id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 Rolnummer: A. 245887/IX-10742 Zaak: Arrest 264325 - Examens (onderwijs) - 25/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-26 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-14 04:15 Fiche Arrest nr 264.325 van 25 september 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 no lien 285348 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.325 van 25 september 2025 in de zaak A. 245.887/IX-10.742 In zake: J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 2 september 2025, waarbij het beroep van verzoekster tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan zij niet gunstig wordt gerangschikt voor het toelatingsexamen arts, wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 17 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10742-1/25 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Nino Vermeire, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten 3.
- De Vlaamse regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). IX-10742-2/25 Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het organisatiebesluit). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1723 bedraagt (besluit van de Vlaamse regering van 22 december 2023 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat, waardoor het startquotum overschreden kan worden (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2025 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2025’ (“WER”). IX-10742-3/25 Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonderdeel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”. VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “examenvragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”. Voor sommige examenvragen kunnen de deelnemers het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere examenvragen moeten de deelnemers diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren. 3.
- Verzoekster neemt op 2 juli 2025 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Zij behaalt een totale score van 157/240, hetzij één punt onder de cesuur om gunstig te worden gerangschikt. Verzoekster stelt een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie. Op 2 september 2025 beslist de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts om het beroep van verzoekster ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 IX-10742-4/25
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Spoedeisendheid bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Het vervuld zijn van de voorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt door de verwerende partij terecht niet betwist. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Verzoekster steunt een eerste middel op een schending van het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, “het motiveringsbeginsel” en het redelijkheidsbeginsel. Uit de nadere uiteenzetting van het middel moet worden opgemaakt dat verzoekster met “het motiveringsbeginsel” eigenlijk doelt op de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringsplicht”). Verzoekster voert aan dat op de dag van het examen extreme temperatuurverschillen golden tussen de examencentra. Zo bedroeg de buitentemperatuur in Antwerpen, de stad waar verzoekster het examen aflegde, in ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 IX-10742-5/25 de namiddag ongeveer 34°C, terwijl in Brugge slechts 22°C werd bereikt. Zij acht het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat de kandidaten aldus in sterk verschillende omstandigheden het examen moesten afleggen, waarbij de hogere temperaturen volgens verzoekster een rechtstreekse negatieve impact hadden op de cognitieve prestaties en dus de slaagkansen verminderden. Verzoekster wijst erop dat haar prestaties inderdaad een “abrupte terugval” kenden in de namiddag, toen de grootste hitte samenviel met de moeilijkste vragen. Het is voor verzoekster dan ook in alle redelijkheid aannemelijk dat de hitte een verlies van punten heeft veroorzaakt. Daarbij moet rekening ermee worden gehouden, zo betoogt verzoekster, dat zij als pas afgestudeerde scholier geen voorafgaande academische biomedische voorkennis had, wat haar in combinatie met de hitte dubbel zo hard heeft getroffen. Door deze situatie van overmacht ziet verzoekster de gelijkheid tussen de kandidaten ernstig in het gedrang gebracht, zonder dat daarvoor enige redelijke verantwoording voorligt of passende maatregelen werden genomen. Wat dit laatste betreft, stelt verzoekster dat slechts “minimale ad-hoc maatregelen” werden genomen zoals een beperkt aantal ventilatoren, wat ontoereikend en volgens experts zelfs contraproductief was. Zij stipt ook aan dat volgens de ‘codex over het welzijn op het werk’ – die hier bij analogie zou moeten worden toegepast – in deze omstandigheden preventieve maatregelen zoals koeling, pauzes of airconditioning verplicht zijn. Door daarin niet te voorzien en de omstandigheden niet bij de vaststelling van de resultaten te betrekken, heeft het bestuur onzorgvuldig gehandeld. In de afwijzing door de beroepsinstantie van haar argumenten omdat er geen “objectieve gegevens” over de binnentemperatuur voorhanden zijn, ziet verzoekster een schending van het redelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht. De beroepsinstantie legt daardoor de bewijslast onredelijk hoog, zij miskent het onbetwistbare feit dat de buitentemperatuur 34°C bedroeg zonder dat noemenswaardige klimaatregeling voorhanden was en zij gaat inhoudelijk niet in op de informatie (meteorologische data, wetenschappelijke studies en prestatie- analyse) die verzoekster ter staving van haar nadeel heeft aangevoerd. IX-10742-6/25 6.
- Voorts bekritiseert verzoekster in concreto een aantal motieven van de bestreden beslissing: - de beroepsinstantie overweegt dat verzoekster een wetenschappelijk artikel voorlegt waarin wordt gesteld dat het gebruik van ventilatoren wordt afgeraden bij temperaturen vanaf 32,2°C, maar dat de relevantie daarvan niet wordt aangetoond omdat de beroepsinstantie niet over officiële binnentemperaturen beschikt. Verzoekster stelt vooreerst dat zij de temperatuurgegevens voor de verschillende locaties heeft aangereikt in het intern beroep; verzoekster kan erin komen dat de beroepsinstantie overweegt dat het niet correct is om de buitentemperatuur te herleiden tot de binnentemperatuur, maar stelt vast dat de beroepsinstantie wat dit laatste betreft geen eigen gegevens heeft. Daarnaast betoogt verzoekster dat de beroepsinstantie de in het artikel bedoelde richtlijnen van de Centers for Disease Control and Prevention (CDC), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPA) foutief interpreteert, omdat uit de stelling dat het gebruik van ventilatoren boven 32,2°C nadelig kan zijn en het nut ervan onder die temperatuur in vraag wordt gesteld, ten onrechte wordt afgeleid dat ventilatoren onder 32,2°C efficiënt zijn. Bovendien werden de ventilatoren gebruikt met gesloten ramen, wat het EPA dan weer afraadt; - het CDC adviseert om het gebruik van dranken rijk aan suiker of zouten te beperken, terwijl bij het examen werd aangeraden frisdranken en notenrepen (beide rijk aan suikers) en isotone dranken (rijk aan zouten) te gebruiken; - de beroepsinstantie overweegt dat uit het feit dat ’s ochtends de ramen van het examenlokaal werden opengezet en dat ventilatoren werden gebruikt blijkt dat voldoende maatregelen werden genomen om de gelijkheid te bewaren en de examencondities binnen de mate van het redelijke te houden, terwijl uit de meetgegevens van het vlindermeetpunt Antwerpen blijkt dat de minimumtemperatuur de ochtend van het examen tussen 24,5°C en 25°C bedroeg, zodat het openen van de ramen weinig verkoeling lijkt te hebben gebracht. Het KMI had overigens voor het binnenland ‘code oranje’ afgekondigd voor de temperatuur; IX-10742-7/25 - de beroepsinstantie overweegt dat verzoekster onvoldoende aantoont dat er een verband bestaat tussen de warmte en de foute antwoorden, waarbij verzoekster die foute antwoorden zelf koppelt aan wat zij als de moeilijkste teksten inschat. Daarmee geeft de beroepsinstantie volgens verzoekster een verkeerde invulling aan het begrip ‘moeilijk’, waarmee zij immers bedoelde “een taak of leerstof [die] een aanzienlijke cognitieve inspanning vergt, hetzij door haar complexiteit, omvang of de nood aan een hoog niveau van voorkennis en concentratie”; - de beroepsinstantie gaat vluchtig voorbij aan een recent literatuuroverzicht omtrent cognitieve prestaties bij grote hitte en verwijst oppervlakkig naar een aantal passages uit dat overzicht, doch zonder dit nader uit te werken en zonder diepgaande analyse van de wetenschappelijke artikels die in het literatuuroverzicht besloten liggen. Verzoekster stelt dat de “wetenschappelijk onderbouwde schatting van de binnentemperatuur” ongeveer 30,23°C bedraagt en dat de belangrijkste cognitieve functies voor het gedeelte VAARDIG reeds een negatieve invloed ondervinden vanaf 24°C à 26°C. Beoordeling 7.
- De partijen zijn het erover eens dat het op 2 juli 2025 in Antwerpen, waar verzoekster aan het examen deelnam, behoorlijk warm was. Anticiperend op de warmte, werden enerzijds de richtlijnen inzake eten en drinken tijdens het examen aangepast, zodat de kandidaten water, water met elektrolyten, frisdrank, thee en druivensuiker, een granenkoek of een notenreep konden meebrengen. Anderzijds werd aan elke partnerlocatie gevraagd om hitte te vermijden, wat in Antwerpen gebeurde door het examenlokaal ’s ochtends te luchten, ventilatoren te plaatsen en water ter beschikking te stellen. 7.
- Zoals de beroepsinstantie op het eerste gezicht terecht aangeeft, zal een examen nooit in een volstrekt steriele omgeving plaatsvinden. Dit geldt des te meer voor het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts, tandarts en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 IX-10742-8/25 dierenarts, waaraan een groot aantal studenten terzelfdertijd en op verschillende locaties deelneemt. Gelet op dit gegeven is het niet onredelijk om ervan uit te gaan dat niet elke verstoring van het examengebeuren van die aard is een impact te hebben op de resultaten van de deelnemer. Een deelnemer aan het toelatingsexamen moet worden geacht, zo lijkt, ertoe in staat te zijn zich voor de duur van het examen af te sluiten van omgevingssituaties, althans voor zover ze de grenzen van het normaal verdraagbare niet te buiten gaan, met andere woorden voor zover ze niet substantieel hinderlijk van aard zijn. Een deelnemer die meent dat in zijn geval die grenzen overschreden zijn, moet daarvan het bewijs leveren. Hij moet elementen aanbrengen die toelaten om de concrete examenomstandigheden op een objectieve wijze vast te stellen, het substantiële karakter van de verstoring te onderkennen en de impact ervan op zijn resultaten – minstens als aannemelijk – te doen inzien. 7.
- Indien verzoekster zich op het ogenblik van het examen door de warmte gehinderd voelde, dan lijkt met de verwerende partij te moeten worden vastgesteld dat verzoekster daarover tijdens het examen geen opmerking heeft gemaakt – waardoor de organisatie niet bijkomend remediërend kon optreden – en dat zij evenmin gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid geboden door artikel 47 WER, dat toelaat om tijdens het examen praktische of technische problemen te melden of om via ‘opmerkingenblaadjes’ opmerkingen aan de examencommissie te formuleren. Uit het verslag van de beraadslagingsvergadering van de examencommissie van 9 juli 2025 kan niet worden opgemaakt dat andere kandidaten wél opmerkingen hebben gemaakt over de temperatuur in het examenlokaal te Antwerpen. 7.
- Voorts is prima facie de codex over het welzijn op het werk niet van toepassing op de kandidaten die deelnemen aan het toelatingsexamen. IX-10742-9/25 7.
- Voor zover verzoekster aanvoert dat geen of onvoldoende passende maatregelen werden genomen, wordt het middel vooralsnog niet bijgevallen. 8.
- Wat het gelijkheidsbeginsel betreft, moet worden bedacht, zo lijkt, dat het hier voorliggende toelatingsexamen een grootschalige organisatie is die op verschillende locaties plaatsvindt, zodat een volledig identieke examenomgeving op het eerste gezicht hoe dan ook niet kan worden gewaarborgd. De verschillen in temperatuur tussen twee steden (Antwerpen en Brugge) die verzoekster aanvoert, hebben betrekking op de buitentemperatuur in die steden in het algemeen, zonder iets te zeggen over de specifieke examenlocatie zelf. Over de temperatuur ín het examenlokaal zijn geen precieze cijfers voorhanden. De veronderstellingen die verzoekster ter zake maakt, overtuigen de Raad van State vooralsnog niet ervan dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden of dat de beroepsinstantie onredelijk of onzorgvuldig heeft gehandeld in de beoordeling van verzoeksters grieven ter zake. 8.
- Het feit dat verzoekster pas was afgestudeerd van het middelbaar onderwijs en – mogelijk anders dan andere kandidaten – geen academische biomedische voorkennis had, lijkt bezwaarlijk nuttig te kunnen worden ingeroepen in het licht van het gelijkheidsbeginsel. Vooreerst lijkt deze grief feitelijke grondslag te missen, nu de beroepsinstantie overweegt – zonder daaromtrent door verzoekster te worden tegengesproken – dat voor de door verzoekster geviseerde VAARDIG-proef de deelnemers met minstens één jaar hogeronderwijservaring gemiddeld lager scoorden dan de deelnemers die net het diploma secundair onderwijs hebben behaald. Bovendien valt op het eerste gezicht hoe dan ook niet in te zien waarom verzoekster omwille van de door haar aangevoerde ervaring aanspraak zou IX-10742-10/25 kunnen maken op andere examenomstandigheden, of waarom voor haar de grens van het hiervóór vermelde ‘normaal verdraagbare’ elders zou moeten liggen. 8.
- Verzoekster stelt dat zij het laagst heeft gescoord op de “moeilijkste vragen”. In haar intern beroep voerde zij ter zake aan: “De laatste 10 overkoepelende vragen, die voornamelijk betrekking hadden op de moeilijkste teksten (2 en 3), vielen samen met een toestand van verminderde concentratie door hittestress, resulterend in foutantwoorden die zij onder koelere omstandigheden waarschijnlijk correct had beantwoord.” Waar zij betoogt dat zij door hittestress fouten heeft gemaakt die zij onder koelere omstandigheden “waarschijnlijk correct had beantwoord”, komt verzoekster op het eerste gezicht niet verder dan een loutere hypothese. 8.
- Ook wat het gelijkheidsbeginsel en de aangevoerde overmacht betreft, wordt het middel voorshands niet bijgevallen. 9.
- Verzoekster werpt aan de bestreden beslissing ook tegen dat de beroepsinstantie op tal van grieven niet ingaat. 9.
- Wat de formelemotiveringsplicht betreft, herinnert de Raad van State eraan dat ze het bestuur niet de verplichting oplegt om alle grieven of middelen van verdediging die door de betrokkene worden opgeworpen afzonderlijk te beantwoorden. Het volstaat daarentegen dat in de beslissing zelf de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. Waar de regelgeving in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet de indiener van het beroep wel erop kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat zij, ingeval zij meent tot hetzelfde oordeel te moeten komen als in de beslissing waarvan beroep, voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten goede redenen heeft. In sommige gevallen, meer bepaald als het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van de beroepsindiener, zullen die redenen zelfs uitdrukkelijk in de beroepsbeslissing dienen te worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 IX-10742-11/25 beroepsinstantie mag immers worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke en fundamentele grieven van de beroepsindiener en dat zij hem aldus de antwoorden geeft die laten verstaan waarom zijn beroep wordt verworpen. 9.
- De beroepsinstantie is in haar beslissing, zo lijkt, uitvoerig ingegaan op elk aspect van verzoeksters grief over de omstandigheden waarin het examen heeft plaatsgevonden. Zo is in de bestreden beslissing te lezen: “- Betreffende de aangevoerde examenomstandigheden U stelt dat er sprake is van overmacht omwille van de excessieve hitte in uw examenlocatie. De beroepsinstantie beschikt niet over objectieve gegevens betreffende de temperatuur in de examenlocatie waar u het examen aflegde. De voorspelde of gemeten buitentemperatuur is onvoldoende om te stellen dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook bepaalde binnentemperaturen werden bereikt. De binnentemperatuur wordt immers ook beïnvloed door andere factoren waaronder klimaatregeling, de luchtvochtigheid, oriëntatie van het gebouw, isolatie van het gebouw, ligging van het lokaal in het gebouw, enzoverder. Hoewel gelet op de weersomstandigheden zeker niet kan uitgesloten worden dat het warm was in het lokaal waar u het examen aflegde, is voor de beroepsinstantie niet aangetoond dat er sprake is van temperaturen die de grenzen van het normaal verdraagbare te boven gaan. U stelt in het beroepsverzoekschrift zelf dat de waarde van 29°C vermoedelijk werd overgeschreden, hiermee ook duidelijk makende dat dit slechts een veronderstelling is. Hierbij mag niet vergeten worden dat temperatuur door elkeen anders gepercipieerd wordt, zeker in een omstandigheid zoals het toelatingsexamen, waarbij een zekere mate van stress en tijdsdruk aan bod komt. - Betreffende de door de organisatie getroffen maatregelen en het zorgvuldig handelen van de overheid Op de dag van het toelatingsexamen werden warme temperaturen voorspeld. De examencommissie heeft zich hierop voorbereid door een aantal hittemaatregelen te nemen, die op voorhand gecommuniceerd zijn naar alle deelnemers via mail en een bericht op de website. De belangrijkste adviezen bij hitte zijn in de eerste plaats om voldoende te drinken en te eten en direct zonlicht te vermijden. De richtlijnen over eten en drinken tijdens het toelatingsexamen werden daarom aangepast. Deelnemers kregen de toestemming om water, water met elektrolyten, frisdrank of thee mee te nemen in een doorzichtige fles of drinkbus. Ook druivensuiker, een granenkoek of notenreep werden toegelaten in het examenlokaal. IX-10742-12/25 Daarnaast heeft de examencommissie elke partnerlocatie gevraagd om zelf zoveel mogelijk maatregelen te treffen om de hitte in hun lokalen te vermijden. De beroepsinstantie heeft zich bij een toezichter/siteverantwoordelijke van de examenlocatie waar u het examen heeft afgelegd, geïnformeerd. Die heeft volgende verklaring afgelegd: Toezichter: ‘Tijdens het toelatingsexamens waren ventilatoren aanwezig in de lokalen. Er was geen airco, maar wel een luchtblazer. De school was de ramen vroeg in de ochtend komen openen om frisse lucht binnen te laten. Daarna hebben we die gesloten, voor de start van het examen, om de warmte buiten te houden. Er was ook water ter beschikking in de ruimtes.’ U stelt dat ventilatoren geen doeltreffend en veilig afkoelingsmiddel zijn bij extreme hitte. Het artikel dat u bijbrengt stelt dat de Centers for Disease Control and Prevention (CDC), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPA) het gebruik van ventilatoren afraden bij temperaturen vanaf 32,2°C. Zoals eerder gesteld, beschikt de beroepsinstantie niet over officiële binnentemperaturen. U toont alleszins niet aan dat dit relevant is. De beroepsinstantie is van oordeel dat de noodzakelijke maatregelen werden getroffen om de gelijkheid van het examen te bewaren en de examencondities binnen de mate van het redelijke te houden. Er kan dan ook geen sprake zijn van een schending van het zorgvuldigheids- en/ of gelijkheidsbeginsel. Om uw bewering te staven dat de overheid niet zorgvuldig gehandeld heeft, verwijst u naar de Codex Welzijn op het Werk, de richtlijnen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid en naar de afgelasting van de Nationale staatsexamens in Frankrijk in
- De beroepsinstantie stelt vast dat de Codex Welzijn op het Werk niet van toepassing is op een toelatingsexamen en de regelgeving kan ook niet worden doorgetrokken naar het afnemen van een toelatingsexamen. Ook de richtlijnen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid zijn toeg[e]spitst op werkomstandigheden. De verplaatsing van een toelatingsexamen naar een andere datum heeft organisatorisch en logistiek immers een grote impact. Niet alleen moeten locaties worden voorzien, ook toezichters, materiaal, IT- verantwoordelijken enzoverder. Daar waar in een arbeidsomgeving de impact van maatregelen zoals werkonderbreking beperkt is, is dit niet zo voor een toelatingsexamen. De beroepsinstantie herhaalt tot slot nogmaals dat de voorspelde of gemeten buitentemperatuur niet per definitie iets zegt over de binnentemperatuur. Bij de berekening van de WBGT-waarde dient ook rekening gehouden te worden met de relatieve luchtvochtigheid. Hier is dan ook niet bewezen dat de WBGT-indexwaarden zoals opgenomen in de Codex Welzijn op het werk zijn overschreden. Daarenboven herhaalt de beroepsinstantie dat de noodzakelijke maatregelen werden getroffen en tijdig aan de deelnemers werden gecommuniceerd. De vergelijking met de situatie in Frankrijk in 2019 is irrelevant. De voorspelde temperaturen in Frankrijk zouden op sommige plaatsen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 IX-10742-13/25 oplopen van 45 tot 47 graden Celsius en waren dus van een andere orde dan de in Vlaanderen voorspelde temperaturen. Op de dagen van de toelatingsexamens werd in België op geen enkele plaats een temperatuur van meer dan 40 graden voorspeld, noch heeft het KMI code rood voor hitte afgekondigd. De beroepsinstantie is van mening dat alle noodzakelijke, mogelijke maatregelen zijn getroffen om het examen in zo goed mogelijke, eerlijke en gelijke omstandigheden te laten verlopen. - Betreffende de aangevoerde ongelijkheid tussen de verschillende locaties U haalt aan dat er sprake is van ongelijke klimatologische omstandigheden voor de verschillende examenlocaties. De beroepsinstantie beschikt niet over gegevens betreffende de temperatuurverschillen in de verschillende locaties. Er worden ook geen officiële gegevens bijgebracht betreffende de vastgestelde temperatuur in de locatie waar u het examen aflegde. Het is ook niet correct om de vergelijking van de locaties te herleiden tot de buitentemperatuur. De verschillende locaties van het toelatingsexamen zijn vastgelegd op basis van het Ministerieel Besluit van 24 juni 2025 tot vaststelling van de locaties van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts in
- In dit besluit wordt gemotiveerd dat sinds 2020 de toelatingsexamens decentraal georganiseerd worden en dat de deelnemers de kleinere schaal en betere bereikbaarheid waarderen. Er kan niet worden uitgesloten dat er weersverschillen zijn tussen de verschillende locaties. Er zullen altijd verschillen zijn tussen de verschillende locaties, ook naar grootte, ligging, bereikbaarheid, enzoverder. Het is niet onredelijk om ervan uit te gaan dat niet elk verschil van die aard is een impact te hebben op de resultaten van de deelnemer. - Betreffende de ongelijkheid ten opzichte van de studenten biomedische wetenschappen U stelt dat studenten met voorkennis over het casusonderwerp een cruciaal voordeel hadden bij de extreme hitte die vooral tijdens de namiddag en het afleggen van de VAARDIG-proef manifesteerde. In het beroepsverzoekschrift vermeldt u dat studenten die een jaar langer de voorkennis diende ‘als buffer tegen hittestress’. Deze uitspraak wordt niet ondersteund door de cijfers: het slaagpercentage voor VAARDIG van de deelnemers die minstens een jaar hoger onderwijs gevolgd hebben, bedraagt 71% tegenover 72% voor de referentiegroep (deelnemers die in het jaar van deelname 18 jaar worden en het diploma secundair onderwijs behalen). De beroepsinstantie is van oordeel dat u onvoldoende aantoont dat er sprake is van een oneerlijk voordeel. - Betreffende de beweerde impact U haalt aan dat dat uw score lager was op het einde van het onderdeel VAARDIG, maar u vermeldt zelf dat dit de ‘moeilijkste teksten’ waren. In het beroepsverzoekschrift stelt u dat dit resulteerde in foutantwoorden die u ‘onder koelere omstandigheden waarschijnlijk correct had beantwoord.’ IX-10742-14/25 De beroepsinstantie is van oordeel dat u onvoldoende aantoont dat er een verband is tussen het door u aangehaalde ongemak door de warmte en de foute antwoorden die u heeft gegeven. U geeft zelf immers aan dat u dit als de moeilijkste teksten inschatte. Een deelnemer aan het toelatingsexamen moet worden geacht ertoe in staat te zijn zich voor de duur van het examen af te sluiten van omgevingssituaties, althans voor zover ze de grenzen van het normaal verdraagbare niet te buiten gaan, met andere woorden voor zover ze niet substantieel hinderlijk van aard zijn. Een deelnemer die meent dat in hun geval die grenzen overschreden zijn, moet daarvan het bewijs leveren. Die moet elementen aanbrengen die toelaten om de concrete examenomstandigheden op een objectieve wijze vast te stellen, het substantiële karakter van de verstoring te onderkennen en de impact ervan op zijn resultaten – minstens als aannemelijk – te doen inzien. - Betreffende de wetenschappelijke argumentering U haalt verschillende wetenschappelijke werken aan om uw standpunt te staven. Hieronder gaat de beroepsinstantie in op de publicaties waarnaar het verzoekschrift verwijst. Hoge omgevingstemperatuur en cognitieve prestaties binnen werksetting: systematische review. […] De beroepsinstantie wijst op volgende passages uit het door u bijgebrachte werk: • ‘Hogere cognitieve functies zoals logisch en abstract redeneren leken meer bestendig te zijn tegen de negatieve impact van hoge omgevingstemperaturen.’ • ‘Dit neemt niet weg dat er nog talloze individuele factoren zijn, zoals de motivatie, de algemene mentale en fysieke gezondheidstoestand, de gedragen kledij, en de acclimatisatiegraad, die eveneens een belangrijke mediërende rol kunnen spelen.’ Het toelatingsexamen vergt vooral competenties als logisch en abstract redeneren die volgens de door u vermelde review meer hitteresistent zouden zijn. Daarenboven zijn er tal van mediërende factoren die het effect van temperatuur op cognitief functioneren beïnvloeden. Dit nuanceert meteen ook de lineaire relatie tussen omgevingstemperatuur en cognitief presteren die in het verzoekschrift geponeerd wordt. Effects of heat stress on cognitive performance: the current state of knowledge: International Journal of Hyperthermia: Vol 19, No 3 - Volgende twee citaten zijn relevant: • ‘It is interesting to note that Ramsey and Kwon stopped short of advocating utilization of their limits as stress standards. They cited two reasons for this: first, they indicated that significant decrement in a laboratory setting does not necessarily imply loss of the ability to perform a cognitively demanding task in practical situations. Secondly, there are a large number of confounding variables (some of which have been discussed here) that can affect task performance and, therefore, interact with the effects of heat.’ Vrij vertaald: ‘Het is interessant om op te merken dat ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 IX-10742-15/25 Ramsey en Kwon niet zo ver gingen om het gebruik van hun limieten als stressnormen aan te bevelen. Ze noemden hiervoor twee redenen: ten eerste gaven ze aan dat een aanzienlijke afname in een laboratoriumomgeving niet noodzakelijkerwijs betekent dat iemand niet meer in staat is om een cognitief veeleisende taak in praktische situaties uit te voeren. Ten tweede zijn er een groot aantal verstorende variabelen (waarvan sommige hier zijn besproken) die de taakprestaties kunnen beïnvloeden en dus een wisselwerking hebben met de effecten van hitte.’ • ‘Each of these observations suggests that the present state of knowledge is still at a general level and factors such as worker age, gender, level of experience, motivation and training can all exert important effects which need to be better understood.’ Vrij vertaald: ‘Al deze observaties wijzen erop dat de huidige kennis nog steeds op een algemeen niveau ligt en dat factoren zoals de leeftijd, het geslacht, het ervaringsniveau, de motivatie en de opleiding van werknemers allemaal belangrijke effecten kunnen hebben die beter moeten worden begrepen.’ Anders gesteld, de auteurs waarschuwen ervoor om, uitgaande van deze studies, strikte temperatuurgrenzen voor cognitief functioneren te trekken. Daarenboven zijn er vele andere factoren die het prestatieniveau beïnvloeden. Zij waarschuwen met andere woorden net tegen datgene wat u in uw argumentatie wel doet, met name het stellen van scherpe temperatuurgrenzen voor cognitief functioneren. Ambient temperatures associated with reduced cognitive function in older adults in China | Scientific Reports Dit betreft een studie van het mentaal functioneren in een populatie van bejaarden van 65 jaar en ouder. Gezien het belangrijke leeftijdsverschil is deze studie dus niet onmiddellijk toepasbaar op de deelnemers aan het toelatingsexamen. Uit de geciteerde artikelen kan geconcludeerd worden dat onder de specifieke experimentele condities er een negatieve impact van toenemende omgevingstemperatuur op bepaalde aspecten van cognitief functioneren is waarbij logisch en abstract redeneren minder gevoelig zouden zijn. Het is evenwel niet duidelijk – en het wordt ook niet in het verzoekschrift aannemelijk gemaakt – dat de condities waarin u het toelatingsexamen heeft afgelegd overeen komen met de experimentele condities in de artikels. Verder poneert het verzoekschrift een specifieke kwantificering van het temperatuurseffect hoewel er in de wetenschappelijke literatuur wordt gewaarschuwd om strikte temperatuurgrenzen te trekken. Samengevat brengen deze wetenschappelijke artikelen geen overtuigend bewijs dat u belangrijk nadeel heeft ondervonden door de omgevingstemperatuur van het toelatingsexamen. Eerst en vooral wordt niet aangetoond dat uw examenomstandigheden overeenkomen met de testcondities in de artikelen. Ten tweede waarschuwen de publicaties zelf voor een te strikte en directieve interpretatie van de resultaten. IX-10742-16/25 De beroepsinstantie is van oordeel dat u niet op afdoende wijze aantoont dat de beweerde hitte de grenzen van het normaal aanvaardbare heeft overschreden, noch dat deze substantieel hinderlijk van aard is geweest. U toont evenmin aan dat de beweerde hitte enige impact heeft gehad op het door u behaalde examenresultaat. De beroepsinstantie meent dan ook dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheids-, zorgvuldigheids- of redelijkheidsbeginsel.” 9.
- De kritiek die verzoekster aanvoert met betrekking tot de draagwijdte en interpretatie van de academische literatuur inzake de impact van hitte op de cognitieve vaardigheden en de wel of niet aangewezen voedingsstoffen, leent zich binnen de korte tijd die de Raad van State is toegemeten om uitspraak te doen in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet tot een diepgaand onderzoek, voor zover de Raad van State daartoe al is uitgerust. Wel kan de Raad voorlopig vaststellen dat niemand verzoekster verplicht lijkt te hebben om voedingsstoffen te nuttigen die zij, blijkbaar met expertise, gecontra-indiceerd acht bij hoge temperaturen. In dat opzicht lijkt verzoekster bij het middel geen belang te hebben. In de huidige stand van de procedure is de Raad van State alleszins van oordeel dat de beroepsinstantie, gelet op haar samenstelling, geacht moet worden ter zake meer deskundig te zijn dan verzoekster en dat de kritiek van verzoekster dat vermoeden niet aan het wankelen brengt. Voor zover verzoekster aan de beroepsinstantie verwijt dat zij verwijst naar een aantal passages uit het literatuuroverzicht “echter zonder dit verder uit te werken”, lijkt verzoekster dan weer op zoek naar de motivering van de motivering, wat niet de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht is. 9.
- Wat de precieze temperatuur betreft, is hiervóór reeds voorlopig vastgesteld dat er geen binnentemperaturen beschikbaar zijn en dat de extrapolaties van verzoekster, vertrekkende van buitentemperaturen die niet aan de examenlocatie zijn gemeten, maar steunen op meer algemene weerberichten, vooralsnog niet overtuigen. IX-10742-17/25 Dat ‘code oranje’ was afgekondigd, doet daaraan geen afbreuk. 9.
- De kritiek dat de beroepsinstantie een foute invulling heeft gegeven aan het begrip ‘moeilijk’ dat verzoekster, zoals sub 6.2 aangehaald, heeft ingeroepen, kan de Raad van State vooralsnog niet overtuigen. Eerder lijkt verzoekster, op het eerste gezicht, in haar betoog over dat begrip het geweer van schouder te veranderen.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert verzoekster een schending aan van “het motiveringsbeginsel”, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Ook hier blijkt “het motiveringsbeginsel” te moeten worden gelezen als een beroep op de formelemotiveringsplicht. Het middel heeft betrekking op vraag 6 van het deel CLEAR van het examenonderdeel ‘GC’. Verzoekster voert vooreerst aan dat de vraagstelling ambigu is en ruimte laat voor interpretatietwijfel. De vraag: “Welke reactie getuigt van de meeste luistervaardigheid en empathie?”, is volgens verzoekster dubbelzinnig. Zij stelt: “wordt bedoeld dat het antwoord tevens maximaal luistervaardig én maximaal empathisch moet zijn, of volstaat het dat het hoofdzakelijk om luistervaardigheid gaat zolang er enige empathie in doorklinkt?” De nuance is naar oordeel van verzoekster niet louter semantisch omdat zij beïnvloedt welke optie als de beste kan worden beschouwd. Het gebrek in duidelijkheid mag de onzekerheid niet in het nadeel van de kandidaat doen spelen, zo stelt verzoekster. IX-10742-18/25 Daarnaast is verzoekster van oordeel dat de vraag even goed, zo niet beter kan worden beantwoord met het door verzoekster gegeven antwoord. Dat antwoord vindt volgens verzoekster ook steun in de literatuur, waaromtrent zij een aantal referenties aanhaalt. Alleszins meent verzoekster dat de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden doordat haar grieven door de beroepsinstantie “ongefundeerd terzijde geschoven” zijn en de CLEAR-vragen te veel ruimte laten voor interpretatie. Voorts gaat verzoekster nog in op de ambiguïteit van de vraagstelling, de beperkte constructvaliditeit van de vraagstelling en de antwoordopties en het ontbreken van een exclusief correct antwoord; zij verwijst naar de opinie van enkele artsen casu quo academici. Beoordeling
- Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroepsinstantie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist.
- Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof of relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook IX-10742-19/25 doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het organisatiebesluit en het WER, slechts één correct antwoord kunnen krijgen. In dat verband mag niet onvermeld blijven dat de examencommissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kan worden als “mogelijke probleemvragen”, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.
- Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing: “De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen.” Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State – en, in beginsel, ook de verzoekende partij – niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie. Bovendien verdraagt de snelheid waarmee een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandeld moet worden niet de vertraging die met de eventuele aanstelling van een expert gepaard gaat. Overigens zou ook het standpunt van zo een expert, desgevallend in een procedure ten gronde, moeten worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van IX-10742-20/25 die commissie de Raad van State ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen.
- De beroepsinstantie herinnert in de bestreden beslissing aan artikel 52 WER waarin wordt aangegeven wat in CLEAR wordt bedoeld met een juist antwoord: “Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.” De beroepsinstantie stelt bovendien dat “voor elke vraag specifiek [wordt] aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van ‘het juiste antwoord’ in de context van de vraagstelling”. De beroepsinstantie voegt daaraan toe dat het haar er “niet om te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in hun dagelijks leven zelf op een bepaalde situatie reageert. Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 IX-10742-21/25 principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is”. 16.
- In de vragenreeks die aan verzoekster werd voorgelegd, luiden vraag 6 van het deel CLEAR en de antwoordmogelijkheden als volgt: “Jouw vriendin Ditte is zwanger van haar eerste kindje maar vreest dat haar ongeboren kindje een genetische afwijking heeft. Er zijn immers gevallen bekend in de familie. Haar gynaecoloog raadt bijkomende tests aan maar Ditte is bang voor de resultaten. Welke reactie getuigt van de meeste luistervaardigheid en empathie? (a) ‘Ik vind dat je beter het zekere voor het onzekere kan nemen en die tests kan laten doen…’ (b) ‘Een genetische afwijking is zeer zeldzaam en de kans op een afwijking lijkt me zeer klein. Ik zou me niet te veel zorgen maken.’ (c) ‘Dit moet zeer moeilijk zijn voor jou. Heb je zicht op wat de verschillende mogelijkheden zijn in jouw situatie?’ (d) ‘Ik merk dat je zeer bang bent. Goed dat je bij jouw gynaecoloog terechtkunt voor advies.’” Verzoekster koos voor antwoord ‘d’, volgens de examencommissie en de beroepsinstantie is enkel antwoord ‘c’ correct. 16.
- Over deze vraag heeft geen enkele kandidaat een opmerking gemaakt – ook verzoekster niet – en uit de itemresponsanalyse blijkt dat 83,35% van alle deelnemers deze vraag correct heeft beantwoord. De rit-waarde, die meet hoe goed een item discrimineert tussen goed en minder goed presterende kandidaten – goed scorende kandidaten beantwoorden ook de betrokken vraag eerder correct, kandidaten die minder goed scoren, beantwoorden de vraag vaker fout – toont een hoge score (meer dan 0,25), namelijk 0,
- Uit het gemis aan opmerkingen van kandidaten en de navolgende statistische analyse kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid dat de vraag niet kwalitatief of niet valide is. Verzoekster overtuigt vooralsnog niet ervan dat de vraagstelling ambigu is of ruimte laat voor “interpretatietwijfel”. IX-10742-22/25 16.
- In de bestreden beslissing wordt uiteengezet waarom antwoord ‘d’ als minder geschikt wordt beoordeeld: “Antwoord : ‘Ik merk dat je zeer bang bent. Goed dat je bij jouw gynaecoloog terechtkunt voor advies.’ • Empathie: erkenning van emotie; positief dat haar angst benoemd wordt. • Beperkte luistervaardigheid: er wordt geen (open) vraag gesteld, waardoor het gesprek niet verder wordt uitgediept. • Neutraal en ondersteunend, maar mist de diepgang van [C] door meteen te verwijzen naar een oplossing vanuit het perspectief van de toehoorder. • Het aspect ‘luistervaardigheid’ komt in deze reactie minder tot zijn recht. Door meteen een oplossing te suggereren (naar de gynaecoloog gaan) gaat deze reactie voorbij aan eventuele andere zorgen van de vriendin die niet noodzakelijkerwijze met een bezoek aan de gynaecoloog verholpen worden. Dit staat in tegenstelling tot de open vraag in antwoord [C] die uitnodigt om het gesprek en dus het beluisteren van de vriendin verder te zetten. Bijgevolg beantwoordt de reactie D minder goed aan de vraagstelling dan reactie [C].” 16.
- Verzoekster heeft specifieke bedenkingen bij het ‘juiste’ antwoord. Zij wil die bedenkingen aannemelijk maken door te verwijzen naar wetenschappelijke literatuur. Alsdan lijkt het op de weg van de beroepsinstantie te liggen om die wetenschappelijke literatuur aan een onderzoek te onderwerpen, daarvan de relevantie na te gaan en, in de mate dat tot relevantie wordt besloten, aan verzoekster duidelijk te maken waarom deze haar niet kan overtuigen. Aan die taak heeft de beroepsinstantie zich op het eerste gezicht niet onttrokken. Het volstaat ter zake te verwijzen naar wat zij op de pagina’s 9 tot 11 van de bestreden beslissing uiteenzet. Verzoekster overtuigt vooralsnog niet ervan dat die motivering niet draagkrachtig is. IX-10742-23/25 16.
- Met betrekking tot de CLEAR-toets mag nogmaals worden onderstreept dat wordt gepeild naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert. Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat meer dan één geboden antwoord een eindweegs de richting uitgaat van de gewenste uitkomst. De kandidaat moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden – geen andere – en daartussen het “beste” antwoord kiezen: dat is, in de definities van het examen, het enige “juiste” antwoord. Verzoekster beroept zich bij de beroepsinstantie op voorgebrachte opinies van artsen of academici (P.A. en H.V.C.). Wat de verklaring van P.A. betreft, merkt de beroepsinstantie, op het eerste gezicht terecht, op dat zijn opinie steunt op een variabele die hijzelf aan de lezing van de casus heeft toegevoegd (dat de zwangere Ditte 18 jaar zou zijn). Daarnaast motiveert de beroepsinstantie ook op andere gronden waarom de opinie van P.A. de vraag niet invalideert. H.V.C. bevestigt dan weer zelf dat haar “professionele voorkeur [uitgaat] naar antwoord (c)” en dat “antwoord (c) in [haar] ogen de meeste ruimte laat voor exploratie en aansluiting bij patiëntgerichte communicatie”. In die verklaringen ziet de Raad van State voorshands geen bewijs dat de beoordeling van de beroepsinstantie niet kan standhouden. De verklaring van E.E. heeft verzoekster niet aan de beroepsinstantie voorgelegd, zodat zij daarover alvast niet het verwijt kan maken, zo lijkt, dat de beroepsinstantie niet erop heeft geantwoord. Evenmin staat het – om de redenen die sub 12 en 14 reeds zijn uiteengezet – aan de Raad van State om daarover, als ware hij zelf een beroepsinstantie, een standpunt in te nemen. 16.
- Met betrekking tot de zelfgemaakte cartoon over vraag 6 die verzoekster voorlegt, moet op het eerste gezicht met de verwerende partij worden vastgesteld dat verzoekster daarin informatie aan de casus toevoegt en bijgevolg de context ervan wijzigt, namelijk door de zin “Dit moet moeilijk zijn voor jou. In jouw situatie zijn dit de mogelijkheden”, die in de examenvraag deel uitmaakt van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 IX-10742-24/25 antwoord ‘c’, nu in de mond van de arts te leggen. Daarnaast voegt verzoekster om haar punt kracht bij te zetten prima facie ook non-verbale context toe, door de gelaatsuitdrukking van Ditte bij het door verzoekster geprefereerde antwoord ‘d’ beter casu quo gelukkiger voor te stellen dan bij het door de beroepsinstantie als ‘juist’ gehandhaafde antwoord ‘c’. Anders dan verzoekster het ziet, is de Raad van State vooralsnog van oordeel dat deze cartoon aldus verzoeksters argumentatie niet ondersteunt.
- Het tweede middel is niet ernstig. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10742-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.325 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.