id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.145 Rolnummer: A. 242079/X-18692 Zaak: Arrest 264145 - Kerkfabrieken - 12/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-19 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-15 05:44 Fiche Arrest nr 264.145 van 12 september 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Kerkfabrieken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 264.145 van 12 september 2025 in de zaak A. 242.079/X-18.692 In zake : de ISLAMITISCHE GELOOFSGEMEENSCHAP KEVSER MOSKEE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kursat Bilgé kantoor houdend te 1160 Brussel Joseph Chaudronlaan 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 18 maart 2024 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen tot opschorting van de erkenning van de verzoekende partij als erkende islamitische gemeenschap met ingang van 15 maart 2024 tot 15 maart 2025. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. X-18.692-1/15 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni 2025. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Venceslas Woronoff, die loco advocaat Kursat Bilgé verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Kristof Caluwaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Juridisch kader 3.1. Artikel 232 van het decreet van 7 mei 2004 ‘betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten’ luidt: “De islamitische gemeenschap is belast met de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken. De islamitische gemeenschap is belast met het onderhoud en de bewaring van de moskee of moskeeën van de islamitische gemeenschap en met het beheer van de goederen en de gelden die eigendom zijn van de islamitische gemeenschap of die bestemd zijn voor de uitoefening van de eredienst in de islamitische gemeenschap.” 3.2. Het decreet van 22 oktober 2021 ‘tot regeling van de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, de verplichtingen van de besturen van de eredienst en het toezicht daarop en tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 X-18.692-2/15 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten’ (hierna: het erkenningsdecreet) voert een nieuw kader in voor de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, alsook voor de verplichtingen waaraan besturen van de eredienst als openbare instellingen moeten voldoen. 3.3. Zodra een lokale geloofsgemeenschap erkend is, moet ze aan bepaalde verplichtingen voldoen. Artikel 16, 2°, van het erkenningsdecreet stelt ter zake: “2° het [bestuur van de eredienst] toont zijn maatschappelijke relevantie aan door aan volgende verplichtingen te voldoen:
- a)het zorg dragen voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken;
- b)het onderhouden en bewaren van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst;
- c)[…];
- d)[…];” 3.4. Artikel 18 van het erkenningsdecreet bepaalt dat de Vlaamse regering de bevoegde instantie aanwijst die onder meer controleert of de besturen van de eredienst blijvend voldoen aan de verplichtingen, vermeld in hoofdstuk 3 van dit decreet. 3.5. Bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2021 ‘tot aanwijzing van de bevoegde instantie, vermeld in artikel 18 van het erkenningsdecreet lokale geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021’ wordt de Informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen van het Agentschap Binnenlands Bestuur (hierna: ISD) als bevoegde instantie aangeduid. 3.6. Artikel 28 van het erkenningsdecreet bepaalt dat de Vlaamse regering een sanctioneringsprocedure kan opstarten als een bestuur van de eredienst en in voorkomend geval de leden van het bestuursorgaan tekortkomen aan, onder meer, de verplichtingen vermeld in hoofdstuk 3 van dit decreet. X-18.692-3/15 3.7. De met het erkenningsdecreet ingevoerde sanctieregeling wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht: “In de huidige regelgeving bestaat er maar één mogelijkheid om een bestuur van de eredienst te sanctioneren als het niet meer voldoet aan de erkenningscriteria of aan bepaalde administratieve verplichtingen, namelijk de opheffing van de erkenning. Deze sanctie kan vanuit het oogpunt van noodzakelijkheid en proportionaliteit enkel opgelegd worden bij ernstige tekortkomingen en leent zich moeilijker voor de handhaving van lichte tekortkomingen. Er is dan ook nood aan een getrapt en gedifferentieerd sanctieregeling die proportioneel is met betrekking tot de omvang en aard van de vastgestelde tekortkomingen.” (Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 854/1, 15) 3.8. Artikel 29 van het erkenningsdecreet schrijft de sancties voor, waaronder de opschorting voor een bepaalde termijn, die kunnen worden opgelegd in geval van tekortkomingen: “§ 1. In geval van een tekortkoming aan een verplichting, vermeld in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 van dit decreet of in het decreet van 7 mei 2004, kan de Vlaamse Regering, na schriftelijk advies ingewonnen te hebben bij de bevoegde instantie, al dan niet na een aanmaning, beslissen om een van de volgende sancties op te leggen: 1° opschorting of beperking van de financiële gevolgen van de erkenning voor een bepaalde termijn; 2° opschorting van de erkenning voor een bepaalde termijn; 3° opheffing van de erkenning. In voorkomend geval bevat de aanmaning, vermeld in het eerste lid, de termijn waarbinnen het bewijs moet zijn bezorgd aan de Vlaamse Regering dat alle tekortkomingen zijn weggewerkt. De beslissing tot opschorting of beperking, vermeld in het eerste lid, bevat de duur van de sanctie die eveneens de termijn is om de tekortkomingen weg te werken en het bewijs hiervan te bezorgen aan de Vlaamse Regering. Als dat bewijs niet op tijd is bezorgd, kan de Vlaamse Regering de sanctie verlengen of een andere sanctie opleggen, conform het eerste lid. […] § 2. Op vraag van het representatief orgaan kan de Vlaamse Regering in afwijking van paragraaf 1, onmiddellijk de erkenning opheffen. § 3. […]” X-18.692-4/15 3.9. De parlementaire voorbereiding licht deze sanctieregeling toe als volgt: “Er wordt een getrapt en gedifferentieerd sanctioneringsmechanisme ingevoerd. De Vlaamse Regering kan, al dan niet na een eerste aanmaning om de tekortkomingen weg te werken of een waarschuwing van de bevoegde instantie beslissen tot sanctionering. Afhankelijk van de ernst van de tekortkoming kan de Vlaamse Regering beslissen tot: − opschorting of beperking van de financiële gevolgen van de erkenning voor een bepaalde termijn. […]; − opschorting van de erkenning voor een bepaalde termijn; − opheffing van de erkenning. De Vlaamse Regering zal bij het bepalen van de sancties expliciet aangeven wat hiervan de gevolgen zijn voor de financiële verplichtingen van de financierende overheid. Daarnaast wordt er een getrapt sanctiesysteem ingevoerd (behalve voor de sanctie tot opheffing van de erkenning), waarbij het bestuur van de eredienst of in voorkomend geval, de leden van het bestuursorgaan de mogelijkheid krijgen om binnen een welbepaalde termijn de tekortkomingen weg te werken. In de beslissing tot sanctionering wordt steeds een termijn bepaald (uitgezonderd bij de sanctie tot opheffing van de erkenning) waarbinnen het bewijs geleverd moet zijn aan de Vlaamse Regering dat alle vastgestelde tekortkomingen zijn weggewerkt. Als het bestuur van de eredienst geen of onvoldoende bewijs levert dat de vastgestelde tekortkomingen zijn weggewerkt, kan de Vlaamse Regering opnieuw een sanctioneringsbeslissing nemen. Zo kan de Vlaamse Regering in eerste instantie de financiële gevolgen beperken, vervolgens de erkenning opschorten en ten slotte de erkenning opheffen als het bestuur van de eredienst de tekortkomingen niet wegwerkt. De Vlaamse Regering kan evenwel onmiddellijk beslissen tot de opstart van de procedure tot opheffing van de erkenning wanneer ze acht dat de vastgestelde tekortkomingen dermate ernstig zijn dat de opheffing van de erkenning de meest gepaste sanctie is. […]” (Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 854/1, 57-59) 3.10. Het bestuur van de eredienst en in voorkomend geval de leden van het bestuursorgaan beschikken over de mogelijkheid om tijdens de sanctioneringsprocedure hun hoorrecht uit te oefenen en hun standpunt over de ten laste gelegde tekortkomingen aan de Vlaamse regering te bezorgen. X-18.692-5/15 IV. Feiten 4.1. De ISD meldt medio 2022 dat zij zwaarwichtige aanwijzingen heeft ontvangen over mogelijke tekortkomingen bij een aantal besturen van de eredienst waaronder de verzoekende partij. Om die reden wordt een onderzoek ten gronde opgestart om na te gaan of het eredienstbestuur voldoet aan de bepalingen van het erkenningsdecreet. 4.2. Een plaatsbezoek heeft plaats op 27 oktober 2022. Vastgesteld wordt dat het gebouw, bestemd voor de eredienst, nog steeds verzegeld is en dat de werken zijn stilgelegd. 4.3. In een adviesrapport van 23 maart 2023 stelt de ISD bovendien vast dat de islamitische geloofsgemeenschap niet in een alternatieve gebedsruimte voorziet, en wordt een inbreuk op artikel 16, 2°,
- a)en b), van het erkenningsdecreet vastgesteld. 4.4. Met een brief van 2 mei 2023 deelt de bevoegde Vlaamse minister aan de verzoekende partij mee dat de sanctioneringsprocedure, vermeld in artikel 29, § 1, van het erkenningsdecreet werd opgestart. Verwezen wordt, onder meer, naar dat vaststelling “dat er sinds april 2022 de facto geen eredienstgebouw meer is”. De verzoekende partij wordt uitgenodigd haar hoorrecht uit te oefenen. 4.5. In haar verweernota van 6 juni 2023 geeft de verzoekende partij aan dat er intussen – op 16 januari 2023 – een regularisatievergunning voor de renovatie van het gebouw werd toegekend en dat de gebedsplaats op 28 juni 2023 terug in gebruik zal kunnen worden genomen. 4.6. Vervolgens hebben nog meerdere informatie-uitwisselingen plaats, onder meer wat de stand van de werken betreft. 4.7. De aanvullende nota van het agentschap binnenlands bestuur van 19 december 2023 geeft aan dat de ISD in de loop van de maand oktober 2023 X-18.692-6/15 opnieuw contact heeft opgenomen met de verzoekende partij “om zich te vergewissen over de voortgang van de werken”, maar dat de verzoekende partij niet kon meedelen wanneer de werken zouden worden gefinaliseerd en wanneer het gebouw terug toegankelijk zou zijn voor de organisatie van de eredienst. 4.8. Op 18 maart 2024 beslist de bevoegde Vlaamse minister om een sanctie op te leggen aan de verzoekende partij “in de vorm van een opschorting van de erkenning met ingang van 15 maart 2024 tot en met 15 maart 2025”. De duurtijd van de opschorting is tevens de termijn voor de verzoekende partij “om de tekortkomingen weg te werken en het bewijs hiervan te bezorgen aan de Vlaamse Regering”. Deze – bestreden – beslissing wordt verantwoord als volgt: “De ISD stelde bij haar onderzoek ten gronde vast dat het gebouw van de eredienst van de islamitische gemeenschap sinds april 2022 niet meer beschikbaar is voor de uitoefening van de eredienst, omwille van verbouwingswerken. Deze verbouwingswerken werden stilgelegd door de lokale politie aangezien die werden uitgevoerd in strijd met de toegekende omgevingsvergunning van 10 februari 2022. Uit het administratief dossier blijkt dat de ISD op 5 juli 2022 en 27 oktober 2022 een plaatsbezoek heeft gebracht en vaststelde dat het gebouw van de eredienst verzegeld was met een politielint. Uit het administratief dossier blijkt dat het gebouw van de eredienst grotendeels het hele jaar 2022 verzegeld was en dat (sommige) leden van de lokale geloofsgemeenschap voor de uitoefening van de eredienst zich wendden tot de moskee Aalst (El Muslimine) en tot een Diyanet-moskee buiten Aalst. Dientengevolge heeft de ISD een inbreuk vastgesteld op [artikel 16, 2°,
- a)en
- b)van het Erkenningsdecreet] […]. In haar brief van 6 juni 2023, in uitoefening van haar hoorrecht, betwist de islamitische gemeenschap een inbreuk te hebben gepleegd op voornoemd artikel 16, 2°
- a)en
- b)van het Erkenningsdecreet. De islamitische gemeenschap stelt: ‘Op 10 februari 2022 keurde de deputatie van Gent de aanvraag voor een bouwvergunning voor de renovatie van het gebouw goed. De werken startten op 8 mei 2022. Door een materiële fout die geen belang had op de feitelijke werken heeft de bouwpolitie de werf op 01/06/2022 stilgelegd. Op 16 januari 2023 keurde het college van Burgemeester en Schepenen van Aalst de aanvraag voor een regularisatievergunning voor de renovatie van het gebouw goed. De renovatie startte op 27 februari 2023 en zal de gebedsplaats op 28 juni voltooid zijn. X-18.692-7/15 De islamitische geloofsgemeenschap wordt beschuldigd omdat ze het gebouw grondig onderhoud[t] voor meer comfort te bieden aan de aanwezigen en voor een betere uitoefening van de erediensten. Dus de islamitische geloofsgemeenschap past toe wat er eigenlijk in artikel 16, 2°,
- a)en
- b)van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021 staat. Aangezien de plaats van de eredienst binnenkort weer beschikbaar zal zijn, is er geen reden om de erkenning van de islamitische geloofsgemeenschap Aalst te schorsen.’ […] Naar aanleiding van de uitoefening van haar hoorrecht waarbij de islamitische gemeenschap meedeelt dat – naar aanleiding van het stilleggen van de verbouwingswerken door de bouwpolitie – het gebouw van de eredienst sinds 1 juni 2022 niet meer toegankelijk is vindt steun in het administratief dossier. Naar aanleiding van de uitoefening van haar hoorrecht waarbij de islamitische gemeenschap meedeelt dat de verbouwingswerken met ingang van 27 februari 2023 werden hervat en dat de gebedsruimte waar de erediensten plaatsvinden met ingang van 28 juni 2023 opnieuw toegankelijk zal zijn, heeft de ISD tijdens de zomermaanden 2023 bijkomende inlichtingen ingewonnen. De ISD heeft vastgesteld dat de gebedsruimte – met uitzondering van het offerfeestgebed op 28 juni 2023 – nog steeds niet toegankelijk is voor de uitoefening van de eredienst. Nochtans heeft de islamitische gemeenschap – zoals supra vermeld - aangegeven dat de gebedsruimte met ingang van 28 juni 2023 voltooid zal zijn. De ISD heeft verder vastgesteld dat er een stappenplan zou opgemaakt worden om het gebouw van de eredienst gradueel terug in dienst te nemen. De voorlopige inschatting van de islamitische gemeenschap was dat het gebouw van de eredienst opnieuw helemaal toegankelijk zal zijn in maart 2024. De ISD heeft in de loop van de maand oktober 2023 opnieuw contact opgenomen met de islamitische gemeenschap om
- i)zich te vergewissen over de voortgang van de verbouwingswerken
- ii)het stappenplan dat opgemaakt ging worden – zie supra – op te vragen. Uit het opgevraagde stappenplan kon opgemaakt worden dat de voortgang van de verbouwingswerken afhankelijk is van het inzamelen van de nodige financiële middelen. Het vorderen van de verbouwingswerken is afhankelijk gesteld van giften die de islamitische gemeenschap ontvangt. Uit het stappenplan kon tevens opgemaakt worden dat de prijzen van de bouwmaterialen gestegen zijn waardoor er een meerkost is van ongeveer 800.000 euro. Het gebrek aan financiële middelen en de gestegen prijzen van de bouwmaterialen hebben ertoe geleid dat de verbouwingswerken niet vorderen. De islamitische gemeenschap kon niet meedelen wanneer de verbouwingswerken zullen gefinaliseerd worden en kon ook niet meedelen wanneer het gebouw van de eredienst opnieuw publiek toegankelijk zal zijn voor het organiseren van de erediensten. Het inroepen van een gebrek aan financiële middelen als rechtvaardigingsgrond voor het niet vorderen van de verbouwingswerken X-18.692-8/15 kan niet aanvaard worden vermits dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. […] Het aanvatten van ingrijpende verbouwingswerken zonder te voorzien in de nodige financiële middelen kan bezwaarlijk beschouwd worden als een beslissing die op een zorgvuldige wijze voorbereid is. Er kan worden aangenomen dat elk ander voorzichtig en redelijk bestuur van de eredienst in dezelfde omstandigheden geplaatst de nodige financiële middelen zou voorzien hebben – inclusief onvoorziene uitgaven, zoals de prijsstijging van bouwmaterialen – alvorens de geplande verbouwingwerken aan te vatten en binnen een redelijke termijn te voltooien. De islamitische gemeenschap voorziet ook niet in een tijdelijke gebedsruimte waar de erediensten gedurende de verbouwingswerken kunnen plaatsvinden. Artikel 16, 2°
- a)en
- b)van het Erkenningsdecreet schrijft voor dat het bestuur van de eredienst maatschappelijke relevantie moet kunnen aantonen door
- i)zorg te dragen voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken
- ii)het onderhouden en bewaren van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de eredienst. In casu stelt de islamitische gemeenschap dat ‘ze het gebouw grondig onderhoud[t] voor meer comfort te bieden aan de aanwezigen en voor een betere uitoefening van de erediensten. Dus de islamitische geloofsgemeenschap past toe wat er eigenlijk in artikel 16, 2°,
- a)en
- b)van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021 staat.’ Dit kan niet bijgetreden worden. Uit de vaststellingen van de ISD blijkt dat er van een grondig onderhoud van het gebouw van de eredienst geen sprake is aangezien de verbouwingswerken niet vorderen. Zoals supra betoogd, is het gebouw van de eredienst de facto voor onbepaalde duur gesloten voor de uitoefening van de erediensten. Een gebouw van de eredienst dat de facto voor onbepaalde duur niet toegankelijk is voor de uitoefening van de erediensten moet beschouwd worden als het niet beschikken over een gebouw voor de uitoefening van de erediensten. Het beschikken over een gebouw dat bestemd is voor de uitoefening van de eredienst is essentieel om het doel van de lokale geloofsgemeenschap te kunnen verwezenlijken, namelijk de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken […]” V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 5. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 29 van het erkenningsdecreet, van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de X-18.692-9/15 formelemotiveringswet), en van het beginsel van proportionaliteit en het beginsel van goed bestuur. 6.1. In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing in geen enkel opzicht motiveert waarom de schorsing geldt voor een termijn van één jaar. Er wordt evenmin uitgelegd waarom een opschorting van een jaar nodig is om de tekortkomingen weg te werken. Dit schendt de formelemotiveringswet. Bovendien houdt een dergelijke lange opschortings- termijn een kennelijke beoordelingsfout in. 6.2. In het tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden akte verwijst naar vaststellingen van de ISD. Evenwel zijn de betrokken documenten niet bijgevoegd of ter kennis gebracht aan de verzoekende partij. Hierdoor wordt niet voldaan aan de vereisten van motivering door verwijzing, zoals bepaald in de formelemotiveringswet. De afwezigheid van deze documenten belemmert de mogelijkheid van de verzoekende partij om zich adequaat te verdedigen en vormt een kennelijke beoordelingsfout. 6.3. In het derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel 29, § 1, van het erkenningsdecreet vereist dat de beslissing tot opschorting wordt genomen na advies van het representatief orgaan, het bestuur van de eredienst en de financierende overheid. Het is niet duidelijk of deze adviezen zijn ingewonnen, aangezien dit niet uit de bestreden akte blijkt. Indien deze adviezen niet werden gevraagd, is er sprake van een schending van artikel 29, § 1, van het voormelde decreet. Indien ze wel zijn gevraagd, had de inhoud van de adviezen bekendgemaakt moeten worden en had de tegenpartij moeten motiveren waarom zij deze al dan niet heeft gevolgd. Het nalaten hiervan schendt de motiveringsplicht en leidt tot een kennelijke beoordelingsfout. 6.4. In het vierde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing stelt dat een gebrek aan financiële middelen door de verzoekende partij zou zijn aangevoerd als reden voor de vertraging in de werken. X-18.692-10/15 De verzoekende partij ontkent deze bewering, zodat het niet gaat om een valabel motief, maar om een kennelijke beoordelingsfout. 6.5. In het vijfde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing aan de verzoekende partij kortzichtigheid verwijt bij de voorbereiding van renovatiewerken zonder voldoende financiële middelen. Dit verwijt is volgens haar niet gerechtvaardigd omdat de akte zelf erkent dat de stijgende kostprijs van de bouwmaterialen een grote factor was. Het nalaten om rekening te houden met deze omstandigheden getuigt van buitensporige strengheid en een kennelijke beoordelingsfout. Bovendien is het doel van de sanctie in artikel 29, § 1, van het erkenningsdecreet niet om te straffen voor kortzichtigheid, maar om tekortkomingen te verhelpen. De focus van de akte op de vermeende kortzichtigheid schendt dit principe. Beoordeling 7. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de erkenning van de verzoekende partij wordt opgeschort om reden dat het gebouw van de eredienst de facto voor onbepaalde duur niet toegankelijk is voor de uitoefening van de erediensten, waardoor de verzoekende partij niet beschikt over een gebouw voor de uitoefening van de erediensten, zoals vereist in artikel 16, 2°,
- a)en b), van het erkenningsdecreet. Vermits de bestreden beslissing een tekortkoming aan de op de verzoekende partij rustende verplichtingen vaststelt, beschikt de verwerende partij overeenkomstig artikel 29 van hetzelfde decreet over de mogelijkheid om de erkenning voor een bepaalde termijn op te schorten. 8. De verwerende partij beschikt ter zake over een beoordelings- vrijheid, zowel voor de beslissing om wel of niet tot een sanctie van opschorting van de erkenning te beslissen, als voor de termijn van een dergelijke opschorting. Het komt de Raad van State als wettigheidsrechter niet toe om zijn oordeel in de plaats van die van de verwerende partij te stellen. Het komt de Raad van State wel X-18.692-11/15 toe om, binnen de grenzen van het ingestelde beroep, na te gaan of de verwerende partij op een wettige wijze tot haar beslissing is gekomen en daarbij de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan. 9.1. Hoewel het bestreden besluit niet uitdrukkelijk vermeldt waarom de schorsing precies voor een termijn van één jaar wordt uitgesproken, kunnen de redenen daarvoor wel uit de motivering van het bestreden besluit worden afgeleid. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat de verzoekende partij, daartoe bevraagd door de verwerende partij, niet kon “meedelen wanneer de verbouwingswerken zullen gefinaliseerd worden en […] ook niet [kon] meedelen wanneer het gebouw van de eredienst opnieuw publiek toegankelijk zal zijn voor het organiseren van de erediensten”. Het bestreden besluit verwijst voorts naar de vaststellingen van de ISD dat “de verbouwingswerken niet vorderen” en het gebouw van de eredienst “de facto voor onbepaalde duur gesloten [is] voor de uitoefening van de erediensten”. Op basis van de beschikbare informatie kon de verwerende partij dan ook onmogelijk vaststellen wat de exacte termijn zou zijn om het gebouw van de eredienst terug publiek toegankelijk te maken. De vaststelling van de termijn van opschorting op één jaar doet in de gegeven omstandigheden afdoende blijken dat de verwerende partij ervan is uitgegaan dat het nog een jaar zou kunnen duren om het betrokken gebouw terug toegankelijk te maken voor de organisatie van de eredienst. De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij niet in redelijkheid tot een dergelijke inschatting is kunnen komen. 9.2. Dat de verbouwingswerken in werkelijkheid vroeger zouden zijn beëindigd, doet niet anders besluiten. X-18.692-12/15 9.3. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 10.1. Wat het tweede middelonderdeel betreft, blijkt uit de bestreden beslissing voldoende duidelijk op basis van welke vaststellingen de beslissing is gesteund, namelijk de vaststelling dat het gebouw niet toegankelijk is voor de organisatie van de eredienst en dat geen duidelijkheid kan worden geboden aangaande de timing voor de finalisering van de werken. Het loutere gegeven dat de eigenlijke vaststellingen van de ISD als afzonderlijk document niet bij de bestreden beslissing zijn gevoegd, levert in die omstandigheden geen miskenning van de formelemotiveringsplicht op. 10.2. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. 11.1. Ten aanzien van het derde middelonderdeel overweegt het auditoraatsverslag wat volgt: “De verzoekende partij verwijst in het middelonderdeel naar artikel 29, § 1, vierde lid, Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen dat luidt als volgt: ‘De beslissing tot opheffing wordt genomen na advies van: 1° het representatief orgaan; 2° het betrokken bestuur van de eredienst; 3° de financierende overheid; 4° in voorkomend geval de adviserende gemeente.’ […] Met het bestreden besluit wordt overgegaan tot de opschorting van de erkenning van een bepaalde termijn, in de zin van artikel 29, § 1, 2° Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen. Dit is geen beslissing tot opheffing in de zin van artikel 29, § 1, 3° Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen. Bijgevolg was de beslissing tot opschorting niet onderworpen aan de adviesverplichting in de zin van artikel 29, § 1, vierde lid, Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen. […] Het middelonderdeel faalt naar recht.” 11.2. De verzoekende partij gedraagt zich ter zake naar de wijsheid van de Raad van State. X-18.692-13/15 De Raad ziet geen reden om er een andere zienswijze dan de auditeur-verslaggever op na te houden en valt de voormelde argumentatie integraal bij. 11.3. Het derde middelonderdeel wordt verworpen. 12.1. Het bestreden besluit geeft aan dat het “inroepen van een gebrek aan financiële middelen als rechtvaardigingsgrond voor het niet vorderen van de verbouwingswerken […] niet [kan] aanvaard worden vermits dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” en dat “[h]et aanvatten van ingrijpende verbouwingswerken zonder te voorzien in de nodige financiële middelen […] bezwaarlijk [kan] beschouwd worden als een beslissing die op een zorgvuldige wijze voorbereid is”. 12.2. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij pas in het stappenplan dat zij op 3 november 2023 aan de verwerende partij heeft overgemaakt, heeft erkend “dat we een grote financiële impact hebben vanwege de langdurige juridische stappen en het doen stoppen van on[ze] bouw door een materiële fout”, dat er “een onterechte lange wachttijd is geweest voor het behalen van onze rechten”, dat “de grondstoffen immens veel [zijn] opgestegen”, en dat “we […] financiële meerkosten hebben van ongeveer 800.000 euro”, zodat “het volledig openstellen van ons gebouw […] [af[hangt] door de stroom van de giften”, dat de werken binnen twee à drie maanden volledig gedaan kunnen zijn indien het financiële luik kan worden gefinaliseerd, dat de datum “helaas steeds [zal] opschuiven” indien dit niet lukt. Eerder had de verzoekende partij niet gewezen op mogelijke financiële problemen, ook niet wanneer aan de vertegenwoordigers van de verzoekende partij werd gevraagd of zij wel met de stijgende prijzen rekening hebben gehouden. 12.3. Het bestreden besluit neemt in essentie aan dat de verzoekende partij de financiële meerkosten niet kan inroepen als “rechtvaardigingsgrond” voor X-18.692-14/15 de opgelopen vertraging in de uitvoering van de werken en de daarmee gepaard gaande gebrek aan beschikbaarheid van een ruimte voor de eredienst. De verzoekende partij overtuigt er niet van dat deze beoordeling feitelijke grondslag mist, de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat of anderszins onwettig is. 12.4. Het vierde en vijfde middelonderdeel zijn ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.692-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div