id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.273 Rolnummer: A. 245853/IX-10740 Zaak: Arrest 264273 - Examens (onderwijs) - 23/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-26 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-14 04:24 Fiche Arrest nr 264.273 van 23 september 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.273 no lien 285303 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.273 van 23 september 2025 in de zaak A. 245.853/IX-10.740 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SINT-BAVOHUMANIORA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 16 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van Sint-Bavohumaniora van 4 september 2025 waarbij aan verzoekster een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 16 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10.740-1/19 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stella Zeimpekis, die loco advocaat Joost Van Damme verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is in het schooljaar 2024-2025 leerling in het eerste jaar van de derde graad ‘Humane wetenschappen’ in Sint-Bavohumaniora, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Het eindrapport vertoont drie jaartekorten: Engels (25,1%), Frans (38,3%) en geschiedenis (46,6%). De delibererende klassenraad beslist om verzoekster een bijkomende proef op te leggen voor deze drie vakken. Verzoekster slaagt voor de bijkomende proef voor het vak geschiedenis, maar niet voor die voor Engels en Frans waarop zij respectievelijk IX-10.740-2/19 23/50 en 24/60 behaalt. Daarop beslist de delibererende klassenraad op 22 augustus 2025 om aan verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad. 3.2. Op 26 augustus 2025 stelt verzoekster een beroep in bij het schoolbestuur. Daarin voert zij aan dat de klassenraadbeslissing strijdt met het evenredigheidsbeginsel (omdat er geen sprake is van zeer ernstige tekorten of een gebrek aan inzet), het zorgvuldigheidsbeginsel (de medische context is onvoldoende in rekening genomen en er zijn geen remediëringstrajecten aangeboden of waarschuwingen gegeven) en het redelijkheidsbeginsel (de medische context is onvoldoende in rekening genomen, de tekorten zijn het gevolg van overmacht en de behaalde resultaten tonen in globo aan dat verzoekster het tweede jaar van de derde graad succesvol zou kunnen afronden). 3.3. Op 4 september 2025 beslist de beroepscommissie, verzoekster gehoord, om het C-attest te handhaven. De beroepscommissie overweegt: “De beroepscommissie heeft alle elementen van het deliberatiedossier van [verzoekster] zorgvuldig bestudeerd en in haar beraadslaging meegenomen. Het feit dat dit schooljaar voor [verzoekster] bijzonder zwaar was wegens ziekte, werd meegenomen in de beslissing. Daarnaast is bijzondere aandacht besteed aan de resultaten, de gerealiseerde vorderingen en de mate waarin de leerplandoelen van het vijfde jaar bereikt zijn. [Verzoekster] haalde grote tekorten in juni voor de vakken Frans, Engels en geschiedenis. De commissie stelt geen vorderingen vast in bovengenoemde vakken gedurende het schooljaar. Omwille van het feit dat dit schooljaar bijzonder zwaar was voor [verzoekster], kreeg zij in augustus een tweede kans om via bijkomende proeven voor Frans, Engels en geschiedenis aan te tonen dat zij alsnog in staat was de leerplandoelen voor deze vakken te halen. Dit is een eerder uitzonderlijke maatregel die enkel genomen wordt als men over onvoldoende gegevens beschikt door bijvoorbeeld ziekte. Om de kans op slagen te verhogen, werd de leerstof voor Frans en Engels beperkt tot enkele minimumdoelen. Moeilijkere delen werden weggelaten. IX-10.740-3/19 Hieronder enige toelichting voor het vak Frans: Om [verzoekster] een grotere kans op slagen te geven werden een aantal onderdelen op de bijkomende proef niet ondervraagd. Zo werd het onderdeel literatuur weggelaten en werd ze ook niet mondeling ondervraagd. - [Verzoekster] is niet in staat zinnen met een zekere mate van complexiteit (minimumdoel) in het Frans te produceren. Ze haalt de minimumvereisten voor productieve vaardigheden niet. Ze is niet in staat tot een duidelijke schriftelijke tekstopbouw. - [Verzoekster] kan geen mondelinge teksten produceren met een samenhangende structuur. - [Verzoekster] slaagt er niet in (on)voorbereid aan een gesprek deel te nemen in een minder vertrouwde context. - [Verzoekster] kan haar eigen beleving en haar eigen interpretaties van literaire teksten niet uitdrukken. Hiervoor is een minimaal tekstbegrip noodzakelijk, wat [verzoekster] ontbreekt. [Verzoekster] haalde nog steeds tekorten voor Engels en Frans bij de bijkomende proeven. De leerplandoelen voor deze vakken werden in onvoldoende mate bereikt. Beide vakken behoren tot de kern van een domeinoverschrijdende doorstroomrichting en zijn essentieel om met succes het zesde jaar te kunnen volgen en af te ronden. Het tekort in deze vakken weegt daardoor zwaar door en laat niet toe om de leerling op verantwoorde wijze te laten doorstromen. Om die redenen beslist de beroepscommissie, na rijp beraad, tot het uitspreken van een C-attest. Deze beslissing is ingegeven door de zorg voor een haalbare en toekomstgerichte schoolloopbaan van de leerling.” Dat is de bestreden beslissing IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij IX-10.740-4/19 uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5. Het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt door de verwerende partij terecht niet betwist. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6. In een eerste middel beroept verzoekster zich, volgens de aanhef van het middel, op een schending van het “formele motiveringsbeginsel”. Vervolgens stelt zij evenwel dat het middel (ook) is gegrond op “de miskenning van de formele motiveringsplicht, op een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, in het bijzonder de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet, art. 6.2.6.4, eerste lid, 1° van de omzendbrief SO 64 [bedoeld wordt: de onder die afkorting gekende omzendbrief ‘Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ van 25 juni 1999], art. 60 en 70 van het Organisatiebesluit secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2022 – B.S. 18 november 2022) en art. 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs”. Verzoekster herneemt vervolgens integraal haar beroepschrift en stelt dat “[d]eze grieven en middelen [niet] worden […] beantwoord door de beslissing van de beroepscommissie”. De beroepscommissie, zo betoogt IX-10.740-5/19 verzoekster, heeft zich immers beperkt tot het bespreken van de resultaten van de bijkomende proeven. Beoordeling 7. Er is de Raad van State geen algemeen beginsel gekend dat de formele motivering van bestuurshandelingen voorschrijft. In dat opzicht is het eerste middel niet ontvankelijk. De door verzoekster afzonderlijk ingeroepen “miskenning van de formele motiveringsplicht” en de “schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen” hebben beide betrekking op eenzelfde rechtsgrond, namelijk de voornoemde wet van 29 juli 1991. 8. Verzoekster refereert vervolgens aan een omzendbrief die, zo lijkt, niet verordenend is of – mocht hij het zijn – niet is voorgelegd aan het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State en daarom buiten toepassing moet blijven. Er wordt voorshands dus geen rekening mee gehouden. Overigens moet worden vastgesteld dat verzoekster prima facie in de uiteenzetting van het middel niet toelicht waarin zij de aangevoerde schending gelegen ziet en dat het ingeroepen artikel 6.2.6.4 op het eerste gezicht betrekking heeft op de beslissing van de beroepscommissie in een tuchtprocedure, waarvan in casu geen sprake is. 9. Artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs luidt als volgt: “§ 3. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot: 1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als:
- a)de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.273 IX-10.740-6/19 centrumreglement, is overschreden;
- b)het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement.” De bestreden beslissing lijkt verzoeksters intern beroep niet onontvankelijk, maar ongegrond te hebben verklaard. De door verzoekster ingeroepen bepaling is derhalve te dezen op het eerste gezicht niet van toepassing. In dat opzicht is het middel, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. 10. Artikel 60 van het organisatiebesluit bepaalt: “Leerlingenevaluatie strekt ertoe om, rekening houdend met het pedagogisch project van de school, na te gaan of de regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval. De leerlingenevaluatie resulteert in de beslissing van de klassenraad over het al dan niet met vrucht beëindigen van een structuuronderdeel of een graad, naargelang van het geval. In sommige structuuronderdelen impliceert het eerste lid dat: […]” Voor zover dit voorschrift ook op de beroepscommissie kan worden betrokken, lijkt te moeten worden vastgesteld dat zij zich inderdaad over het al dan niet met vrucht beëindigen van verzoeksters studies heeft uitgesproken en dus met het aangehaalde voorschrift in overeenstemming is. Bij gebrek aan enige nadere toelichting in de uiteenzetting van het middel is ook deze grief, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. 11. In artikel 70 van het organisatiebesluit is voorgeschreven: “De studiebekrachtiging in de vorm van de toekenning van een oriënteringsattest is als volgt: 1° oriënteringsattest A: als de leerling het eerste of tweede leerjaar van de eerste graad, het eerste of tweede leerjaar van de tweede graad of het eerste leerjaar van de derde graad met vrucht en zonder clausulering heeft IX-10.740-7/19 beëindigd of als de leerling het eerste leerjaar van de eerste graad met vrucht en met clausulering heeft beëindigd; 2° oriënteringsattest B: als de leerling het tweede leerjaar van de eerste graad, het eerste of tweede leerjaar van de tweede graad of het eerste leerjaar van de derde graad van de dubbele finaliteit – kso of tso met vrucht en met clausulering heeft beëindigd; 3° oriënteringsattest C: als de leerling een leerjaar van de eerste, tweede of derde graad niet met vrucht heeft beëindigd. In het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B kan: 1° het oriënteringsattest A ook remediëring in het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B opleggen. Als remediëring wordt opgelegd, is het zowel een recht als een plicht voor de leerling, ongeacht de school van inschrijving; 2° het oriënteringsattest C alleen toegekend worden in uitzonderlijke gevallen. In het eerste leerjaar en tweede leerjaar van de tweede graad kan het oriënteringsattest A ook een advies inhouden om naar een studierichting met een hoger abstractieniveau over te stappen. De Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, legt de modellen van de oriënteringsattesten, vermeld in het eerste lid, en de regels om ze in te vullen, vast.” In de uiteenzetting van het middel valt niet te vernemen waarom verzoekster deze bepaling geschonden acht. Die vaststelling volstaat om het eerste middel ook in dat opzicht, voor zover ontvankelijk, niet ernstig te bevinden. 12. De crux van het middel lijkt te zijn gelegen in de formelemotiveringsplicht, aangezien verzoekster in essentie betoogt dat de beroepscommissie haar grieven en middelen niet beantwoordt. Zoals hiervóór reeds is aangegeven, adstrueert verzoekster haar eerste middel door het beroepschrift dat aan de beroepscommissie werd voorgelegd, letterlijk aan te halen. Een verzoekende partij die aanvoert dat niet, of niet deugdelijk is geantwoord op haar grieven – en aldus een schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht – mag evenwel, zoals de Raad van State in arrest nr. IX-10.740-8/19 257.323 van 15 september 2023 reeds heeft overwogen, niet ermee volstaan in de toelichting van dat middel louter haar bezwaarschrift voor de beroepscommissie te herhalen. Het ligt niet op de weg van de Raad van State om zelf het middel voor verzoekster te schrijven, door de intern aangevoerde bezwaren te plaatsen tegenover de in de bestreden beslissing gegeven motieven en om vervolgens zelf telkenmale na te gaan of grief per grief wel een antwoord is gegeven en, zo ja, of dit antwoord draagkrachtig is. Voor zover bijgevolg de beroepscommissie, spijts haar uitgeschreven motivering inderdaad, zoals verzoekster beweert, zou hebben verzuimd op de ene of de andere concrete grief te antwoorden, lag het op verzoeksters weg haar kritiek precies en nauwkeurig op papier te zetten en niet, zoals zij nu deed, haar volledige interne beroepschrift te kopiëren en dan maar te stellen dat “de grieven” onbeantwoord bleven. Meer nog, verzoekster betrekt in de toelichting bij het middel op geen enkele wijze het uitgeschreven antwoord van de beroepscommissie. Zij lijkt dus gewoon de Raad van State uit te nodigen om datgene te doen wat hij niet mag – namelijk, los van wat de beroepscommissie ervan vindt, het onderzoek van verzoeksters intern bezwaar overdoen en zijn eigen beoordeling ervan in de plaats te stellen van de beslissing van de beroepscommissie. Daarmee verkijkt verzoekster zich op de opdracht van de Raad van State als rechter van de wettigheid. Ook in dat opzicht is het eerste middel onontvankelijk. 13. Het eerste middel is in zijn geheel, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. IX-10.740-9/19 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 14. In de aanhef van haar tweede middel noemt verzoekster de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel geschonden. Vervolgens betrekt verzoekster op dit middel ook de formelemotiveringsplicht, de artikelen 60 en 70 van het Organisatiebesluit, artikel 6.2.6.4, eerste lid, 1°, van omzendbrief SO 64 en artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs. Verzoekster betoogt dat de beroepscommissie weliswaar stelt dat het feit dat het voorbije schooljaar voor verzoekster bijzonder zwaar was wegens ziekte, in de beslissing werd meegenomen, maar dat die overweging de medische toestand “geringschat”. In werkelijkheid, zo stelt verzoekster, werd met de uitzonderlijke medische omstandigheden onvoldoende rekening gehouden. Zij herinnert eraan dat zij op het einde van het schooljaar 2023-2024 werd gediagnosticeerd met schildklierkanker en zij daarvoor in september 2024 een heelkundige ingreep onderging met een lange en zware revalidatieperiode. Van de medicatie ondervindt verzoekster bijwerkingen en in oktober en december 2024 werd zij op de spoedafdeling opgenomen. Verzoekster stipt nog aan dat zij ten gevolge van haar gezondheidstoestand regelmatig afwezig was. Dat de beroepscommissie zich in die omstandigheden ertoe beperkt te stellen dat het zware schooljaar werd meegenomen in de beslissing, kan voor verzoekster niet volstaan. De beroepscommissie diende immers een nieuwe beoordeling te maken, op grond van alle beschikbare (medische) informatie – wat zij volgens verzoekster heeft nagelaten te doen door zich te beperken tot een loutere stijlformule. Verzoekster stelt tot slot dat vakleerkrachten haar gezondheidsproblemen bagatelliseerden en kwetsende opmerkingen maakten, wat veel stress veroorzaakte en een negatieve psychologische impact had. Wat het redelijkheidsbeginsel betreft, doet verzoekster gelden dat de bestreden beslissing afwijkt van een normaal beslissingspatroon dat ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.273 IX-10.740-10/19 van een “naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelende beroepscommissie” mag worden verwacht. Zij stelt tevens dat “een andere meer geschikte beslissing had kunnen worden genomen”, bijvoorbeeld door een waarschuwing te geven. Beoordeling 15. Wat hiervóór sub 8 tot en met 11 voorlopig ten aanzien van het eerste middel is overwogen, is in dezelfde zin evenzeer van toepassing op het tweede middel. In de mate dat het tweede middel op de in die randnummers vermelde rechtsgronden is gesteund, is het, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. 16. De beroepscommissie geeft aan dat zij rekening heeft gehouden met het feit dat het voorbije schooljaar voor verzoekster bijzonder zwaar was omwille van haar ziekte. Verzoekster overtuigt vooralsnog niet ervan dat het louter om een “stijlformule” gaat, laat staan dat de beroepscommissie de impact van verzoeksters ziekte “minimaliseert”. Zelfs indien moet worden aangenomen dat bepaalde leerkrachten in de loop van het schooljaar ongelukkige of ongepaste opmerkingen zouden hebben gemaakt, dan betekent dit op het eerste gezicht niet dat dit verwijt ipso facto ook aan de klassenraad of aan de beroepscommissie kan worden tegengeworpen. Uit de notulen van de hoorzitting van de beroepscommissie kan de Raad van State op het eerste gezicht alvast niet afleiden dat de leden van die beroepscommissie zich met betrekking tot verzoeksters gezondheid onverschillig zouden hebben opgesteld. IX-10.740-11/19 Verzoekster laat voorts na in concreto aan te tonen welke medische gegevens voor de beroepscommissie ten onrechte niet of onvoldoende in rekening zijn gebracht. De Raad van State bedenkt daarbij overigens dat verzoekster zelfs geen poging lijkt te ondernemen om duidelijk te maken waarom haar medische situatie uitgerekend voor de vakken Frans en Engels ertoe heeft geleid dat zij doorheen het hele schooljaar op geen enkel rapport een slaagcijfer heeft behaald – en vervolgens evenmin op de bijkomende proeven – terwijl zij voor vele andere vakken (ruime) slaagcijfers laat optekenen. In de huidige stand van de procedure overtuigt verzoekster niet ervan dat de bestreden beslissing de materiëlemotiveringsplicht miskent. 17. Voorts heeft de beroepscommissie – en zulks lijkt in het licht van de opdracht waarmee een delibererend orgaan overeenkomstig artikel 60 van het organisatiebesluit wordt belast toch primair – “bijzondere aandacht” besteed aan “de resultaten, de gerealiseerde vorderingen en de mate waarin de leerplandoelen van het vijfde jaar bereikt zijn”. Het is dan ook niet ten onrechte, zo lijkt, dat de motivering van de beroepscommissie zich in de eerste plaats richt op het al dan niet bereikt zijn van de leerplandoelen. Zoals gezien, behaalde verzoekster een jaartekort voor geschiedenis, Engels en Frans en vervolgens een tekort op de bijkomende proeven voor Engels en Frans. Noch in de procedure vóór de beroepscommissie, noch vóór de Raad van State lijkt verzoekster de representativiteit van de resultaten van de bijkomende proeven te betwisten. Evenmin weerspreekt verzoekster prima facie de beroepscommissie waar die aanstipt dat de leerstof op de bijkomende proeven voor Frans en Engels werd beperkt tot enkele minimumdoelen, met weglating van “moeilijkere delen”. Het doet de Raad van State voorshands besluiten dat uit het geheel van de voorliggende cijfers mag worden afgeleid dat verzoekster de leerplandoelen voor Engels en Frans niet heeft bereikt. Meer nog: verzoekster ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.273 IX-10.740-12/19 spreekt de beroepscommissie op het eerste gezicht al evenmin tegen waar die overweegt dat beide vakken “behoren tot de kern van een domeinoverschrijdende doorstroomrichting en […] essentieel [zijn] om met succes het zesde jaar te kunnen volgen en af te ronden”, wat voor de beroepscommissie precies de reden is waarom verzoekster niet op een verantwoorde wijze naar het tweede jaar van de derde graad kan doorstromen. In dat licht komt een beslissing die aan verzoekster een C-attest toekent vooralsnog niet onredelijk voor. 18. Voor zover verzoekster tot slot aan de beroepscommissie verwijt dat zij, op grond van de voorliggende gegevens, een andere beslissing “had kunnen nemen”, moet worden opgemerkt dat verzoekster de bestreden beslissing mogelijk als streng ervaart, maar dat de Raad van State geen rechtsbescherming kan bieden tegen strenge beslissingen. Het loutere feit dat de beroepscommissie ook een andere beslissing “had kunnen nemen”, betekent nog niet, zo lijkt, dat zij daartoe rechtens ook verplicht was casu quo dat de beslissing die zij heeft genomen onregelmatig is. 19. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 20. Verzoekster beroept zich, volgens de aanheft van haar derde middel, op een schending van de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. In de verdere uiteenzetting noemt zij ook de formelemotiveringsplicht, de artikelen 60 en 70 van het Organisatiebesluit, artikel 6.2.6.4, eerste lid, 1°, van omzendbrief SO 64 en artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs geschonden. IX-10.740-13/19 Verzoekster betoogt dat uit de motivering van de bestreden beslissing moet worden afgeleid dat de beroepscommissie het slagen voor alle, minstens voor bepaalde vakken dwingend vooropstelt opdat een A-attest zou kunnen worden uitgereikt, terwijl er geen enkele normatieve bepaling bestaat die een dergelijke voorwaarde oplegt. Bovendien, zo stelt verzoekster, zijn op voorhand vastgelegde deliberatieregels, hetzij voorzien bij reglement, hetzij door de klassenraad of de beroepscommissie aan zichzelf opgelegd, onwettig. Verzoekster licht toe dat de twee jaartekorten, anders dan de beroepscommissie meent, geen betrekking hebben op richtingspecifieke vakken en dat de bestreden beslissing om die reden alleen al moet worden vernietigd. Voorts stelt verzoekster dat haar drie bijkomende proeven werden opgelegd. Nadat zij voor de bijkomende proef voor geschiedenis een slaagcijfer behaalde en voor de andere vakken een nipt tekort, acht zij het kennelijk onredelijk om een C-attest toe te kennen. Verzoekster wijst op de gunstige evolutie, ondanks haar aanhoudende gezondheidsproblemen. De bestreden beslissing schendt naar oordeel van verzoekster ook de artikelen 60 en 70 van het organisatiebesluit; zij betwist dat zij de leerplandoelstellingen niet heeft bereikt. Die beoordeling staat voor haar immers los van de jaarcijfers die voor bepaalde vakken werden behaald. Verzoekster herhaalt dat geen enkele normatieve bepaling voorschrijft dat een leerling voor alle vakken een slaagcijfer moet behalen opdat het leerjaar met vrucht zou zijn beëindigd. Tot slot betoogt verzoekster dat er slechts twee jaartekorten resteren en dat zij voor alle andere vakken een slaagcijfer laat noteren; die slaagcijfers kunnen voor verzoekster de toekenning van een C-attest niet schragen. IX-10.740-14/19 Beoordeling 21. Anders dan verzoekster beweert, heeft de beroepscommissie niet geoordeeld, zo lijkt, dat Frans en Engels ‘richtingspecifieke’ vakken zijn, maar wel dat “beide vakken behoren tot de kern van een domeinoverschrijdende doorstroomrichting en […] essentieel [zijn] om met succes het zesde jaar te kunnen volgen en af te ronden”. In dat opzicht mist het middel feitelijke grondslag. 22. Verzoekster zet op geen enkele wijze uiteen hoe of waarom de bestreden beslissing, in het licht van dit derde middel, de formelemotiveringsplicht, artikel 6.2.6.4, eerste lid, 1°, van omzendbrief SO 64 of artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs zou miskennen. Het middel is wat die rechtsgronden betreft derhalve onontvankelijk, minstens niet ernstig. 23.1. Verzoekster kan worden bijgevallen in haar betoog dat geen enkele normatieve tekst als slaagnorm oplegt dat een leerling voor alle of welbepaalde vakken geslaagd moet zijn, of een minimaal percentage voor het geheel van de vakken behaald moet hebben om ‘met vrucht’ geslaagd te worden verklaard. In dat licht is het vaste rechtspraak van de Raad van State dat een beroepscommissie, geconfronteerd met één jaartekort, de haar toevertrouwde opdracht in zijn volle omvang en met de grootste zorgvuldigheid moet uitoefenen. De beraadslaging van de beroepscommissie vereist dan dat zij nagaat of uit de andere gegevens van de leerling die voor één vak niet voldoet aan de gestelde normen, blijkt of die leerling niettemin voldoet aan het geheel van de vorming van het betreffende leerjaar en bekwaam wordt geacht de studies voort te zetten in het volgende leerjaar. Zo de beroepscommissie oordeelt dat de leerling niet met vrucht ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.273 IX-10.740-15/19 is geslaagd, dan dient zij in de bestreden beslissing toe te lichten op grond van welke motieven zij tot die strenge, maar niet noodzakelijk onwettige evaluatiebeslissing komt. Dat is des te meer het geval, zo het vak waarvoor een jaartekort is opgetekend, geen richtingspecifiek vak is. In casu liggen evenwel niet één, maar twee jaartekorten voor. Verzoekster bevindt zich derhalve niet in de feitelijke omstandigheden waarop de hiervóór vermelde rechtspraak betrekking heeft. 23.2. In tegenstelling tot verzoekster leest de Raad van State in de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet dat de beroepscommissie aan verzoekster een A-attest heeft geweigerd omdat zij niet voor alle vakken een slaagcijfer behaalde. Uit de motieven van de bestreden beslissing lijkt integendeel te moeten worden afgeleid dat de beroepscommissie tot de toekenning van een C- attest is gekomen op grond van de vaststelling dat verzoekster, spijts het erg laagdrempelige karakter ervan, op de bijkomende proeven voor Engels en Frans geen slaagcijfer heeft behaald en dat bijgevolg, na eerder een jaartekort te hebben laten optekenen, voor die twee vakken de leerplandoelstellingen niet werden behaald. 23.3. Verzoekster toont voorts prima facie niet aan welke vooraf bepaalde deliberatieregel door de beroepscommissie ten onrechte zou zijn toegepast en de Raad van State ziet ook spontaan in de bestreden beslissing geen verwijzing naar een dergelijk voorschrift. 23.4. Wat de aard van de bijkomende proeven betreft, lijkt verzoekster er ten onrechte vanuit te gaan dat de daarvoor behaalde resultaten in de plaats komen van het jaarcijfer dat eind juni werd opgetekend. Dat is niet het geval; zoals de Raad van State al zo vaak heeft overwogen, wordt het resultaat op een bijkomende proef slechts een bijkomend element in het dossier van de leerling. Er ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.273 IX-10.740-16/19 bestaan geen richtlijnen inzake het verrekenen van de resultaten van de bijkomende proeven: de interpretatie van het geheel der voorliggende cijfers behoort tot het domein van de discretionaire bevoegdheid van de delibererende klassenraad casu quo de beroepscommissie. Het valt op het eerste gezicht echter niet in te zien hoe een onvoldoende jaarresultaat kan worden gekeerd door een bijkomende proef waarvan het resultaat opnieuw een onvoldoende is. In dat opzicht kan aan de beroepscommissie geen onredelijkheid worden verweten, zo lijkt, wanneer zij oordeelt dat de leerplandoelstellingen voor Frans en Engels – ook ná de bijkomende proeven – niet werden bereikt. Het feit dat het tekort op een bijkomende proef mogelijk kleiner is dan het jaartekort dat eind juni voorlag, doet geen afbreuk eraan dat de leerling voor dat vak onder de maat blijft. 24. De bestreden beslissing schendt volgens verzoekster tot slot de artikelen 60 en 70 van het organisatiebesluit; zij betwist dat zij de leerplandoelstellingen niet heeft bereikt. Die beoordeling staat voor haar immers los van de jaarcijfers die voor bepaalde vakken werden behaald. Verzoekster herhaalt dat geen enkele normatieve bepaling voorschrijft dat een leerling voor alle vakken een slaagcijfer moet behalen opdat het leerjaar met vrucht zou zijn beëindigd. De motivering van het al dan niet slagen van een leerling ligt in de eerste plaats besloten in de behaalde punten, die nog steeds de meest gebruikelijke manier van beoordelen vormen in het onderwijs en die de leerling in principe zal terugvinden op zijn rapport. Die punten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot weerlegging kleeft aan de hoedanigheid van de leerkracht immers, wordt ervan uitgegaan dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de eindtermen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof – kennisinhouden, vaardigheden en attitudes – volledig en bekwaam ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.273 IX-10.740-17/19 hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie, dat zij examens hebben opgesteld die niet eenzijdig zijn maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd ten einde over de bereikte kennis en vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken – in voorkomend geval, voor de permanente evaluatie – weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. In het licht van het voorgaande, is het voor de Raad van State vooralsnog een raadsel hoe volgens verzoekster het beoordelen van het al dan niet bereiken van de leerplandoelstellingen zou moeten geschieden, indien die beoordeling, zoals zij aanvoert, “in wezen los” staat van de jaarcijfers. De visie van verzoekster wordt dan ook vooralsnog niet bijgevallen. 25. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. IX-10.740-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.740-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.273 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div