id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.227 Rolnummer: A. 245809/VII-43021 Zaak: Arrest 264227 - Arbeids- en beroepskaarten - 19/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-22 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-15 05:47 Fiche Arrest nr 264.227 van 19 september 2025 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 264.227 van 19 september 2025 in de zaak A. 245.809/VII-43.021 In zake : 1. N.V. A. 2. B.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Vaassen, Tristan Carolus en Gauthier Berth kantoor houdend te 1000 Brussel Zavelstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Alberstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. Met een enig verzoekschrift, ingediend op 11 september 2025, vorderen de verzoekende partijen de nietigverklaring en de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Vlaamse minister van Onderwijs, Justitie en Werk van 9 september 2025 inzake het beroep tegen een weigering van een toelating tot arbeid (meer dan 90 dagen) met gecombineerde vergunning. Zij vorderen tevens “het bevel om t.t.v. voorlopige maatregel de beslissingen dd. 5 augustus en 18 augustus 2025 buiten toepassing te laten (opdat) (
- en)de beslissing d.d. 18 juli 2025 uit te voeren”. VII-43.021-1/8 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 12 september 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 september 2025, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaten Wouter Vaassen en Gauthier Berth, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Els Meyer, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Nader onderzoek van de rechtspleging 3. De verzoekende partijen dienen op 17 september 2025 een “pleitnota met aanvullende elementen, inz. argument van openbare orde ter bijkomende ondersteuning van het tweede middel” in, met een aantal bijkomende stukken. Met een e-mail van dezelfde dag en ter terechtzitting verzet de verwerende partij zich tegen het neerleggen van deze pleitnota. VII-43.021-2/8 4. Het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk in te dienen. Gezien de korte termijnen om een nota met opmerkingen in te dienen, is het recht van verdediging van de verwerende partij immers reeds tot een minimum herleid. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van de vordering, aan de Raad van State ter kennis te brengen. Dit is het geval voor een e-mail van de FOD Binnenlandse Zaken van 12 september 2025 en een beschikking in kort geding van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 12 september 2025. In zoverre de pleitnota echter geen betrekking heeft op die elementen, wordt ze niet als een processtuk in aanmerking genomen. IV. Feiten 5.1. De eerste verzoekende partij heeft een aanvraag tot toelating tot arbeid met gecombineerde vergunning ingediend voor tweede verzoeker, voor “verhuizer / chauffeur C of CE”. Deze aanvraag werd ingewilligd met een beslissing van 6 september 2023 voor de periode van 14 september 2023 tot en met 13 september 2024. Een eerste hernieuwingsaanvraag van 22 juni 2024 werd ingewilligd met een beslissing van 24 juli 2024 voor de periode van 14 september 2024 tot en met 13 september 2025. 5.2. De eerste verzoekende partij dient op 3 juni 2025 een tweede hernieuwingsaanvraag in. De dienst Economische Migratie van het departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie willigt deze aanvraag in op 18 juli 2025, doch beslist op 5 augustus 2025 tot intrekking van de beslissing van 18 juli 2025. VII-43.021-3/8 Met een beslissing van 18 augustus 2025 weigert de dienst Economische Migratie alsnog de hernieuwingsaanvraag. Op 29 augustus 2025 tekent de eerste verzoekende partij administratief beroep aan tegen de weigeringsbeslissing van 18 augustus 2025. Met een beslissing van 9 september 2025 verklaart de bevoegde Vlaamse minister het beroep ongegrond en bevestigt zij de weigeringsbeslissing van 18 augustus 2025. Dit is de bestreden beslissing. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing 6. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid 7. De verzoekende partijen wijzen erop dat zij de huidige vordering hebben ingesteld “om te verhinderen dat [zij] (verdere) materiële en immateriële schade zouden ondergaan ten gevolge van wederrechtelijke aannames terzake en/of toepassingen van het (arbeids- en verblijfs)vergunningsrechtelijke kader”, inzonderheid doordat de bestreden beslissing de weigeringsbeslissing van 18 augustus 2025 bevestigt nadat op 18 juli 2025 tot een voorwaardelijke goedkeuring werd beslist met een geldigheidsduur tot 13 september 2026. VII-43.021-4/8 Ingevolge deze plotse wijziging bevinden tweede verzoeker en zijn gezin zich in een (potentieel) wederrechtelijke situatie, zodat zij praktisch gezien dienen te verhuizen naar Turkije en daar een maandenlange procedure moeten beginnen. De verzoekende partijen hebben erop vertrouwd dat tweede verzoeker vergund in de Europese Unie kon verblijven tot 13 september 2026. Tweede verzoeker heeft zijn echtgenote en zijn driejarig kind naar België laten komen en het kind is hier ingeschreven in een school. Indien enkel de beslissingen van (5
- en)18 augustus 2025 en 9 september 2025 zouden worden uitgevoerd en niet deze van 18 juli 2025, zou tweede verzoeker met zijn familie het land moeten verlaten. Zij merken nog op dat een nieuwe aanvraag buiten de EU zou moeten worden ingediend en dat de behandeling ervan maanden in beslag zou nemen. Beoordeling 8. De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstotelijke wijze wordt aangetoond. Deze procedure houdt immers een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Naar luid van artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. De verzoekende partij moet aan de hand van precieze, pertinente en concrete gegevens aannemelijk maken dat de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar veroorzaakt, niet gedragen VII-43.021-5/8 kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en zelfs niet gedurende de doorlooptijd van een gewone vordering tot schorsing. 9. Met de algemene opmerking dat zij “plots alsnog geen hernieuwing” krijgt van de toelating tot arbeid met gecombineerde vergunning en dat zij “(verdere) materiële en immateriële schade”, wil verhinderen, toont de eerste verzoekende partij niet aan dat zij de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar veroorzaakt, niet kan dragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en zelfs niet gedurende de doorlooptijd van een gewone vordering tot schorsing. De eerste verzoekende partij brengt geen enkel concreet gegeven bij waaruit zou kunnen worden afgeleid dat haar voortbestaan in het gedrang zou komen door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. 10. Tweede verzoeker wijst er in essentie op dat hij zich vanaf 14 september 2025 in een “(potentieel) wederrechtelijke situatie” bevindt zodat hij praktisch gezien met zijn gezin zal moeten verhuizen naar Turkije, waar hij een maandenlange procedure zal moeten beginnen om te kunnen terugkeren naar België. Dat verzoeker met zijn gezin het grondgebied van het Rijk zou moeten verlaten, vloeit niet – minstens niet rechtstreeks – voort uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, die immers geen verwijderingsmaatregel bevat. Tweede verzoeker gaat er overigens aan voorbij dat hij telkens slechts beschikte over een beperkt verblijf, waarvoor jaarlijks een nieuwe aanvraag (hernieuwing) moest worden ingediend. Uit de bijgebrachte stukken blijkt dat tweede verzoekers echtgenote en kind slechts beschikken over een A-kaart, met 12 juni 2025 als afgiftedatum en 13 september 2025 als einddatum. Tweede verzoeker heeft er aldus zelf voor gekozen zijn gezinsleden naar België te laten komen vooraleer een beslissing over de hernieuwingsaanvraag was genomen (de gunstige doch nadien ingetrokken beslissing dateert immers pas van 18 juli 2025). Verder brengt tweede verzoeker geen enkel gegeven bij waaruit kan blijken dat een tijdelijke terugkeer naar het land van herkomst in afwachting VII-43.021-6/8 van een nieuwe aanvraag het gezin dermate zou ontwrichten dat de onmiddellijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zich zou opdringen. Het feit dat tweede verzoekers kind van drie jaar oud in een school in Aartselaar zou zijn ingeschreven, doet niet anders besluiten, gelet op de jeugdige leeftijd van het kind en zijn recente aankomst in België. Noch de e-mail van de FOD Binnenlandse Zaken van 12 september 2025, noch de beschikking in kort geding van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 12 september 2025, waarin wordt vastgesteld dat er prima facie geen sprake is van een inbreuk op schijnbare rechten van eisende partijen en waarin geen uitspraak wordt gedaan over de hoogdringendheid, doet afbreuk aan de voorgaande vaststellingen. 11. De verzoekende partijen tonen de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan. Conclusie 12. Aangezien de in artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond, is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VI. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid 13. Vermits de uiterst dringende noodzakelijkheid niet blijkt te zijn aangetoond, dient ook de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid te worden verworpen. VII-43.021-7/8 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-43.021-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.227 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div