← België

Arrest 264137 - Examens (onderwijs) - 11/09/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.137 Rolnummer: A. 245723/IX-10729 Zaak: Arrest 264137 - Examens (onderwijs) - 11/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-12 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-15 05:43 Fiche Arrest nr 264.137 van 11 september 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.137 van 11 september 2025 in de zaak A. 245.723/IX-10.729 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Werner-Édouard de Saeger van Nattenhaesdonck kantoor houdend te 3500 Hasselt Thonissenlaan 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS BERINGEN EN LUM- MEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Greet Louwet kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp 1. Met een verzoekschrift, ingediend op 3 september 2025, vordert verzoekster de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onder- wijs Beringen en Lummen van 27 augustus 2025 waarbij aan verzoekster een ori- enteringsattest C wordt toegekend, “te vernietigen” en “[m]et afzonderlijke vorde- ring: de schorsing van het bestreden besluit bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bevelen”. Voorts vraagt verzoekster in hetzelfde verzoekschrift dat de Raad van State aan de verwerende partij zou bevelen “het volledig administratief dossier neer te leggen, inclusief interne nota’s, e-mails, meldingen, verslagen, CLB-com- municatie en alle stukken die aan de beroepscommissie zijn voorgelegd of die haar IX-10.729-1/26 oordeel hebben beïnvloed” en “[bij] herneming na vernietiging op te leggen dat de zaak wordt herbeoordeeld door een nieuw en onafhankelijk samengestelde be- roepsinstantie, die uitdrukkelijk en individueel onderzoekt: (

  1. i)maatwerk-remedi- ering en aangepaste evaluatie binnen de zelfde richting; (
  2. ii)uitgestelde/inhaalproe- ven waar prestaties zijn beïnvloed door gedocumenteerde incidenten en medische toestand; (iii) structurele beschermingsmaatregelen tegen racisme/pesten en een veiligheidsplan; (
  3. iv)multidisciplinaire begeleiding (CLB/externe zorg) met meet- punten”. In een ‘Nota bij uiterst dringende noodzakelijkheid’, vraagt ver- zoekster “[de] tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van 27 augustus 2025 onmiddellijk te schorsen bij uiterst dringende noodzakelijkheid” en verzoekt zij de Raad van State “[te] bepalen dat [verzoekster] voorlopig wordt toegelaten tot het 6e jaar Welzijnswetenschappen (doorstroomfinaliteit) van Spec- trumcollege, totdat de Raad van State ten gronde uitspraak doet over de nietigver- klaring”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 4 september 2025 werd de procedurekalen- der vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september 2025, om 15.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. IX-10.729-2/26 Advocaat Werner-Édouard de Saeger van Nattenhaesdonck, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Greet Louwet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2024-25 leerling in het eer- ste jaar van de derde graad Welzijnswetenschappen (doorstroomfinaliteit) in het Spectrumcollege, onderwijsinstelling waarvan de verwerende partij het organise- rend gezag is. Het jaarrapport van verzoekster vertoont jaartekorten voor wis- kunde (41,1%), aardrijkskunde (45,1%), filosofie (44,6%) en natuurwetenschap- pen (44%), wat resulteert in een C-attest. Overleg met de directie leidt tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad, die het C-attest bevestigt. Daarop volgt een beroep bij het schoolbestuur. Op 27 augustus 2025 beslist de beroepscommissie om het C-at- test te handhaven. IX-10.729-3/26 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4. Overeenkomstig artikel 4, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling be- stuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat de vordering tot schorsing – indien het verzoekschrift tot nietigverklaring al is ingediend – een aanwijzing van het ern- stige middel of de ernstige middelen die worden aangevoerd tot staving van deze vordering. Het verslag aan de Koning bij die bepaling preciseert: “In 7° van deze paragraaf wordt het principe vastgesteld bij het koninklijk besluit van 5 december 1991, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 28 februari 2014, bevestigd. Indien met andere woorden het annulatiebe- roep reeds werd ingediend, volstaat het dat de verzoekende partij in de vor- dering [tot schorsing] de vereiste elementen en het ernstig middel of de ern- stige middelen in de zin van artikel 17, § 1, derde lid, 2° van de gecoördi- neerde wetten aanduidt, zonder dat zij deze integraal moet hernemen.” 5. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift met opschrift ‘verzoek- schrift tot nietigverklaring en schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ haar “middelen van nietigheid” aangevoerd. Dat verzoekschrift bevat echter geen uiteenzetting of betoog over de vervulling van de cumulatieve criteria van de schor- singsvordering. Voor wat de hoogdringendheid betreft, verwijst verzoekster uit- drukkelijk naar een afzonderlijke nota. In die nota, met opschrift ‘Nota bij uiterst dringende noodzake- lijkheid’, gaat verzoekster wél in op de schorsingscriteria, onder de opschriften ‘Ernstige middelen’ en ‘Moeilijk te herstellen ernstig nadeel’. Het ligt op de weg van een verzoekende partij die een schorsings- vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid indient, om met de nodige precisie haar wettigheidskritieken te formuleren. De Raad van State begrijpt haar proces- houding dan zo, dat verzoekster in haar ‘Nota bij uiterst dringende IX-10.729-4/26 noodzakelijkheid’ beoogt aan te tonen dat de schorsingsvoorwaarden zijn vervuld om de aldaar neergeschreven redenen en dat zij in het kader van de huidige schor- singsprocedure enkel om een beoordeling verzoekt van de ernst van de in het in- leidend verzoekschrift aangevoerde annulatiemiddelen die in de voormelde ‘Nota bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ eveneens “worden aangevoerd tot staving van deze vordering [tot schorsing]” (artikel 4, § 1, eerste lid, 7°, van het procedu- rereglement kort geding). V. Herinnering aan de voorwaarden voor het bevelen van een schorsing of een andere voorlopige maatregel 6. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Spoedeisendheid - uiterst dringende noodzakelijkheid 7. Verzoekster wijst in haar ‘Nota bij uiterst dringende noodzake- lijkheid’ op het dreigende verlies van een schooljaar als “[m]oeilijk te herstellen ernstig nadeel”. 8. De Raad van State betreurt het dat een verzoekende partij, bijge- staan door een raadsman, nog refereert aan een begrip (‘moeilijk te herstellen ern- stig nadeel’) dat al in 2014, dus méér dan elf jaar geleden, verlaten is als IX-10.729-5/26 schorsingsvoorwaarde. Voor wat nuttig is, wijst de Raad erop dat de regelgeving die thans bij een procedure bij de Raad moet worden nageleefd, eenvoudig te vin- den is op de website van de instelling. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad volstaat een dreigend verlies van een schooljaar in principe evenwel om te overtuigen van de spoedei- sendheid van de vordering én van de ingeroepen uiterst dringende noodzakelijk- heid. Er is geen reden om het hier anders te zien, zodat deze voorwaarde vervuld mag heten. De verwerende partij betwist zulks overigens ook niet. VII. Ernst van de middelen A. Vooraf 9. In het kader van de annulatie- en schorsingsbevoegdheid waar- over hij op grond van artikel 14, § 1, en artikel 17 van zijn gecoördineerde wetten in deze aangelegenheid beschikt, treedt de Raad van State op als een wettigheids- rechter, niét als een rechter in hoger beroep die in de plaats van de beroepscom- missie die het C-attest heeft toegekend, de feiten waarop het steunt opnieuw on- derzoekt en vervolgens een eigen beoordeling daarvan uitspreekt. Als wettigheidsrechter vermag de Raad van State, desgevraagd, slechts de wettigheid van het bestuurlijk optreden te beoordelen. Om de onwettigheid van de bestreden handeling aan te tonen, moet een verzoekende partij middelen aanvoeren, waarin zij uiteenzet welke rechtsregels door het bestuur zijn overtreden en op welke wijze het bestuur die rechtsregels precies heeft miskend door de bestreden beslissing te nemen. Onder ‘middel’ moet met andere woorden worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving zowel van de overtreden rechtsregel of het overtreden rechtsbeginsel als van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de IX-10.729-6/26 bestreden rechtshandeling wordt geschonden. ‘Voldoende duidelijk’ betekent dat het niet nodig is veronderstellingen over de juiste bedoelingen van de verzoekende partij te maken, waardoor in werkelijkheid de verwerende partij en de Raad van State ertoe gebracht worden het verzoekschrift op te stellen in de plaats van de verzoekende partij. Daarom bepaalt artikel 2, § 1, eerste lid, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. 10. In haar ‘Nota bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ stelt ver- zoekster onder het opschrift ‘Ernstige middelen’ dat de volgende vijf “in het ver- zoekschrift uiteengezette middelen” “manifest ernstig” zijn: “▪ Schending proportionaliteitsbeginsel: het C-attest is disproportioneel, gezien een richtingwissel tussen 5e en 6e jaar wettelijk in beginsel onmo- gelijk is. De commissie miskent dat de enige afweging moest zijn of [ver- zoekster] met redelijke aanpassingen binnen dezelfde richting kon verder- gaan. ▪ Onvoldoende motivering en zorgvuldigheid: cruciale stukken (beeld- en schriftbewijs racisme, medisch verslag PTSS, politie-aangifte) zijn onvol- doende gewogen. De motivering is schijnmotivering. ▪ Schending gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel: de context van ra- cisme en pesterijen werd gebagatelliseerd, hoewel bewezen in de stukken- bundel. ▪ Kennelijke onredelijkheid: de beroepscommissie erkent de inzet en pres- taties van [verzoekster], maar negeert dat een C-attest haar schoolloopbaan definitief afsnijdt, zonder minder verregaande opties te onderzoeken. ▪ Detournement de pouvoir: de commissie gebruikt het C-attest om een overstap naar dubbele finaliteit af te dwingen, hoewel dit wettelijk niet voorzien is tussen 5e en 6e jaar.” Verzoekster laat na te preciseren welke middelen uit het inlei- dend verzoekschrift hiermee overeenkomen. In het inleidend verzoekschrift ont- wikkelt verzoekster van bladzijde 3 tot 13 onder het opschrift ‘middelen van nie- tigheid’ niet minder dan negen middelen. Vanaf bladzijde 13 tot 21 volgt dan een IX-10.729-7/26 uiteenzetting onder het opschrift ‘specifieke weerlegging van de kernpassages uit de beslissing’. De Raad van State – en mét hem het auditoraat – meent dat de in het kader van de huidige vordering opgesomde middelen, weliswaar in een andere volgorde, samenvallen met het eerste, het tweede, het derde, het vierde en het ne- gende middel van het annulatieberoep en hij zal deze vijf middelen hierna onder- zoeken en beoordelen op hun ernst. 11.1. Een uiteenzetting die beperkt is tot een opsomming van een aan- tal feiten en grieven kan niet worden beschouwd als een middel in de zin van artikel 2, § 1, eerste lid, 3°, van het algemeen procedurereglement. Het komt niet aan de Raad van State toe – en dit nog minder in een procedure bij uiterst dringende nood- zakelijkheid – om uit een feitelijke uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling. 11.2. In het onderdeel ‘specifieke weerlegging’ van het inleidend ver- zoekschrift beschrijft verzoekster waarom zij het niet eens is met de door haar be- streden beslissing, geeft zij een andere visie op de feiten of betoogt zij dat die feiten een beroepscommissie tot een andere conclusie zouden moeten brengen. Nergens koppelt zij, zo lijkt, haar kritiek op een voldoende duidelijke wijze aan een rechts- regel, waarvan zij dan toelicht hoe de bestreden beslissing die rechtsregel miskent. Dat verzoekster het met de beroepscommissie oneens is, toont evenwel nog de on- wettigheid van de bestreden beslissing niet aan. Bovendien heeft verzoekster in haar ‘Nota bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ deze “specifieke weerlegging” evenmin als een ernstig te bevin- den “middel” aangewezen. 11.3. In de huidige stand van de procedure wordt op de “specifieke weerlegging” dan ook niet ingegaan. IX-10.729-8/26 B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 12. Het eerste middel luidt “Schending van de zorgvuldigheidsplicht en het motiveringsbeginsel (art. 149 Gw., Wet 29 juli 1991; algemene beginselen van behoorlijk bestuur)”. Verzoekster betoogt dat de beroepscommissie geen concrete en individuele afweging doorvoert van álle dossierstukken (beeld- en schriftbewijs van pestgedrag en racisme, incidenten, medische/psychologische verslagen). Zij “miskent de onmogelijkheid om legaal van richting te wisselen tussen 5e en 6e jaar in haar specifieke studierichting, en legt niet uit waarom het zwaarste attest (C) proportioneel zou zijn binnen dezelfde richting; de enige richting waarin [verzoek- ster] wettelijk en feitelijk kan en wil verdergaan”. Sinds het midden van het schooljaar deed verzoekster aan de lei- ding van de school, in het bijzonder directie en leerkrachten, meldingen van expli- ciete racistische en grensoverschrijdende uitlatingen, Hitlergroeten en andere uit- latingen die fysieke agressie of op zijn minst intimidatie door een groep leerlingen en een toxisch klasklimaat aantonen. Er was met andere woorden in het geheel geen voldoende rustig les- of klasklimaat. Het voorbije schooljaar werd gekenmerkt door een buitenpropor- tioneel aantal lessen wiskunde, aardrijkskunde, filosofie en natuurwetenschappen dat is weggevallen, onderbroken of dat inhoudelijk gebrekkig was. De beslissing erkent op abstracte wijze “grensoverschrijdende uitspraken” door medeleerling M, maar “minimaliseert en decontextualiseert het geheel” en gebruikt de afwezigheid van een politiemelding als argument om de impact op verzoeksters leren te relativeren. De zorgvuldigheidsplicht vereist het inhoudelijk wegen van álle stukken, niet het wegrelativeren ervan. IX-10.729-9/26 De beroepscommissie parafraseert het psychiatrisch verslag (PTSS met angst- en insomniecomponent) maar integreert dit niet in haar kernaf- weging: welke redelijke pedagogische en evaluatieve aanpassingen dienden hier te volgen? Hoe beïnvloedt dit de keuze tussen een C-attest en minder ingrijpende maatregelen binnen dezelfde richting? Er is volgens verzoekster een gebrek aan “individuele proportio- naliteit”: - De beslissing beroept zich op jaartekorten (41–45%), maar maakt geen sprong van deze punten naar de vraag: “Zijn er binnen de zelfde richting Welzijnsweten- schappen (doorstroom) minder ingrijpende, redelijke maatregelen die het leerrecht respecteren en tegelijk de kwaliteitswaarborg dienen?” - De commissie verwijst herhaaldelijk naar vroegere “adviezen” om naar dubbele finaliteit te oriënteren. Dat is irrelevant en zelfs misleidend voor de rechtsvraag: tussen het 5e en het 6e jaar is een richtingwissel in beginsel wettelijk niet toegelaten. De enige relevante proportionaliteitsvraag is dus: C binnen dezelfde richting te- genover gerichte remediëring, aangepaste evaluatie en (indien nodig) uitge- stelde/inhaalproeven binnen dezelfde richting. Die afweging ontbreekt. Verzoekster noemt de beslissing ten slotte een “[s]chijnmotive- ring”: “✓ De beslissing stapelt algemene bewoordingen op (‘volgehouden inspan- ningen’, ‘objectieve afweging’, ‘niet verplicht tot herexamens’) maar ver- klaart niet waarom deze abstracta in casu zwaarder zouden wegen dan de concrete, gedocumenteerde belemmeringen die [verzoekster] op school heeft ondergaan en haar medische toestand. ✓ De conclusie dat het C-attest ‘objectief’ is, verhult een detournement de pouvoir (zie Middel 4): men sanctioneert in wezen dat [verzoekster] niet naar D/A is overgestapt – iets wat wettelijk tussen 5e en 6e jaar niet beoogd is.” IX-10.729-10/26 Beoordeling 13. De in artikel 149 van de Grondwet voorgeschreven jurisdictio- nele motiveringsplicht lijkt niet van pas te komen bij een beslissing van een admi- nistratief beroepsorgaan, dat geen rechtscollege is. 14. Met “Wet 29 juli 1991” bedoelt verzoekster allicht de wet van die datum ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. De beroepscommissie verantwoordt haar beslissing overheen vijf bladzijden, waarin zij ingaat op de bezwaren van verzoekster met betrekking tot “het argument rond het proportionaliteitsbeginsel m.b.t. het C-attest”, “het argu- ment rond het gebrekkige school- en klasklimaat: structureel tekortschietend on- derwijsaanbod en systematisch en herhaald racisme en pesterijen”, “het argument rond de psychologische en medische overwegingen”, “het argument rond de schen- ding van nationale en internationale verplichtingen” en “het argument rond het Kinderrechtenverdrag dat zowel recht op onderwijs (art. 28) als non-discriminatie (art. 2) en de positieve bescherming tegen geweld, discriminatie en vernedering (art. 19) oplegt; betreffende het argument van het Europees Verdrag van de Rech- ten van de Mens waarin artikel 14 discriminatie verbiedt op grond van ras en af- komst”. De beroepscommissie kan op het eerste gezicht niet ernstig wor- den verweten dat zij haar beslissing niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd. Die mo- tivering heeft verzoekster in staat gesteld om er niet minder dan negen middelen tegen te ontwikkelen. Verzoekster brengt in de toelichting bij het middel de for- melemotiveringsplicht overigens niet meer ter sprake. 15.1. Volgens verzoekster was er “geen voldoende rustig les- of klas- klimaat”, is tijdens het schooljaar een buitenproportioneel aantal lessen weggeval- len, onderbroken of inhoudelijk gebrekkig en is de impact van grensoverschrijdend gedrag op haar leren gerelativeerd. IX-10.729-11/26 15.2. Het is niet duidelijk met welk van de in het middel aangevoerde regels of beginselen zij die opmerkingen in verband brengt. De Raad stelt hoe dan ook vast dat de beroepscommissie uitgebreid is ingegaan op die grieven en uiteen- zet waarom zij ertoe besluit dat niet wordt aangetoond “dat de school, leerlingbe- geleiding en de leerkrachten het leerproces van [verzoekster] zowel in leerresulta- ten als in welbevinden en verbondenheid niet zouden hebben ondersteund”. De beroepscommissie stelt meer bepaald: “• [Verzoekster], haar moeder en advocaat laken het tekortschietend onder- wijsaanbod van campus Lummen. Men wijst daartoe naar weggevallen les- sen, gebrekkig klasmanagement e.d. De beroepscommissie oordeelt dat af- wezigheden van leerkrachten op voldoende wijze gecompenseerd werden en dat evaluaties aangepast werden aan de omstandigheden. • De verweerder geeft aan dat het klasklimaat niet positief noch hanteerbaar was. Dat wordt tegengesproken door de delibererende klassenraad. In de hoorzitting spreken de leden van de delibererende klassenraad over een pit- tige klas die in de hand gehouden moet worden, maar die wel aangenaam en druk kan zijn, maar vooral ook door het vele vragen stellen en interesse in de leerstof..... Ze geven aan dat er van bij de start van het schooljaar inspanningen geleverd zijn om een goede leeromgeving te creëren, bv. m.b.v. leefregels, een opvolgkaart en een time-outkaart voor bepaalde leer- lingen. In de klas hing volgens de leerkrachten geen slechte sfeer. Verweer- ders dragen geen bewijzen aan een negatief klasklimaat. • Na bevraging van de klassenraad blijkt dat de school in de begeleiding van [verzoekster] gehandeld heeft vanuit signalen van zowel [verzoekster] als haar ouders. De leerkrachten bevestigen dat de hulpmiddelen en bege- leiding die haar aangereikt werden zoals o.a. herstelgerichte gesprekken, aangesproken worden door meerdere mensen van het team leerlingbegelei- ding, ook zonder time-outkaart de les kunnen en mogen verlaten in functie van haar welbevinden en draagkracht, een flexibele invulling tijdens de LO-lessen om haar inhoudelijke vakken en leergericht gedrag te ondersteu- nen ... systematisch ingezet werden. Daarnaast getuigt de school van een preventieve inzet en erkent de school eveneens de hindernissen in de groepsdynamiek in deze klas. De beroepscommissie oordeelt op basis van deze gegevens en toelichting dat de school niet gewacht heeft om begelei- ding op te starten in functie van de noden van [verzoekster] tot een diagnose gesteld was en het psychiatrisch verslag (stuk 2) binnen kwam. • Te dezen wordt niet aangetoond dat de school, leerlingbegeleiding en de leerkrachten het leerproces van [verzoekster] zowel in leerresultaten als in welbevinden en verbondenheid niet zouden hebben ondersteund. […] • In de interne beroepscommissie werpt [de moeder van verzoekster] op dat ze de school verwittigd had dat [verzoekster] met een PTSS kampt sinds het incident met een medeleerling waarnaar verder gerefereerd wordt als ‘M’. [De moeder van verzoekster] voelde zich door de school niet gehoord IX-10.729-12/26 en heeft daarom de vaststelling door Dr. [B] laten doen die op 10 juli 2025 niet alleen PTSS maar ook een angst- en insomniestoornis vaststelt. ◦ De beroepscommissie betwist geenszins de diagnose die Dr. [B] stelde voor [verzoekster]. ◦ De beroepscommissie stelt vast dat het herstelgericht traject dat met [ver- zoekster] en M. en de klas gelopen werd, op tempo en op vraag van [ver- zoekster] telkens opnieuw aangepast werd aan zowel de draagkracht van [verzoekster] als haar noden daarin. Zo werden er gesprekken uitgesteld omdat [verzoekster] er nog niet klaar voor was of werden gesprekken in herstel vooraf met [verzoekster] voorbereid zodat de immense veerkracht die ze als persoon in zich draagt, ook tot zijn recht kon komen tijdens dat proces. ◦ Gezien de inspanningen die de school de voorbije schooljaren heeft gele- verd, zowel op vlak van leren leren als op vlak van het psychosociaal func- tioneren, is de school van mening dat er geen grondige wijziging zou zijn in de zorgaanpak indien deze diagnose PTSS eerder aan de school zou zijn gecommuniceerd. ◦ Dr. [B] stelt dat [verzoekster] psychologische, farmacologische en/of psy- chiatrische ondersteuning nodig heeft die buiten de bevoegdheid en moge- lijkheden van de school valt. De beroepscommissie stelt vast dat de ouders samenwerking met het CLB en andere externe hulpverleners na aandringen van de school niet aangegaan zijn tijdens dit schooljaar. Het is het recht van de ouders om dat niet te doen. Tegelijk is de school niet de plek noch zijn personeelsleden opgeleid om een adequaat antwoord te bieden op PTSS, angst- en insomniestoornissen. De beroepscommissie oordeelt dat multidisciplinaire samenwerking een noodzakelijke doch geen voldoende voorwaarde is om [verzoekster] haar potentieel in leerresultaten zichtbaar te maken. Er is aan externe hulpverle- ning verzaakt. ◦ De beroepscommissie stelt vast dat de delibererende klassenraad het vol- ledige dossier van [verzoekster] mee in rekening genomen heeft in de at- testering, het verslag van Dr. [B] en het politioneel verhoor uitgezonderd, daar deze pas 14 dagen na de delibererende klassenraad door de ouders ter beschikking gesteld werden. Toch oordeelt de beroepscommissie dat het bewezen is dat de school getracht heeft op systematische en volgehouden wijze te zoeken naar een aanpak en begeleiding die werkt voor [verzoek- ster], voor haar welbevinden, leerproces en verbondenheid met de klas- groep. De beroepscommissie heeft alle nieuwe elementen, zoals het politi- onele verhoor evenals het psychiatrisch verslag in rekening gebracht, maar bevestigt om de hier opgesomde [redenen] het C-attest. ◦ De beroepscommissie stelt vast dat Dr. [B] tot het volgende advies komt: ‘Een heroverweging van maatregelen die haar verdere schoolloopbaan dis- proportioneel zouden hinderen (bijv. een C-attest).’ Echter de beroepscom- missie oordeelt dat een gemotiveerd uitgereikt C-attest in een situatie waar de keuze slechts óf een A-attest óf een C-attest betreft, geenszins dispro- portioneel is. Een attestering volgt na onderzoek op de deliberatievraag en is objectief van aard.” IX-10.729-13/26 15.3. Dat verzoekster het anders ziet is duidelijk, maar het louter her- halen voor de Raad van State van haar bezwaren toont op zich niet aan dat de be- streden beslissing onzorgvuldig is genomen of feitelijke grondslag mist. 15.4. Bovendien mag eraan worden herinnerd, zoals de Raad al in zo- vele arresten heeft uitgelegd, dat, daargelaten de vraag of het argument over tekort- schietend onderwijsaanbod in feite juist is, het in rechte faalt. Wat ter staving ervan door verzoekster wordt aangewend, kan mogelijk aantonen dat de school mede aansprakelijk is voor het minder gunstig resultaat, maar vermag niet aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Immers, één zaak is of een examinandus bewezen heeft de van haar verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die haar op het examen heeft voor- bereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zulks betekent dat, indien een leerling de school terecht verwijt in de onderwijsorganisatie te zijn tekortge- schoten of geen passende begeleidingsmaatregelen te hebben voorgesteld, dat op zijn hoogst kan betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het min- der gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt. De Raad van State ziet met andere woorden niet dadelijk hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding tijdens het schooljaar ertoe moet leiden het uitein- delijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is geleverd, laat staan dat van de weeromstuit aan de leerling, ook al heeft zij het schooljaar niet met vrucht beëin- digd, ter genoegdoening maar een A-attest verleend moet worden. 16.1. Verzoekster neemt het aan de beroepscommissie kwalijk dat deze nalaat “minder ingrijpende maatregelen” te onderzoeken. 16.2. Een oriënteringsattest A wordt toegekend als de regelmatige leer- ling het eerste leerjaar van de derde graad met vrucht en zonder clausulering heeft beëindigd. Een regelmatige leerling die daarentegen een eerste leerjaar van de derde graad niet met vrucht heeft beëindigd, ontvangt een oriënteringsattest C. IX-10.729-14/26 Zoals verzoekster zelf erkent, kan haar geen B-attest worden toe- gekend. De beroepscommissie heeft zich in de bestreden beslissing uitge- sproken over de keuze tussen een A-attest of een C-attest en heeft – anders dan verzoekster betoogt – uitdrukkelijk onderzocht of uitgestelde proeven of herexa- mens aangewezen zijn. Zij heeft deze opties als volgt op gemotiveerde wijze afge- wezen: “• De beroepscommissie stelt vast dat er tekorten zijn op de jaartotalen van het vijfde jaar Welzijnswetenschappen in campus Lummen betreffende Wiskunde (41,1%), Aardrijkskunde (45,1%), Filosofie (44,6%) en Natuur- wetenschappen (44%). Welzijnswetenschappen kent in het vijfde jaar 3 uur Wiskunde, 3 uur Natuurwetenschappen, 1 uur Aardrijkskunde en 2 uur Fi- losofie. De jaartekorten gaan over vakken die samen 9 uur van het lessen- pakket vertegenwoordigen. De delibererende klassenraad geeft aan dat de leerplandoelen van het 5e jaar Welzijnswetenschappen door [verzoekster] niet voldoende bereikt werden. De tekorten voor Wiskunde en Natuurwetenschappen wijzen erop dat de leerling een structureel tekort heeft aan basiskennis. De aangeboden remediëringen voor de vakken o.a. Wiskunde en Natuurwetenschappen lei- den niet tot een positieve evolutie omdat [verzoekster] het verwerkingsni- veau van deze finaliteit niet aankan. • Gezien de onderwijswetgeving (Algemene Pedagogische Reglementering nr. 3 voor het voltijds secundair onderwijs, 2025, p. 19) niet toelaat in het eerste jaar van de derde graad doorstroomfinaliteit om een B-attest toe te kennen, rest de school enkel de opties een C- of een A-attest aan [verzoek- ster] uit te reiken. • Voor de vier vakken waarvoor [verzoekster] jaaronvoldoendes behaalde, heeft ze voldoende verschillende evaluaties tijdens het dagelijks werk ge- maakt en alle examens afgelegd waardoor een volledig beeld gevormd kan worden en er door de klassenraad geen uitgestelde proeven nodig worden geacht. De beroepscommissie oordeelt daarom dat er, ondanks de afwezig- heden van [verzoekster], toch voldoende cijfers voorhanden zijn voor zo- wel dagelijks werk als examens om alle nodige leerplandoelen grondig te evalueren. Om die reden zijn uitgestelde proeven niet aan de orde. • Specifiek met betrekking tot herexamens geldt er geen verplichting noch een verbod om herexamens te organiseren. Indien de delibererende klas- senraad van mening is dat herexamens voor bepaalde leerlingen nuttig zijn, dan kan zij dit instrument op legitieme wijze inzetten. Dit is hier mede door de duidelijkheid van de tekorten, ernstig en veelvuldig, niet gebeurd. ▪ op basis van de jaartekorten, het harde werk van [verzoekster], de gebrekkige evolutie na remediëring, de tendens in resultaten zichtbaar in de tweede graad en het huidige schooljaar van de derde graad, IX-10.729-15/26 onderschrijft de beroepscommissie dat herexamens geen passend ant- woord zijn op de noden van [verzoekster]. ▪ Bovendien geven verweerders aan dat de hoofdoorzaak van het C- attest de PTSS is die [verzoekster] na het incident in januari opliep. Tussen de attestering en het moment van de beroepscommissie is geen externe hulp geboden aan [verzoekster] om met de symptomen of ge- volgen van PTSS om te gaan. Diezelfde oorzaak zou aldus ook even- tueel toegekende herexamens kleuren. ▪ Verweerders geven aan dat [verzoekster] zich tijdens de zomermaan- den ook niet op herexamens voorbereid heeft en herexamens toekennen naar aanleiding van deze beroepscommissie zou voor verweerders al- dus geen optie zijn. • De beroepscommissie erkent het harde werk, de bijles wiskunde, en de volgehouden inspanning van [verzoekster] om goede leerresultaten te ha- len. De resultaten voor de vier vakken in juni lagen in lijn met de resultaten die [verzoekster] op het einde van het eerste semester behaalde. Toen werd het advies geformuleerd om over te schakelen naar een richting uit de dub- bele finaliteit. Dit advies werd niet gevolgd. In de loop van het tweede se- mester drukte de school nogmaals haar bezorgdheid uit t.a.v. [verzoekster] en haar slaagkansen. Bovendien toont de tendens in de tweede en de derde graad in punten voor dagelijks werk en examens een patroon dat suggereert dat [verzoekster] kleinere hoeveelheden leerstof verwerkt krijgt, maar met de hoeveelheden bij examens, eigen aan doorstroomrichtingen, grote moei- lijkheden kent. De beroepscommissie volgt daarom de eerdere adviezen (einde schooljaar 2022-2023 en einde 1e semester 2024-2025) van de deli- bererende klassenraad om [verzoekster] naar de dubbele finaliteit (D/A) binnen haar interesseveld te oriënteren. Doorheen de studieloopbaan van [verzoekster] werd meermaals duidelijk dat haar profiel onvoldoende aan- sloot en nog steeds aansluit bij een richting in de doorstroomfinaliteit. • De beroepscommissie heeft op basis van de duidelijke tekorten te weinig vertrouwen dat [verzoekster] het zesde jaar Welzijnswetenschappen met vrucht zou voltooien, gezien ze de leerplandoelen van het vijfde jaar onvol- doende verworven heeft. De vakken waarvoor [verzoekster] een jaaronvol- doende behaalde komen ook aan bod in het 6de jaar Welzijnswetenschap- pen. De problemen die nu voorkomen in het vijfde jaar zullen in grotere mate voorkomen in het zesde jaar. Het scenario waarin [verzoekster] vlot een A-attest zou behalen in het zesde jaar Welzijnswetenschappen, acht de beroepscommissie zeer onwaarschijnlijk. Een scenario echter waarbij in een zesde jaar opnieuw een C-attest uitgereikt zou worden, is veel erger en moet voorkomen worden. • Bovendien heeft [verzoekster] tijdens vorige schooljaren voor dezelfde vakken reeds waarschuwingen gekregen, ook al kon ze met een A- of B- attest doorstromen. De beroepscommissie leest daarin het menselijke groei- gerichte geloof van de school in [verzoekster]. De school toont op die manier dat ze gelooft in een tweede kans. Doch bij het herhaaldelijk negeren van studieadvies, met dezelfde resultaten als ge- volg, acht de beroepscommissie het correct een C-attest uit te spreken.” IX-10.729-16/26 16.3. Verzoekster ziet het anders, maar zij bespreekt deze motivering niet en zij weerlegt vooralsnog niet dat deze motieven feitelijk correct zijn en in rechte de conclusie van een C-attest dragen. Zij betwist meer bepaald niet, zo lijkt, dat haar jaartekorten op een deugdelijke wijze zijn vastgesteld en een correcte weergave vormen van haar kennis ten tijde van de evaluatiemomenten. Zij levert geen wettigheidskritiek op de motieven die leiden tot de afwijzing van uitgestelde proeven of herexamens. Er valt op het eerste gezicht ook niet in te zien welke andere “minder ingrijpende” maatregelen of “gerichte remediëring” dan uitgestelde proe- ven of herexamens op het ogenblik van het onderzoek van het beroep door de be- roepscommissie onderzocht moesten zijn en verzoekster noemt ze ook niet. Verzoekster lijkt geen A-attest te vragen. Als haar betoog toch aldus is te begrijpen, waarbij zij dan “maatregelen” verwacht op het vlak van bij- komende remediëring en ondersteuning in het tweede jaar van de derde graad Wel- zijnswetenschappen, lijkt zij niet te weerleggen dat zij niet in voldoende mate de leerplandoelstellingen voor het afgelopen studiejaar heeft behaald en aldus haar jaar niet met vrucht heeft beëindigd, wat een afdoende motief lijkt voor het toege- kende attest. 17. Wat dan nog de referentie aan vroegere adviezen betreft, lijkt verzoekster de beslissing verkeerd te lezen. Die vroegere adviezen lijken immers geen dragend motief voor de beslissing, maar ondersteunen de beroepscommissie veeleer in haar appreciatie dat verzoekster geen slaagkansen heeft in het volgende studiejaar en geen baat heeft bij uitgestelde proeven of herexamens. 18. Het middel is niet ernstig. IX-10.729-17/26 C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 19. Het tweede middel is geput uit de schending “van het proportio- naliteitsbeginsel en van het recht op onderwijs (art. 24 Gw.; art. 2, Eerste Protocol EVRM; art. 28 & 3 IVRK)”. Verzoekster betoogt wat volgt: “Het C-attest is het meest schadelijke ingrijpen in het leerrecht. Waar rich- tingwissel tussen 5e en 6e jaar niet toegelaten is en [verzoekster] wil en moet blijven in haar richting, moet de school binnen dezelfde richting zoe- ken naar minder ingrijpende alternatieven: remediëring, uitgestelde/inhaal- proeven, aangepaste evaluatievormen, en redelijke aanpassingen wegens PTSS. De beroepscommissie overweegt die alternatieven niet serieus en reduceert de afweging tot louter puntenlijsten. 1. Juridisch uitgangspunt: geen richtingwissel 5e→6e ✓ De regelgeving van het Vlaams secundair onderwijs beoogt con- tinuïteit in de derde graad: leerlingen zetten in principe hun studie- richting voort in het 6e jaar. Een B-attest zou in casu geen remedie zijn, omdat een B-attest enkel beperkt toelaat tot bepaalde andere richtingen, terwijl wissel tussen 5e en 6e niet is toegestaan; [ver- zoekster] wil bovendien blijven in haar richting. De beroepscom- missie misbruikt de verwijzing naar D/A als schijnafleiding: dit kan geen alternatief zijn en hoeft ook niet: het recht op onderwijs ver- plicht tot aanpassingen binnen de gevolgde richting wanneer dat re- delijk en proportioneel is. ✓ Door een ‘onhaalbaar’ alternatief (D/A) als referentie te nemen, verkeert de commissie de proportionaliteitstoets. 2. Redelijke, minder ingrijpende maatregelen bestaan en zijn aangewezen ✓ PTSS (met angst/insomnie) na gedocumenteerde incidenten op school vereist (
  4. a)aangepaste evaluatie (bv. spreiding, rust- en her- stelmomenten, alternatieve toetsvormen), (
  5. b)inhaalmomenten voor gemiste prestaties die aan die incidenten gelieerd zijn, (
  6. c)multidis- ciplinaire begeleiding via CLB, en (
  7. d)pedagogische differentiatie gericht op drempels in exacte vakken. ✓ De commissie stelt dat herexamens niet verplicht zijn. Dat is op zichzelf correct, maar irrelevant voor de proportionaliteit: het gaat niet om verplichting, wel om plicht tot redelijke maatwerk-oplos- singen vóór men het zwaarste middel inzet. In deze uitzonderlijke context (PTSS, bewezen toxisch klimaat) zijn uitgestelde/inhaal- proeven en flexibele evaluatie wel de redelijk te vergen optie. IX-10.729-18/26 3. Recht op onderwijs vergt doeltreffende toegang en effectieve scholings- kansen ✓ Het recht op onderwijs is niet louter het mogen inschrijven; het vergt ook een effectief kunnen deelnemen. Waar de schoolcontext aantoonbaar belemmerend is gemaakt door racisme en pesterijen, is het onredelijk en disproportioneel om de leerling te laten betalen, middels een C-attest, voor tekorten die mede door de context zijn veroorzaakt. Dit is ons inziens het hervictimiseren van een slacht- offer.” Beoordeling 20. Op dit middel, inzonderheid wat de “minder ingrijpende maatre- gelen” betreft, is al geantwoord bij de beoordeling van het eerste middel, aangezien verzoekster grotendeels herhaalt wat zij daar heeft geschreven, maar nu gekoppeld aan het evenredigheidsbeginsel en het recht op onderwijs. De Raad bedenkt daarbij nog dat verzoekster op het eerste gezicht niet aantoont dat het recht op onderwijs inhoudt dat een leerling steeds een A-attest moet krijgen. Gelet op de niet weer- legde studieresultaten, lijkt een C-attest verantwoord en bijgevolg proportioneel. Verzoekster overtuigt niet van het tegendeel. 21. Wat nog de gevraagde inhaalmomenten “voor gemiste presta- ties”, “alternatieve toetsvormen” na “gedocumenteerde incidenten” en begeleiding door het CLB of andere “maatwerk-oplossingen” betreft, lijkt verzoekster van de beroepscommissie te verwachten dat zij haar met een teletijdmachine terugplaatst naar een vroeger ogenblik van het afgelopen schooljaar, om haar dan die gevraagde remediëring te bieden. Dat ligt buiten de mogelijkheden van de beroepscommissie. Wat wél in haar mogelijkheden ligt – uitgestelde proeven of herexamens toe- staan – is door de beroepscommissie onderzocht en op gemotiveerde wijze afge- wezen. Die motieven bespreekt verzoekster niet. 22. Het middel is niet ernstig. IX-10.729-19/26 D. Derde middel Uiteenzetting van het middel 23. In het derde middel voert verzoekster een schending aan “van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel (art. 10-11 Gw.; art. 14 EVRM; GOK- decreet; gelijkebehandelingsbeginselen)”. Verzoekster betoogt: “De stukkenbundel illustreert structureel racisme en pesterijen (verbaal en fysiek), met beeld- en schriftbewijs, een officiële politiemelding en een me- disch verslag dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. De school heeft het klimaat niet tijdig en doeltreffend hersteld. De beroepscommissie erkent wel incidenten, maar minimaliseert hun impact en ontneemt [verzoekster] de gelijke kansen op slagen door haar prestaties te beoordelen zonder cor- rigerende maatregelen. 1. Feitelijke grondslag ✓ De bundel bevat: (
  8. i)verklaringen bij de politie van racistische taal en Hitlergroeten; (
  9. ii)beelden van de agressie; (iii) berichten die onvoldoende escalatie en reactie van de school aantonen. ✓ De commissie volstaat met algemeenheden (‘preventieve en curatieve maatregelen’, ‘tijd-out’), maar maakt niet aannemelijk dat deze tijdig, in- tensief en effectief waren, laat staan gepersonaliseerd op de noden van [ver- zoekster]. 2. Juridische maatstaf ✓ Gelijke behandeling vergt billijke compensatie wanneer een leerprestatie aantoonbaar is beïnvloed door discriminatie of onveilig klimaat; althans moet de evaluator zichtbaar wegen hoe die omstandigheden resultaten ne- gatief hebben gekleurd. ✓ Door de context weg te definiëren tot ‘geen politiedossier’, miskent de beslissing het bewijsrecht (vrije bewijsleer) en het zorgvermoeden dat bij minderjarigen geldt in onderwijscontext (best interest of the child, art. 3 IVRK). 3. Gevolg op de beoordeling ✓ Evalueren zonder correctie voor de bewezen context is indirect discrimi- nerend: de leerling uit de gediscrimineerde groep wordt zwaarder getroffen door dezelfde evaluatie-horde. Niet het cijfer op zich, maar de ongewogen impact van het klimaat maakt de uitkomst onbillijk en onrechtmatig. Gevolg: Schending van de gelijkheid en non-discriminatie.” IX-10.729-20/26 Beoordeling 24. Voor zover verzoekster de school verwijt geen “corrigerende maatregelen” genomen te hebben, lijkt het middel om de sub 15.4 gegeven redenen onontvankelijk bij gebrek aan belang: ook als verzoekster het bij het rechte eind heeft dat na het grensoverschrijdend gedrag – dat de verwerende partij erkent – niet in de nodige begeleiding is voorzien – hetgeen de verwerende partij betwist – wijst dit mogelijk op de (mede)verantwoordelijkheid van de school maar maakt zulks de behaalde punten niet beter dan wat ze zijn. 25. Leerlingenevaluatie strekt ertoe om na te gaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, heeft bereikt. Principiële maatstaf is dan ook de vraag of een leerling de leerplandoelstellingen heeft bereikt. In zoverre verzoekster meent aanspraak te kunnen maken op een andere “evaluatie-horde”, lijkt het middel te falen naar recht. 26.1. Volgens verzoekster is er evenwel ook een weerslag van de pes- terijen en het racisme “op de beoordeling”. Zij werd “zwaarder getroffen” door de “ongewogen impact van het klimaat”. 26.2. Voor zover verzoekster met dit betoog de representativiteit van door haar behaalde resultaten in vraag poogt te stellen, volstaan minstens in de huidige stand van de rechtspleging deze zeer algemene beschouwingen geenszins. Zij preciseert niet over welke precieze resultaten het gaat, noch levert zij zelfs maar een begin van bewijs dat het verband aantoont tussen de pesterijen en haar resulta- ten, wat dan mogelijk reden kan zijn om haar bijkomende proeven op te leggen. Hiervóór is al opgemerkt dat verzoekster de motivering van de beroepscommissie om dergelijke proeven af te wijzen, niet weerlegt. Daarbij komt dat de beroeps- commissie in de bestreden beslissing uitdrukkelijk overweegt “dat de leerresultaten voor en na het voornoemende incident gelijklopend zijn”. Verzoekster spreekt dit niet tegen. De beroepscommissie “kan niet oordelen over een causaal verband tus- sen de gebeurtenissen en de leerresultaten maar stelt vast dat er in deze IX-10.729-21/26 onvoldoende aantoonbaar bewijs is dat zowel het incident als de begeleiding van de school nadien causaal is aan het verkrijgen van een C·attest”. Verzoekster weer- legt die stellingname niet, louter door ze tegen te spreken. 27. Een schending van het gelijkheidsbeginsel is niet aangetoond. Voor zover verzoekster met de referentie aan het “GOK-decreet” en de “gelijkebehandelingsbeginselen” nog ándere regels of beginselen voor ogen staan, verduidelijkt zij daaromtrent niets en lijkt het middel niet ontvankelijk. Ook de referentie in de toelichting bij het middel aan “het bewijsrecht” en aan het “zorg- vermoeden dat bij minderjarigen geldt” – nog daargelaten de vaststelling dat ver- zoekster meerderjarig is – wordt niet uitgewerkt. 28. Het middel is niet ernstig. E. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 29. Het vierde middel luidt “Detournement de pouvoir en misken- ning van het doelbindingsbeginsel”. Verzoekster betoogt dat de beslissing het C-attest gebruikt “als instrument om [verzoekster], tegen regelgeving en tegen haar wil, weg te duwen uit de doorstroomrichting richting D/A, terwijl een wissel 5e→6e niet is toegela- ten”. Dit is een doelafwijking: men viseert niet een objectieve beoordeling binnen de gevolgde richting, maar het afdwingen van een overstap. De beslissing verwijst meermaals naar “advies niet gevolgd” (overstappen naar D/A). Dat “advies” kan nimmer de juridische toetssteen zijn voor het toekennen van een C-attest binnen dezelfde richting, zeker wanneer een richtingwissel in dit stadium niet (of hoog- stens uitzonderlijk) mogelijk is. De uitkomst (C-attest) fungeert hier als sanctie IX-10.729-22/26 voor het niet-volgen van een niet-legaal alternatief. Dat is misbruik van bevoegd- heid. Beoordeling 30. Aan de Raad is geen “doelbindingsbeginsel” bekend als alge- meen beginsel van behoorlijk bestuur. De Raad neemt aan dat verzoekster niet het doelbindingsbeginsel uit de algemene verordening gegevensbescherming voor ogen staat, aangezien die vreemd is aan de voorliggende beslissing. 31. Verzoekster vergist zich over de draagwijdte van het C-attest: mits zij haar jaar overzit – al dan niet met een geïndividualiseerd leertraject – kan zij de gewenste studierichting blijven volgen. Wisselen of niet is haar vrije keuze. Het attest laat haar wel een studiejaar verliezen, maar noodzaakt niet de gekozen richting te verlaten. Weliswaar is dat laatste de strekking van een advies van de klassenraad – bijgevallen door de beroepscommissie – maar dat advies is niet bin- dend. 32. Hiervóór is al erop gewezen dat verzoekster de referentie aan de vroegere adviezen verkeerd leest en dat die adviezen geen dragend motief zijn voor de attestering. Het is hier niet anders. 33. De beslissing steunt, zo lijkt, op de behaalde studieresultaten. Dat de beroepscommissie verzoekster heeft willen straffen voor het negeren van de vroegere adviezen, is niet méér dan een blote bewering. Verzoekster maakt op het eerste gezicht evenmin aannemelijk dat de bestreden beslissing, gesteund op die motieven, een ander oogmerk inhoudt dat vreemd is aan leerlingenevaluatie. 34. Het middel is niet ernstig. IX-10.729-23/26 F. Negende middel Uiteenzetting van het middel 35. Het negende middel luidt “Kennelijke onredelijkheid in de eind- afweging”. Verzoekster betoogt: “Zelfs als men (ten onrechte) elk afzonderlijk bezwaar minder zwaar zou achten, blijft de eindconclusie, een C-attest binnen een context waarin rich- tingwissel juridisch niet voorligt en waarin redelijke aanpassingen niet ern- stig zijn onderzocht, kennelijk onredelijk. De evidente minder ingrijpende oplossing is: blijven in dezelfde richting plus een maatwerktraject (herstel, evaluatie-aanpassingen, inhaalproeven, structurele bescherming tegen ra- cisme/pesten). Dat pad is niet bewandeld.” Beoordeling 36. Aangezien het aan de Raad van State niet toevalt ambtshalve te beoordelen of de beroepscommissie onredelijk heeft gehandeld, toetst hij de vraag of de bestreden beslissing tekortkomt aan de eis van redelijkheid enkel aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten, die volgens haar doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel miskent. Op verzoekster rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door haar aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de beroepscom- missie. Aan enige bewijsvoering komt verzoekster evenwel niet toe: zij bepaalt zich ertoe de bestreden beslissing kennelijk onredelijk te noemen. Zij over- tuigt bijgevolg niet dat die beslissing dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt, dat geen andere naar kennis en kunde redelijk bekwame en naar feitelijk optreden redelijk handelende beroepscommissie in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. IX-10.729-24/26 37. Niets verhindert verzoekster overigens om haar jaar te dubbelen (“blijven in dezelfde richting”) en de verwerende partij om een “maatwerktraject” te verzoeken: een geïndividualiseerd leertraject, of de door verzoekster zelf opge- somde aanpassingen. Zoals hiervóór al is opgemerkt, is de tijd niet blijven stilstaan en vermag de beroepscommissie niet die aanpassingen retroactief te realiseren voor het schooljaar dat voorbij is. 38. Het middel is niet ernstig. G. Besluit 39. Bij gebrek aan een ernstig middel moeten de vorderingen worden afgewezen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vorderingen. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.729-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.729-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.137 Gerelateerde publicatie(
  10. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.