id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.230 Rolnummer: A. 243784/IX-10603 Zaak: Arrest 264230 - Wegverkeer van goederen - 19/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-30 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-15 05:48 Fiche Arrest nr 264.230 van 19 september 2025 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.230 van 19 september 2025 in de zaak A. 243.784/IX-10.603 In zake : de NV A.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bram Stragier en Eva Deflo kantoor houdend te 8501 Kortrijk Waterhoennest 67 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest te 1210 Brussel Koning Albert II-laan 15 bus 420 Agentschap Wegen en Verkeer t.a.v. afdelingshoofd Claeyssens Ethel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 december 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer waarbij aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 6800 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 12 juni
- IX-10.603-1/6 Op 30 juli 2025 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (algemeen procedurereglement). De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 september
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Eva Deflo, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. IX-10.603-2/6 In het auditoraatsverslag is te dezen de verwerping van het beroep voorgesteld. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De hoofdgriffier heeft de verzoekende partij medegedeeld, met toepassing van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van het geding zou uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord.
- In de vraag om te worden gehoord en ter terechtzitting stelt de verzoekende partij dat de termijn voor het indienen van een laatste memorie of een verzoek tot voortzetting van de procedure “uitermate kort” is, dat “een groot deel van de (korte) termijn voor de indiening [ervan] liep tijdens het gerechtelijk verlof (juli en augustus)” en dat de termijn bovendien tijdens dat gerechtelijk verlof verstreek. Dat heeft, zo luidt het, gevolgen voor de rechten van verdediging van de verzoekende partij. Voorst stelt de verzoekende partij: “Dit klemt des te meer nu reeds voor de voor de proceshandelingen voorgeschreven termijnen, gelijk aan of korter dan 30 dagen (wat in casu het geval is) de termijn verhoogd wordt met 15 dagen wanneer deze ingaan en verstrijken tussen 1 juli en 31 augustus (artikel 91 Besluit van de Regent van 23 augustus 1948). Dit artikel bevestigt dat (korte) termijnen die lopen/verstrijken tijdens het gerechtelijk verlof een negatieve impact kunnen hebben op de rechten van een partij.” De verzoekende partij besluit dat het uitspreken van de afstand van geding in dit dossier “dan ook een disproportionele sanctie [zou] zijn”.
- De Raad van State stelt vooreerst vast dat de verzoekende partij geen overmacht inroept om ervan te overtuigen dat de toepassing van het door de IX-10.603-3/6 wetgever gewenste vermoeden van afstand van geding te dezen niet gerechtvaardigd zou zijn. Voor zover als nodig overweegt de Raad van State dat het loutere feit dat de vervaltermijn bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verstrijkt tijdens de maanden juli of augustus, geen bewijs van overmacht vormt.
- Zoals de verzoekende partij zelf aangeeft, schrijft artikel 91, tweede lid, van het algemeen procedurereglement voor wat volgt: “De voor de proceshandelingen voorgeschreven termijnen, gelijk aan of korter dan dertig dagen, worden verhoogd met vijftien dagen wanneer ze, ten gevolge van de berekening uitgevoerd met toepassing van artikel 88, ingaan en verstrijken tussen 1 juli en 31 augustus.” Dit voorschrift is te dezen niet van toepassing, omdat de dertigdagentermijn voor het indienen van een laatste memorie of een verzoek tot voortzetting van de procedure in casu is ingegaan op 13 juni 2025 en dus níét tussen 1 juli en 31 augustus
- De verzoekende partij overtuigt er niet van, en de Raad van State ziet ook niet spontaan, waarom deze bepaling niettemin ook op haar zou moeten worden toegepast. In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ waarmee de voormelde bepaling is ingevoerd, is de volgende toelichting gegeven: “Bij deze bepaling worden de voor de proceshandelingen voorgeschreven termijnen, gelijk aan of korter dan dertig dagen, verhoogd met vijftien dagen, wanneer deze, ten gevolge van de berekening uitgevoerd met toepassing van artikel 88 van het algemeen procedurereglement, ingaan en vervallen tussen 1 juli en 31 augustus. Met deze wijziging wordt tegemoetgekomen aan de vraag van de verschillende balies. Die stellen vast dat de griffie van de Raad van State, tijdens juli en augustus, met andere woorden tijdens het gerechtelijk reces, kennisgevingen uitvoert met betrekking tot niet-dringende procedures. IX-10.603-4/6 Het niet antwoorden binnen de voorgeschreven termijnen leidt evenwel, naargelang van het geval, tot het vermoeden van verlies van belang, afstand of instemming. Ten gevolge van het ontworpen lid zullen de rechtzoekenden en hun advocaten, tijdens het gerechtelijk reces wanneer er meer afwezigen zijn, dus automatisch kunnen beschikken over een aanvullende termijn van vijftien dagen om te reageren op de kennisgevingen van de Raad van State. De rechten van de rechtzoekende worden aldus versterkt zonder dat dit leidt tot een werkelijke verlenging van de totale duur van de procedure.” Hieruit blijkt dat een aanpassing van de termijnregeling voor de kennisgevingen die termijnen doen ingaan én vervallen tijdens de maanden juli en augustus volstond om aan de geuite bekommernissen tegemoet te komen. Louter ten overvloede tot slot, stelt de Raad vast dat de verzoekende partij zelf aanvoert dat het auditoraatsverslag haar op 12 juni 2025 ter kennis is gebracht. Daaruit volgt dat meer dan de helft van de voormelde dertigdagentermijn zich buiten “het gerechtelijk verlof” situeert, namelijk achttien dagen van 13 juni tot en met 30 juni
- Het vermoeden van afstand van geding is dan ook van toepassing. BESLISSING
- De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. IX-10.603-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.603-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.