← België

Arrest 264094 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/09/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.094 Rolnummer: A. 245641/IX-10723 Zaak: Arrest 264094 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-11 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-15 05:41 Fiche Arrest nr 264.094 van 8 september 2025 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.094 van 8 september 2025 in de zaak A. 245.641/IX-10.723 In zake: Ö.S. tegen:

  1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door: a. de minister van Modernisering van de Overheid, belast met Ambtenarenzaken b. de leidend ambtenaar van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD Beleid en Ondersteuning bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jorien Van Belle kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 24 augustus 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de selectiecommissie van 2 juli 2025 waarbij verzoekster niet geschikt wordt verklaard voor de functie van sociaal inspecteur in het kader van de selectieprocedure ANG
  4. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij beschikking van 25 augustus 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10.723-1/10 De eerste verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 september 2025 om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Jorien Van Belle, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoekster neemt deel aan een vergelijkende selectie voor de betrekking van Nederlandstalig sociaal inspecteur (niveau B) voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Na controle van de deelnemingsvoorwaarden wordt verzoekster toegelaten tot de selectie. De selectie bestaat uit een schriftelijke proef en een mondelinge proef. De schriftelijke proef wordt afgenomen middels een meerkeuzetest op computer, waarbij wordt gequoteerd op de competenties ‘Toepassen van het sociaal strafwetboek’ en ‘Toepassen van het KB van 25/11/1991’. De mondelinge proef bestaat uit een interview met een gevalstudie, waarbij de competenties IX-10.723-2/10 ‘Motivatie’, ‘Schriftelijk communiceren’, ‘Kritisch denken’, ‘Resultaatgericht zijn’, ‘Samenwerken’, ‘Jezelf kennen’, ‘Je ontwikkelen’ en ‘Communiceren’ worden beoordeeld. Om te slagen moet een kandidaat op elke proef minstens 50/100 behalen. 3.
  8. Verzoekster behaalt op de schriftelijke proef 83,33/100 en op de mondelinge proef 31/
  9. Zij wordt niet geslaagd verklaard, wat haar wordt meegedeeld op 2 juli
  10. Dat is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
  11. Op 29 augustus 2025 legt verzoekster een ‘geactualiseerd’ verzoekschrift neer met een identiek voorwerp. Dit verzoekschrift is uitgebreider dan het initiële verzoekschrift en bevat ook nieuwe en aanvullende argumentatie met betrekking tot onder meer de uiterst dringende noodzakelijkheid en de middelen. Tevens legt verzoekster een nieuw stuk 39 neer. 4.
  12. Verzoeksters ‘geactualiseerd’ verzoekschrift kan in de huidige schorsingsprocedure niet in aanmerking worden genomen. Eensdeels is een dergelijk stuk niet voorzien in het procedurereglement en verzoekster beweert niet – noch blijkt spontaan – dat zij de daarin vervatte bijkomende argumenten niet in haar verzoekschrift had kunnen doen gelden. Anderdeels en ten overvloede, had de verwerende partij op het ogenblik van de neerlegging ervan reeds een nota neergelegd overeenkomstig de procedurekalender, zodat haar rechten van verdediging in het gedrang zouden komen indien verzoeksters nieuwe argumenten met betrekking tot de verschillende schorsingsvoorwaarden in aanmerking zouden IX-10.723-3/10 worden genomen. 4.
  13. Het ‘geactualiseerd’ verzoekschrift dient dan ook uit het debat te worden geweerd. Voor zover het stuk de neerslag vormt van verzoeksters uiteenzetting ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid a. uiterst dringende noodzakelijkheid: geen diligent optreden
  15. Er zij aan herinnerd dat de toepassing van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. IX-10.723-4/10 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen.
  16. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aldus mede afgemeten aan de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden, is immers inherent aan het zeer uitzonderlijke en zeer ongewone karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
  17. Van verzoekster wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. 9.
  18. De bestreden beslissing werd aan verzoekster ter kennis gebracht op 2 juli
  19. IX-10.723-5/10 Verzoekster heeft aldus bijna de gehele beroepstermijn van zestig dagen gewacht om een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen: dit is gewis geen korte tijdspanne en de Raad van State ziet niet spontaan in hoe een dergelijke handelwijze als ‘diligent’ zou kunnen worden beschouwd. 9.
  20. Verzoekster voert aan dat de functie van sociaal inspecteur waarvoor zij kandideerde, aanvangt op 1 september
  21. De functie zou dan, nog steeds volgens verzoekster, definitief worden ingevuld en voor haar onherroepelijk verloren zijn. Niet alleen blijft de vraag waarom verzoekster dan tot enkele dagen vóór die datum wacht om een schorsingsverzoek bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen, haar proceshouding klemt des te meer nu zij ter terechtzitting verklaart dat die datum van 1 september 2025 haar reeds tijdens het interview – en dus vóór de bestreden beslissing – werd meegedeeld. Het feit dat verzoekster na kennisname van de bestreden beslissing met sommige actoren in de selectieprocedure correspondentie heeft gevoerd, kan het talmen met het instellen van een vordering tot eind augustus evenmin verantwoorden. Louter ten overvloede kan daarbij worden opgemerkt dat zelfs indien met die periode van briefwisseling (ten dele) rekening zou worden gehouden, uit het dossier blijkt dat het bestuur op 4 augustus 2025 heeft laten weten dat het verzoeksters klacht afsluit. Ook in dat geval is het verzoekschrift ingediend buiten de termijn die de Raad van State – ten ware er deugdelijke verklarende redenen worden aangevoerd – aanvaardt in het licht van de plicht tot diligentie. b. geen spoedeisendheid aangetoond
  22. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, moet een verzoekende partij in een procedure bij uiterst dringende IX-10.723-6/10 noodzakelijkheid aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. De voorwaarde van spoedeisendheid ligt met andere woorden in die van de uiterst dringende noodzakelijkheid besloten. Het komt er aldus op aan voor een verzoekende partij om precies en met specifieke gegevens die worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, in concreto aan te tonen, welke schade zij dreigt te lijden ingevolge de voorlopige tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en waarom die schade een dergelijke omvang of impact heeft, dat van haar niet kan worden verwacht dit te moeten dragen totdat een uitspraak ten gronde volgt. Ook daarvan overtuigt verzoekster niet. 11.
  23. Verzoekster voert aan dat de benoemingen zouden plaatsvinden op 1 september 2025, en dat dit een uitspraak over haar zaak uiterst dringend maakt omdat de betwiste aanstellingen onomkeerbaar zijn. Vastgesteld moet evenwel worden dat verzoeksters vordering tot schorsing daarop hoe dan ook geen enkele invloed kan hebben. Ook al zou de bestreden beslissing geschorst worden, dan nog belet dit niet dat de geslaagden op de in juli gepubliceerde selectielijst kunnen benoemd worden. Huidig beroep is immers (uitsluitend) gericht tegen verzoeksters eigen eindresultaat, en een schorsing van deze beslissing heeft niet tot gevolg dat latere rechtshandelingen die in het kader van deze aanwervingsprocedure van sociaal inspecteur, als complexe administratieve rechtshandeling, worden gesteld geen doorgang zouden kunnen vinden. Voorts toont de omstandigheid dat de vacatures zouden worden ingevuld, op dit ogenblik helemaal niet aan dat verzoekster getroffen wordt door IX-10.723-7/10 een nadeel dat niet meer op een gepaste wijze zou kunnen worden goedgemaakt, zelfs niet na een eventuele nietigverklaring. Anders dan verzoekster beweert, valt immers niet in te zien waarom zij in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest niet alsnog de mogelijkheid zou kunnen krijgen om te worden beoordeeld op basis van het interview of dit desnoods opnieuw af te leggen, aangezien de selectieprocedure in beginsel zou moeten worden gecorrigeerd vanaf het punt waarop de eventueel vastgestelde onwettigheid werd begaan. 11.
  24. Verzoekster voert ook aan dat haar imago sterk wordt aangetast door het odium “niet geschikt” en “mislukt”. Ook voert zij psychologische en professionele schade aan in haar hoedanigheid van vakbondsverantwoordelijke, stigmatisering, een belemmering van haar carrièremogelijkheden en van haar werkzekerheid. Een verzoekende partij die een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wenst te bekomen, moet aantonen dat zij zich in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen zal bevinden wanneer de definitieve beslechting van een geschil moet worden afgewacht. Nog daargelaten de vraag of de bestreden beslissing te dezen werkelijk een odium inhoudt dat zo zwaar drukt dat de gewone procedure niet kan worden afgewacht, lijkt het in ieder geval zo dat dit geen onherroepelijk schadelijke gevolgen zijn, vermits morele schade in voorkomend geval door de vernietiging van het bestreden besluit ongedaan kan worden gemaakt. Bovendien moet elke deelnemer aan een selectieprocedure rekening houden met de kans of het risico dat hij niet geschikt wordt bevonden voor de geambieerde betrekking: dit is inherent aan dergelijke procedure waar slechts enkele plaatsen beschikbaar zijn en vele kandidaten opdagen. Het gegeven op zich dat verzoekster niet bij de geslaagden hoort, toont niet aan dat verzoekster daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak uiterst dringend maken. IX-10.723-8/10 11.
  25. Verzoekster verwijst naar het verlies van een loopbaankans, namelijk het uitoefenen van een functie die een hoger salaris en andere voordelen biedt. Ook deze argumenten tonen niet aan dat de zaak uiterst dringend is en geen verder uitstel kan verdragen: het mislopen van een financieel voordeel kan immers in principe hersteld worden door een vernietigingsarrest, waarbij in voorkomend geval de loopbaan van verzoekster kan gereconstrueerd worden, zij retroactief benoemd kan worden met de daaraan onmiddellijk verbonden financiële voordelen. 11.
  26. Tot slot wordt opgemerkt dat de hoogdringendheid wordt beoordeeld los van het al dan niet ernstig zijn van de middelen. Verwijzen naar mogelijke onwettigheden bij het nemen van de bestreden beslissing is zonder nut om de hoogdringendheid te staven. c. besluit
  27. Noch heeft verzoekster diligent gehandeld, noch toont zij zelfs maar de spoedeisendheid aan. Uit wat voorafgaat, blijkt dat ten minste één van de schorsingsvoorwaarden niet is vervuld, wat ertoe leidt dat de vordering moet worden verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.723-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.723-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.