← België

Arrest 264204 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 17/09/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.204 Rolnummer: A. 245798/IX-10732 Zaak: Arrest 264204 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 17/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-18 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-15 05:46 Fiche Arrest nr 264.204 van 17 september 2025 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.204 no lien 284970 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.204 van 17 september 2025 in de zaak A. 245.798/IX-10.732 In zake: M.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Luyckx kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122/14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chloé Vanden Eynde kantoor houdend te 1040 Brussel Legerlaan 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 10 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van de Minister van Justitie d.d. 9 september 2024 tot toezending van het arrest van het hof van beroep Antwerpen d.d. 26 januari 2022 en het arrest van het hof van beroep Antwerpen d.d. 10 maart 2023 met het oog op overbrenging van verzoeker en de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen in Nederland en zulks in het kader van de wet van 15 mei 2012 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie”. IX-10.732-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 11 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sander Van den Bossche, die loco advocaat Kris Luyckx verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Chloé Vanden Eynde, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Met arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 26 januari 2022 en 10 maart 2023 is verzoeker veroordeeld tot gevangenisstraffen van respectievelijk 7 jaar en 30 maanden. IX-10.732-2/6 Verzoeker voert deze gevangenisstraffen sinds 7 juni 2023 uit in de gevangenis te Beveren.
  5. Bij besluit van 6 december 2023 wordt verzoeker bevolen om het grondgebied te verlaten en bij besluit van 7 december 2023 wordt hem een inreisverbod van vijftien jaar opgelegd.
  6. Op 19 augustus 2024 wordt verzoeker in kennis gesteld van de beslissing van de FOD Justitie om de twee voormelde arresten van het hof van beroep te Antwerpen aan de Nederlandse overheid toe te zenden met het oog op de erkenning van de arresten en de tenuitvoerlegging van de daarin opgelegde sanctie, overeenkomstig het nationale recht tot uitvoering van het kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 ‘inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie’. Verzoeker ondertekent met de vermelding “akkoord inzage, niet akkoord overbrenging”. Met een e-mail van 9 september 2024 vraagt de FOD Justitie aan de Nederlandse overheid haar akkoord met het verzoek tot overbrenging van verzoeker. Daarop komt op 27 augustus 2025 een bevestigend antwoord, met de vraag om aan verzoeker een document ter hand te stellen waarin de juridische gevolgen van zijn overbrenging naar Nederland worden uitgelegd. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie
  7. In haar nota met opmerkingen werpt de verwerende partij als exceptie op dat de Raad van State zonder rechtsmacht is om van de vordering kennis te nemen. IX-10.732-3/6 De verwerende partij verwijst naar voorgaande rechtspraak van de Raad van State en stelt dat de wet van 15 mei 2012 ‘inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie’ het mogelijk maakt dat vreemdelingen die in België tot een gevangenisstraf werden veroordeeld, onder bepaalde voorwaarden hun straf in het land van herkomst ondergaan. De overbrenging van verzoeker naar het buitenland vormt volgens de verwerende partij aldus een modaliteit van de vrijheidsstraf waartoe de betrokkene werd veroordeeld. Zij stelt dat de overbrenging van verzoeker naar Nederland met het oog op de verdere uitvoering van zijn straf een rechtstreekse medewerking inhoudt aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen waartoe hij door het hof van beroep te Antwerpen veroordeeld werd. Uit de aard van de bestreden beslissing volgt derhalve, zo besluit de verwerende partij, dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om van het schorsingsberoep bij uiterst dringende noodzakelijkheid kennis te nemen.
  8. Verzoeker neemt over deze exceptie op de terechtzitting geen standpunt in. Beoordeling
  9. De wijze waarop de uitvoerende macht een gevangenisstraf ten uitvoer legt, kadert in de rechtstreekse medewerking van het bestuur aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf waartoe een gedetineerde werd veroordeeld bij een vonnis of arrest van de strafrechter en waarop de rechterlijke macht toezicht houdt. De beslissingen van de uitvoerende macht ter zake vallen aldus buiten de rechtsmacht van de Raad van State.
  10. De beslissing om de vrijheidsstraf in een bepaalde instelling te ondergaan is een modaliteit van de uitvoering van de gevangenisstraf waartoe de gedetineerde veroordeeld is. IX-10.732-4/6 De beslissing om de uitvoering van de vrijheidsstraf in een andere instelling voort te zetten, is evenzeer een dergelijke modaliteit. Dat zulks in een buitenlandse gevangenis dient te gebeuren, doet te dezen daaraan geen afbreuk. De wet van 15 mei 2012 ‘inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie’ maakt het, zoals de verwerende partij terecht aanvoert, mogelijk dat vreemdelingen die in België tot een gevangenisstraf werden veroordeeld, onder bepaalde voorwaarden hun straf in het land van herkomst ondergaan. In het geval van verzoeker is dat het Koninkrijk der Nederlanden. Te dezen houdt de overbrenging van verzoeker naar Nederland met het oog op de verdere uitvoering van zijn straf aldus een rechtstreekse medewerking in aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen waartoe hij door het hof van beroep te Antwerpen werd veroordeeld. Uit de aard van de beslissing volgt dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om van een geschil ter zake kennis te nemen.
  11. De door de verwerende partij opgeworpen – maar desnoods ook ambtshalve op te werpen – exceptie vertoont een dergelijke graad van ernst, dat ze reeds in de huidige stand van de procedure opgeworpen moet worden. De vordering is niet ontvankelijk. IX-10.732-5/6 V. Kosten
  12. In een e-mail van 8 september 2025 deelt de FOD Justitie aan de raadsman van verzoeker, samen met een stand van zaken in verzoekers dossier, het volgende mee: “Beroep tegen deze beslissing is mogelijk bij de Raad van State maar ik kan u reeds meegeven dat in het verleden de RvS zich steeds onbevoegd heeft verklaard aangezien het een interstatelijke beslissing betreft.”
  13. Aangezien verzoeker door die mededeling in dwaling kan zijn gebracht, past het de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt de vordering.
  15. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.204 IX-10.732-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.