id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.298 Rolnummer: A. 244615/XIV-39785 Zaak: Arrest 264298 - Varia (economische zaken) - 24/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-01 Raadplegingen: 162 - laatst gezien 2026-06-18 16:58 Fiche Arrest nr 264.298 van 24 september 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.298 no lien 285325 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.298 van 24 september 2025 in de zaak A. 244.615/XIV-39.785 In zake : 1. XXXX 2. XXXX woonplaats kiezend te 2550 Kontich Vekenveld 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Margot Luyckx en Damien Verhoeven kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 april 2025 strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 15 januari 2025 van de Administrateur-generaal van het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap (hierna: VEKA) waarbij de aanvraag van verzoekers van een rentesubsidie in het kader van het renovatiekrediet met rentesubsidie met betrekking tot de woning gelegen te K[XXX]-lei [X], te 2550 Kontich (referentie 420607019[XXX]), wordt afgewezen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2025. XIV-39.785-1/8 Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Margot Luyckx, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 15 januari 2025 weigert het VEKA de aanvraag van verzoekers van een rentesubsidie. Luidens de motivering ervan is de aanvraag afgekeurd op grond van de volgende motief: “Op basis van de ons ter beschikking gestelde gegevens die u bevestigd hebt, is uw aanvraag afgekeurd. Om de volgende redenen kunnen we u geen rentesubsidie verlenen: Het EPC-attest daterende van 31/05/2021 werd voor een appartement ingediend. Met een EPC voor een appartement mag er geen rentesubsidie worden toegekend voor een woning.” Dit is de bestreden beslissing. 3.2. Uit navolgend e-mailverkeer van 26 januari 2025 blijkt dat er een EPC-attest werd opgesteld voor twee appartementen op het adres waarvoor een aanvraag tot rentesubsidie voor renovatie van een woning werd ingediend. XIV-39.785-2/8 IV. Toepassing kortedebattenprocedure Ontvankelijkheid – Ambtshalve exceptie inzake rechtsmacht Standpunt van de partijen 4. In zijn verslag werpt het auditoraat ambtshalve op dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is om van het voorliggende beroep tot nietigverklaring kennis te nemen, in essentie omdat aan geen van beide connexe voorwaarden is voldaan die moeten vervuld zijn opdat de Raad van State over de vereiste rechtsmacht zou beschikken om van de voorliggende zaak kennis te nemen. Aan geen van beide connexe voorwaarden is voldaan, eensdeels, omdat het VEKA krachtens de toepasselijke regelgeving inzake de toekenning van de betrokken rentesubsidies slechts over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en, anderdeels, omdat evenmin is voldaan aan de tweede connexe voorwaarde nu het verzoekschrift geen (ontvankelijk) middel bevat. 5. Met een bericht van verzoekers dat de Raad van State heeft ontvangen op 10 september 2025 hebben verzoekers uitdrukkelijk gesteld “akkoord [te gaan] met de verwerping tot nietigverklaring door de Raad van State” en tevens aangegeven dat “verdere procedures niet nodig zijn”. De verwerende partij betwist evenmin de bevindingen zoals die zijn uiteengezet in het auditoraatsverslag. Beoordeling A. Vooraf: de principes inzake rechtsmacht 6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.298 XIV-39.785-3/8 betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Wat de beoordeling van het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van een voor de Raad van State gebracht geschil betreft, is op grond van de voornoemde artikelen 144 en 145 van de Grondwet, de Raad van State zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (
- i)een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (
- ii)het ingeroepen annulatiemiddel steunt op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127); zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8). In zijn arresten nrs. 257.891, 257.892 en 257.893 van 14 november 2023 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak deze rechtspraak bijgetreden. Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418 (ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6); conclusie van eerste advocaat- XIV-39.785-4/8 generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). 7. Er wordt bij de navolgende beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering dan ook acht geslagen op zowel het voorwerp van de vordering (het petitum), dit is de eerste connexe voorwaarde, als op de aangevoerde middelen (de causa petendi), dit is de tweede connexe voorwaarde. B. De eerste connexe voorwaarde (het petitum) 8. In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het VEKA bij het onderzoek of de verzoekers voldoen aan de voorwaarden om een rentesubsidie voor niet-energiezuinige woningen te bekomen, zoals bepaald in artikel 7.15.2 Energiebesluit, louter over een gebonden bevoegdheid beschikt. Het VEKA heeft geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid bij het nagaan of de aanvrager in aanmerking komt voor een rentesubsidie, noch bij de omvang hiervan. In het te dezen toepasselijke artikel 7.15.2 van het Energiebesluit van 19 november 2010 worden de voorwaarden bepaald waaronder de betrokken renovatiesubsidie kan worden verleend. Daaruit blijkt dat het VEKA bij het onderzoek of de verzoekers voldoen aan de voorwaarden om een rentesubsidie voor niet-energiezuinige woningen te bekomen, zoals bepaald in de voormelde bepaling, louter over een gebonden bevoegdheid beschikt. In de bestreden weigeringsbeslissing stelt het VEKA te dezen vast dat het aangeleverde EPC-attest van 31 mei 2021 voor een appartement werd ingediend. Met een EPC voor een appartement mag er geen rentesubsidie worden toegekend voor een woning. XIV-39.785-5/8 De discussie tussen de verzoekers en de verwerende partij is dat de EPC-attesten die voor appartementen zijn opgesteld, eigenlijk betrekking hebben op een woning aangezien er geen vergunning was om de woning op te delen in twee appartementen. De vraag of deze EPC-attesten gebruikt kunnen worden voor de aanvraag van een rentesubsidie voor de renovatie van een woning, doet er niet aan af dat het VEKA, gelet op de toepasselijke regelgeving, bij de beoordeling van de aanvraag slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt. Tot slot wordt in het auditoraatsverslag nog opgemerkt dat de omstandigheid dat de verwerende partij bij de kennisgeving van haar beslissing aan de verzoekers heeft vermeld dat een annulatieberoep bij de Raad van State kon worden ingesteld, geen invloed heeft op de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen, vloeien immers voort uit de Grondwet en de partijen kunnen daarvan niet afwijken. 9. De Raad van State ziet wat deze voorwaarde betreft, geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, na eigen onderzoek, aldus het auditoraatsverslag bijvallend, dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarde vervat in de voornoemde bepaling, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld was. C. De tweede connexe voorwaarde (de causa petendi) 10. Het auditoraat stelt, wat deze tweede voorwaarde betreft, in zijn verslag vast dat in de voorliggende zaak het verzoekschrift geen middelen bevat, minstens dienen de aangevoerde middelen als niet-ontvankelijk te worden verworpen. Met hun verzoekschrift vragen de verzoekers de Raad van State om de beslissing, omwille van de door hen aangevoerde redenen, te herzien en het dossier opnieuw te beoordelen, ditmaal in functie van “de correcte situatie ter plaatse, die in overeenstemming is met de juridische situatie”. XIV-39.785-6/8 Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift blijkt dat de verzoekers van de Raad van State een nieuwe beoordeling verwachten van hun aanvraag voor een renovatiesubsidie, wat evenwel de rechtsmacht van de Raad van State als wettigheidsrechter te buiten gaat. Noch artikel 14, noch enige andere grondwets- of wetsbepaling, verleent de Raad van State de bevoegdheid om een bestreden besluit te herzien. De Raad van State ziet wat deze voorwaarde betreft, evenmin reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, dat geen middel is aangevoerd waarover de Raad van State zich zou kunnen uitspreken (de causa petendi). Conclusie 11. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is. 12. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. 13. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. V. Kosten 14. In de gegeven omstandigheden past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen aangezien die in de bestreden beslissing ten onrechte heeft gesteld dat het beroep diende te worden ingeleid bij de Raad van State. XIV-39.785-7/8 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 26 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-39.785-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.298 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div