id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.116 Rolnummer: A. 240834/X-18542 Zaak: Arrest 264116 - Wegenwezen - 10/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-19 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-15 05:41 Fiche Arrest nr 264.116 van 10 september 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 264.116 van 10 september 2025 in de zaak A. 240.834/X-18.542 In zake : M.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Fonteinstraat 1A/501 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de GEMEENTE MOORSLEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Castryck kantoor houdend te 8650 Houthulst Iepersteenweg 73 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 december 2023, strekt tot de nietigverklaring van: 1° het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Moorslede van 27 april 2023 tot het gedeeltelijk opheffen van de voetweg nr. 75 in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag nr. OMV_2022157003-OV_2023_027 van D. T., en 2° het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 23 oktober 2023 waarbij het bestuurlijk beroep van verzoeker tegen het voormelde gemeenteraadsbesluit als onontvankelijk wordt afgewezen. X-18.542-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een verslag opgesteld. De eerste en de tweede verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni
- Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sara Van Genechten, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor verzoeker, advocaat Pascal Castryck, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Dylan Vercammen, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- D. T. exploiteert een agrarisch bedrijf in Moorslede. Hij dient bij de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen (hierna: de deputatie) een omgevingsvergunningsaanvraag in om op zijn bedrijfsterrein een loods te herbouwen en sleufsilo’s aan te leggen, alsook om zijn exploitatie van een X-18.542-2/18 varkens- en hondenfokkerij te hernieuwen en te wijzigen. In zijn aanvraag verzoekt hij ook om de afschaffing van het grootste deel van de in de Atlas der Buurtwegen opgenomen voetweg nr. 75, waarover de gemeenteraad van de gemeente Moorslede zich dient uit te spreken. Zoals uit een bij de aanvraag gevoegd stuk van D. T. blijkt, loopt het tracé van de voetweg niet alleen over zijn bedrijfsterrein, maar vooral ook over open landbouwakkers. D. T. is eigenaar van het merendeel van deze akkers. Tussen zijn noordelijke open landbouwakkers en zijn zuidelijke open landbouwakkers ligt een terrein waarvan andere personen eigenaar zijn (hierna: het perceel van derden). Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het laatstgenoemde stuk, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-18.542-3/18 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek – gehouden van 1 maart tot 30 maart 2023 – worden twee bezwaarschriften ingediend, waaronder één door verzoeker. In zijn bezwaarschrift voert verzoeker het volgende aan: “Misbruik van procedure In de huidige procedure beoogt de aanvrager het opheffen van een gemeenteweg via de geïntegreerde procedure met de omgevingsvergunning. Artikel 12§2 van het GWD [het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: het gemeentewegendecreet)] laat inderdaad toe af te wijken van de autonome procedure van de artikelen 16 tot 19 van het GWD door de creatie of de wijziging of opheffing van een gemeenteweg op te nemen in een omgevingsvergunningsaanvraag. De bewoordingen in het decreet (en in de Memorie van Toelichting) geven duidelijk te kennen dat dit een uitzondering is […]. De aanvrager meldt dat een voetweg niet alleen op de hoeve maar ook op de landerijen voor onzekerheid zorgt. Daarom wenst de aanvrager de opheffing van het gedeelte van de voetweg dat zich op het eigen terrein bevindt. Het decreet voorziet in de mogelijkheid om een bouwproject te realiseren op de gronden die daartoe bestemd zijn en daardoor kan de geïntegreerde procedure voordelen bieden. Door andere percelen te betrekken wordt misbruik gemaakt om op open akkerland meteen alles op te heffen. Een gemeentebestuur [dat] de trage wegen niet genegen is kan hier systematisch misbruik van maken. Dit kan niet de bedoeling zijn van een uitzondering: 400 meter trage weg opheffen om een loods te bouwen. Meteen schrapt de gemeente dan ook maar het traject op de grond van een andere eigenaar! (besluit gemeenteraad artikel 2) en dit dus via een geïntegreerde procedure. De Raad van State arrest 250.878 van 11 juni 2021 sprak zich reeds over een dergelijk geval uit. Daarbij vernietigde de Raad de beslissing ‘Zaak van de wegen’ die kaderde binnen een geïntegreerde procedure met het aanvragen van een omgevingsvergunning. De kern van het geschil zat in het feit dat in dit dossier geoordeeld werd over een uitweg die ligt op grond waarvan de aanvrager geen eigenaar is. In het arrest stelt de Raad vervolgens: ‘Deze afwijkingsmogelijkheid lijkt logischerwijs enkel te gelden voor wegen die gelegen zijn op het terrein van de aanvrager van de omgevingsvergunning.’ Waarna deze vervolgens vaststelt dat de gemeenteraadsbeslissing eigenlijk niet had kunnen kaderen in de omgevingsvergunningsaanvraag […]. Het misbruiken van deze procedure is dus een schending van art. 12 §2, Gemeentewegendecreet en tevens een ernstige niet-naleving van een substantiële vormvereiste.” X-18.542-4/18 3.
- Met een besluit van 27 april 2023 heft de gemeenteraad het gedeelte van de voetweg nr. 75 dat gelegen is op het eigendom van T. D. en op het perceel van derden op (hierna: het gemeenteraadsbesluit). In het gemeenteraadsbesluit wordt het volgende gesteld: “De bezwaarindiener gaat niet akkoord met de gevoerde procedure, zijnde de geïntegreerde procedure zoals met artikel 12 §2 van het Gemeentewegendecreet van 3 mei 2019, waarbij voorafgaand aan het opheffen van de voetweg de gemeenteraad zich niet moet uitspreken over de voorlopige vaststelling. Als de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg wordt opgenomen in een Omgevingsvergunning, dan gelden enkel de procedureregels van het Omgevingsvergunningendecreet (in afwijking van artikel 11 Gemeentewegendecreet). De procedurevereisten zoals beschreven in de afdelingen 2 en 3 van hoofdstuk 3 van het Gemeentewegendecreet, waarnaar verwezen wordt in artikel 11, zijn dan niet van toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat niet de regels van het openbaar onderzoek over rooilijnplannen (artikel 17 Gemeentewegendecreet) gevolgd worden, maar de regels over het openbaar onderzoek inzake omgevingsvergunningsaanvragen. (o.a. artikel 16 e.v. OVB). De bezwaarindiener kan hierover een andere mening hebben, maar de correcte wettelijke procedure werd toegepast en uitgevoerd. Het bezwaarelement is hier ongegrond. […] BESLUIT: Art.
- - De gemeenteraad neemt kennis van het resultaat van openbaar onderzoek over de omgevingsvergunningsaanvraag met referenties OMV_2022157003 - OV_2023_027 – [D. T.] en gaat akkoord met de voorstellen ter behandeling van de relevante deelelementen uit de bezwaarschriften. Art.
- - De gemeenteraad keurt de gedeeltelijke opheffing van de voetweg 75 met het perceel van derden […], zoals vermeld op het grafisch plan goed. Art.
- - De beslissing wordt overgemaakt aan de deputatie in functie van haar beslissing over de betreffende Omgevingsvergunning.” 3.
- Met een besluit van 8 juni 2023 verleent de deputatie aan D. T. de gevraagde omgevingsvergunning. 3.
- Tegen het gemeenteraadsbesluit tekent verzoeker op 17 juli 2023 bestuurlijk beroep aan bij de Vlaamse regering (departement Mobiliteit). X-18.542-5/18 3.
- Eveneens op 17 juli 2023 dient verzoeker bij de Vlaamse regering (departement Omgeving) een bestuurlijk beroep in tegen de in randnummer 3.4 bedoelde omgevingsvergunning. 3.
- De bevoegde ambtenaar van het departement Omgeving van het Vlaamse Gewest verklaart het in het vorige randnummer bedoelde beroep op 21 augustus 2023 onvolledig, maar hij komt daar op 30 augustus 2023 op terug daar hij op die datum het beroep ontvankelijk en volledig verklaart. 3.
- Op 8 september 2023 verklaart de voornoemde ambtenaar het in randnummer 3.6 bedoelde bestuurlijk beroep alsnog onvolledig, zodat de beroepsprocedure wordt stopgezet. 3.
- Met het besluit van 23 oktober 2023 wijst de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken het in randnummer 3.5 bedoelde bestuurlijk beroep als onontvankelijk af (hierna: het ministerieel verwerpingsbesluit) op grond van de twee volgende motieven: “Overwegende dat beroepsindiener op geen enkele wijze uiteen zet op welke wijze hij persoonlijk gevolgen ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte van de omgevingsvergunning [hierna: het eerste motief]. Overwegende bovendien dat moet worden vastgesteld dat het beroep bij de Vlaamse Regering, departement Omgeving tegen de beslissing van de deputatie over de omgevingsvergunning ondertussen op 21 augustus 2023 onvolledig werd verklaard en bijgevolg ook werd stopgezet. Dit heeft tot gevolg dat niet langer voldaan is aan de voorwaarde dat het administratief beroep tegen de gemeenteraadsbeslissing moet kaderen in een schorsend administratief beroep tegen de vergunningsbeslissing [hierna: het tweede motief].” IV. Ontvankelijkheid Aangevoerde excepties
- De verwerende partijen voeren in hun memorie van antwoord aan dat verzoeker niet op ontvankelijke wijze het bestuurlijk beroep bij de minister X-18.542-6/18 heeft ingesteld tegen het gemeenteraadsbesluit, zodat hij zijn recht om een annulatieberoep bij de Raad van State in te stellen verbeurd heeft.
- Volgens de gemeente is het beroep in zoverre het betrekking heeft op het gemeenteraadsbesluit bovendien laattijdig, daar dit besluit reeds in april 2023 betekend is aan verzoeker. Beoordeling
- Het uitgangspunt van de in randnummer 4 bedoelde exceptie is dat in het ministerieel verwerpingsbesluit terecht is geoordeeld dat het bestuurlijk beroep van verzoeker onontvankelijk is. Zoals hierna zal blijken (randnummers 17 tot 20), is dit uitgangspunt onjuist. De op een onjuist uitgangspunt gesteunde exceptie kan niet worden aangenomen.
- Verzoeker heeft, alvorens de Raad van State te vatten, eerst het bestuurlijk beroep bij de Vlaamse regering ingesteld. Het wordt niet betwist dat het tegen het gemeenteraadsbesluit en het ministerieel verwerpingsbesluit gerichte verzoekschrift ingediend is binnen de termijn van zestig dagen nadat verzoeker kennis kreeg van het laatstgenoemde besluit. Aldus is het onderhavige annulatieberoep wel degelijk tijdig ingesteld.
- De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Het tweede middel Standpunt van de partijen 9.
- In het tegen het gemeenteraadsbesluit gerichte tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet. X-18.542-7/18 9.
- Verzoeker licht toe dat er ten onrechte gebruik is gemaakt van de uitzonderingsprocedure uit artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet voor de afschaffing van de voetweg nr.
- Het gemeenteraadsbesluit heft de voetweg immers ook op voor het perceel van derden en dit perceel is geen eigendom van de aanvrager van de omgevingsvergunningsvergunning.
- In haar memorie van antwoord stelt de eerste verwerende partij dat verzoeker niet uitlegt waarom het toepassen van de uitzonderingsprocedure uit artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet een misbruik zou uitmaken. Zij heeft de opheffing op het perceel van derden als volgt gemotiveerd: “Het Beleidskader Trage Wegen werd goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 21 april
- Voor het opheffen of niet weerhouden van trage wegen als gemeenteweg dient dit beoordeeld te worden op basis van het afwegingskader. Gezien het betreffende deel meer dan 30 jaar niet gebruikt werd, plaatselijk werd overbouwd en er geen bestaande functionele of recreatief netwerk aanwezig is, kan overwogen worden om dit deel op te heffen. Dit geldt tevens voor het stuk [op het perceel van derden], dat een tussenstuk is van hetgeen met de Omgevingsvergunning wordt gevraagd om op te heffen.” Zodoende is er wel degelijk een verband met de omgevingsvergunningsaanvraag. De eerste verwerende partij wijst erop dat zij krachtens artikel 8 van het gemeentewegendecreet een volheid van bevoegdheid heeft om te beslissen over het aanleggen, wijzigen, verplaatsen of opheffen van een gemeenteweg. Artikel 12, § 2, regelt enkel de procedure in het – eerder uitzonderlijke – geval van een omgevingsvergunningsaanvraag, zonder dat de bevoegdheid van de gemeenteraad daardoor wordt gewijzigd. Zodoende mocht de gemeenteraad wel degelijk beslissen over andere stukken van het tracé van voetweg nr. 75 dan het deel dat op het eigendom van D. T. gelegen is.
- In haar memorie van antwoord valt de tweede verwerende partij het middel bij. X-18.542-8/18 Beoordeling
- Het gemeentewegendecreet bepaalt: “Hoofdstuk
- Aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing van gemeentewegen Afdeling
- Algemene beginselen Art. 8 - Niemand kan een gemeenteweg aanleggen, wijzigen, verplaatsen of opheffen zonder voorafgaande goedkeuring van de gemeenteraad. […] Art. 11 – […] §
- De opheffing van een gemeenteweg gebeurt door een besluit tot opheffing van de rooilijn, in voorkomend geval met inbegrip van het daartoe vastgestelde rooilijnplan, op de wijze, vermeld in afdeling
- Art.
- – […] §
- In afwijking van artikel 11 kan de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg met overeenkomstige toepassing van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning opgenomen worden in een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, voor zover die wijziging past in het kader van de realisatie van de bestemming van de gronden. Die mogelijkheid geldt voor zover het aanvraagdossier een ontwerp van rooilijnplan bevat dat voldoet aan de bij en krachtens dit decreet gestelde eisen op het vlak van de vorm en inhoud van gemeentelijke rooilijnplannen of voor zover het een grafisch plan met aanduiding van de op te heffen rooilijn bevat. Als de beoogde wijziging, verplaatsing of opheffing betrekking heeft op een gemeentelijk rooilijnplan dat niet in een ruimtelijk uitvoeringsplan is opgenomen, neemt de gemeenteraad eerst een beslissing over het al dan niet wijzigen of opheffen van het gemeentelijk rooilijnplan, alvorens te beslissen over de goedkeuring, vermeld in artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt niet als de beoogde wijziging, verplaatsing of opheffing betrekking heeft op een gemeenteweg die in een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan bestemd is, of op een gemeentelijk rooilijnplan dat in een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan is opgenomen. In dat geval gelden de procedureregels voor het opstellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan. […] Afdeling
- Procedurele bepalingen over de opheffing van gemeentewegen Art. 20 - §
- Op voorstel van het college van burgemeester en schepenen besluit de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg. §
- Het besluit tot opheffing van een gemeenteweg bevat een grafisch plan waarop minstens de volgende elementen zijn aangeduid: 1° de op te heffen rooilijn, het op te heffen rooilijnplan of het desbetreffende deel daarvan; X-18.542-9/18 2° de kadastrale vermelding van de sectie, de nummers en de oppervlakte van de aanpalende kadastrale percelen en onroerende goederen; 3° de naam van de eigenaars van de aanpalende kadastrale percelen en onroerende goederen volgens kadastrale gegevens of andere gegevens die voor het gemeentebestuur beschikbaar zijn. §
- In voorkomend geval bevat het grafisch plan de volgende aanvullende elementen: 1° een berekening van de eventuele waardevermeerdering van de gronden ten gevolge van de opheffing van de gemeenteweg overeenkomstig artikel 28; 2° de nutsleidingen die als gevolg van de opheffing van de gemeenteweg op private eigendom zullen liggen; 3° de op te heffen achteruitbouwstroken. §
- De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel. Art. 21 - §
- De gemeenteraad stelt het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg voorlopig vast. §
- Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg aan een openbaar onderzoek dat binnen een ordetermijn van dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door: 1° aanplakking aan het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het op te heffen wegdeel; 2° een bericht op de website van de gemeente of in het gemeentelijk infoblad; 3° een bericht in het Belgisch Staatsblad; 4° een afzonderlijke mededeling die met een beveiligde zending wordt gestuurd naar de woonplaats van de aanpalende bewoners van het op te heffen wegdeel; 5° een afzonderlijke mededeling aan de aanpalende gemeenten, als de op te heffen weg paalt aan de gemeentegrens en deel uitmaakt van een gemeentegrensoverschrijdende verbinding; 6° een afzonderlijke mededeling aan de deputatie en het departement; 7° een afzonderlijke mededeling aan de beheerders van aansluitende openbare wegen; 8° een afzonderlijke mededeling aan de maatschappijen van openbaar vervoer. De aankondiging, vermeld in het eerste lid, vermeldt minstens: 1° de locatie waar de beslissing tot voorlopige vaststelling en het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van de gemeenteweg ter inzage liggen; 2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek; 3° het adres waar de opmerkingen en bezwaren naartoe gestuurd moeten worden of kunnen worden afgegeven, en de te volgen formaliteiten. §
- Na de aankondiging wordt het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis en gepubliceerd op de gemeentelijke website. §
- De opmerkingen en de bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek schriftelijk of digitaal aan het gemeentebestuur bezorgd. X-18.542-10/18 De deputatie en het departement bezorgen het gemeentebestuur binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, een advies over de overeenstemming van het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en
- Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. §
- De gemeenteraad stelt binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek het grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg definitief vast. Bij de definitieve vaststelling van het grafisch plan tot de opheffing van een gemeenteweg kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde grafisch plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op de bezwaren en opmerkingen die tijdens het openbaar onderzoek zijn geformuleerd, of eruit voortvloeien. De definitieve vaststelling van het grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg kan geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg. §
- Als het grafisch plan tot de opheffing van een gemeenteweg niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn, vermeld in paragraaf 5, vervalt het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg. Art. 22 - Het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg wordt onmiddellijk na de definitieve vaststelling gepubliceerd op de gemeentelijke website en aangeplakt aan het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het op te heffen wegdeel. Het college van burgemeester en schepenen brengt iedereen die in het kader van het openbaar onderzoek een standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, met een beveiligde zending op de hoogte van het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg. Het grafisch plan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement en aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt. Art. 23 - Als de gemeente niet binnen een termijn van dertig dagen op de hoogte is gebracht van een georganiseerd administratief beroep als vermeld in artikel 24, wordt het besluit tot definitieve vaststelling van het grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en gepubliceerd op de gemeentelijke website. Het besluit heeft uitwerking veertien dagen na bekendmaking.” 13.
- Sedert de inwerkingtreding van het gemeentewegendecreet verloopt de opheffing van een gemeenteweg in principe steeds volgens de bepalingen van afdeling 3 ‘Procedurele bepalingen over de opheffing van gemeentewegen’ van hoofdstuk 3 van het decreet (hierna: de reguliere procedure van de artikelen 20 tot 23 van het gemeentewegendecreet), waarin onder meer is voorzien in twee beslissingen van de gemeenteraad en een afzonderlijk openbaar X-18.542-11/18 onderzoek over een door die raad voorlopig vastgesteld ontwerp van grafisch plan tot opheffing. Uitzonderlijk laat artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet toe af te wijken van de reguliere procedure van de artikelen 20 tot 23 van het gemeentewegendecreet, door meer bepaald de opheffing van een gemeenteweg op te nemen in een omgevingsvergunningsaanvraag (hierna: de afwijkingsmogelijkheid via de omgevingsvergunningsprocedure). 13.
- Zoals de Raad van State reeds heeft opgemerkt in het arrest nr. 260.694 van 20 september 2024, kan van de afwijkingsmogelijkheid via de omgevingsvergunningsprocedure in beginsel enkel gebruik worden gemaakt voor wegen die gelegen zijn op het terrein waarop de omgevingsvergunningsaanvraag betrekking heeft. 13.
- Het in het vorige randnummer gestelde volgt uit de systematiek van het gemeentewegendecreet. Als uitzondering – die slechts een enkele gemeenteraadsbeslissing en geen afzonderlijk openbaar onderzoek vergt – dient de afwijkingsmogelijkheid via de omgevingsvergunningsprocedure immers restrictief te worden geïnterpreteerd. Daarbij moet ook in acht worden genomen dat de reguliere procedure van de artikelen 20 tot 23 van het gemeentewegendecreet voor de bewoners van woonpercelen buiten het laatstgenoemde terrein voorziet in waarborgen – zoals de door artikel 21, § 2, eerste lid, 4°, voorgeschreven betekening van het ontwerp van grafisch plan – die niet gelden wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid via de omgevingsvergunningsprocedure. 13.
- De elementen die de eerste verwerende partij aanvoert, kunnen geen afwijking van het in randnummer 13.2 bedoelde beginsel verantwoorden. Door de voetweg nr. 75 op te heffen voor het perceel van derden schendt het gemeenteraadsbesluit artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet. X-18.542-12/18
- Het middel is gegrond. B. Het eerste middel Standpunt van de partijen 15.
- In het tegen het ministerieel verwerpingbesluit gerichte eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 31/1 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: het omgevingsvergunningsdecreet) in samenhang met de formele- en materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 15.
- Verzoeker licht toe dat het ministerieel verwerpingsbesluit zijn bestuurlijk beroep ten onrechte onontvankelijk heeft verklaard. De tweede verwerende partij legt immers ontvankelijkheidsvereisten op die niet in het decreet zijn voorzien. Het ministerieel verwerpingsbesluit miskent verzoekers belang als omwonende die van voetweg nr. 75 gebruik wil maken en zoekt ten onrechte steun in een beslissing van 21 augustus 2023 om verzoekers beroep tegen de omgevingsvergunning onvolledig te verklaren. Die beslissing is immers op 30 augustus 2023 herzien en in een e-mailbericht van die dag aan verzoeker heeft de verwerende partij zich geëxcuseerd voor de vergissing van 21 augustus 2023 en uitdrukkelijk bevestigd dat de beroepsprocedure voortgezet zou worden. 16.
- Wat het eerste motief van het ministerieel verwerpingsbesluit betreft, stelt de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord dat terecht is geoordeeld dat niet bleek dat verzoeker belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte van de omgevingsvergunning. Verzoekers bestuurlijk beroep tegen het gemeenteraadsbesluit kadert immers in een omgevingsvergunningsprocedure voor het herbouwen van een loods en het aanleggen van sleufsilo’s “inclusief de gedeeltelijke opheffing van voetweg nr. 75”. In zijn beroepsschrift tegen het gemeenteraadsbesluit heeft verzoeker nagelaten uiteen te zetten welk nadelig gevolg hij persoonlijk zou ondervinden ten gevolge van het inwilligen van de X-18.542-13/18 omgevingsvergunningsaanvraag. Nu de tweede verwerende partij over geen enkele informatie beschikte over een mogelijk nadeel, heeft zij terecht kunnen oordelen dat verzoeker niet als lid van het betrokken publiek in de zin het omgevingsvergunningsdecreet kwalificeert. Dat verzoeker – zoals blijkt uit de in het verzoekschrift weergegeven citaat uit het omgevingsloket – zijn belang heeft uiteengezet in zijn beroepsschrift tegen de door deputatie afgegeven omgevingsvergunning kon de tweede verwerende partij terecht niet nopen tot een ander oordeel over de belangvereiste. Deze uiteenzetting maakte immers geen deel uit van het beroepsschrift tegen het gemeenteraadsbesluit waarover het ministerieel verwerpingsbesluit uitspraak doet. Daarenboven beschikt de tweede verwerende partij niet over toegangsrechten tot het omgevingsloket, zodat zij hiervan geen kennis kon nemen. Daarnaast is het ook zo dat de in het omgevingsloket weergegeven toelichting geenszins blijk geeft van een concreet belang waarover verzoeker zou beschikken. Er wordt immers slechts gewezen op een ruimere groep van trage wegengebruikers en het feit dat het gemeenteraadsbesluit het trage wegennetwerk zou aantasten. Sterker nog, enig persoonlijk belang lijkt onmogelijk aantoonbaar nu verzoeker de voetweg nr. 75 nooit eerder heeft kunnen gebruiken bij gebrek aan feitelijke realisatie. 16.
- Volgens de tweede verwerende partij blijft ook het tweede motief van het ministerieel verwerpingsbesluit overeind. Zij legt een screenshot van het omgevingsloket neer waaruit blijkt dat de bevoegde ambtenaar op 8 september 2023 verzoekers bestuurlijk beroep tegen de door de deputatie afgegeven omgevingsvergunning onvolledig heeft verklaard omdat hij oordeelde dat de onvolledigverklaring van 21 augustus 2023 terecht was. Volgens de tweede verwerende partij stond aldus ten tijde van het ministerieel verwerpingsbesluit vast dat er géén bestuurlijk beroep van verzoeker tegen de door de deputatie verleende omgevingsvergunning hangende was. Nochtans maakt het omgevingsvergunningsdecreet het wegenisberoep afhankelijk van het tegelijk instellen van een beroep tegen de beslissing over de omgevingsvergunningsaanvraag. X-18.542-14/18 Beoordeling
- Het door artikel 72 van het gemeentewegendecreet ingevoegde artikel 31/1 van het omgevingsvergunningsdecreet luidt: “Art. 31/
- §
- Tegen het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan in het kader van een schorsend administratief beroep tegen de vergunningsbeslissing een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering door de personen of instanties, vermeld in artikel
- […] Het beroep leidt tot de vernietiging van het bestreden besluit of tot de afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan. §
- Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid met een beveiligde zending ingediend bij de Vlaamse Regering binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op: 1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt; 2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt; 3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen. De indiener van het beroep bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig met de beveiligde zending van het beroep aan de Vlaamse Regering, een afschrift van het beroepschrift met een beveiligde zending aan het college van burgemeester en schepenen en aan de bevoegde beroepsinstantie, vermeld in artikel
- §
- Het college van burgemeester en schepenen bezorgt het volledige dossier of een afschrift daarvan onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, aan het Departement Mobiliteit en Openbare Werken. §
- De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het dossier, vermeld in paragraaf
- Die termijn is een termijn van orde. De Vlaamse Regering brengt de indiener van het beroepschrift, de bevoegde overheid en de gemeente onmiddellijk op de hoogte van haar beslissing. §
- Het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan alleen worden vernietigd: 1° wegens strijdigheid met het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen; 2° wegens strijdigheid met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet; X-18.542-15/18 3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.” Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in dat een besluit van het bestuur moet gedragen worden door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het besluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van een beslissing en ervoor te zorgen dat de juridische en feitelijke aspecten van het dossier deugdelijk worden geïnventariseerd en gecontroleerd, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. 18.
- Zowel in het eerste als het tweede motief legt het ministerieel verwerpingsbesluit ontvankelijkheidsvereisten op die geen grondslag hebben in de geldende regelgeving. 18.
- Wat het eerste motief betreft, dient immers te worden opgemerkt dat de opheffing van de gemeenteweg géén onderdeel is van de omgevingsvergunning waarover de vergunningverlenende overheid beslist. Het beslissingsrecht over die opheffing komt immers niet aan de laatstgenoemde overheid, maar aan de gemeenteraad, toe. Uit het voorgaande volgt dat het eerste motief van het ministerieel verwerpingsbesluit erop neerkomt dat verzoeker alleen een ontvankelijk beroep tegen het gemeenteraadsbesluit over de zaak van de wegen zou kunnen instellen wanneer hij aantoont de gevolgen te ondervinden of waarschijnlijk te ondervinden of belanghebbende te zijn bij de afgifte van de omgevingsvergunning voor het herbouwen van een loods, het aanleggen van sleufsilo’s en het hernieuwen en wijzigen van de exploitatie van een varkens- en hondenfokkerij. Vastgesteld moet worden dat het ministerieel verwerpingsbesluit daarmee afwijkt van de geldende regelgeving. Uit artikel 31/1 van het omgevingsvergunningsdecreet volgt immers dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt of X-18.542-16/18 belanghebbende is bij de beslissing tot opheffing van de gemeenteweg een ontvankelijk beroep tegen het gemeenteraadsbesluit kan instellen. Aan de laatstgenoemde vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de door de tweede verwerende partij ingeroepen elementen zoals haar kritiek op de belangomschrijving in verzoekers bestuurlijk beroep tegen de door de deputatie afgegeven omgevingsvergunning. 18.
- Het tweede motief komt erop neer dat het ministerieel verwerpingsbesluit als bijkomende, niet in artikel 31/1 van het omgevingsvergunningsdecreet voorziene ontvankelijkheidsvoorwaarde oplegt dat het beroep tegen de omgevingsvergunning volledig is bevonden door de vergunningverlenende overheid in graad van bestuurlijk beroep.
- Het middel is gegrond. V. Omvang van de vernietiging
- In haar laatste memorie verzoekt de eerste verwerende partij in ondergeschikte orde om het gemeenteraadsbesluit alleen te vernietigen in zoverre het betrekking heeft op het perceel van derden.
- Op dit verzoek zou slechts ingegaan kunnen worden indien de voorgestelde partiële vernietiging aan de verzoekende partij volledige genoegdoening geeft in het licht van het door haar aangevoerde belang, wat te dezen niet het geval is. Dienvolgens wordt het verzoek verworpen. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt - het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Moorslede van 27 april 2023 tot het gedeeltelijk opheffen van de voetweg nr. 75 in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag nr. OMV_2022157003- OV_2023_027 van X-18.542-17/18 D. T., en - het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 23 oktober 2023 ‘betreffende het beroep tegen het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Moorslede van 27 april 2023 inzake het opheffen van de gemeenteweg sentier 75 in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag nr. OMV_2022157003’.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde gemeenteraadsbesluit.
- De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.542-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div