← België

Arrest 264138 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/09/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.138 Rolnummer: A. 244805/IX-10660 Zaak: Arrest 264138 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-22 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-15 05:43 Fiche Arrest nr 264.138 van 11 september 2025 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.138 van 11 september 2025 in de zaak A. 244.805 /IX-10.660 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lies Michielsen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Van Ruusbroecstraat 76-78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:

  1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de min- ster van Defensie
  2. de CENTRALE DIENST VOOR SOCIALE EN CULTU- RELE ACTIE VAN HET MINISTERIE VAN LANDSVERDE- DIGING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 7 mei 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de minister van Defensie van 5 maart 2025, waarbij verzoeker wegens beroepsongeschiktheid wordt ontslagen. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 15 mei 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10.660-1/21 De verwerende partijen hebben een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opge- steld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
  5. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Mieke Van den Broeck, die loco advocaat Lies Mi- chielsen verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laurent Generet, die loco advocaat Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn ge- hoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoeker wordt aangenomen als stagiair-administratief deskun- dige bij de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het ministerie van Landsverdediging (CDSCA). Zijn stage als directiesecretaris start op 1 januari 2023 en loopt in beginsel tot 31 december
  8. IX-10.660-2/21 Na conflicten met zijn overste start verzoeker vanaf 13 maart 2023 in een andere functie, namelijk als dossierbeheerder bij de aankoopdienst van de CDSCA. 3.
  9. Er volgt een functiegesprek en een planningsgesprek voor de dienst “DC-L/Aankoop”, waarvan de door verzoeker ondertekende verslagen 2 ja- nuari 2023 en nogmaals 13 maart 2023 zijn gedateerd. Latere stagefunctioneringsgesprekken vinden plaats op 29 juni 2023, op 31 augustus 2023 (met als beoordeling ‘onvoldoende’) en op 9 november
  10. Het laatste functioneringsgesprek, door verzoeker onder voorbehoud onder- tekend, wordt eveneens afgesloten met een ‘onvoldoende’. Het dossier wordt toegezonden aan de stagecommissie. Het “evaluatiecyclusgesprek-balans”, afgesloten met een onvol- doende, vindt plaats op 25 januari
  11. Verzoeker ondertekent dit onder voorbe- houd. Op 20 februari 2024 wordt verzoeker gehoord door de evaluatie- commissie inzake het verzoek van de administratie tot ontslag wegens beroepson- geschiktheid. De evaluatiecommissie beslist met unanimiteit om de stage van ver- zoeker te verlengen met vier maanden (in principe van 20 februari 2024 tot 20 juni 2024). 3.
  12. Verzoeker is in die periode echter afwezig wegens ziekte. Hij vat de verlenging van zijn stage vervolgens aan op 20 mei 2024 op basis van een half- tijds werkregime. Dat loopt tot 21 september
  13. Vanaf 22 september 2024 werkt hij aan 80%. Op 26 juni 2024 vindt opnieuw een stagefunctioneringsgesprek plaats, afgesloten met een ‘onvoldoende’. IX-10.660-3/21 Een tweede functioneringsgesprek vindt plaats op 6 augustus 2024; verzoekers functioneren wordt opnieuw als ‘onvoldoende’ beoordeeld. Het derde en laatste functioneringsgesprek dateert van 10 okto- ber 2024 en wordt afgesloten met ‘onvoldoende’. 3.
  14. Op 20 december 2024 stelt de evaluatiecommissie voor, met unanimiteit, om verzoeker te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid. De administrateur-generaal besluit op 15 januari 2025 om het advies van de evaluatiecommissie te volgen en verzoeker te ontslaan wegens be- roepsongeschiktheid. Het beheerscomité verleent op 6 februari 2025 een gunstig ad- vies. 3.
  15. Bij ministerieel besluit van 5 maart 2025 wordt verzoeker ont- slagen wegens beroepsongeschiktheid, met een opzeggingstermijn van drie maan- den. Dat is het bestreden besluit. IV. Aanwijzing van de verwerende partij
  16. In het kader van de voorafgaande maatregelen heeft het audito- raat zowel de CDSCA als de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Defensie, als verwerende partij aangewezen.
  17. De CDSCA is een bij artikel 1 van de wet van 10 april 1973 ‘houdende oprichting van een Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging’ opgerichte publiekrechtelijke rechtspersoon die onder de controle van de minister van Landsverdediging (thans: de minister van Defensie) staat. Het betreft een instelling van openbaar nut van categorie B, IX-10.660-4/21 onderworpen aan de wet van 16 maart 1954 ‘betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut’.
  18. Het bestreden besluit is genomen door de minister van Defensie, optredend, op grond van artikel 11 van de voormelde wet van 10 april 1973, als orgaan van de CDSCA. De Belgische Staat dient buiten de zaak te worden gesteld. V. Schorsingsvoorwaarden
  19. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet- ten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een be- handeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima fa- cie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid
  20. De verwerende partij verklaart zich voor de aangevoerde spoed- eisendheid te gedragen naar de wijsheid van de Raad.
  21. De concreet onderbouwde uiteenzetting van verzoekers financi- ele situatie, inzonderheid met betrekking tot zijn gezinssamenstelling en de kosten voor de universitaire studies van zijn kinderen, en het voorgelegde afbetalingsplan met de FOD Financiën, overtuigen de Raad ervan dat van verzoeker niet mag wor- den verwacht dat hij de afloop van de annulatieprocedure moet afwachten. De Raad acht het wijs de voorwaarde van spoedeisendheid vervuld te achten. IX-10.660-5/21 VII. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  22. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar artikel 51 van het koninklijk besluit van 28 januari 2022 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’. Verzoeker voert aan dat een koninklijk besluit van die datum met dat opschrift niet bestaat, zodat de aangevochten beslissing niet de correcte juridi- sche basis vermeldt die eraan ten grondslag ligt. Hierdoor is de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen’ ge- schonden. Beoordeling
  23. De belangrijkste bestaansreden van de aangevoerde formelemo- tiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, der- wijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoor- deeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen ko- men, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aan- gewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
  24. Uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat verzoeker zeer goed weet dat de bestreden beslissing steunt op het koninklijk besluit van 14 januari 2022 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’. Artikel 51, vermeld in de bestreden beslissing, verwijst onder meer naar het ontslag we- gens beroepsongeschiktheid (eerste lid), door de leidend ambtenaar uitgesproken op voorstel van de evaluatiecommissie (laatste lid). In de bestreden beslissing wordt het ‘ontslag wegens beroepsongeschiktheid’ overigens uitdrukkelijk IX-10.660-6/21 vermeld. Verzoeker heeft dat koninklijk besluit correct kunnen identificeren en zijn rechtmatigheidsbezwaren in het tweede middel kunnen concretiseren. Verzoeker lijkt dan ook, ten gevolge van deze al bij al beperkte fout in de vermelde datum, niet geschaad te zijn in zijn belangen. Het doel van de formelemotiveringsplicht is prima facie, wat de juridische grondslag van de bestreden beslissing betreft, bereikt. Verzoeker heeft bijgevolg geen belang bij dit eerste middel.
  25. Het middel lijkt onontvankelijk en is dus niet ernstig. B. Tweede middel Het aangevoerde middel
  26. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het motiveringsbeginsel alsook het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, op zichzelf genomen en/of in combinatie met artikel 10, artikel 42, artikel 43 § 1 en/of artikel 44 van het ko- ninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal open- baar ambt” (“evaluatiebesluit”). Verzoeker zet zijn kritiek uiteen in zeven grieven, die hierna als afzonderlijke middelonderdelen worden begrepen en beoordeeld:
  27. “Gebrek aan een tijdig stageplanningsgesprek”
  28. “De vacature vermelde expliciet: geen ervaring vereist”
  29. “Het hoge aantal doelstellingen overschrijdt het maximumaantal”
  30. “De prestaties van verzoeker werden onterecht vergeleken met dat van andere (meer ervaren) collega’s (die voltijds werken)”
  31. “De functioneringsgesprekken werden niet evenwichtig gespreid over de evalu- atieperiode”
  32. “Er kan niet dienstig verwezen worden naar de aanbeveling van Empreva” IX-10.660-7/21
  33. “De aanhangigmaking bij de evaluatiecommissie was prematuur” Uiteenzetting van het eerste middelonderdeel
  34. Verzoeker betoogt in het eerste middelonderdeel dat hij zijn stage begon op 1 januari 2023 en dat er geen stageplanningsgesprek plaatsvond in de maand na het begin van de stage als directiesecretaris. Dit is in strijd met artikel 42 van het evaluatiebesluit, dat bepaalt dat het stageplanningsgesprek plaatsvindt “in de maand na het begin van de stage”, met de materiëlemotiveringsplicht en met het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Beoordeling van het eerste middelonderdeel
  35. Verzoeker maakt duidelijk waarin hij de schending van artikel 42 van het evaluatiebesluit gelegen ziet. Hij verzuimt op het eerste gezicht evenwel concreet toe te lichten hoe de bestreden beslissing ook de aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur miskennen. In zoverre lijkt het middel niet ontvankelijk.
  36. Op het eerste gezicht lijkt verzoeker geen belang te hebben bij de grief dat er geen tijdig stageplanningsgesprek plaatsvond na zijn aanwerving als directiesecretaris. Zo een stageplanningsgesprek kan op dat ogenblik uiteraard en- kel betrekking hebben op zijn toen begonnen stage als directiesecretaris. Zoals uit het feitenrelaas blijkt, heeft verzoeker na een tweetal maanden zijn stage evenwel voortgezet in de nieuwe functie van dossierbeheerder bij de aankoopdienst, een functie die geen verband lijkt te vertonen met de vacature voor directiesecretaris waarop hij had gereageerd en waarvoor hij werd aangenomen. Verzoeker betoogt dat hij zich gedwongen voelde om een andere functie aan te vragen. Toch blijkt niet dat hij zich gekant zou hebben tegen een overgang naar de functie van dossierbeheerder bij de aankoopdienst. Er is veeleer IX-10.660-8/21 sprake van een “gemeenschappelijk akkoord”, minstens blijkt nergens enig verzet en nog minder voert verzoeker aan dat die dienstwijziging onregelmatig is. Welnu, de beide voorstellen van de evaluatiecommissie behelzen enkel de beoordeling van verzoekers functioneren als dossierbeheerder op de aan- koopdienst, hetgeen alleen al blijkt uit de vermelde data van de functionerings- en planningsgesprekken, te beginnen met 13 maart
  37. Zijn ontslag wegens be- roepsongeschiktheid houdt dus enkel daarmee verband. De adviezen, waarop de bestreden beslissing steunt, steunen prima facie eveneens enkel op verzoekers functioneren als dossierbeheerder. Een mogelijke schending van artikel 42 van het evaluatiebesluit omdat er geen tijdig planningsgesprek werd gehouden toen hij nog als directiesecretaris werkte, kan op het eerste gezicht geen afbreuk doen aan de bestreden beslissing. In zoverre lijkt het middelonderdeel onontvankelijk, bij gebrek aan belang.
  38. Voor zover verzoeker wil laten gelden dat de bestreden beslis- sing moet worden vernietigd omdat het planningsgesprek als dossierbeheerder niet in januari 2023 werd gehouden, kan worden opgemerkt dat verzoeker evenmin aantoont welk belang hij hierbij heeft: hij vatte de functie pas aan in maart 2023 en toen vond eveneens een planningsgesprek plaats. Dat één versie van het verslag van het planningsgesprek – hetgeen hij overigens zelf heeft medeondertekend – volgens verzoeker antidateert op 2 januari 2023 heeft verzoeker in het licht van de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet benadeeld. Verzoeker toont alvast het tegendeel niet aan.
  39. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. IX-10.660-9/21 Uiteenzetting van het tweede middelonderdeel
  40. Verzoeker wijst erop dat voor de functie van directiesecretaris geen ervaring was vereist. Hij is de stage gestart zonder dat in enige opleiding werd voorzien. Karige mondelinge aanwijzingen van collega’s kunnen bezwaarlijk een opleiding heten. De bestreden beslissing steunt dan ook ten onrechte op een voor- stel van ontslag dat refereert aan “intense opvolging en begeleiding” van verzoeker. Verzoeker heeft geen enkele formele opleiding kunnen volgen. Beoordeling van het tweede middelonderdeel
  41. Wat de periode betreft waarin verzoeker stage liep als directie- secretaris, lijkt hij geen belang te hebben bij zijn tweede grief om dezelfde redenen als hiervóór vermeld: de beslissing steunt enkel op zijn navolgende functioneren als dossierbeheerder, de bestreden beslissing en de voorafgaande adviezen en be- sluiten nemen zijn functioneren in de functie van directiesecretaris niet in overwe- ging.
  42. Voor zover het de stage als dossierbeheerder betreft, weerspreekt de verwerende partij verzoekers stelling dat hij geen opleiding of begeleiding kreeg. Maar zelfs indien verzoeker hierin wordt bijgevallen, doet hij in het middel- onderdeel nergens begrijpen waarom een gebrek aan opleiding de bestreden beslis- sing onwettig maakt – meer bepaald waarom op grond van de in het middel aange- voerde regels en beginselen een beroepsongeschiktheid niet mag worden vastge- steld zonder de betrokkene eerst passende opleiding te hebben aangeboden. Ten overvloede dan ook, bedenkt de Raad dat verzoeker een “formele opleiding” verwart met ‘opvolging en begeleiding’ en valt de Raad de volgende vaststellingen bij die in het auditoraatsverslag zijn te lezen: “Hierbij wordt opgemerkt dat uit het voorstel blijkt dat de evaluatiecom- missie haar motief inzake ‘intense opvolging en begeleiding’ baseert op de stukken van het dossier (i.h.b. ondersteuning door collega’s). Verwerende partij verwijst in de nota naar de stukken onder het onderdeel B: er werd IX-10.660-10/21 blijkbaar voorzien in bijstand van zijn collega Erik D. S. op de aankoop- dienst, die dezelfde functie had als verzoeker en die zou worden opgevolgd door verzoeker na diens pensionering. In concreto getuigen hiervan een aantal e-mails met opmerkingen in de loop van september-oktober-novem- ber
  43. Ook in stuk A 13 adm. dossier is er sprake van een wekelijks overleg. Voor verzoeker werd ook beroep gedaan op Empreva en op Lu- men, om zijn psycho-sociale situatie te verbeteren (verzoeker leed aan ern- stige werkgerelateerde stress). In het derde stagefunctioneringsgesprek op 10/10/2024 merkt de evaluator op: ‘(…) hoewel [verzoeker] al sinds 21 mei 2024 intensieve ondersteuning heeft gekregen die vervolgens op hem is af- gestemd om hem vooruit te helpen. [Verzoeker] heeft constante steun ge- kregen van Erik, die er altijd voor hem is geweest. Geen enkele andere me- dewerker heeft zo’n ondersteuning op maat gekregen. (…)’. Verzoeker heeft hier geen opmerkingen bij gemaakt en weerlegt dit ook niet in het verzoekschrift. De ‘intense opvolging en begeleiding’ verwijst prima facie in het bijzonder naar de bijstand en hulp van collega’s om verzoeker wegwijs te maken in de taken van een dossierbeheerder. Dit gebeurde op de werkvloer zelf, zoals blijkt uit de stukken. Dat er sprake was van een begeleiding en opvolging door collega’s en andere wordt prima facie niet weerlegd door verzoekers opmerking dat de handleiding van app’s ontbrak en dat hij geen opleiding kreeg wat betreft het aanbestedingsprogramma. Verzoeker lijkt ook aan te geven dat de opleiding door collega Erik gebrekkig zou geweest zijn aan- gezien die enkel een niveau C had, maar dit is een niet onderbouwde bewe- ring die eraan voorbijgaat dat de betrokken collega precies al jaren de func- tie uitoefende waarin verzoeker stage deed.”
  44. Het middelonderdeel lijkt onontvankelijk en is dus niet ernstig. Uiteenzetting van het derde middelonderdeel
  45. In het derde middelonderdeel wijst verzoeker op de aanbeveling, te lezen in de aanhef van het evaluatiebesluit, dat het aantal doelstellingen te be- perken is tot ten hoogste tien per evaluatiecyclus. Verzoeker bekritiseert dat bij het eerste functioneringsgesprek op de aankoopdienst het aantal doelstellingen werd verhoogd van zes naar elf, terwijl de termijn om ze te verwezenlijken werd inge- kort. Dit schendt volgens verzoeker de materiëlemotiveringsplicht en het redelijk- heids- en zorgvuldigheidsbeginsel. IX-10.660-11/21 Beoordeling van het derde middelonderdeel
  46. Verzoeker wijst geen specifieke rechtsregel aan die een plafond oplegt wat het aantal doelstellingen betreft dat een stagiair moet behalen. Uit artikel 43, § 1, van het evaluatiebesluit blijkt overigens dat de doelstellingen die tijdens het planningsgesprek of tijdens een vorig functioneringsgesprek zijn vastgelegd, aangepast of aangevuld mogen worden tijdens elk verplicht functioneringsgesprek. Andermaal noemt verzoeker voorts enkele algemene beginselen van behoorlijk be- stuur geschonden, zonder concreet toe te lichten hoe de bestreden beslissing die beginselen miskent: hoe strijdt een aanpassing van de doelstellingen met de mate- riëlemotiveringsplicht?; waarom is zo een aanpassing onredelijk?; waarom is die aanpassing onzorgvuldig? – verzoeker laat na hierop enig licht te werpen.
  47. Ten overvloede mag nog worden opgemerkt dat de doelstellin- gen blijkens de stukken van het dossier werden “bijgeschaafd”, “herzien en gede- tailleerd met duidelijker indicatoren” om verzoeker “toe te laten deze te kunnen bereiken”. Verzoeker bestrijdt dit niet, zodat voorshands aangenomen mag worden dat de aanpassingen gebeurden in het voordeel van verzoeker. Verzoeker toont op geen enkele wijze aan dat de te behalen doelstellingen onredelijk waren in functie van de gezochte competenties op dat ogenblik van zijn loopbaan en dat ze onrede- lijk waren voor een stagiair om eraan te voldoen.
  48. Het middelonderdeel is niet ernstig. Uiteenzetting van het vierde middelonderdeel
  49. Volgens verzoeker werd de kwantiteit en kwaliteit van zijn werk steeds vergeleken met dat van zijn collega’s. De verwerende partij hield zodoende geen, minstens geen afdoende, rekening met het feit dat hij gerekruteerd werd op basis van een vacature die geen ervaring vereiste en hield geen rekening met de ervaring van de collega in vergelijking met verzoeker, noch met het feit dat ver- zoeker lange tijd slechts deeltijds kon worden tewerkgesteld. Uiteraard kunnen IX-10.660-12/21 meer ervaren personen die voltijds werken meer werk verzetten dan minder ervaren personen die deeltijds tewerkgesteld zijn. Het bestreden besluit schendt de materi- elemotiveringsplicht alsook het redelijkheids- en zorgvuldigheidbeginsel. Beoordeling van het vierde middelonderdeel
  50. Zoals de verwerende partij in haar nota opwerpt, “poneert” ver- zoeker zijn kritiek “op zeer algemene wijze, zonder naar concrete stukken of pas- sages te verwijzen”.
  51. Het advies van de evaluatiecommissie laat begrijpen, zo lijkt, dat verzoeker niet geschikt wordt geacht voor de job omdat “de basiscompetenties van informatie analyseren, problemen oplossen, logisch denken, zelfstandig werken en een kritische ingesteldheid ontbreken”. De commissie stelt dus het ontbreken van (op de job afgestemde) basiscompetenties vast, waarover redelijkerwijze elke werknemer (al dan niet op proef) moet beschikken om een bepaalde functie te kun- nen uitoefenen. Tijdens de stage worden precies die competenties gemeten en wordt beoordeeld of de betrokkene over de vereiste vaardigheden beschikt om de job op bekwame wijze uit te oefenen. In de verslagen van functioneringsgesprek- ken werd opgemerkt dat verzoekers huidige vaardigheden niet overeenstemmen met wat het betrokken profiel niveau B vereist. Dit staat op het eerste gezicht los van het al dan niet ervaren zijn in de job of het bezit van ervaring als aanwervings- voorwaarde. Voorts citeert de verwerende partij in haar nota uit de verslagen van de functioneringsgesprekken, die op het eerste gezicht tegenspreken dat voor het kwantificeren van de te behalen prestatiedoelstellingen het voltijds of deeltijds karakter van de tewerkstelling niet zou meetellen.
  52. Verzoeker toont in het middelonderdeel niet aan, aan de hand van concrete argumenten en voorbeelden, dat hem prestatiedoelstellingen werden opgelegd die redelijkerwijze enkel een ervaren werknemer kon bereiken: het blijft IX-10.660-13/21 bij een loutere bewering die op het eerste gezicht geen steun vindt in het admini- stratief dossier.
  53. Het middelonderdeel mist ernst. Uiteenzetting van het vijfde middelonderdeel
  54. Verzoeker wijst erop dat artikel 43, § 1, van het evaluatiebesluit bepaalt dat de drie te houden functioneringsgesprekken “evenwichtig [worden] ge- spreid over de hele evaluatieperiode”. De evaluatiegesprekken van verzoeker von- den in 2023 plaats op 31 augustus, 9 november en 25 januari. In 2024 vonden ze plaats op 26 juni, 6 augustus en 8 oktober. Gelet op de korte termijn en het beperkt aantal te presteren werkdagen tussen de verschillende functioneringsgesprekken heeft de verwerende partij het voor verzoeker onmogelijk gemaakt om tegemoet te komen aan de verschillende doelstellingen. Net na een functioneringsgesprek werd verzoeker al uitgenodigd voor een volgend gesprek. Dit zette bijzonder veel druk op verzoeker. In 2023 vinden er het eerste half jaar geen gesprekken plaats, waarna er drie gesprekken plaatsvinden op vijf maanden tijd. In 2024 vindt er geen gesprek plaats vóór de maand mei, waarna er drie gesprekken plaatsvinden op vijf maanden tijd. Minstens dient te worden vastgesteld dat de functioneringsgesprekken niet evenwichtig gespreid werd over de hele evaluatieperiode. Het bestreden besluit schendt daarom, zo besluit verzoeker, arti- kel 43, § 1, van het evaluatiebesluit alsook de zorgvuldigheidsplicht. Beoordeling van het vijfde middelonderdeel
  55. De Raad van State deelt de volgende analyse in het auditoraats- verslag en maakt ze zich eigen: “Verzoek[ers] stage ving effectief aan op 1 januari 2023 en diende in prin- cipe af te lopen op 31 december
  56. Bij het aanvangen van zijn huidige functie van dossierbeheerder […], waarbij verzoeker van een belang getuigt in de ontwikkeling van zijn middelen, werd onmiddellijk een functie- en IX-10.660-14/21 planningsgesprek gehouden op 13 maart
  57. Vervolgens vonden functi- oneringsgesprekken plaats op 29 juni 2023, op 31 augustus 2023 en op 9 november 2023, telkens met een tussenpauze van een achttal weken. Het evaluatiecyclusgesprek, afgesloten met een onvoldoende, vindt plaats op 25 januari
  58. Vervolgens volgt de procedure bij de evaluatiecommissie die adviseerde om de stage van verzoeker met een viertal maanden te ver- lengen. Voor het beoordelen van de termijn van de volgende functione- ringsgesprekken moet echter ook rekening worden gehouden met verzoe- kers afwezigheid wegens ziekte vanaf eind februari tot 20 mei 2024 en [voorts] met zijn deeltijds werkregime. Op 26 juni 2024 vindt opnieuw een functioneringsgesprek plaats, vervolgens op 6 augustus
  59. Het derde en laatste functioneringsgesprek dateert van 10 oktober 2024 (stageperiode t.e.m. 7 oktober 2024) en wordt afgesloten met ‘onvoldoende’. De vereiste drie functioneringsgesprekken moeten evenwichtig verdeeld worden vooreerst bekeken over de hele stageperiode van één jaar in dit ge- val en ermee rekening houdende dat eerst een planningsgesprek moet plaatsvinden omdat de daarin vastgelegde criteria de toetssteen vormen tij- dens de functioneringsgesprekken. Het eerste functioneringsgesprek vond plaats ruim drie en een hal[ve] maand na het planningsgesprek, het tweede vervolgens negen weken later en het derde opnieuw tien weken later. Ver- volgens moet rekening worden gehouden met de procedure voor de evalu- atiecommissie en haar advies. In de periode van verlenging van de stage moet ermee rekening worden gehouden dat die periode doorkruist werd door verzoekers ziekteverlof, waardoor de functioneringsgesprekken het verschuiven van de stageperiode dienden te volgen: ook in die periode wer- den nog drie functioneringsgesprekken gehouden met logischerwijze een kortere tussenpauze. Wat de functioneringsgesprekken betreft toont hij geenszins aan hoe er geen sprake zou zijn van een ‘evenwichtige spreiding’, laat staan hoe dit de bestreden beslissing kan aantasten. Verzoeker houdt in zijn kritiek geen re- kening met de verlenging van de stage met slechts vier maanden noch met zijn afwezigheid wegens ziekte of zijn deeltijds werkregime. Verzoeker maakt niet concreet aannemelijk dat het voor hem ‘onmogelijk’ was de doelstellingen te bereiken tegen de in de functioneringsgesprekken voorge- stelde data.”
  60. Het vijfde middelonderdeel is niet ernstig. IX-10.660-15/21 Uiteenzetting van het zesde middelonderdeel
  61. Er kan volgens verzoeker niet dienstig verwezen worden naar de aanbeveling van Empreva, de centrale cel van de gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk. Verzoeker betwist de aanbeve- ling van deze dienst als zijnde dat hij een andere functie zou moeten uitoefenen met minder verantwoordelijkheden en minder contact met klanten. De dienst Em- preva is niet bevoegd om de beroepsongeschiktheid (“quod non”) van verzoeker vast te stellen. Bijgevolg kon de evaluatiecommissie haar voorstel tot ontslag niet dienstig steunen op deze aanbeveling, die verzoeker bovendien uitdrukkelijk heeft betwist. Het bestreden besluit schendt aldus de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht. Beoordeling van het zesde middelonderdeel
  62. Het middelonderdeel refereert aan het tweede advies van de eva- luatiecommissie, dat onder meer luidt: “Overwegende dat bij alle functioneringsgesprekken de vermelding onvol- doende werd toegekend; dat er een begeleidingsplan werd opgesteld, dat na een langdurige afwezigheid wegens ziekte werd opgestart door Lumen en Empreva; dat blijkt dat [verzoeker] nog steeds te weinig initiatief neemt, de procedures niet volgt, telkens prioriteit geeft aan de eenvoudigste taken en een trage leercapaciteit heeft; Overwegende dat uit het dossier blijkt dat er werd voorzien in een intense opvolging en begeleiding; dat het volledige takenpakket nog niet werd uit- gerold maar toch blijkt dat [verzoeker] geen orde kan scheppen in zijn taken en het werk niet naar behoren kan volbrengen; dat de basiscompetenties van informatie analyseren, problemen oplossen, logisch denken, zelfstan- dig werken en een kritische ingesteldheid ontbreken; Overwegende dat [verzoeker] in zijn verweernota en bijkomende stukken de bevindingen van de evaluator weerlegt; dat hij stelt dat het verzoek tot ontslag onvoldoende werd gemotiveerd en verzoekt om hem te benoemen; Overwegende dat de Evaluatiecommissie vaststelt dat Empreva aanbeveelt dat [verzoeker] eerder een functie dient uit te oefenen met minder verant- woordelijkheden en minder contact met klanten; dat het gehele verloop van de stageperiode weegt op de dienst maar ook op [verzoeker] zelf; dat zijn inzet en loyauteit wordt gewaardeerd maar dat er wordt geconcludeerd dat IX-10.660-16/21 [verzoeker] veraf staat van wat kan worden verwacht van een niveau B in deze functie.”
  63. Het is niet Empreva, maar de verwerende partij die tot de be- roepsongeschiktheid van verzoeker heeft besloten en dit steunend op de verslagen van de functioneringsgesprekken, de evaluaties, de inspanningen die de overheid zelf heeft geleverd om verzoeker te begeleiden en op de prestaties, competenties en vorderingen van verzoeker in het licht daarvan en het advies van de evaluatie- commissie. In zoverre verzoeker betoogt dat Empreva zijn beroepsongeschiktheid heeft vastgesteld, mist het middelonderdeel op het eerste gezicht feitelijke grond- slag.
  64. Uit het advies van de evaluatiecommissie blijkt prima facie dat zij de aanbeveling van Empreva niet beschouwt als dragend motief – de motivering in de eerste twee aangehaalde paragrafen omtrent verzoekers capaciteiten en resul- taten lijkt reeds de bestreden beslissing te dragen – maar veeleer ter aanvulling en ter versterking van haar vaststellingen omtrent de (on)geschiktheid van verzoeker voor deze specifieke functie, hetgeen de commissie hier bevestigd acht door een dienst van buitenaf, en tevens haalt zij die vermelding aan om te illustreren hoezeer de situatie weegt zowel op verzoeker als op de dienst. De verwijzing naar de aan- bevelingen van Empreva lijken bijgevolg slechts een overtollig motief. Ten overvloede merkt de Raad in dat verband nog op dat verzoe- ker wel stelt de strekking van de aanbeveling van Empreva te betwisten, maar dat hij die betwisting in het verzoekschrift niet nader uitwerkt. Overigens heeft de ver- werende partij een ruime discretionaire bevoegdheid om vast te stellen met welke feiten en motieven zij rekening houdt bij het beoordelen van een stagiair wat zijn beroeps(on)geschiktheid betreft en toont verzoeker niet aan waarom zij de vaststel- lingen en aanbevelingen van Empreva niet bij haar beslissing mag betrekken.
  65. Het zesde middelonderdeel is niet ernstig. IX-10.660-17/21 Uiteenzetting van het zevende middelonderdeel
  66. Volgens verzoeker was de aanhangigmaking bij de evaluatie- commissie “prematuur”. Artikel 10 van het evaluatiebesluit bepaalt dat een functi- oneringsgesprek georganiseerd op initiatief van de evaluator ten vroegste kan plaatsvinden twintig gepresteerde dagen na de kennisgeving van het verslag van het voorgaande functioneringsgesprek. De termijn van minstens twintig gepres- teerde dagen tussen de functioneringsgesprekken werd niet gerespecteerd. Bovendien ontvangt verzoeker nog vóór het evaluatiecyclusge- sprek van 25 januari 2024, op 5 januari 2024 al een uitnodiging om gehoord te worden door de evaluatiecommissie van 18 januari
  67. Verzoeker wijst op arti- kel 44 van het evaluatiebesluit. Het laatste functioneringsgesprek had nog niet plaatsgevonden op het moment dat hij de uitnodiging van de evaluatiecommissie ontvangt. De aanhangigmaking bij de evaluatiecommissie heeft bijgevolg noodge- dwongen plaatsgevonden vóór de vermelding ‘onvoldoende’ die volgt op een ge- sprek op het einde van de stage. In een dergelijke context kon het besluit van het laatste gesprek van de stage onmogelijk positief zijn geweest. Daarnaast stelt het voorstel tot ontslag van de evaluatiecommis- sie onterecht dat bij alle functioneringsgesprekken de vermelding ‘onvoldoende’ werd toegekend. Dit was niet het geval. Verzoeker wijst op het functioneringsge- sprek van 29 juni 2023, waarvan het besluit zelfs voorzichtig positief was. Het bestreden besluit schendt artikel 10 en artikel 44 van het eva- luatiebesluit alsook de zorgvuldigheidsplicht. Beoordeling van het zevende middelonderdeel
  68. Artikel 10 van het evaluatiebesluit lijkt niet van toepassing op stagiairs en lijkt aldus niet nuttig te zijn aangevoerd. Een gelijkaardige bepaling ingeval van de evaluatie van een stagiair lijkt overigens niet te bestaan. IX-10.660-18/21 43.
  69. Verzoeker voert voorts aan dat het eerste evaluatiecyclusge- sprek, afgesloten met een onvoldoende, plaatsvond op 25 januari
  70. Evenwel had verzoeker reeds op 5 januari 2024, vóór het laatste functioneringsgesprek, een uitnodiging gekregen voor de hoorzitting van de evaluatiecommissie op 18 januari 2024, hetgeen ingaat tegen artikel 44 van het evaluatiebesluit en wat hem doet be- sluiten dat de ‘onvoldoende’ op het eindevaluatiegesprek van 25 januari 2024 al vastlag. 43.
  71. De verwerende partij stelt echter na het derde functioneringsge- sprek van 9 november 2023 toepassing te hebben gemaakt van artikel 47 van het evaluatiebesluit, dat luidt: “Gedurende de stage bezorgt de P&O-directeur, behalve in geval van ak- koord van de stagiair zoals bedoeld in artikel 43, § 3, tweede lid, zodra er een functioneringsvermelding ‘onvoldoende’ aan de stagiair wordt toege- kend na afloop van een verplicht stagefunctioneringsgesprek onverwijld het evaluatiedossier van de stagiair aan de evaluatiecommissie bedoeld in de artikelen 26 tot 31 […]” 43.
  72. Deze gang van zaken lijkt bevestigd te worden door stuk A2 van het administratief dossier: “N.a.v. dit 2e functioneringsgesprek worden de doelstellingen en de indi- catoren opnieuw bijgeschaafd om [verzoeker] toe te laten deze te kunnen bereiken. Met akkoord van de verantwoordelijke HR wordt het dossier niet voorgelegd aan de evaluatiecommissie inzake stage. Indien volgende maal opnieuw tot een ‘onvoldoende’ zou moeten beslist worden, zal het dossier wel overgemaakt worden. Dit werd ook duidelijk met [verzoeker] bespro- ken.” De uitnodiging die verzoeker ontving om te worden gehoord door de evaluatiecommissie volgt dus, zo lijkt, uit de beoordeling ‘onvoldoende’ als besluit van het derde functioneringsgesprek met toepassing van voormeld arti- kel 47 van het evaluatiebesluit. In dat derde functioneringsverslag wordt ook uit- drukkelijk vermeld dat “we […] helaas geen andere uitweg [zien] dan het dossier over te maken aan de stagecommissie”. IX-10.660-19/21 43.
  73. Verzoeker zou uitstel gevraagd hebben aan de evaluatiecommis- sie, zodat de hoorzitting pas plaatsvond op 20 februari
  74. Ondertussen werd op 25 januari 2024 het stage-evaluatiegesprek gehouden met toepassing van artikel 44, § 1, van het evaluatiebesluit, waarbij óók werd beslist het dossier voor te leggen aan de evaluatiecommissie. Artikel 44, § 2, tweede lid, van het evaluatiebesluit schrijft daaromtrent voor dat “de vermelding ‘onvoldoende’ die volgt op een ge- sprek op het einde van de stage leidt tot de aanhangigmaking van de evaluatiecom- missie zoals bepaald in artikel 26”. Overeenkomstig artikel 48 van het evaluatie- besluit kan die commissie vervolgens oordelen over het voorstel tot ontslag. 43.
  75. Verzoeker lijkt in het middelonderdeel uit te gaan van een on- juiste, minstens een onvolledige feitelijke en juridische context. Hij verliest uit het oog dat een dossier met vermelding ‘onvoldoende’ overeenkomstig het evaluatie- besluit niet enkel aan het einde van de stage, maar ook gedurende de stage aan de evaluatiecommissie kan worden bezorgd, zoals hier is gebeurd.
  76. Ten slotte wordt opgemerkt dat de vermelding van de evaluatie- commissie in haar voorstel van 20 december 2024 dat “bij alle functioneringsge- sprekken de vermelding ‘onvoldoende’ werd toegekend”, op het eerste gezicht slaat op de drie functioneringsgesprekken naar aanleiding van de verlenging van de stage (26 juni 2024, 6 augustus 2024 en 10 oktober 2024).
  77. Het zevende middelonderdeel is niet ernstig. Besluit over het tweede middel
  78. Het middel is in genen dele ernstig. IX-10.660-20/21 C. Conclusie
  79. Er is geen ernstig middel aangevoerd, zodat de vordering niet kan worden ingewilligd. BESLISSING
  80. De Belgische Staat wordt buiten de zaak gesteld.
  81. De Raad van State verwerpt de vordering.
  82. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.660-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.