beroepscommissie bij het overdoen van haar beoordeling tot deze of gene conclusie moet komen, maar wel dat de grief een antwoord verdient. Welk antwoord dat moet zijn en wat daarvan de weerslag is op het deliberatieresultaat, valt binnen de beoordelingsbevoegdheid van de beroepscommissie. 17.
  23. Uit wat voorafgaat, volgt dat de Raad van State in de huidige stand van de procedure van oordeel is dat de bestreden beslissing de formelemotiveringsplicht miskent en dat voor zover de beroepscommissie zich al een eigen beeld heeft gevormd van verzoekers dossier, de bestreden beslissing daarvan geen blijk geeft. Het vermoeden van deskundigheid van de leerkracht waarop de verwerende partij zich beroept, doet aan die vaststellingen prima facie geen afbreuk. Het enige middel is in de aangegeven mate ernstig.
  24. In het licht van de hiervóór vastgestelde schending van de formelemotiveringsplicht is het voorbarig om uitspraak te doen over de door verzoeker aangevoerde grieven inzake het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel – voor zover verzoeker een schending van die beginselen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.084 IX-10.726-13/15 al als een autonome, van de motiveringsplicht te onderscheiden, rechtsgrond aanvoert. Het valt immers eerst aan de beroepscommissie toe om een beslissing te nemen over de representativiteit van de voorliggende resultaten en om de bezwaren van de leerling op hun merites te beoordelen en, zo die argumenten haar niet kunnen overtuigen, ze gemotiveerd te weerleggen. Het staat niet aan de Raad van State om op dat vlak in de plaats van de beroepscommissie te treden en gevolgtrekkingen te doen. Slechts als de beroepscommissie zich aldus van haar wettelijke opdracht heeft gekweten, kan de Raad van State beoordelen of de beslissing de toets van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel kan doorstaan. VII. Obiter dictum
  25. De ouders van verzoeker hebben zich op 14 mei 2025 tot de algemeen directeur van de scholengroep gericht in een uitvoerige brief waarin zij – samengevat – hun teleurstelling uitdrukken over de wijze waarop de school met de bijzonder noden van hun zoon omgaat. Nadat de algemeen directeur aan de ouders meedeelt dat de coördinerend directeur hun klacht heeft onderzocht, uiten de ouders hun bezorgdheid over de objectiviteit van dat onderzoek, aangezien de coördinerend directeur de broer van de schooldirecteur blijkt te zijn. Daarop antwoordt de algemeen directeur dat “hoewel [de coördinerend directeur] inderdaad familie is van [de schooldirecteur], […] zijn bijdrage [werd] beperkt tot het verzamelen van feitelijke elementen”. De algemeen directeur stelt de ouders gerust dat hijzelf de gesprekken met de directie heeft gevoerd en dat het zijn verantwoordelijkheid is geweest “om alle input te bundelen en te verwerken in een evenwichtig en zorgvuldig verslag”.
  26. Hoewel verzoeker hieromtrent geen middel ontwikkelt en de Raad van State in het raam van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid hierover geen ambtshalve onderzoek voert, zal de Raad zijn verwondering niet ten kwade worden geduid dat het schoolbestuur er uitgerekend in die omstandigheden voor kiest om, naast de directeur die op grond van artikel 123/17, § 2, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van rechtswege van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.084 IX-10.726-14/15 beroepscommissie deel uitmaakt, ook de coördinerend directeur als intern lid van die beroepscommissie aan te duiden. VIII. Conclusie
  27. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 12 Adite van het Gemeenschapsonderwijs van 22 augustus 2025 waarbij aan K.N. een oriënteringsattest B met clausulering voor de doorstroomfinaliteit en de dubbele finaliteit wordt toegekend. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.726-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.