id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.202 Rolnummer: A. 244957/IX-10673 Zaak: Arrest 264202 - Tucht (openbaar ambt) - 17/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-22 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-15 05:46 Fiche Arrest nr 264.202 van 17 september 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.202 van 17 september 2025 in de zaak A. 244.957/IX-10.673 In zake: W.J. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 30 mei 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de voorzitster van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 14 april 2025, waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van het ambtswege ontslag wordt opgelegd, met ingang van 15 april
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 4 juni 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10.673-1/37 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 september
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, advocaat Silke Mijnendonckx, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor verzoeker en advocaat Oona Fransen, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt en advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, gemachtigd om ter terecht- zitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker treedt op 1 april 2023 in dienst als stagiair in de functie van tweetalige calltaker 101 (stagedoend technisch assistent) bij het communicatie- en informatiecentrum van de algemene directie Civiele Veiligheid te Brussel. 3.
- Nadat de Directie 112 van de algemene directie Civiele Veiligheid op 25 april 2023 op de hoogte wordt gesteld van “een reeks incidenten en vaststellingen van ongewenst gedrag op de werkvloer van [verzoeker] ten aanzien van een aantal vrouwelijke collega’s, meer bepaald vrouwonvriendelijke IX-10.673-2/37 uitspraken en ongewenste aanrakingen”, wordt verzoeker op 27 april 2023 in dienstvrijstelling geplaatst en wordt op 13 juli 2023 een tuchtprocedure opgestart. Deze tuchtprocedure resulteert op 27 september 2023 in de tuchtsanctie van de ‘terechtwijzing’ voor verzoeker. Hij wordt diezelfde dag overgeplaatst naar een functie als operator 112 ‘Noodcentrale 112 Vlaams- Brabant’. 3.
- In het kader van zijn (verdere) stage, vinden op 30 november 2023, 22 januari 2024 en 21 februari 2024 functionerings- en planningsgesprekken plaats tussen verzoeker en zijn hiërarchische meerdere. In het functioneringsgesprek van 21 februari 2024 komt aan bod dat verzoeker geslaagd is voor het theoretische gedeelte van de eerste kennismeting. Aangezien verzoeker evenwel niet geslaagd is voor het praktische gedeelte van de eerste kennismeting, wordt beslist om hem te laten aansluiten bij de federale opleiding die start op 1 maart 2024, zodat hij de kans krijgt om het opleidingstraject opnieuw te volgen. 3.
- Op 25, 26 en 28 maart 2024 wordt bij de Directie 112 melding gemaakt van “een aantal feiten en incidenten houdende ongepast en onrespectvol gedrag van [verzoeker] ten opzichte van enkele vrouwelijke collega’s”, “ongepaste uitlatingen ten opzichte van twee andere vrouwelijke medestagiairs” en “ongepast en onrespectvol gedrag ten opzichte van twee poetsvrouwen”. Vanaf 29 maart 2024 wordt verzoeker in dienstvrijstelling geplaatst. In het kader daarvan wordt nog verdere correspondentie gevoerd, waarbij onder meer wordt toegelicht dat het bestuur onderzoek doet naar de verschillende meldingen. 3.
- Op 22 april 2024 gaan de directeur 112 en de P&O- correspondente Directie 112 langs in het gebouw van FOD Volksgezondheid, waar IX-10.673-3/37 de toenmalige groep stagiairs de federale basisopleiding volgt, met het doel “beter zicht te krijgen op wat er precies gebeurd is”. In het kader daarvan worden, op 22 april 2024 en navolgend, door medestagiairs en lesgevers diverse verklaringen afgelegd alsook, op 26 april 2024, door de verantwoordelijke van de poetsploeg op de betrokken site. 3.
- Op 14 juni 2024 wordt een procedure bij de evaluatiecommissie opgestart met verzoek tot ontslag wegens zware fout tijdens de stage, op grond van artikel 51, tweede lid, van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ (hierna: het evaluatiebesluit). Verzoeker en zijn raadsman worden gehoord op 16 juli
- Op 23 juli 2024 “beslist” de evaluatiecommissie, met unanimiteit, om verzoeker niet te ontslaan op grond van zware fout; zij oordeelt dat de stage kan worden verdergezet. Wel wordt het voorstel geformuleerd om de stage van verzoeker op een andere dienst verder te zetten. 3.
- Met een aangetekend schrijven van 23 juli 2024 wordt verzoeker door zijn hiërarchische meerdere uitgenodigd voor een verhoor op 5 augustus 2024 in het kader van een tuchtprocedure. In deze oproeping wordt onder meer het volgende gesteld: “De feiten die u ten laste gelegd worden en waarover u zal worden gehoord zijn de volgende: - Uit de getuigenissen van een paar van uw lesgevers, alsook van uw collega-stagiairs met wie u in maart 2024 de basisopleiding 112 aanvatte, blijkt dat u zich ongepast en onrespectvol gedraagt ten opzichte van enkele collega’s. Uw opmerkingen blijken echter voornamelijk gericht tegen één vrouwelijke medestagiair. Concreet werd er melding gemaakt van de volgende twee incidenten jegens haar: • Op een tram op de terugweg van een opleiding naar het station in Antwerpen noemde u de betreffende medestagiair ([S.H.]) een slet, waarbij u vervolgens alludeerde dat alleenstaande moeders sletten zijn. IX-10.673-4/37 • Tijdens een les kwam u tussen in een gesprek van betrokkene ([S.H.]) met een medestagiair, waarbij u aangaf dat het u niet interesseerde. Op de reactie dat u zich dan niet moest moeien, snoerde u haar de mond en verweet u haar voor stomme trut. Betrokkene ([S.H.]) verliet daarop het leslokaal. Deze incidenten worden bevestigd door medestagiairs, waaronder [V.B.]. Andere collega-stagiairs verklaren verder dat u [S.H.] ook op andere momenten tijdens de les kleineerde. Tijdens de opleiding stelt ze veel vragen, waarbij u meermaals gezegd zou hebben dat haar vragen niet belangrijk zijn. De manier waarop u dit doet getuigt van weinig respect: ‘Je moet daarvoor toch niet storen, trut.’ Naar aanleiding van een dergelijke reactie werd u hier op gegeven moment door twee medestagiairs op aangesproken, dat dit niet gepast en uiterst onrespectvol is. U ging daar toen niet op in. - U maakte verder overigens ook naar andere vrouwelijke medestagiairs ongepaste opmerkingen: • toen een medestagiair zich voorstelde en vertelde dat ze van het Ministerie van Defensie kwam, reageerde u met: ‘Als dat van Defensie komt, waarschijnlijk de matras van.’ Zij is hier niet op ingegaan. • Toen een andere medestagiair vertelde dat jullie net een oud- collega van haar gepasseerd waren, reageerde u met: ‘Nu gaat die denken, dat is die knappe van de Colruyt.’ Zij is hier evenmin op ingegaan. - Een bijkomend incident betreft ongepast en onrespectvol gedrag naar de twee poetsvrouwen in het gebouw van de noodcentrales 112/101 Vlaams-Brabant. Beide schoonmaaksters stortten hun hart uit bij twee ploegchefs van de Noodcentrale 112 Vlaams-Brabant omdat zij zich meermaals vernederd gevoeld hebben na opmerkingen van u. U hebt één van beide op gegeven moment ook ‘dik’ en ‘Miss Piggy’ genoemd. Zij was hierover duidelijk geëmotioneerd. U laat hen duidelijk zien dat u hen als minderwaardig beschouwt en maakt hen belachelijk in het bijzijn van andere collega’s. - Daarenboven dient te worden opgemerkt dat u dergelijk ongepast en onrespectvol gedrag – vooral ten opzichte van vrouwelijke collega’s – al eerder heeft vertoond. Zo werd er een tuchtprocedure gevoerd voor incidenten en vaststellingen van ongewenst gedrag op de werkvloer ten aanzien van een aantal vrouwelijke collega’s, waarbij u als tuchtstraf de terechtwijzing opgelegd kreeg. Zelfs toen u naar een andere dienst werd overgeplaatst, vertoont u nu opnieuw hetzelfde ongepast gedrag ten opzichte van vrouwelijke collega’s. Dit heeft geleid tot een vertrouwensbreuk die de samenwerking met collega’s totaal onmogelijk maakt. Meer zelfs, uw herhaaldelijke attitude vormt een gevaar voor de goede werking van de dienst. Immers, verschillende collega’s gaven aan dat u moeilijk in team kunt werken. Uw gedrag vormt een inbreuk op het welzijn op het werk. IX-10.673-5/37 - Verder wordt benadrukt dat bovenvermelde feiten zich hebben voorgedaan in een context waaruit blijkt dat u moeilijk in team kan werken. o Uit de getuigenissen van een aantal collega-stagiairs komt naar voren dat ook uw algemeen gedrag tijdens de lessen en stages zelf ongepast en onrespectvol is. U komt regelmatig tussen, waarbij u betweterig overkomt. Wanneer u feedback krijgt, blijft u alsnog bij uw mening. U spreekt dit ook zo uit: ‘Ik heb het zo al eens meegemaakt, dus zo is het.’, of ‘Dat ga ik zo niet doen ze.’ Als u gezegd wordt dat u niet juist bent, dan blijft u naar argumenten zoeken om toch uw gelijk te krijgen. o Dit komt ook naar voren uit de getuigenissen van drie lesgevers, waarvan twee ook melding hebben gemaakt van de problemen in de opleidingsgroep waar u deel van uitmaakt. Eén van hen geeft uitdrukkelijk aan dat in groep werken moeilijk is met u, omdat u heel uitgesproken uw mening wilt poneren, zelfs wanneer deze niet wordt gevraagd en zelfs ongepast is. U komt ook tussen bij andere stagiairs om te zeggen dat ze het anders moeten doen, omdat u altijd wilt tonen dat u het beter weet dan hen. Hij maakt ook melding dat mensen zich niet altijd even gemakkelijk voelen in uw buurt, vooral jongedames. Een andere lesgever benoemt uw houding als ‘zeer zelfzeker, moeilijk te doorgronden, een alwetende houding, heel defensief, hoewel u regelmatig bijgestuurd moet worden tijdens de oefeningen’. Ze geeft als concreet voorbeeld hiervan een les met rollenspelen, waarbij u er na de uitleg en het voorbeeld steeds in slaagde om het verkeerd te doen. Als ze u hierop aansprak, lachte u dit weg met het antwoord ‘Ah is dat zo?’ Ook een derde lesgever heeft vragen bij uw mogelijkheid om in team te werken, terwijl samenwerken net heel belangrijk is als operator 112, ook al tijdens de opleiding. Hij merkt op dat u overal tegenin gaat, dat u zich bijvoorbeeld niet kunt neerleggen bij een groepsbeslissing. o Uit de verklaringen van zowel medestagiairs als lesgevers komt naar voren dat u moeilijk in team kunt werken, aangezien u volledig uw eigen koers gaat. Een medestagiair merkt op u weinig geschikt te vinden voor de functie van operator, door uw omgang met mensen. De functie van operator vraagt immers om mensen te helpen, terwijl u iedereen de grond inboort. Zoals één van de lesgevers ook opmerkt in zijn verklaring: [i]n de 112 moet je op elkaar kunnen rekenen en beslissingen volgen waar je het niet noodzakelijk persoonlijk altijd mee eens bent. Op basis van zijn twee ervaringen met u, heeft hij de indruk dat u echter geen teamplayer bent in die zin. - Bovendien is vastgesteld dat er zich ook problemen stellen met betrekking tot uw functioneren als operator. IX-10.673-6/37 • U blijkt de opleiding tot operator niet serieus te nemen of op zijn minst sterk te onderschatten. Tijdens de stages vertaalt zich dit in de vaststelling dat uw basiskennis niet strookt met de verwachte kennis waarover u op dat moment in uw opleidingstraject zou moeten beschikken. • U gaat weinig constructief om met feedback van lesgevers en meer ervaren operatoren. U luistert vaak niet naar wat ervaren operatoren zeggen, en onderbreekt snel wanneer iemand uitleg probeert te geven. • U blijkt veel in vraag te stellen, zoals bijvoorbeeld de procedures die er zijn om de operatoren te ondersteunen. • U stelt ook de informatie in vraag die u door oproepers wordt gegeven. Bijvoorbeeld de vraag/opmerking aan een oproeper of het eten van één nootje wel zoveel kwaad kan, terwijl één nootje in geval van allergie wel degelijk voldoende is om in de problemen te komen. • U bent weinig empathisch naar de oproeper toe en geeft onduidelijke informatie aan de oproeper.” De hoorzitting vindt, na een vraag om uitstel van verzoeker, plaats op 28 augustus
- Naar aanleiding hiervan legt verzoeker een verweerschrift neer, met als bijlage de beslissing van 16 juli 2024 van de evaluatiecommissie. Van deze hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld, dat op 9 september 2024 ter kennis wordt gebracht van verzoeker, die het op 16 september 2024 ondertekend terugzendt. 3.
- Op 24 september 2024 wordt het tuchtdossier, samen met een nota, overgemaakt aan het directiecomité. Verzoeker wordt uitgenodigd voor een hoorzitting op 18 oktober 2024, met het oog op het formuleren van een voorstel van tuchtstraf. Verzoeker bevestigt, via zijn raadsman, zijn aanwezigheid en ontvangt een digitale kopie van het tuchtdossier. Op de hoorzitting legt verzoeker een verweerschrift neer, met als bijlage de beslissing van 16 juli 2024 van de evaluatiecommissie. Naar aanleiding van deze hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. Op 29 oktober 2024 wordt aan verzoeker het ‘ontslag van ambtswege’ als voorstel van tuchtstraf betekend. Met een e-mail van 31 oktober IX-10.673-7/37 2024 bevestigt verzoeker, bij monde van zijn raadsman, de goede ontvangst daarvan. 3.
- Op 15 november 2024 tekent verzoeker tegen dit voorstel van tuchtstraf beroep aan bij de raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren (hierna: de raad van beroep). De zitting van de raad van beroep vindt plaats op 27 februari
- De raad van beroep adviseert om het voorstel van tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ te bevestigen. 3.
- Op 14 april 2025 beslist de voorzitster van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken om aan verzoeker de tuchtstraf ‘ontslag van ambts- wege’ op te leggen, met ingang van 15 april
- Overwogen wordt wat volgt: “Overwegende dat de directie 112 op 27 en 28 maart 2024 via email van de Site-coördinator Noodcentrale 112 Vlaams-Brabant en via telefonisch onderhoud met het diensthoofd Noodcentrale 112 Vlaams-Brabant op de hoogte werd gebracht van een aantal feiten en incidenten houdende ongepast en onrespectvol gedrag van [verzoeker] ten opzichte van enkele vrouwelijke collega’s; dat het enerzijds een incident op de tram op de terugweg van een opleiding betreft waarbij [verzoeker] het woord ‘slet’ gebruikte en hiermee alludeerde op mevrouw [E.] en dat het anderzijds een woordenwisseling betreft tijdens een les, waarbij [verzoeker] ‘hou uw muil, stomme trut’ zei; Overwegende dat [verzoeker] daarnaast ook ongepaste uitlatingen ten opzichte van twee andere vrouwelijke medestagiairs deed en dat hij aan de ene persoon als opmerking gaf ‘als dat van Defensie komt, waarschijnlijk de matras van’ en aan de andere persoon een opmerking gaf over haar uiterlijk; Overwegende dat de directie 112 op 25 maart 2024 via e-mail van het diensthoofd van de noodcentrale 112 Vlaams-Brabant op de hoogte gebracht werd van het feit dat [verzoeker] ongepast en onrespectvol gedrag vertoonde ten opzichte van twee poetsvrouwen in het gebouw van de noodcentrale 112/101 Vlaams-Brabant, waarbij hij woorden als ‘dik en ‘Miss Piggy’ gebruikt heeft; Overwegende dat [verzoeker] met ingang van 29 maart 2024 in dienstvrijstelling werd geplaatst; Overwegende dat de administratie stelt dat dergelijk ongepast en onrespectvol gedrag naar vrouwelijke collega’s en twee poetsvrouwen niet getolereerd kan worden van een rijksambtenaar, en al zeker niet van een operator 112 die dagelijks telefonisch contact heeft met de burger in IX-10.673-8/37 nood en op wie deze burger blindelings moet kunnen vertrouwen; Overwegende dat [verzoeker] herhaaldelijk werd aangesproken over zijn ongepast en onrespectvol gedrag door collega’s-medestagiairs, door docenten en door de hiërarchie; dat het incident waarbij [verzoeker] een collega ‘trut’ noemde zelfs plaats vond op dezelfde dag en net nadat de site-coördinator van de Noodcentrale 112 Vlaams-Brabant, een gesprek met hem voerde betreffende zijn onrespectvol gedrag jegens de twee poetsvrouwen en dat hieruit blijkt dat hij zich van geen kwaad bewust is en aldus geen stappen onderneemt om zaken recht te zetten en zijn gedrag te wijzigen; Overwegende dat de administratie, op basis van het gevoerde onderzoek, de verklaringen en de getuigenissen, heeft vastgesteld dat [verzoeker] over het algemeen regelmatig ongepast gedrag stelt, niet alleen richting vrouwelijke collega’s maar ook naar docenten en mentoren toe; dat zijn gedrag een grote impact heeft op de groepsdynamiek van de groep stagiairs waar hij deel van uitmaakte, hetgeen blijkt uit meerdere verklaringen waarin medestagiairs en docenten aangeven dat de sfeer in de groep opmerkelijk is verbeterd sinds [verzoeker] er geen deel meer van uitmaakt; Overwegende dat de administratie tevens heeft geconstateerd dat [verzoeker] eigengereid is, dat hij weigert de geijkte procedures te volgen, wat onaanvaardbaar en zelfs gevaarlijk is voor de burger; dat hij zich moeilijk kan neerleggen bij groepsbeslissingen; de docenten voortdurend in vraag stelt en dat hij niet constructief omgaat met feedback; Overwegende dat de administratie concludeert dat [verzoeker] gewoonweg niet functioneert; dat hij, door zijn gedrag, de goede werking van de dienst naar de burgers toe verstoort, wat bijzonder risicovol is voor de burger, die spoedeisende hulp nodig heeft; Overwegende dat de administratie verduidelijkt dat het imago van FOD Binnenlandse Zaken ernstig geschaad wordt indien het verlenen van spoedeisende hulp in gevaar is gekomen door het gedrag van [verzoeker]; Overwegende dat de administratie bevestigt dat er eerder, omwille van dezelfde feiten, een procedure werd opgestart tot ontslag wegens zware fout op grond van artikel 51, 2° lid, van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt en dat de evaluatiecommissie op 16 juli 2024 het advies uitbracht om geen ontslag wegens zware fout uit te spreken, maar wel stelde dat er ernstige vragen zijn omtrent de beroepsgeschiktheid van [verzoeker]; Overwegende dat de administratie verduidelijkt dat de evaluatiecommissie oordeelt over de beroepsbekwaamheid van de stagiair; dat haar beslissingen geen bestraffend karakter hebben, ook niet als het gaat om het ‘ontslag wegens zware fout’ die een specifieke vorm is van ontslag wegens beroepsongeschiktheid en dat enkel de tuchtprocedure een bestraffend karakter heeft; Overwegende dat de administratie toevoegt dat een tuchtprocedure het gedrag van de stagiair toetst aan de rechten en plichten en dat een tuchtprocedure kan leiden tot tuchtsancties, met een bestraffend karakter; Overwegende dat uit de constante rechtspraak van de Raad van State volgt dat voor dezelfde feiten zowel een voorstel voor ontslag wegens zware IX-10.673-9/37 fout tijdens de stage bij de evaluatiecommissie als een tuchtprocedure bij het Directiecomité kan worden ingediend; Overwegende dat de administratie tevens benadrukt dat het algemeen rechtsbeginsel ‘non bis in idem’ inhoudt dat men niet twee keer gestraft kan worden voor eenzelfde feit en dat de Raad van State meermaals heeft bevestigd dat het rechtsbeginsel niet belet dat eenzelfde feit aanleiding kan geven tot maatregelen van verschillende aard (zie onder meer het arrest nr. 255.321 dd. 20 december 2022); Overwegende dat de administratie bijgevolg besluit dat er geen sprake is van een schending van het algemeen rechtsbeginsel ‘non bis in idem’; Overwegende dat de administratie er op wijst dat het Directiecomité, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft, zowel op het vlak van feitenvinding en de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde tuchtfeiten en op het vlak van de straftoemeting; dat het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, zodat het Directiecomité op discretionaire wijze de bewijswaarde beoordeelt van de gegevens uit het dossier om tot een bepaalde overtuiging te komen en dat het Directiecomité hierbij kan steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen maar ook op getuigenissen en vermoedens; Overwegende dat de administratie weerlegt dat er een intentieproces werd gevoerd, dat de verklaringen van de collega’s en de poetsvrouwen inhoudelijk gelijkaardig zijn en dat de feiten zich herhaaldelijk hebben voorgedaan; Overwegende dat de administratie benadrukt dat de procedure nauwgezet werd gevolgd en dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn; Overwegende dat de administratie er aan herinnert […] dat tegen [verzoeker] in 2023 reeds een eerste tuchtprocedure werd gevoerd wegens een reeks incidenten en vaststellingen van ongewenst gedrag op de werkvloer t.a.v. een aantal vrouwelijke collega’s en dat het Directiecomité in de zitting van 27 september 2023 de tuchtsanctie ‘terechtwijzing’ oplegde en dat het Directiecomité hem enerzijds het signaal wilde geven dat zijn gedrag en uitlatingen niet getolereerd kunnen worden, maar dat hem anderzijds ook de kans werd gegeven om zich te herpakken; Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] verwijst naar het verzoekschrift dat op 15 november 2024 werd neergelegd; Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] de feiten betwist; dat hij stelt dat het tuchtdossier geen bewijs bevat van de ingeroepen beweerde feiten, dat de verklaringen elkaar tegenspreken en dat er een intentieproces gevoerd is waardoor de getuigenissen dan ook met de grootste omzichtigheid moeten benaderd worden; Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] enkel toegeeft dat [verzoeker] tijdens een opleiding inderdaad ‘trut’ heeft gezegd tegen een collega-stagiair maar dat dit in een context dient te worden geplaatst; dat de stagiair er ook een aandeel in had want uitdagend was naar [verzoeker] toe en er sowieso een cultuur van geroddel is en dat [verzoeker] zich hiervoor heeft willen excuseren, zo hem hiertoe de kans zou zijn geboden; IX-10.673-10/37 Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] stelt dat [verzoeker] het woord ‘slet’ niet heeft gezegd; dat de getuigenissen daaromtrent niet eenstemmend zijn, dat de feiten zich buiten de werksfeer want op de tram hebben afgespeeld en dat [verzoeker] zich hiervoor dan ook niet kan excuseren; Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] stelt dat zijn uitlatingen jegens de twee poetsvrouwen genuanceerd dienen te worden en dat zij [verzoeker] zelf eerst voor ‘varken’ hebben uitgescholden; Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] stelt dat de evaluatiecommissie zich, bij beslissing van 16 juli 2024 reeds heeft uitgesproken over exact dezelfde feiten als deze waarvoor [verzoeker] thans tuchtrechtelijk opnieuw vervolgd wordt en dat de beslissing in kracht van gewijsde is getreden; Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] stelt dat de ontslagprocedure wegens zware fout en de tuchtprocedure verschillende procedures zijn maar dat de finaliteit dezelfde is waardoor het non bis in idem-principe ten volle geldt en dat de tuchtprocedure kort na de procedure bij de evaluatiecommissie werd opgestart teneinde een nieuwe poging te ondernemen om [verzoeker] te ontslaan; Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] toevoegt dat, zelfs indien het non bis in idem-principe geldt, de uitspraak niet kan worden genegeerd en dat er geen sprake is van zware tuchtfeiten; Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] stelt dat de handelswijze om eerst een volledige procedure tegen [verzoeker] te voeren op grond van artikel 51, tweede lid, van het KB van 14 januari 2022 om het ontslag te bekomen omwille van zware fout gedurende de stage en vervolgens voor exact dezelfde feiten en op basis van exact dezelfde stukken alsnog en voor het eerst een tuchtprocedure op te starten niet redelijk is en rechtsmisbruik uitmaakt en dat door deze aanpak de redelijke termijn is overschreden; Overwegende dat [verzoeker] aangeeft dat de stage positief is verlopen op de nieuwe werkplek op de noodcentrale 112, maar dat hij, gezien de vele roddels aldaar, geen eerlijke kans heeft gekregen; Overwegende dat [verzoeker] beklemtoont dat hij niets [heeft] misdaan en dat daarom geen schuldbesef nodig is; Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] stelt dat het voorstel van tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ disproportioneel streng is; Overwegende dat de Raad van beroep vaststelt dat de tuchtprocedure binnen de tien maanden werd afgerond en dat, rekening houdende met de elementen van het dossier en de aard van de zaak, deze op een gepaste manier werd opgevolgd en behandeld zodat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn; Overwegende dat de Raad van beroep van oordeel is dat het non bis in idem-principe niet van toepassing is, dat de bevoegdheid van de evaluatiecommissie een andere finaliteit dient dan het opstarten van een tuchtonderzoek; Overwegende dat de Raad van Beroep verduidelijkt dat de evaluatiecommissie de competenties beoordeelt inzake de beroepsgeschiktheid, terwijl een tuchtprocedure een bestraffend karakter IX-10.673-11/37 heeft inzake de beoordeling van het gedrag van de ambtenaar; Overwegende dat de Raad van Beroep oordeelt dat het feit dat de evaluatiecommissie vaststelt dat er geen reden is voor een ontslag wegens zware fout niet verhindert dat de tuchtoverheid kan oordelen of dat de vermelde feiten tuchtfeiten betreffen; Overwegende dat de Raad van Beroep van oordeel is dat het onderzoek voldoende grondig werd gevoerd zodat er geen aanvullend onderzoek nodig is; Overwegende dat de Raad van Beroep stelt dat uit de stukken van het tuchtdossier, uit de verklaringen van bepaalde collega’s, uit het debat ter zitting en uit de verklaringen van [verzoeker] ter zitting blijkt dat alle elementen in dezelfde richting van beledigende, respectloze en discriminerende gedragingen van de betrokkene wijzen; Overwegende dat de Raad van Beroep, na geheime stemming, dan ook van oordeel is, dat de feiten van de tenlastelegging, zoals hierboven nader omschreven, naar voldoening van recht bewezen zijn; Overwegende dat de Raad van Beroep stelt dat, opdat in hoofde van [verzoeker] een tuchtstraf kan worden opgelegd, er sprake moet zijn van een hem verwijtbaar tuchtfeit; dat een tuchtfeit een feit, een gedraging of een schuldige tekortkoming aan de beroepsplichten is, dit zijn de verplichtingen die het personeelslid, in zijn hoedanigheid van medewerker aan de openbare dienst, tegenover de dienst heeft; Overwegende dat de ambtenaar dus een tekortkoming aan zijn beroepsplicht moet begaan en ook schuld moet hebben aan deze tekortkoming, hetzij opzettelijk, hetzij door nalatigheid, die van aard is om de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen (zie I. Opdebeek en A. Coolsaet, algemene beginselen van ambtenaren- tuchtrecht, Die Keure); Overwegende dat het Directiecomité stelt dat de feiten en gedragingen die aan [verzoeker] worden verweten ernstige inbreuken uitmaken op artikel 7, § 2, van het KB van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel dat stelt dat de ambtenaar zich met waardigheid en hoffelijkheid dient te gedragen, op artikel 5.1.1 van het algemeen arbeidsreglement van de FOD Binnenlandse Zaken dat stelt dat de ambtenaar zich loyaal en integer dient te gedragen en de procedures dient na te leven, op artikel 5.4 van het algemeen arbeidsreglement van de FOD Binnenlandse Zaken dat stelt dat er geen daden mogen worden gesteld die in strijd zijn met de goede zeden en op de deontologische code van de FOD Binnenlandse Zaken, die stelt dat de ambtenaar zich dient te onthouden van niet-respectvol gedrag en ongepast taalgebruik; Overwegende dat de Raad van Beroep van oordeel is dat de motieven en beweegredenen aangehaald in de bestreden beslissing van het Directiecomité van 18 oktober 2024 nog gelden en over te nemen zijn en de Raad van Beroep deze tot de hare maakt; Overwegende dat de Raad van Beroep benadrukt dat de tuchtoverheid terecht stelt dat deze feiten een tuchtrechtelijke tekortkoming uitmaken; Overwegende dat de Raad van Beroep oordeelt dat de feiten zeer zwaarwichtig zijn, zeker in het kader van de werkomgeving van [verzoeker], waarbij de verstandhouding tussen de collega’s optimaal IX-10.673-12/37 dient te zijn om telkens passend te reageren; Overwegende dat de uitlatingen van [verzoeker] onrespectvol en beledigend zijn, dat er om dezelfde gedragingen eerder een tuchtsanctie werd opgelegd maar dat [verzoeker] hieruit blijkbaar niets heeft geleerd en ook zijn houding naar de collega’s toe niet heeft gewijzigd; Overwegende dat de Raad van Beroep bevestigt dat het vertrouwen in [verzoeker] zeer ernstig is geschaad; Overwegende dat de Raad van Beroep van oordeel is dat ‘ontslag van ambtswege’ overeenkomstig art 77, §1, 4°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel de meest aangepaste tuchtstraf is. […] Aan [verzoeker], operator noodcentrale 112 bij de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, wordt als tuchtstraf het ontslag van ambtswege opgelegd, met ingang van 15 april 2025.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid Exceptie
- De verwerende partij werpt op dat het schorsingsverzoek onont- vankelijk is omdat verzoeker niet met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden. Zij betoogt dat de bestreden beslissing door verzoeker in ontvangst is genomen op 15 april 2025 en dat hij vervolgens, zonder verantwoording, tot 30 mei 2025 – hetzij vijfenveertig dagen – heeft gewacht om het schorsingsverzoek in te dienen. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, gaat het niet om een beslissing die plots of onverwachts is genomen, maar om een te voorziene beslissing op het einde van een tuchtprocedure, die bovendien onmiddellijke uitwerking heeft. Beoordeling
- Op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie dient vooralsnog niet te worden ingegaan nu, zoals hierna zal blijken, niet is voldaan aan IX-10.673-13/37 één van de door artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde cumulatieve voorwaarden.
- Louter ten overvloede kan de verwerende partij erop worden geattendeerd dat te dezen in een enig verzoekschrift de schorsing en nietigverklaring wordt gevorderd van de bestreden beslissing. Dit verzoekschrift werd in elk geval binnen zestig dagen – en derhalve tijdig – ingediend. Nog daargelaten in welke mate afdoende aannemelijk wordt gemaakt dat voor het indienen van een ‘gewone’ vordering tot schorsing, in tegenstelling tot het indienen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, daadwerkelijk een verplichting zou gelden om diligent te handelen om de spoedeisendheid te doen aanvaarden, geldt diligentie alleszins niet als criterium om, op straffe van onontvankelijkheid ratione temporis, een schorsingsvordering in te leiden. Hoogstens vormt het een beoordeling die zich opdringt bij de bespreking, zo nodig of nuttig, van de grondvoorwaarde van de spoedeisendheid. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. IX-10.673-14/37 VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van het beginsel ne bis in idem, artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 ‘inzake burgerrechten en politieke rechten’ (IVBPR), artikel 4, lid 1, van het Zevende Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), iuncto het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat hij reeds werd betrokken in een procedure met een bestraffend oogmerk – ontslag wegens een zware fout – met toepassing van artikel 51 van het evaluatiebesluit. De in die procedure beoordeelde fouten zijn, zo stelt verzoeker, dezelfde als deze die aan de thans bestreden beslissing ten grondslag liggen en in de eerstgenoemde procedure werd zelfs uitdrukkelijk naar de plichtenleer en de tucht verwezen. De evaluatiecommissie heeft over die feiten geoordeeld dat zij geen “zware fouten” uitmaken. Met de thans bestreden beslissing, die het sluitstuk is van een procedure die “quasi hetzelfde” is als de procedure voor de evaluatiecommissie, ziet verzoeker zich een tweede maal vervolgd en bestraft voor identieke feiten. De tuchtsanctie strijdt volgens verzoeker dan ook met het beginsel ne bis in idem. Verzoeker stipt nog aan dat de “toepasselijke wettelijke bepaling niet [voorziet] in een cumul van verschillende bestraffende maatregelen voor dezelfde feiten” zodat beide procedures niet cumulatief op verzoeker en de betrokken feiten kunnen worden toegepast. Door in die omstandigheden toch een tuchtstraf op te leggen, acht verzoeker ook het zorgvuldigheidsbeginsel, artikel 14.7 IVBPR en artikel 4, lid 1, van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM geschonden. IX-10.673-15/37 Beoordeling
- Artikel 14.7 IVBPR luidt als volgt: “Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.” Het door verzoeker eveneens geschonden geachte artikel 4, lid 1, van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM bepaalt: “Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.” Het algemeen rechtsbeginsel ne bis in idem heeft dezelfde draagwijdte. Het houdt in dat niemand twee keer mag worden gestraft of berecht voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds is veroordeeld of vrijgesproken. Het zorgvuldigheidsbeginsel tot slot houdt in dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid worden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing, en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
- Artikel 51 van het evaluatiebesluit voorziet in de mogelijkheid dat een stagiair wordt ontslagen: “De stagiair kan worden ontslagen wegens beroepsongeschiktheid. Voor elke zware fout begaan gedurende of ter gelegenheid van de stage kan de stagiair die er zich schuldig aan maakt zonder opzegging worden ontslagen. De betrokkene moet vooraf worden gehoord of ondervraagd. IX-10.673-16/37 Het in het eerste en tweede lid bedoelde ontslag wordt door de leidend ambtenaar uitgesproken op voorstel van de evaluatiecommissie.” Ten aanzien van verzoeker is een procedure op die grond ingesteld, die aanleiding heeft gegeven tot het oordeel van de evaluatiecommissie dat “niet [kon] worden uitgemaakt of de tenlastegelegde uitlatingen niet werden uitgelokt of al dan niet in reactie werden geuit; dat er door de lange periode van dienstvrijstelling onvoldoende tijd is geweest om de competenties van [verzoeker] te beoordelen; dat er ernstige vragen zijn omtrent de beroepsgeschiktheid van [verzoeker] maar dat er geen sprake is van bewezen zware fouten; dat het door de reeds gemaakte opmerkingen omtrent zijn functioneren als operator wenselijk lijkt dat de stage wordt verdergezet op een andere dienst.” Op die gronden heeft de evaluatiecommissie geoordeeld dat verzoeker niet met toepassing van artikel 51 van het evaluatiebesluit kon worden ontslagen op grond van zware fout. Het lijkt an sich niet te worden betwist dat de tuchtprocedure die daaropvolgend lastens verzoeker werd ingesteld, steunt op dezelfde feiten. Minstens stelt de verwerende partij ook zelf “[d]at sommige elementen of feiten in beide procedures voorkomen”. 11.
- Het beginsel ne bis in idem, zoals het ook ligt besloten in de door verzoeker ingeroepen verdragsbepalingen, houdt zoals gezien in dat niemand twee keer mag worden gestraft of berecht voor eenzelfde strafbaar feit. Dit belet niet dat eenzelfde feit aanleiding kan geven tot maatregelen van verschillende aard. 11.
- Te dezen lijkt prima facie te moeten worden vastgesteld dat de procedure van artikel 51 van het evaluatiereglement enerzijds en de tuchtprocedure anderzijds, een andere finaliteit hebben. Terwijl de tuchtprocedure de bedoeling heeft schuldig gedrag te sanctioneren, lijkt de procedure van artikel 51 van het evaluatiereglement, zoals de naam van het reglement aangeeft, essentieel te kaderen in de evaluatie. De aanname dat de uitkomst van beide procedures een vergelijkbaar gevolg kan hebben, doet IX-10.673-17/37 daaraan geen afbreuk, ook niet wanneer dat gevolg het ontslag van de betrokkene is. Een stage heeft tot doel de overheid, als werkgever, toe te laten te evalueren of de stagiair aan alle verwachtingen voldoet alvorens desgevallend tot diens definitieve aanwerving over te gaan. Het ontslag van een stagiair, desgevallend voortijdig, volgt op het eerste gezicht uit de vaststelling dat dit niet het geval is, en heeft geen bestraffende dimensie als zodanig. De omstandigheid dat een dergelijk ontslag is gebaseerd op een zware fout die werd begaan gedurende of ter gelegenheid van de stage, lijkt niet anders te doen besluiten. 11.
- Verzoekers stelling dat de procedure overeenkomstig artikel 51 van het evaluatiereglement en de tuchtprocedure beide een bestraffend karakter hebben, wordt derhalve vooralsnog niet bijgevallen. 11.
- In dat opzicht is het eerste middel niet ernstig. 12.
- Bovendien rijst de vraag of, zelfs indien te dezen een ontslagprocedure op grond van een “zware fout” in het vaarwater van de tucht zou kunnen worden gebracht, de voorwaarden zijn vervuld opdat de door verzoeker ingeroepen rechtsgronden toepassing kunnen vinden. De vraag rijst in dat opzicht meer bepaald of ten aanzien van verzoeker tweemaal een “einduitspraak” (artikel 14.7 IVBPR) voorligt waarbij hij is “veroordeeld of vrijgesproken” (artikel 14.7 IVBPR en artikel 4, lid 1, van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM). 12.
- Naar luid van artikel 51 van het evaluatiereglement kan een stagiair die zich schuldig maakt aan een zware fout worden ontslagen met een beslissing genomen “door de leidend ambtenaar uitgesproken op voorstel van de evaluatiecommissie”. De eindbeslissing berust derhalve, zo lijkt, bij de leidend ambtenaar. De evaluatiecommissie komt daarbij niet voor als een werkgever, noch als tuchtoverheid, maar als een paritair samengesteld orgaan dat de evaluatie van IX-10.673-18/37 de competenties op het oog heeft, in casu in het bijzonder de vraag of een gedurende of ter gelegenheid van de stage begane zware fout tot het ontslag van de stagiair kan leiden. Dat doet op het eerste gezicht besluiten dat de evaluatie- commissie, ongeacht hoe zij het resultaat van haar beraadslaging betitelt, niet “beslist”, maar enkel een “voorstel” doet. De mogelijkheid dat een voorstel in het kader van het voormelde artikel 51 bindend is derhalve de leidend ambtenaar kan verhinderen om tot ontslag over te gaan, doet de Raad van State vooralsnog niet besluiten dat de evaluatiecommissie daardoor, van de weeromstuit, een eindbeslissing neemt. 12.
- In dat licht neemt de Raad van State in de huidige stand van de procedure aan dat de procedure van artikel 51 van het evaluatiereglement niet heeft geleid tot een “einduitspraak” waarbij verzoeker is “veroordeeld of vrijgesproken” van de fouten die hem ten laste werden gelegd, zodat, op het eerste gezicht, aan de toepassingsvoorwaarden van de door verzoeker ingeroepen rechtsgronden niet is voldaan. 12.
- Het middel is ook om die reden niet ernstig. 13.
- Uit wat voorafgaat, volgt prima facie dat ook verzoekers grief dat de verwerende partij “niet zorgvuldig te werk [ging] door verzoekende partij opnieuw te willen straffen voor feiten waarvoor hij reeds werd berecht”, van een verkeerde premisse vertrekt en niet tot de onregelmatigheid van de bestreden beslissing kan leiden. 13.
- Overigens lijkt ten overvloede te moeten worden opgemerkt dat de tuchtoverheid wel degelijk – en anders dan verzoeker lijkt te menen – oog heeft gehad voor de reeds bij de evaluatiecommissie doorlopen procedure. Zij heeft immers op het eerste gezicht over verzoekers ook in de tuchtprocedure opgeworpen argumenten met betrekking tot het ne bis in idem-beginsel standpunt ingenomen. IX-10.673-19/37 Ook tot een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan vooralsnog niet worden besloten.
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht iuncto het zorgvuldigheidsbeginsel en “de beslissing van de Evaluatiecommissie d.d. 23 juli 2024.” Volgens verzoeker beantwoorden de in de bestreden beslissing opgenomen motieven niet aan de materiëlemotiveringsplicht en is die beslissing bijgevolg niet gesteund op werkelijk bestaande en concrete feiten. Verzoeker betwist dat hij S.E. op de tram heeft uitgescholden of respectloos heeft behandeld; hij betwist eveneens dat hij de hem ten laste gelegde opmerking heeft gemaakt ten aanzien van zijn medestagiaire die bij Defensie heeft gewerkt. Van dat alles ligt naar oordeel van verzoeker geen objectief bewijs voor, maar slechts – niet geheel overeenstemmende – verklaringen van andere stagiairs. Het is voor verzoeker daarbij opvallend dat verschillende verklaringen dezelfde bewoordingen (zoals ‘triggeren’) gebruiken. Die feiten, zo stelt verzoeker, zijn dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Ook de vermeende opmerking jegens een poetsvrouw is voor verzoeker geen vaststaand feit: het gaat om indirecte geruchten, aangezien de betrokken poetsvrouwen zelf geen verklaring hebben afgelegd. Minstens moeten volgens verzoeker “de volledige feiten” worden geschetst, te weten dat de poetsvrouwen zich ten aanzien van hem “al enige tijd respectloos gedroegen”. Wat de opmerking over het uiterlijk van een medestagiaire betreft, maakte verzoeker slechts een grapje, waarbij hij zich dan nog op positieve wijze uitsprak. IX-10.673-20/37 Het enige concrete feit in het dossier is volgens verzoeker de opmerking jegens S.E., die hij een “trut” noemde. Ook hierbij evenwel, laat de tuchtoverheid na om de volledige context te schetsen, aangezien de voormelde opmerking door haar werd uitgelokt door verzoeker “kanonnenvlees” te noemen. Ook die feiten zijn voor verzoeker niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld, aangezien de bestreden beslissing “is genomen op basis van leugenachtige, onvolledige en tegenstrijdige verklaringen die geuit zijn naar aanleiding van geruchten” over verzoeker. Bijgevolg is ook de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Nog een onzorgvuldigheid ziet verzoeker daarin gelegen dat de tuchtoverheid de beslissing van de evaluatiecommissie volledig naast zich neerlegt. Verzoeker verwijst naar de artikelen 33 en 51 van het evaluatiereglement en stelt dat de evaluatiecommissie heeft vastgesteld dat geen zware fout is bewezen. Meer nog, aangezien de evaluatiecommissie unaniem tot haar oordeel is gekomen, was de tuchtoverheid volgens verzoeker verplicht om dat advies te volgen. Beoordeling
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat elke administratieve rechtshandeling moet worden gedragen door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn en die daarom bij de uitoefening van het wettigheidstoezicht moeten kunnen worden gecontroleerd. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. IX-10.673-21/37
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 18.
- Voor zover verzoeker ook de “beslissing” van de evaluatiecommissie van 23 juli 2024 geschonden acht, kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middel. Daarin is voorlopig aangenomen dat de tussenkomst van de evaluatiecommissie een voorstel betreft dat zich buiten de tuchtprocedure situeert. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat overeenkomstig de artikelen 79, § 4, en 82 en volgende van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het rijkspersoneel’ (hierna: het statuut rijkspersoneel) in de tuchtprocedure niet de evaluatiecommissie, maar de raad van beroep een rol te spelen heeft. Dat doet vooralsnog besluiten – nog daargelaten dat het door verzoeker ingeroepen artikel 33 van het evaluatiereglement betrekking heeft op de evaluatie ‘onvoldoende’ die hier prima facie niet aan de orde is – dat hoe dan ook niet kan worden besloten tot een schending van het voorstel van de evaluatiecommissie. 18.
- Betrokken op het voorstel van de evaluatiecommissie is het tweede middel niet ernstig.
- In de huidige stand van de procedure stelt de Raad van State vast dat verzoeker geen schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht, zodat hij niet lijkt te weerspreken dat hij daadwerkelijk kennis heeft van de motieven waarop de bestreden beslissing steunt. IX-10.673-22/37 20.
- Bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid beschikt de tuchtoverheid over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt in beginsel op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Zij vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enzovoort. De tuchtoverheid mag haar overtuiging gronden op alle regelmatig verkregen gegevens, en beoordeelt op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het valt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 20.
- De tuchtoverheid verwijt aan verzoeker, daarbij verwijzend naar de overwegingen van het voorstel van tuchtstraf van het directiecomité van 18 oktober 2024 en naar het advies van de Raad van Beroep, “beledigende, respectloze en discriminerende gedragingen” te hebben gedaan, of nog: uitlatingen die “onrespectvol en beledigend zijn”. Het gaat in het bijzonder om “ongepast en onrespectvol gedrag ten opzichte van enkele vrouwelijke collega’s”. Daarbij wordt vooreerst verwezen naar “een incident op de terugweg van een opleiding”, “waarbij [verzoeker] het woord ‘slet’ gebruikte en hiermee alludeerde op mevrouw [E.]”, evenals naar een “woordenwisseling […] tijdens een les, waarbij [verzoeker] hou uw muil, stomme trut” zei. Ook wordt verwezen naar “ongepaste uitlatingen ten opzichte van twee andere vrouwelijke medestagiairs”, waarbij verzoeker “aan de ene persoon als opmerking gaf ‘als dat van Defensie komt, waarschijnlijk de matras van’ en aan de andere persoon een opmerking gaf over haar uiterlijk”. In de bestreden beslissing worden daarbij de meldingen in herinnering gebracht die aan de directie 112 werden gedaan op 27 maart en 28 maart 2024 via een e-mail van IX-10.673-23/37 de site-coördinator Noodcentrale 112 Vlaams Brabant en via een onderhoud met het diensthoofd Noodcentrale 112 Vlaams Brabant. Daarnaast is er sprake van “ongepast en onrespectvol gedrag […] ten opzichte van twee poetsvrouwen”. Hier gaat het om het gebruik van woorden als “dik” en “Miss Piggy”, waarbij in de bestreden beslissing in eerste instantie wordt verwezen naar de e-mail van 25 maart 2024 van het diensthoofd van de noodcentrale 112 Vlaams-Brabant aan de directie
- 21.
- Waar verzoeker stelt dat hij geen idee heeft waar de beschuldigingen met betrekking tot de interacties met S.E. vandaan komen, dat hij haar geenszins heeft uitgescholden op de tram of respectloos heeft behandeld en dat elk objectief bewijs ter zake ontbreekt, werden op het eerste gezicht verschillende met elkaar overeenstemmende verklaringen afgelegd. Er is niet alleen de verklaring van S.E. zelf: “Het is begonnen op de tram in Antwerpen richting het station, toen zei die opeens, ik heb al gestuurd dat ik met een slet op de tram zit die me lastig valt en hij keek naar mij. Ik vroeg wat hij daarmee wou zeggen. En ik zei dat als hij dat nog eens zei, dat ik me zou verweren. Hij zei alleen: Ja, alleenstaande mama. Toen heb ik gezegd: als je er mijn zoon bij betrekt, gaat het hier niet slim komen. Maandag zaten we hier en wou ik me excuseren. Hij kwam naast mij zitten. Tegen de middag waren we allemaal bezig over het voortraject voor de opleiding dat dat vrij lang geduurd had. Opeens zegt hij tegen mij: Waarover zijn jullie bezig, het interesseert me geen hol. Als het u niet interesseert, dan moet ge u niet moeien. Toen zei hij, Hou uw muil stomme trut. Toen ben ik recht gestaan en naar buiten gegaan.” Daarnaast is er bijvoorbeeld de verklaring van J.D., die onder meer stelt: “Naar mij toe persoonlijk heb ik niets met hem meegemaakt, maar met andere medestagiairs waren er wel woordenwisselingen waarbij [verzoeker] vrij fel uit de hoek kwam en persoonlijk werd naar die medestagiair. Met woorden als trut denk ik dat hij zei en daarvoor op de tram na een les in Antwerpen de uitspraak dat alle alleenstaande moeders sletten [zijn]. […] IX-10.673-24/37 Op de tram was er geen aanleiding. In de les zei hij tegen diezelfde persoon ‘och gij trut’, toen heeft hij zich gemoeid in een gesprek tussen twee medestagiairs, waarbij gezegd was zich niet te moeien.” M.B. verklaart: “Ik was getuige van de twee specifieke gebeurtenissen met [S.E.], waar hij haar beledigd heeft, zonder zelf te beseffen wat hij gezegd heeft. Dat vind ik het vreemde aan hem. Op een overvolle tram in Antwerpen, ik heb het hem niet persoonlijk horen zeggen, maar plots vliegt ze uit naar hem. Noem je me nu een slet omdat ik een alleenstaande moeder ben. Dan noem je me beter een bitch. Dan heb ik met hem op de trein van Antwerpen naar Leuven gezeten. Hij is er kort op teruggekomen en hij beseft niet wat hij verkeerd heeft gezegd. Het tweede incident was hier, in de les met [G.H.]. [G.H.] sprak over verschillende soorten van selecties. [Verzoeker] zat naast [S.E.] toevallig, plots zei hij tegen haar, maar zwijg dan toch trut. Zij is daarop onmiddellijk rechtgestaan, en naar buiten gegaan om te bekomen. Ook hier weer, geen idee waarom hij zo reageert. Algemeen is zijn houding in de les nogal betweterig. Hij heeft een rijk gevulde carrière op persoonlijk gebied. De sfeer is aanzienlijk verbeterd sinds hij er niet meer zit.” In dezelfde zin verklaart G.P.: “Wat wel opviel was zijn houding naar [S.E.], heel onbeleefd, luidop haar een trut noemen. Ze heeft nu eenmaal veel vragen, dat is haar persoonlijkheid, maar dat heeft iedereen, dat geeft hem nog geen toestemming om haar te kleineren en te zeggen dat haar vragen niet belangrijk zijn. Ze is heel goed op kennismeting, maar tijdens de opleiding stelt ze veel vragen. Als operator aan de telefoon doet ze dat niet. Zijn opmerkingen waren echt niet terecht en er was ook geen aanleiding toe. Het eerste kwartier in die nieuwe groep voor mij, na zijn opmerking naar mij toe. [S.E.] stelde een vraag, waarop hij reageerde: Je moet daarvoor toch niet storen, trut. Dan is hij nog een week bij ons geweest, en hij past hem niet aan in de groep. Hij functioneert eigenlijk niet in de opleidingsgroep. Als de lesgever iets zegt, dan gaat hij dat altijd in twijfel trekken, op een heel negatieve manier. ‘Dat ga ik zo niet doen ze.’” In de verklaring van S.D. is te lezen: “Ik heb hem [S.E.] een paar keer trut horen noemen, maar wat die ochtend in de zaal was gezegd, weet ik niet precies. Ik heb [S.E.] wel met tranen in de ogen naar buiten zien lopen en heb [verzoeker] gezegd niet te lachen met haar.” IX-10.673-25/37 V.B. verklaart: “Ik heb zelf meegemaakt dat we op de tram in Antwerpen zaten. Hij was met [S.E.] aan het babbelen en plots zei hij voor de hele tram: Ik zit hier met de grootste slet van Aalst op de tram. Tweede voorval was hier in de klas. Toen had hij gezegd: Stomme trut, hou uw muil.” Voorts verklaart expert opleidingen M.N., na een gesprek met de stagiairs van de opleidingsgroep: “Vorige week vrijdag is er blijkbaar een uitspraak gedaan in het openbaar (overvolle tram met jonge meisjes in de buurt) van ‘slet’ van een collega stagiaire. Aanleiding zou hier zijn dat het een ongehuwde moeder is. Deze is hiervan behoorlijk aangedaan, zeker omdat hij op één of andere manier haar kind in dit verhaal zou betrekken. Vervolgens is er maandag tijdens de opleiding naar dezelfde stagiair een uitspraak gedaan van ‘trut’.” 21.
- Verzoeker lijkt overigens te erkennen dat hij S.E. een ‘trut’ heeft genoemd. Zijn verantwoording dat die opmerking door haar werd uitgelokt, blijft op het eerste gezicht onbewezen en vindt prima facie geen steun in de voorliggende verklaringen – integendeel stellen verschillende getuigen dat zij niet inzien wat verzoeker tot zijn uitspraken heeft aangezet. 21.
- Op grond van deze verklaringen en vaststellingen is de Raad van State voorshands de overtuiging toegedaan dat de beide feiten met betrekking tot S.E. voldoende zorgvuldig zijn vastgesteld en naar genoegen van recht zijn bewezen. 22.
- Waar verzoeker eenzelfde kritiek laat gelden wat betreft de opmerking die hij heeft geuit ten aanzien van zijn vrouwelijke medestagiaire die voorgaand bij Defensie gewerkt heeft (“Als dat van Defensie komt, waarschijnlijk de matras van.”), kan worden verwezen naar de verklaring van de betrokkene zelf, P.G.: “Persoonlijke ervaring, mijn eerste dag hier in de cursus moest ik mezelf voorstellen omdat ik van een andere groep kwam. Ik kom uit Defensie, IX-10.673-26/37 waarop hij zei: Als dat van Defensie komt, waarschijnlijk de matras van. Ik heb er niet op gereageerd, de rest ook niet. Ik heb gewoon gezegd: Jij jouw opinie.” 22.
- Ook deze feiten lijken op deugdelijke wijze door de tuchtoverheid te zijn vastgesteld.
- Een aantal getuigenverklaringen worden door verzoeker in twijfel getrokken, eensdeels omdat ze “niet allemaal overeenkomen” en anderdeels omdat er opvallend “dezelfde verwoording” in voorkomt, zoals ‘triggeren’. De Raad van State ziet voorshands geen reden om op die summiere gronden de waarachtigheid van de betrokken verklaringen in twijfel te trekken. Er zijn prima facie geen aanwijzingen in het dossier dat een of meer verklaringen zouden zijn ingegeven door een vooringenomen negatieve opinie, of zelfs als “leugenachtig” zouden moeten worden bestempeld. In weerwil van wat verzoeker beweert, lijken de betrokken verklaringen ter zake overigens wel degelijk afdoende overeen te stemmen en onderlinge samenhang te vertonen, en dus het aan verzoeker verweten onrespectvol en ontoelaatbaar gedrag te ondersteunen. Dat volgens verzoeker daarnaast bepaalde woorden opvallend vaak in de verklaringen terugkomen, is op het eerste gezicht evenmin van aard te doen aannemen dat de tuchtoverheid ten onrechte geloof heeft gehecht aan de betrokken verklaringen. 24.
- Verzoeker blijkt ook zijn opmerkingen ten aanzien van de poetsvrouwen niet als bewezen te beschouwen, en hij stelt dat deze louter zijn gebaseerd op indirecte geruchten, aangezien de betrokken poetsvrouwen zelf geen verklaring hebben afgelegd. Ter zake kan op grond van het administratief dossier op het eerste gezicht het volgende worden vastgesteld. IX-10.673-27/37 T.R. en L.P., twee ploegchefs van ‘HC 112 Vlaams-Brabant’, melden op 25 maart 2024 na een gesprek met de betrokken schoonmaakster H. aan het diensthoofd van de noodcentrale: “[Verzoeker] zou dit weekend onacceptabel gedrag [hebben] vertoond jegens [H.], met kwetsende opmerkingen in de richting van ‘dik’ en ‘Miss Piggy’. [H.] voegde eraan toe dat zowel zij als [V.] zich meermaals vernederd gevoeld hebben na opmerkingen van [verzoeker]. We melden dit omdat we merken dat [H.] vandaag, enkele dagen later dus, hierover nog steeds duidelijk geëmotioneerd was. […] We hebben [H.] aangespoord hierover met jullie in gesprek te gaan, maar we zijn niet zeker of ze daadwerkelijk deze stap zal durven zetten.” Daarnaast is er de verklaring van J.D., verantwoordelijke voor de poetsploeg, die op 27 maart 2024 op de hoogte werd gebracht van het incident, waarna op 9 april 2024 ook een gesprek met de beide poetsvrouwen plaatsvond. In dit gesprek werd door de betrokken poetsvrouwen een beeld gegeven van de manier waarop verzoeker zich ten opzichte van hen op de werkvloer gedraagt. In haar verklaring zet J.D. trouwens uitdrukkelijk de reden uiteen waarom de organisatie zelf – en niet de poetsdames – een verklaring opstelt. 24.
- In de huidige stand van de procedure is de Raad van State van oordeel dat ook deze feiten met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld. Waar verzoeker tegenwerpt dat de poetsvrouwen zich ten opzichte van hem al enige tijd respectloos gedroegen, moet op het eerste gezicht worden geoordeeld dat zulks nergens uit blijkt en evenmin uit enige context kan worden afgeleid. 25.
- De opmerking over het uiterlijk van een medestagiaire (“ah, nu gaat die denken, ‘dat is die knappe van de Colruyt’”) ziet verzoeker als “simpelweg een grapje” waarmee hij zich positief uitliet. 25.
- Nog daargelaten dat het “humoristische” karakter van die uitspraak eensdeels, of het gegeven dat verzoeker niet de intentie tot beledigen zou hebben gehad geenszins anderdeels, op zich niet lijkt te beletten dat de IX-10.673-28/37 tuchtoverheid deze uitspraak mag kwalificeren als een tuchtvergrijp, moet worden opgemerkt dat in het voorstel van tuchtstraf deze uitspraak door het directiecomité niet als tuchtfeit is aangemerkt. Er wordt enkel uiteengezet waarom deze uitspraak illustratief wordt geacht voor de manier waarop verzoeker klaarblijkelijk reageert en communiceert. 26.
- Uit wat voorafgaat, lijkt te volgen dat de tuchtoverheid duidelijk en gemotiveerd aangeeft hoe zij op grond van een geheel aan ernstige, herhaalde en met elkaar overeenstemmende gegevens en verklaringen tot de gevolgtrekking komt dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen moeten worden geacht en waaruit een ontoelaatbaar gedrag kan worden gedistilleerd. De betrokken tuchtfeiten worden daarnaast overigens ook breder gekaderd tegen de achtergrond van een eerdere – door verzoeker niet aangevochten – tuchtrechtelijke terecht- wijzing wegens gelijkaardige feiten, waaruit wordt afgeleid dat verzoeker daaruit blijkbaar niets heeft geleerd en ook zijn houding naar de collega’s toe niet heeft gewijzigd. Als context wordt ook betrokken, het gegeven dat in hoofde van verzoeker in het algemeen bepaald gedrag werd vastgesteld, ook naar docenten en mentoren toe, met grote impact op de groepsdynamiek. Er wordt gewag gemaakt van een “patroon”, zoals dat effectief uit de aangenomen feiten lijkt te kunnen worden afgeleid. Niet ten onrechte lijkt dan ook – op basis van de stukken van het tuchtdossier, de verklaringen, het debat en ondanks het gevoerde verweer – te zijn aangenomen dat “alle elementen wijzen in dezelfde richting van beledigende, respectloze en discriminerende gedragingen”. 26.
- Verzoeker overtuigt de Raad van State er vooralsnog niet van dat de hem ten laste gelegde feiten onvoldoende of onzorgvuldig werden onderzocht en vastgesteld. De tuchtoverheid vermocht op het eerste gezicht wel degelijk geloofwaardigheid te hechten aan de verklaringen waarop zij haar beslissing steunt; prima facie is er sprake van met elkaar overeenstemmend en voldoende gewichtig voorkomende elementen die de aan verzoeker ten laste gelegde feiten naar voldoening van recht bewijzen. Er valt voorshands niet in te zien wat zou IX-10.673-29/37 nopen tot het oordeel dat de tuchtoverheid niet in redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten zou zijn gekomen, of haar discretionaire beoordelingsmarge zou hebben overschreden. Duidelijk blijkt dat aan bepaalde verklaringen een bepaalde waarde wordt gehecht, zoals deze daaraan ook effectief mocht worden gehecht. De tuchtoverheid lijkt daartoe over voldoende gegevens te hebben beschikt. Het gegeven dat verzoeker één en ander duidelijk anders ziet, doet daaraan geen afbreuk. 27.
- Een schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt prima facie niet aangetoond, net zomin als van het zorgvuldigheidsbeginsel. 27.
- Het tweede middel is niet enstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel beroept verzoeker zich op een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het “proportionaliteits- [lees: redelijkheids-] en evenredigheidsbeginsel” en “de redelijke termijnvereiste vervat in artikel 6.1 EVRM”. Wat het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, herhaalt verzoeker dat de bestreden beslissing niet steunt op werkelijk bestaande en concrete feiten. Hij herneemt ter zake wat in het tweede middel is uiteengezet, ook wat betreft de grief dat de tuchtoverheid de beoordeling van de evaluatiecommissie naast zich heeft neergelegd. Met betrekking tot het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel betoogt verzoeker vooreerst dat de bestreden beslissing manifest onredelijk is omdat zij de redelijke termijn miskent. Ter zake stipt verzoeker aan dat de vermeende feiten dateren van eind maart 2024, dat de IX-10.673-30/37 tuchtprocedure werd opgestart vier maanden later en dat de bestreden beslissing dateert van 14 april 2025, zijnde meer dan een jaar na de vermeende feiten, terwijl het niet gaat om een complexe zaak. Het lange stilzitten van de tuchtoverheid staat voor verzoeker niet in verhouding tot de omstandigheden van de zaak. Voorts stelt verzoeker, wat het evenredigheidsbeginsel betreft, dat zelfs indien de motieven van de bestreden beslissing als deugdelijk en afdoende bewezen worden beschouwd, er een grote wanverhouding bestaat tussen die feiten en de strekking van de bestreden beslissing. Het gaat immers, zo betoogt verzoeker, om ongepast gedrag ten aanzien van enkele vrouwelijke collega’s en hoogstens vier mondelinge opmerkingen, waarvan er twee worden betwist. Verzoeker erkent dat deze opmerkingen, indien ze bewezen worden geacht, ongepast zijn in een professionele context, maar de opgelegde tuchtstraf is volgens verzoeker zeer zwaar en verregaand en alleszins disproportioneel. Verzoeker stond immers nog aan het begin van zijn opleidingsstage, waarvoor hij zich volledig inzette, en hij was in staat om het opleidingstraject tot een goed einde te brengen. Verzoeker verwijst ter zake naar arrest nr. 216.647 van 1 december 2011, waarin werd geoordeeld dat een ontslag van ambtswege, opgelegd aan een calltaker, disproportioneel was. Beoordeling
- Wat het zorgvuldigheidsbeginsel en de overwegingen van de evaluatiecommissie betreft, herneemt of parafraseert verzoeker wat hij daaromtrent in het tweede middel heeft doen gelden. Hiervóór is bij de bespreking van het tweede middel gebleken dat verzoekers argumenten ter zake op het eerste gezicht niet kunnen overtuigen. Er is vooralsnog geen reden om er in het kader van het derde middel anders over te oordelen. IX-10.673-31/37 30.
- Met betrekking tot de vereiste van de redelijke termijn luidt artikel 6, lid 1, van het EVRM als volgt: “Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.” 30.
- De redelijketermijneis geldt – in beginsel – enkel bij afwezigheid van normatief bepaalde termijnen. Verzoeker voert niet de schending aan van enige in het administratief statuut op straffe van nietigheid of verval van de tuchtvordering voorgeschreven termijn. Evenmin stelt verzoeker dat andere termijnen (van orde) uit het administratief statuut zijn miskend. 30.
- De redelijkheid van de termijn moet voor elk geval afzonderlijk worden beoordeeld, waarbij inzonderheid rekening dient te worden gehouden met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak en met de houding en het gedrag van de partijen. De verplichting om een tuchtzaak zonder verwijl af te handelen houdt niet alleen verband met het beëindigen van de onzekerheid waarin een tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zich bevindt, maar ook met de ordentelijke werking van een administratie, die vereist dat elke verstoring van de orde zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Als een redelijke termijn wordt beschouwd de tijd die normaal nodig is om een zaak haar beslag te geven. Daarbij komt dat de redelijkheid van de termijn in concreto moet worden beoordeeld, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. IX-10.673-32/37 30.
- De vraag of een tuchtprocedure binnen een redelijke termijn is afgehandeld, moet in de eerste plaats in globo worden onderzocht, rekening houdend met de reglementair voorgeschreven procedurestappen en met de feitelijke stappen tijdens de besluitvorming die noodzakelijk bleken, zoals het stellen van onderzoeksdaden. Een onderzoek van elk van die onderscheiden fasen en de al dan niet gegeven verantwoording voor de duur ervan, kan dan nodig zijn om tot een besluit te komen over het al dan niet redelijke karakter van het volledige tijdsverloop. Wanneer het totale tijdsbeslag op zich niet ervan doet blijken dat de redelijketermijneis geschonden is, kan die schending vervolgens toch blijken uit een onverantwoord lang stilzitten van het bestuur tijdens de ene of andere fase van de tuchtprocedure. Daartoe moet de verzoekende partij evenwel aantonen dat zij wegens dit stilzitten een nadeel heeft geleden, bijvoorbeeld dat getuigen niet meer (betrouwbaar) ondervraagd konden worden, precies omwille van dit tijdsverloop. Zij moet, met andere woorden, aantonen dat de in die fase opgelopen vertraging niet is goedgemaakt door de afdoend snelle afhandeling van de totale procedure, in haar geheel beschouwd. 30.
- Met betrekking tot de gehele termijn die de tuchtprocedure in beslag heeft genomen, kan worden vastgesteld dat deze heeft gelopen van 23 juli 2024 tot 14 april 2025, hetzij iets minder dan negen maanden. Voor een tuchtprocedure die voorziet in het horen van het personeelslid, het voorleggen van het dossier aan het directiecomité, een beroepsmogelijkheid bij de raad van beroep en vervolgens een door de voorzitter van het directiecomité te nemen nieuwe beslissing, kan de Raad van State prima facie niet besluiten dat verzoeker in globo onredelijk lang heeft moeten wachten op de uitkomst van de tuchtzaak. De Raad houdt daarbij rekening ermee dat binnen die kleine negen maanden een periode van meer dan drie weken is toe te rekenen aan het door verzoeker gevraagde uitstel en dat twee weken door verzoeker zijn benut voor het instellen van het beroep bij de raad van beroep. IX-10.673-33/37 30.
- Wat de redelijke termijn bij de verdere afhandeling van de tuchtprocedure in concreto betreft, kan worden vastgesteld dat de hoorzitting na verzoekers vraag om uitstel plaatsvond op 28 augustus
- Na ontvangst van het door verzoeker ondertekende proces-verbaal van deze hoorzitting op 16 september 2024, werd het dossier op 24 september 2024 doorgestuurd naar het directiecomité, zijnde binnen de in artikel 78, § 5, van het statuut rijkspersoneel voorgeschreven termijn van tien dagen. Twee dagen later – en op het eerste gezicht dus binnen de in artikel 79, § 1, van dat statuut bepaalde termijn van tien dagen – heeft het directiecomité verzoeker opgeroepen om te verschijnen op 18 oktober
- Op diezelfde 18 oktober 2024 werd het voorstel van tuchtstraf geformuleerd, waarna het op 29 oktober 2024 aan verzoeker werd betekend, zoals is voorgeschreven in artikel 79, § 3, van het statuut. Hiertegen werd door verzoeker op 15 november 2024 een beroep aangetekend bij de raad van beroep, waarna op 27 februari 2025 de hoorzitting plaatsvond en advies werd geformuleerd. Op 14 april 2025 volgt dan de bestreden beslissing, die werd betekend op 22 april
- Nu moet worden vastgesteld dat de tuchtoverheid ook hier binnen de voorgeschreven termijnen is gebleven om de eigenlijke tuchtprocedure zelf af te wikkelen – waarover verzoeker overigens, zoals gezien, geen enkele opmerking formuleert – komt een schending van de redelijke termijn op het eerste gezicht niet aannemelijk voor. 30.
- De redelijke termijnvereiste, zoals vervat in artikel 6, lid 1, EVRM, lijkt niet geschonden. 31.
- Het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel mogen geschonden worden genoemd wanneer een beslissing, waarvan wordt vastgesteld dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. Het valt de Raad van State niet toe, bij zijn controle van de naleving van deze IX-10.673-34/37 beginselen, zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van de discretionaire beoordeling van de bevoegde administratieve overheid. Hij vermag in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht, desgevraagd, enkel na te gaan of de administratieve overheid op grond van juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. 32.
- Bij de bespreking van het eerste middel is voorlopig geoordeeld dat de aan verzoeker verweten tuchtfeiten deugdelijk zijn vastgesteld. De hiernavolgende prima facie-beoordeling van het evenredigheidsbeginsel geschiedt dan ook vanuit die optiek. De Raad van State houdt er bij wat volgt ook rekening mee dat het directiecomité en de raad van beroep een met dat van de voorzitster van het directiecomité eensluidend standpunt hebben ingenomen. Voorts stipt de Raad nog aan dat een tuchtstraf niet onevenredig of disproportioneel is omdat ze als ‘streng’ wordt ervaren of omdat een lichtere tuchtsanctie had kúnnen worden opgelegd. Het evenredigheidsbeginsel vergt met andere woorden niet dat de opgelegde tuchtstraf de énige geschikte of mogelijk denkbare straf is. 32.
- In de bestreden beslissing wordt op het eerste gezicht duidelijk uiteengezet waarom precies de gelaakte gedragingen dermate problematisch worden bevonden. Dat deze feiten zeer zwaarwichtig voorkomen, “zeker in het kader van de werkomgeving van verzoeker, waarbij de verstandhouding tussen de collega’s optimaal dient te zijn om telkens passend te reageren”, komt prima facie niet als een onredelijke overweging voor. De Raad van State kan het op het eerste gezicht ook niet als onredelijk beschouwen dat de tuchtoverheid overweegt dat verzoekers gedrag des te meer klemt omdat hij als operator 112 permanent in contact komt met burgers in nood en “[d]eze burgers verwachten geholpen te worden door een professionele operator die in staat is om zich voldoende te beheersen in zijn communicatie”. IX-10.673-35/37 Evenmin onredelijk, zo lijkt, is dat de negatieve invloed op de groepssfeer, de impact op de organisatie en een gebrek aan schuldinzicht in rekening worden genomen of dat de eerder reeds opgelegde (en niet aangevochten) tuchtsanctie – waaruit verzoeker geen lering heeft getrokken – bij de beoordeling wordt betrokken. Uit deze overwegingen vermocht de tuchtoverheid op het eerste gezicht, zonder de grenzen van de redelijkheid of de evenredigheid te overschrijden, te oordelen dat het vertrouwen in verzoeker zeer ernstig is geschaad, in die mate zelfs dat een ontslag zich opdringt. 32.
- Lezing van het door verzoeker vermelde arrest nr. 216.647 van 1 december 2011 overtuigt de Raad van State vooralsnog niet ervan dat de hier voorliggende tuchtbeslissing onevenredig streng is. Daargelaten nog dat elk tuchtdossier op de eigen merites moet worden behandeld en vergelijkingen dus per definitie een heikele zaak zijn, lijken beide gevallen immers onvoldoende vergelijkbaar. Ter zake kan bijvoorbeeld erop worden gewezen dat de aard van de aan het personeelslid verweten feiten duidelijk verschillend lijkt, dat in het door verzoeker bedoelde arrest de raad van beroep andersluidend had geadviseerd en dat het personeelslid in die zaak een “onberispelijk beroepsparcours” kon voorleggen. 32.
- Gelet op wat voorafgaat, moet worden geoordeeld dat de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat prima facie binnen de grenzen is gebleven van wat als redelijk kan worden aanzien. De stelling van verzoeker dat het volgens hem om “simpele opmerkingen”, “kleine gedragingen” of “slechte humor” gaat, doet op het eerste gezicht niet anders inzien.
- Het derde middel is niet ernstig. IX-10.673-36/37 VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.673-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.202 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.009 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div