id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.247 Rolnummer: A. 245807/IX-10735 Zaak: Arrest 264247 - Examens (onderwijs) - 22/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-22 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-14 04:23 Fiche Arrest nr 264.247 van 22 september 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.247 van 22 september 2025 in de zaak A. 245.807/IX-10.735 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW IGNATIUS SCHOLEN IN BEWEGING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christophe Coen en Liesbeth Van der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 11 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Ignatius Scholen in Beweging van 25 augustus 2025 waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 12 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. IX-10735-1/18 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Van Damme, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Christophe Coen en Liesbeth Van der Straten, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is in het schooljaar 2024-2025 leerling in het eerste jaar van de derde graad ‘Wetenschappen-wiskunde’ in het Jan van Ruusbroeckollege, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar laat verzoeker vier jaartekorten optekenen: Frans (42%), Engels (46%), wiskunde (38%) en fysica (43%). De delibererende klassenraad stipt daarbij aan dat de laatste twee vakken richtingsvakken zijn, dat verzoeker voor wiskunde, fysica en Engels een waarschuwing had en dat voor zes andere vakken op jaarbasis een resultaat tussen 50% en 60% werd behaald. De klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest C toe. IX-10735-2/18 Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad. 3.2. Daarop stelt verzoeker op 7 juli 2025 een beroep in bij het schoolbestuur. 3.3. De hoorzitting van de beroepscommissie vindt plaats op 19 augustus 2025. De beroepscommissie beslist vervolgens op 25 augustus 2025 om het C-attest te handhaven. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5. Het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt door de verwerende partij terecht niet betwist. IX-10735-3/18 VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6. In een eerste middel voert verzoeker, blijkens het opschrift van dat middel, een schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel. Spijts dat opschrift, beroept verzoeker zich vervolgens ook op de formelemotiveringsplicht, de artikelen 60 en 70 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (hierna: het organisatiebesluit), artikel 6.2.6.4 van de omzendbrief ‘Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ van 25 juni 1999 (hierna: omzendbrief SO 64) en artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs. Verzoeker betoogt dat in december 2023 bij hem een aandoening aan het borstklierweefsel werd vastgesteld, waarna eerst een hormonale behandeling werd opgestart en hij vervolgens in februari 2025 een heelkundige ingreep onderging. Van die medische toestand was de school volgens verzoeker wel degelijk mondeling op de hoogte gebracht; hoe dan ook had alleszins de beroepscommissie hiermee rekening moeten houden, wat zij volgens verzoeker niet of onvoldoende heeft gedaan. Voorts stelt verzoeker dat de beroepscommissie de devolutieve werking van het beroep veronachtzaamt, met inbegrip van de daarin vervatte plicht om zich uit te spreken over de informatie die in dat stadium van de procedure (voor het eerst) wordt voorgebracht. Voor zover de beroepscommissie overweegt dat de medische situatie van verzoeker in februari en maart 2025 geen afdoende verklaring vormt voor de slechte resultaten in het eerste semester of voor de zwakke resultaten in het IX-10735-4/18 vorige schooljaar, mist de bestreden beslissing volgens verzoeker feitelijke grondslag. Door enkel rekening te houden met de heelkundige ingreep en verzoekers val met de fiets op 1 maart 2025, miskent de beroepscommissie de hormonale behandeling tijdens de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025, waaromtrent een verklaring van een psychiater werd neergelegd. Ten gevolge van de medicatie, zo stelt verzoeker, ondervond hij verschillende bijwerkingen zoals vermoeidheid, hoofdpijn, depressieve klachten en slaaptekort, wat zijn psychologisch welzijn beïnvloedde. Verzoeker verwijst wat dat betreft naar een verklaring van psychiater R.M. van 22 juli 2025. Ook de heelkundige ingreep zelf en de verbanden die hij moest dragen, hinderden verzoeker in zijn slaap. De val met de fiets had dan weer een beperkte mobiliteit van zijn arm tot gevolg, waardoor hij tijdelijk niet kon schrijven en zijn studieactiviteiten werden beïnvloed. Uit het voormelde verslag van de psychiater blijkt dat verzoeker is hersteld van de ingreep en geen medicatie meer gebruikt, zodat er verbetering in de studievoortgang zal komen. Verzoeker stelt dat de beroepscommissie weliswaar akte heeft genomen van de medische stukken, maar dat niet blijkt welk gewicht zij daaraan heeft verleend bij de totstandkoming van de bestreden beslissing. Daarin ziet verzoeker een schending van het redelijkheidsbeginsel. Het subsidiariteitsbeginsel ten slotte, is volgens verzoeker geschonden omdat “in het belang van de leerling en het pedagogisch project van de school ook een andere meer geschikte beslissing had kunnen worden genomen” en de beroepscommissie bijkomende proeven had kunnen opleggen. Beoordeling 7. Verzoeker refereert in het middel aan een omzendbrief die, zo lijkt, niet verordenend is of – mocht hij het zijn – niet is voorgelegd aan het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State en daarom buiten toepassing moet blijven. Er wordt voorshands dus geen rekening mee gehouden. Overigens moet worden vastgesteld dat verzoeker prima facie in de uiteenzetting van het middel niet toelicht waarin hij de schending van die IX-10735-5/18 omzendbrief gelegen ziet en dat het ingeroepen artikel 6.2.6.4 op het eerste gezicht betrekking heeft op de beslissing van de beroepscommissie in een tuchtprocedure, waarvan in casu geen sprake is. 8. Artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs luidt als volgt: “§ 3. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot: 1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als:
- a)de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;
- b)het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement.” De bestreden beslissing lijkt verzoekers intern beroep niet onontvankelijk, maar ongegrond te hebben verklaard. De door verzoeker ingeroepen bepaling, die in de nadere uiteenzetting van het middel al evenmin nog verder ter sprake komt, is derhalve te dezen op het eerste gezicht niet van toepassing. In dat opzicht is het middel, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. 9. Artikel 60 van het organisatiebesluit bepaalt: “Leerlingenevaluatie strekt ertoe om, rekening houdend met het pedagogisch project van de school, na te gaan of de regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval. De leerlingenevaluatie resulteert in de beslissing van de klassenraad over het al dan niet met vrucht beëindigen van een structuuronderdeel of een graad, naargelang van het geval. In sommige structuuronderdelen impliceert het eerste lid dat: […].” Voor zover dit voorschrift ook op de beroepscommissie kan worden betrokken, lijkt te moeten worden vastgesteld dat zij zich inderdaad over IX-10735-6/18 het al dan niet met vrucht beëindigen van verzoekers studies heeft uitgesproken en dus met het aangehaalde voorschrift in overeenstemming is. Bij gebrek aan enige nadere toelichting in de uiteenzetting van het middel is ook deze grief, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. 10. In artikel 70 van het organisatiebesluit is voorgeschreven: “De studiebekrachtiging in de vorm van de toekenning van een oriënteringsattest is als volgt: 1° oriënteringsattest A: als de leerling het eerste of tweede leerjaar van de eerste graad, het eerste of tweede leerjaar van de tweede graad of het eerste leerjaar van de derde graad met vrucht en zonder clausulering heeft beëindigd of als de leerling het eerste leerjaar van de eerste graad met vrucht en met clausulering heeft beëindigd; 2° oriënteringsattest B: als de leerling het tweede leerjaar van de eerste graad, het eerste of tweede leerjaar van de tweede graad of het eerste leerjaar van de derde graad van de dubbele finaliteit – kso of tso met vrucht en met clausulering heeft beëindigd; 3° oriënteringsattest C: als de leerling een leerjaar van de eerste, tweede of derde graad niet met vrucht heeft beëindigd. In het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B kan: 1° het oriënteringsattest A ook remediëring in het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B opleggen. Als remediëring wordt opgelegd, is het zowel een recht als een plicht voor de leerling, ongeacht de school van inschrijving; 2° het oriënteringsattest C alleen toegekend worden in uitzonderlijke gevallen. In het eerste leerjaar en tweede leerjaar van de tweede graad kan het oriënteringsattest A ook een advies inhouden om naar een studierichting met een hoger abstractieniveau over te stappen. De Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, legt de modellen van de oriënteringsattesten, vermeld in het eerste lid, en de regels om ze in te vullen, vast.” In het verzoekschrift valt niet te vernemen waarom verzoeker deze bepaling geschonden acht. Die vaststelling volstaat om het eerste middel ook in dat opzicht, voor zover ontvankelijk, niet ernstig te bevinden. IX-10735-7/18 11. Aan de Raad van State is geen “subsidiariteitsbeginsel” bekend, van toepassing op evaluatiebeslissingen als de voorliggende. Het loutere feit dat de beroepscommissie, zoals verzoeker het letterlijk stelt, ook een andere beslissing “had kunnen nemen”, betekent bovendien, zo lijkt, geenszins dat zij daartoe rechtens ook verplicht was casu quo dat de beslissing die zij heeft genomen onregelmatig is. Het eerste middel is ook in dat opzicht niet ernstig. 12.1. Verzoeker verwijt de beroepscommissie in essentie dat zij onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische toestand waarmee hij werd geconfronteerd en dat de medische omstandigheden “niet of minstens onvoldoende” werden afgewogen bij de beoordeling. 12.2. Na verzoekers argumenten ter zake te hebben samengevat, stelt de beroepscommissie dat zij akte neemt van zeven “medische stukken”, te weten: drie consultatienota’s van behandelende artsen, een operatieverslag, een verklaring van psychiater R.M. van 22 juli 2025, een aantal afwezigheidsattesten en de lijst ‘afwezigheden en te laat’ van verzoeker voor het schooljaar 2024-2025. Die stukken lijken dus door de beroepscommissie alvast niet buiten beschouwing te zijn gelaten. Daarover oordeelt de beroepscommissie het volgende: “De beroepscommissie kan zich niet uitspreken over de ernst noch over de gevolgen van medische aandoeningen en/of ingrepen. Evenwel dient de beroepscommissie zich, rekening houdende met de devolutieve werking van het beroep, en op basis van de op vandaag voorliggende stukken en het leerlingendossier, een oordeel te vormen of de medische aandoeningen en/of ingrepen een verklaring kunnen bieden voor de zwakke resultaten en een mogelijke grond kunnen zijn tot hervorming van de evaluatiebeslissing van de klassenraad. Het is inderdaad zo dat de IX-10735-8/18 ingeroepen (nasleep van) de medische aandoening(
- en)erkend kunnen worden als verzachtende omstandigheid.” Ook die overwegingen lijken verzoeker tegen te spreken in zijn betoog dat de beroepscommissie met die stukken geen rekening heeft gehouden. Voorts was de beroepscommissie zich op het eerste gezicht, anders dan verzoeker stelt, wel degelijk bewust van de ‘devolutieve werking’ van het beroep en heeft zij zich voor haar beoordeling niet beperkt tot de stukken die reeds aan de klassenraad bekend waren. 12.3. De beroepscommissie zet vervolgens, wat de beoordeling van de voormelde stukken in concreto betreft, uiteen wat volgt: “Op basis van een globale analyse van alle elementen in het dossier komt de beroepscommissie echter tot de vaststelling dat: • Noch de medische ingreep dd. 10 februari 2025, noch de val en medische aandoening dd. maart 2025 een afdoende verklaring vormen voor de slechte resultaten in het eerste semester van 2025 (noch, in een ruimere context, voor de zwakke resultaten in het voorgaande academiejaar); • Ondanks de medische aandoening(
- en)en medische ingrepen en afwezigheden, [v]erzoeker wel degelijk een (licht) positieve evolutie liet optekenen in zijn schoolresultaten. Om dan aan te geven dat zijn gezondheidstoestand de oorzaak was van de achteruitgang in zijn studieresultaten, lijkt de beroepscommissie discutabel. Dienaangaande merkt de beroepscommissie op dat [v]erzoeker dit argument ook niet ernstig kan omdraaien. Het is niet omdat er een (licht) positieve evolutie was in het tweede semester ten opzichte van het eerste semester, dat hieruit een bijzondere motivatie of inspanning kan worden afgeleid. De beroepscommissie verwijst hierbij tevens naar de hoger aangehaalde evaluaties van het schooljaar 2024-2025; • De afwezigheden van [v]erzoeker in schooljaar 2024-2025 binnen het normale vallen en [v]erzoeker heeft deelgenomen aan alle relevante evaluaties. Het aantal dagen afwezigheid was niet onmogelijk veel, en niet anders dan bij de gemiddelde andere leerling. Zijn afwezigheden zijn niet van dien aard dat […] zijn slagen of het bijhouden van de leerstof in het gedrang werd gebracht; • Verzoeker na de week afwezigheid ten gevolge van de medische ingreep zelf aangaf dat hij eind februari ‘bijna alles had ingehaald of bijgewerkt’ cf. verslag aangemaakt op 28 februari 2025; IX-10735-9/18 • Hoewel de beroepscommissie geloof hecht aan de verklaringen van [v]erzoeker dat hij zijn medische aandoening heeft geminimaliseerd en wel degelijk bepaalde negatieve gevolgen hiervan ondervond, op basis van gesprekken met vakleerkrachten moet worden vastgesteld dat deze impact niet merkbaar was in de klas (zo was er bijvoorbeeld geen sprake van merkbare oververmoeidheid bij [v]erzoeker); • De tijdens de hoorzitting aangehaalde redenen waardoor het volgens [v]erzoeker moeilijker was om te studeren (vermoeidheid, geen zware boeken(tas) kunnen dragen, rugklachten en oncomfortabele houdingen, etc.) naar mening van de beroepscommissie onvoldoende zwaarwichtig zijn; en • de beroepscommissie het ongeloofwaardig, minstens onbegrijpelijk, acht dat [v]erzoeker op geen enkel moment vóór het overlegmoment dd. 2 [j]uli 2025 de kans zou hebben genomen om zijn slechte resultaten (gedeeltelijk dan wel geheel) toe te schrijven aan zijn medische gezondheidstoestand. Zeker gelet op de bijzondere opvolging van [v]erzoeker door de klassenleerkracht en enkele vakleerkrachten is het onbegrijpelijk dat [v]erzoeker niemand hiervan op de hoogte [heeft] gebracht. De beroepscommissie besluit dat het minstens gedeeltelijk aan [v]erzoeker zelf te wijten is dat zijn medische aandoening(
- en)onvoldoende gekend waren door het zorgteam, de vakleerkrachten en bij uitbreiding de klassenraad. Zoals in andere gevallen van medische verschoningsgronden kan de school, wanneer zij tijdig [wordt] ingelicht van de desbetreffende medische aandoeningen, de nodige begeleidende maatregelen en/of dispensaties verlenen aan de desbetreffende studenten. Dergelijke ondersteuning dient in het bijzonder om leerlingen alle kansen te geven om te slagen in de door hen gekozen opleiding. Verzoeker heeft nooit om dergelijke ondersteuning gevraagd. In tegendeel, uit het dossier blijkt dat [v]erzoeker de ondersteuning die reeds werd gegeven in het kader van het studiebegeleidingsplan (en als gevolg van zijn vaktekorten) onvoldoende heeft benut. Het is volgens de beroepscommissie op basis van de elementen van het dossier niet bewezen dat er een reële kans is dat [v]erzoeker (
- a)zonder zijn medische aandoening(
- en)of (
- b)mits bijkomende ondersteunende en begeleidende maatregelen om de impact van zijn medische aandoening(
- en)en/of ingrepen te verzachten, wél zou zijn geslaagd voor de verschillende opleidingsonderdelen van het vijfde jaar wetenschappen- wiskunde 6. De beroepscommissie besluit dan ook dat de zware tekorten van [v]erzoeker niet kunnen worden verschoond op grond van de (gevolgen van
- de)medische aandoeningen en/of ingrepen waarvan [v]erzoeker gewag heeft gemaakt.” Verzoeker maakt in het licht van die motieven – waarvan hij de juistheid als dusdanig niet betwist – vooralsnog niet aannemelijk dat de IX-10735-10/18 beroepscommissie met de voorliggende medische stukken “weinig tot geen” rekening heeft gehouden. Ook in dat opzicht overtuigt het middel in de huidige stand van de procedure niet. 12.4. Noch het algemeen rechtsbeginsel dat een overheidsbeslissing gegrond moet zijn op deugdelijke motieven, dit wil zeggen op motieven die in feite juist zijn en in rechte aanvaardbaar zijn, noch de formelemotiveringsplicht leggen aan het bestuur – in dit geval de beroepscommissie – de verplichting op om alle grieven of middelen die door de betrokkene worden aangevoerd één voor één van antwoord te dienen. Het volstaat dat in de beslissing van de beroepscommissie de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. In dat opzicht kan verzoeker geen aanspraak erop maken, zo lijkt, dat de beroepscommissie expressis verbis haar mening geeft over het medisch attest van psychiater R.M. van 22 juli 2025, waarin deze psychiater de medische historiek van verzoeker schetst en zijn inschatting geeft over zijn schoolprestaties in de toekomst. Zoals hiervóór is gebleken, heeft de beroepscommissie dat attest bij haar beoordeling betrokken en uiteengezet waarom het haar, samen met alle andere medische informatie, niet tot een andere beslissing deed komen. Overigens lijkt de verwerende partij niet geheel ten onrechte te betogen dat voor zover de verklaring van de psychiater (opgesteld in het midden van de zomervakantie) betere studieresultaten in de toekomst in het vooruitzicht stelt, daarmee niet van de weeromstuit wordt aangetoond dat de leerplandoelstellingen van het voorbije schooljaar alsnog wél in afdoende mate werden bereikt. 13.1. Tot slot voert verzoeker aan dat de beroepscommissie bijkomende proeven had kunnen opleggen. IX-10735-11/18 Verzoeker lijkt bezwaarlijk te kunnen stellen dat de beroepscommissie zijn vraag ter zake uit de weg is gegaan. In de bestreden beslissing valt te lezen: “Verzoeker vraagt dan ook in uiterst ondergeschikte orde om een uitgestelde evaluatiebeslissing te nemen op basis van uitgestelde proeven voor de opleidingsonderdelen fysica, wiskunde, Frans en Engels. Beoordeling De beroepscommissie begrijpt uit dit (overigens uiterst summiere) middel dat [v]erzoeker het evenredigheidsbeginsel aanvoert als reden om (in ondergeschikte orde) een uitgestelde evaluatiebeslissing te nemen. […] Uit deze becijferde studieresultaten vermocht de klassenraad in beginsel af te leiden dat [v]erzoeker het leerjaar niet met vrucht heeft beëindigd en met ander[e] woorden niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus niet bekwaam kan worden geacht zijn studies in het volgende leerjaar voort te zetten. Bij een evaluatiebeslissing van de klassenraad geldt steeds een vermoeden van deskundigheid. Door [v]erzoeker werd tijdens de hoorzitting bijvoorbeeld aangehaald dat het veranderen van school of blijven zitten het zelfvertrouwen van [v]erzoeker een ernstige deuk zou geven. Uit rechtspraak van de Raad van State volgt echter dat hypothetische toekomstbespiegelingen de onevenredigheid van het toegekende oriënteringsattest C ten aanzien van de werkelijk behaalde studieresultaten niet [vermogen] aan te tonen. De beroepscommissie acht de evaluatiebeslissing van de klassenraad evenredig met de vaststelling dat [v]erzoeker het leerjaar niet met vrucht heeft beëindigd en met ander woorden niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt en aldus niet bekwaam kan worden geacht zijn studies in het volgende leerjaar voort te zetten. […] De beroepscommissie stelt vast dat [krachtens] artikel 62, § 1, 2° Organisatiebesluit de termijn voor het nemen van een evaluatiebeslissing kan worden verlengd tot uiterlijk de eerste schooldag van het daaropvolgende schooljaar ‘als de klassenraad nog niet over voldoende informatie beschikt om een gedegen beslissing te nemen’. De Raad van State stelt dat in de regel een beroepscommissie over voldoende inzicht beschikt om zich over de prestaties van een leerling te buigen en om tegenvallende resultaten te duiden. In casu is de beroepscommissie van oordeel dat [zij] over voldoende informatie beschikt om een gedegen beslissing te kunnen nemen zonder noodzakelijkerwijs over te moeten gaan tot bijkomende proeven. Verzoeker nam aan alle examens deel, zowel in het eerste als in het tweede semester. Ook doorheen het schooljaar nam hij aan voldoende evaluatiemomenten deel zodanig dat het [leerlingendossier] volledig is. IX-10735-12/18 Zoals ook reeds geoordeeld door de Raad van State is het toestaan van bijkomende proeven in het secundair onderwijs dan ook de uitzondering en niet de regel. Het is aan de leerling om de uitzonderlijke omstandigheden aan te voeren die bijkomende proeven kunnen verantwoorden. Verzoeker voert in het vierde middel niet expliciet aan waarom bijkomende proeven in casu verantwoord zouden zijn. In het verzoekschrift doet [v]erzoeker enkel gelden dat de evaluatiebeslissing disproportioneel is en de klassenraad ook een andere en naar mening van [v]erzoeker meer geschikte beslissing had kunnen nemen. Tijdens de hoorzitting voert [v]erzoeker aan dat hij de uitgestelde proeven verantwoord vindt gelet op het feit dat (
- i)zijn vaktekorten te wijten zouden zijn aan uitzonderlijke externe omstandigheden (i.e. zijn medische aandoening(en)), en (
- ii)hij sinds het einde van het schooljaar (eind juni) bijlessen wiskunde heeft genomen en ook voor andere vakken (Frans en Engels) heeft gewerkt. Verzoeker stelt dat hij nu meer zelfvertrouwen heeft en het nu ook kan en dat wil kunnen bewijzen. Op basis van de argumentatie met betrekking tot de studievoortgang van [v]erzoeker, zoals aangehaald in de beoordeling van de voorgaande middelen, is de beroepscommissie echter van mening dat: • met betrekking tot (i): [v]erzoeker niet op voldoende wijze aantoont dat de medische aandoening(
- en)aan de oorzaak liggen van de slechte resultaten van [v]erzoeker. Noch de medische ingreep van 10 februari 2025, noch de val en medische aandoening dd. maart 2025 vormen, naar de mening van de beroepscommissie, een afdoende verklaring voor de slechte resultaten in het eerste semester van 2025 (noch, in een ruimere context, voor de zwakke resultaten in het voorgaande academiejaar). Er liggen dan ook geen afdoende uitzonderlijke omstandigheden voor die bijkomende proeven kunnen verantwoorden; en • met betrekking tot punt (ii): er aanzienlijke hiaten zijn opgebouwd in de basiskennis die is vereist om het 6e jaar wetenschappen- wiskunde 6 met een redelijke kans op slagen aan te vatten. Twee van de vakken waarvoor tekorten werden behaald, zijn richtingsvakken en zijn zware tekorten (minder dan 45%). De twee andere tekorten zijn voor twee meeruursvakken en zijn ook geen nipte tekorten. Bovendien was er voor elk van de jaartekorten ook in het eerste semester al een tekort, wat aangeeft dat de hoeveelheid leerstof die onvoldoende verwerkt is te groot is om op een korte tijdspanne van één zomer in te halen.” De beroepscommissie heeft daarmee, zo lijkt, op omstandige wijze geantwoord op de vraag die verzoeker haar heeft voorgelegd. IX-10735-13/18 13.2. De beroepscommissie beslist autonoom en discretionair, binnen de grenzen van het recht, over haar beleid inzake bijkomende proeven. Hieruit volgt dat de beroepscommissie in beginsel niet onwettig handelt door bijkomende proeven af te wijzen, als zij rechtmatig vaststelt dat de klassenraad zijn evaluatiebeslissing heeft genomen op grond van een volledig leerlingendossier en dat de leerling geen uitzonderlijke omstandigheden aanvoert die de klassenraad tot het opleggen van een bijkomende proef hadden moeten brengen. De Raad van State is voorshands van oordeel dat verzoeker niet aantoont waarom de bestreden beslissing onredelijk zou zijn. 13.3. Gewis is verzoeker het met de bestreden beslissing niet eens en is het niet geheel uitgesloten dat een andere beroepscommissie op grond van de voorliggende elementen tot een andere beslissing zou zijn gekomen, maar noch het ene noch het andere volstaat om het bewijs te leveren dat de bestreden beslissing onwettig is. 14. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 15. Verzoeker beroept zich in een tweede middel, althans volgens de aanhef ervan, op een schending van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel. Daarnaast evenwel, voert verzoeker – opnieuw – de miskenning aan van de formelemotiveringsplicht, de artikelen 60 en 70 van het organisatiebesluit, artikel 6.2.6.4 van omzendbrief SO 64 en artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs. IX-10735-14/18 Volgens verzoeker heeft de beroepscommissie het slagen voor élk vak dwingend vooropgesteld opdat een A-attest zou kunnen worden uitgereikt, terwijl geen enkele normatieve bepaling zulks voorschrijft en bindende deliberatieregels onwettig zijn. Verzoeker stipt aan dat er vier jaartekorten voorliggen en dat hij voor alle andere vakken geslaagd is. Aan die slaagcijfers doet de bestreden beslissing volgens hem ten onrechte afbreuk. Beoordeling 16. De overwegingen die hiervóór sub 7 tot en met 11 bij de bespreking van het eerste middel zijn uiteengezet, zijn evenzeer van toepassing op verzoekers tweede middel. Het tweede middel is in dat opzicht derhalve eveneens, in zoverre ontvankelijk, niet ernstig. De Raad van State betreurt dat verzoeker, bijgestaan door een raadsman, in geen van beide middelen erin slaagt om de rechtsgronden voor zijn vordering duidelijk uiteen te zetten. Dit klemt in het bijzonder in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, waarin de tijd voor de verwerende partij om een nota in te dienen en de tijd voor het auditoraat en de Raad van State om een onderzoek te voeren uiterst beperkt is. 17. In de mate dat verzoeker de klassenraad verwijt dat hij zijn beslissing van 30 juni 2025 tot toekenning van een C-attest steunt op de overweging dat verzoeker voor zes vakken een jaarcijfer tussen 50% en 60% behaalde, is het middel onontvankelijk. Voorwerp van huidig beroep is immers niet de beslissing van de klassenraad, maar die van de beroepscommissie. IX-10735-15/18 18. Verzoeker toont prima facie niet aan welke vooraf bepaalde deliberatieregel door de beroepscommissie ten onrechte zou zijn toegepast en de Raad van State ziet ook spontaan in de bestreden beslissing geen verwijzing naar een dergelijk voorschrift. In dat opzicht overtuigt het middel vooralsnog niet. 19. Anders dan verzoeker betoogt, is in de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet te lezen dat de beroepscommissie aan verzoeker een A-attest heeft geweigerd omdat hij niet voor alle vakken een slaagcijfer behaalde. De beroepscommissie overweegt immers: “In casu, dient te worden vastgesteld dat de delibererende klassenraad [zijn] evaluatiebeslissing in eerste instantie en bovenal motiveert op grond van het feit dat [v]erzoeker vier niet voldoende jaarresultaten heeft behaald (waarvoor op twee richtingsvakken, wiskunde en fysica). Dit blijkt duidelijk uit de bewoording van de eerste zin van de evaluatiebeslissing: ‘je behaalt een C-attest omwille van vier jaartekorten: voor Frans, Engels en voor je richtingsvakken wiskunde en fysica.’ […] In casu dient te worden vastgesteld dat de vier jaartekorten geen kleine tekorten zijn en dat zeker (maar niet uitsluitend) voor [de] richtingsvakken wiskunde (38%) en fysica (43%) evenals het vak Frans (42%) het jaartekort belangrijk is. Naar het oordeel van de beroepscommissie betreffen deze tekorten dan ook in geen geval twijfelgevallen. Zeker voor wat betreft de richtingsvakken wiskunde en fysica is [het] niet bereikt hebben van de leerdoelstellingen voor deze vakken een significant obstakel voor het volgende jaar. Hoewel het tekort voor Engels (46%) mogelijk als kleiner kan worden ervaren door [v]erzoeker, acht de beroepscommissie dit nog steeds een belangrijk tekort waarover geen ernstige twijfel kan zijn. Dit is des te meer het geval rekening houdende met de mediaan en het klasgemiddelde en de verschillende evaluaties van de betrokken vakleerkracht doorheen het jaar – zoals opgenomen in het leerlingendossier. Hieruit blijkt duidelijk dat [v]erzoeker de einddoelen voor het vak niet heeft behaald. Tevens benadrukt de beroepscommissie dat, in navolging van de rechtspraak van de Raad van State, ook nipte (quod non in casu) tekorten, tekorten zijn. […] Een slaagcijfer is inderdaad een slaagcijfer. Waaruit ook weer in principe volgt dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak IX-10735-16/18 de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt en om die redenen ook geslaagd wordt verklaard. Hiermee wil de Raad van State echter niet stellen dat alle slaagcijfers onder alle omstandigheden een evaluatieproces in en door de delibererende klassenraad uitsluiten. Hoewel slaagcijfers dus niet uit zichzelf een beslissing funderen dat een leerling een leerjaar niet met vrucht heeft beëindigd, […] kan niet bij voorbaat worden uitgesloten – en des te minder in de mate waarin de bedoelde cijfers de ondergrens van 50% benaderen – dat de klassenraad de deelaspecten van het bedoelde vak betrekt ter ondersteuning of aanvulling van de elders vastgestelde tekorten. In casu, dient te worden vastgesteld dat in tegenstelling tot wat [v]erzoeker beweert, de slaagcijfers die [v]erzoeker neerzet niet ‘behoorlijk tot zeer goed’ zijn. Zoals reeds blijkt uit de evaluatiebeslissing van de klassenraad haalt verzoeker voor Nederlands, Duits, geschiedenis, chemie, biologie en aardrijkskunde op jaarbasis in de 50%. Bovendien blijkt uit een analyse van het leerlingendossier dat deze slaagcijfers (die de ondergrens van 50% benaderen) wel degelijk deeltekorten verhullen op de betrokken vakken. […] Uit bovenstaande blijkt duidelijk dat de klassenraad [zijn] beslissing tot het geven van een C-attest in eerste instantie motiveert op basis van de jaartekorten op vier vakken, en bijkomend (als onderdeel van het globale evaluatieproces door de delibererende klassenraad) een analyse van de globale resultaten en algemene studievoortgang aanvoert als argument om te besluiten dat [v]erzoeker te weinig specifieke aanleg heeft voor de gekozen richting en dat het totaalpakket te zwaar is. De evaluatiebeslissing is m.a.w. niet gemotiveerd op basis van slaagcijfers, maar op basis van voldoende zwaarwichtige tekorten. Er ligt aldus geen schending voor van de [materiëlemotiveringsplicht] met betrekking tot de evaluatiebeslissing.” Uit deze motieven lijkt integendeel te moeten worden afgeleid dat de beroepscommissie, net zoals de klassenraad vóór haar, tot de toekenning van een C-attest is gekomen op grond van de vier jaartekorten die verzoeker behaalde en die als dusdanig ook niet worden betwist. Dat verzoeker voor de andere vakken een slaagcijfer behaalde, is dan weer uitdrukkelijk níét aangegeven als rechtstreekse grondslag voor die beslissing, doch slechts als vaststelling in tweede orde bij de inschatting van verzoekers slaagkansen in deze studierichting. IX-10735-17/18 20. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10735-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.247 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div