id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.329 Rolnummer: A. 245886/IX-10741 Zaak: Arrest 264329 - Examens (onderwijs) - 26/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-29 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-14 04:15 Fiche Arrest nr 264.329 van 26 september 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.329 van 26 september 2025 in de zaak A. 245.886/IX-10.741 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 12 Adite bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 september 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 12 Adite van het Gemeen- schapsonderwijs van 12 september 2025 waarbij aan verzoeker een oriënteringsat- test B met clausulering voor de doorstroomfinaliteit en de dubbele finaliteit wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 17 september 2025 werd de procedureka- lender vastgesteld. IX-10.741-1/14 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2025, om 11.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende, zijn ge- hoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2024-2025 leerling in het tweede jaar van de eerste graad (A-stroom) ‘ART’ in de school De Prins, onder- wijsinstelling die behoort tot scholengroep Adite van het Gemeenschapsonderwijs. Op het einde van het schooljaar laat verzoeker vier jaartekorten optekenen: Frans (37%), Nederlands (48%), wiskunde (46%) en historisch bewust- zijn (44%). De klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest B toe met clausulering voor de doorstroomfinaliteit en de dubbele finaliteit. IX-10.741-2/14 Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad. Daarop stelt verzoeker een beroep in bij het schoolbestuur. De beroepscommissie beslist op 22 augustus 2025, verzoeker gehoord, om het B-attest met clausulering voor de doorstroomfinaliteit en de dubbele finaliteit te behouden. Bij arrest nr. 264.084 van 5 september 2025 schorst de Raad van State de tenuit- voerlegging van deze beslissing. 3.
- Met de thans bestreden beslissing van 12 september 2025 be- houdt de beroepscommissie het toegekende B-attest. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigver- klaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het on- derzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Spoedeisendheid en uiterst dringende noodzakelijkheid
- Volgens de vaste rechtspraak van de Raad volstaat een dreigend verlies van een schooljaar in principe om te overtuigen van de spoedeisendheid én van het beroep op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er is geen reden om het hier anders te zien, zodat deze voorwaarde vervuld mag heten. De verwerende partij betwist zulks overigens ook niet. IX-10.741-3/14 VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Een eerste, maar ook enig middel, is geput uit de schending van de artikelen 60 en 61 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022 ‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat de leerlingen betreft’ (“orga- nisatiebesluit”) en van “de motiveringsplicht”, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker stelt dat “de bestreden beslissing de grieven van [ver- zoeker] negeert en bijgevolg niet afdoende beantwoordt waardoor deze derhalve kennelijk onredelijk zijn, maar bovendien ook faalt in de prospectieve toets”. In het kader van het intern beroep heeft verzoeker “zeer duide- lijke en pertinente grieven” opgeworpen waarop hij antwoorden wenst te verkrij- gen. Zo heeft hij duidelijk aangegeven dat “de cruciale vraag rijst welke zeer over- tuigende motieven er zijn die aantonen dat de kansen van [verzoeker] om te slagen in het volgende leerjaar Beeldende en Audiovisuele Kunsten - optie Beeldende Kunsten onbestaand zijn”. De beroepscommissie maakt algemene bemerkingen en verwijst naar cijferrapporten van de klassenraad, zonder expliciete koppeling met verzoekers persoonlijke leerprofiel en groeipotentieel. Elke overtuigende prospec- tieve afweging ontbreekt. De beroepscommissie hanteert volgens verzoeker een algemene redenering: een gebrek aan realisatie van leerplandoelstellingen die het fundament vormen voor de basisvorming in de hogere jaren, is voor de beroepscommissie voldoende reden om de dubbele finaliteit te clausuleren. Dat is een redenering die echter niet toegespitst is op de beoogde richting en toont op zichzelf niet aan dat hij daar geen redelijke slaagkans heeft. IX-10.741-4/14 De beroepscommissie verwerpt bijkomende proeven met de for- mule dat de huidige resultaten “waarheidsgetrouw” zijn, zonder uit te leggen waarom een minder ingrijpende toets (gericht op de beoogde trajectcompetenties) niet aangewezen is om de resterende slaagkans te verifiëren. Verzoeker wijst op de volgende niet-beantwoorde vragen: “• Welke concrete (niet-gerealiseerde) doelen in Nederlands/Frans/Wis- kunde (of zelfs historisch bewustzijn) [verzoeker] specifiek zouden doen falen in BAK, gegeven de andere uur-/profielaccenten van die richting, en waarom die doelen niet (snel) remedieerbaar zouden zijn in het hogere jaar. Geen enkele koppeling wordt gelegd tussen individuele tekorten en con- crete taken/leerlijnen van BAK. • Waarom het door verzoeker aangereikte tegenargument (minder uurge- wicht in het vervolgonderwijs) niet minstens een ‘redelijke slaagkans’ laat bestaan; de zittingssamenvatting vermeldt de vraag, maar in de motivering ontbreekt elk inhoudelijk antwoord daarop.” De beroepscommissie houdt het volgens verzoeker bij algemene redeneringen die niet zijn toegespitst op zijn leerprofiel en de richting beeldende en audiovisuele kunsten (BAK) die hij wenst uit te gaan. De beroepscommissie antwoordt niet op verzoekers “essentiële” grief “dat zijn resultaten negatief beïnvloed werden door zijn ADHD en psychoso- matische klachten, en dat [hij verzocht] om een bijkomende proef of remediëring”. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de commissie deze omstandigheden expli- ciet in rekening brengt en onderzoekt in hoeverre de behaalde resultaten hierdoor vertekend zijn. Er blijkt evenwel niet dat de commissie enig medisch attest, verslag van zorgbegeleiding of advies van het CLB hierover heeft opgevraagd of meege- wogen. Dit getuigt van een onzorgvuldig onderzoek, nu dergelijke omstandigheden relevant konden zijn voor een mildere beslissing zoals het toekennen van een A- attest met advies of een beperktere clausulering. Verzoeker weerspreekt vervolgens de “voorstelling van zaken” van de beroepscommissie, wat betreft hulpkaarten, gebruik van digitale hulpmid- delen, klasdynamiek, punten voor een spreekbeurt Engels en veronderstelde IX-10.741-5/14 ouderlijke houding en vergelijkt de (niet) genoten maatregelen met de zorg en op- volging in zijn nieuwe school. De door de beroepscommissie gebruikte bijlagen bewijzen niet dat de zorg afdoende was, zo besluit verzoeker. Beoordeling 7.
- Verzoeker voert voornamelijk een schending aan van de “moti- veringsplicht”. Hiermee bedoelt hij, zo blijkt uit de toelichting bij het middel, de formelemotiveringsplicht. Wat verzoeker immers dwars zit, is het volgens hem niet of onvoldoende antwoorden op de “pertinente grieven” en de “essentiële grieven” die hij aan de beroepscommissie had voorgelegd. Zoals de Raad het verzoekschrift leest, hebben die beweerd onbeantwoord gebleven grieven meer bepaald betrek- king op: - welke zeer overtuigende motieven er zijn die aantonen dat zijn kansen om te sla- gen in het volgende leerjaar Beeldende en Audiovisuele Kunsten - optie Beeldende Kunsten onbestaand zijn, met andere woorden wat deze clausulering verantwoordt; - waarom een “minder ingrijpende toets (gericht op de beoogde trajectcompeten- ties)” niet aangewezen is om de resterende slaagkans te verifiëren, inzonderheid nu zijn resultaten negatief beïnvloed werden door zijn ADHD en psychosomatische klachten; - welke concrete (niet-gerealiseerde) doelen in Nederlands/Frans/Wiskunde (of zelfs historisch bewustzijn) hem specifiek zouden doen falen in BAK, gegeven de andere uur-/profielaccenten van die richting en waarom die doelen niet (snel) re- medieerbaar zouden zijn in het hogere jaar; - waarom het door verzoeker aangereikte tegenargument (minder uurgewicht in het vervolgonderwijs) niet minstens een ‘redelijke slaagkans’ laat bestaan; 7.
- Het komt de Raad voor dat verzoeker de formele- met de mate- riëlemotiveringsplicht verwart, in zoverre dat de verwerende partij zich in haar nota met opmerkingen afvraagt of verzoeker de beslissing wel gelezen heeft. Lectuur van de bestreden beslissing leert immers, zo lijkt, dat de beroepscommissie élk van de voorgelegde vragen en bezwaren heeft onderzocht en erop heeft geantwoord. IX-10.741-6/14 Wat de vraag naar bijkomende proeven betreft, oordeelt de be- roepscommissie: “De beroepscommissie is van oordeel dat de resultaten een waarheidsge- trouw beeld vormen van de kennis van de leerling. Er is dan ook geen nood- zaak tot bijkomende proeven. De overstap naar een richting uit de arbeidsmarktgerichte finaliteit werd al in april 2025 besproken met de leerkrachten van de hogere graad: ‘[N] (leerkracht tweede graad richtingspecifieke vakken binnen kunstrichtin- gen) adviseert om decor en etalage te volgen --> theoretische vakken zijn minder moeilijk + meer manueel werken’. Deze aanbeveling gebeurt in het belang van het kind om te kunnen omgaan met de stress en de lichamelijke klachten die in de huidige onderwijsvorm (A-stroom, dus doorstroom- en dubbele finaliteit) worden ondervonden. De resultaten kunnen dan ook geen verassing zijn of hun oorzaak vinden in een onverwachte gebeurtenis die bijkomende proeven zou noodzakelijk maken.” Wat de gekozen clausulering betreft, motiveert de beroepscom- missie als volgt: “De realisatie van de leerplandoelen en clausulering De beroepscommissie wordt geacht het leerlingendossier prospectief te be- naderen om het B-attest te beoordelen. De verzoeker argumenteert dat een B-attest impliceert dat de leerling ge- slaagd is en dus de leerplandoelen in voldoende mate realiseerde. Er wordt gevraagd dat de beroepscommissie motiveert waarom de slaagkansen van de leerling in het vervolgonderwijs onvoldoende worden geacht. De beroepscommissie wenst te benadrukken dat het in voldoende mate ge- realiseerd zijn van de leerplandoelstellingen niet los kan gezien worden van de clausulering. De beroepscommissie neemt kennis van de lijst van de niet-gerealiseerde leerplandoelen (zie bijlage 1). Voor het vak Frans werd geen enkele doelstelling behaald. Voor het vak Nederlands is de basiskennis onvoldoende om theoretische vakken te volgen in de toekomst. De beroepscommissie verwijst hier expli- ciet naar de leerplandoelen BV1_02.01, BV1_02.02.03, BV1_02.03, BV1_02.03.01, BV1_02.03.02, BV1_02.05, BV1_02.05.01, BV1_02.05.02, BV1_02.06, BV1_02.06.01, BV1_02.06.02 en BV1_02.07.
- De kennis en vaardigheden verbonden aan deze doelstellin- gen zijn de basis om theoretische teksten te kunnen lezen, begrijpen, ana- lyseren en interpreteren. De beroepscommissie is van oordeel dat deze kennis en vaardigheden es- sentieel zijn in het derde leerjaar Beeldende en Audiovisuele Kunsten, niet enkel voor het vak Nederlands en Frans uit de algemene vorming, maar ook voor de richtingspecifieke kunstvakken. De onderwijskiezer Vlaanderen IX-10.741-7/14 (zie bijlage 2) stipuleert expliciet (begin citaat) ‘Daarnaast krijg je nog een brede algemene vorming, waar je je naast de talen, wetenschappen en wis- kunde, ... ook verdiept in de kunststromingen, de kunstgeschiedenis en de huidige kunstwereld’ (einde citaat). De beroepscommissie verwijst in deze ook naar het studieaanbod van de school, met als creatieve vakken ook ‘Es- thetica’ en ‘Beeld en Media’. Deze vakken vereisen, parallel aan de basis- vorming, theoretische inzichten en kennis in de opbouwen verwerking van teksten. Daarnaast vermeldt de website van de mogelijk toekomstige school (begin citaat) ‘Je werkt aan je eigen artistieke bewustwording, waarbij je gefun- deerd leert verwoorden hoe je naar kunst kijkt en waarom je zelf welover- wogen keuzes maakt. Je logboek staat hierbij centraal: hier verzamel je in- formatie/opzoekwerk, bundel je gedachten, ingevingen en kritische beden- kingen (...)’ (einde citaat). Om dergelijke opdrachten tot een goed einde te brengen, is kennis van bovengemelde leerplandoelstellingen essentieel. Hieruit blijkt volgens de beroepscommissie voldoende dat de kennis en vaardigheden zoals opgesomd in de niet-gerealiseerde leerplan doelen van Nederlands en Frans essentieel is om voldoende slaagkansen te hebben in het vervolgonderwijs. De verzoeker geeft aan dat het belang van de gecontesteerde vakken minder wordt in het vervolgonderwijs. De beroepscommissie neemt akte van het gegeven dat het gewicht van Frans afneemt van drie uren naar twee uren en van wiskunde van vier naar drie uur in de beoogde studierichting. De beroepscommissie oordeelt dat het aantal uren in het vervolgonderwijs niet relevant is en de beslissing tot clausulering niet beïnvloedt. De vakken Frans en Wiskunde zijn immers opbouwvakken, waarbij de leerstof staps- gewijs wordt opgebouwd, waardoor de voorkennis essentieel is om de nieuwe leerinhouden te begrijpen, ook al betreft het een lager aantal uren. De leerlijnen Frans en Wiskunde verlopen in continuïteit doorheen het leer- proces over verschillende jaren. Verzoeker contesteert de tekorten voor het vak Wiskunde, als zou het on- derdeel zijn van een cluster waarvoor in zijn totaliteit de leerplandoelen wel voldoende behaald zijn. De beroepscommissie stelt vast dat de clusters enkel informatief zijn, ter bevordering van het leesgemak van de rapportering. Nergens in het school- reglement wordt verwezen naar een zogenaamde cluster wetenschappen. Het schoolreglement stipuleert geen beoordeling per cluster, wat volgens de beroepscommissie impliceert dat de totalen ook niet per cluster kunnen berekend worden. De behaalde tekorten voor wiskunde worden daarom door de beroepscommissie beschouwd als zijnde een tekort voor dat vak. Historisch bewustzijn Verzoeker argumenteert dat het tekort op historisch bewustzijn niet dient meegenomen te worden in de overweging, gezien het vak niet voorkomt in het vervolgonderwijs. De beroepscommissie verwijst naar de Onderwijskiezer van Vlaanderen en de website van de beoogde school (zie bijlage 2), waaruit blijkt dat ‘Ge- schiedenis’ wel degelijk een onderdeel vormt van het verplichte curricu- lum. De sleutelcompetentie ‘Historisch bewustzijn’ wordt in de eerste graad het vak ‘Historisch bewustzijn’ genoemd en krijgt zijn vervolg in het IX-10.741-8/14 vak ‘Geschiedenis’ in de tweede graad. Bovendien vermeldt de Onderwijs- kiezer van Vlaanderen dat ook kunstgeschiedenis een onderdeel vormt van de opleiding. Gezien bovenstaande argumenten oordeelt de beroepscommissie dat het te- kort voor het vak Historisch Bewustzijn mee opgenomen dient te worden in de overweging. Conclusie inzake realisatie van de leerplandoelen Gezien bovenstaande argumenten oordeelt de beroepscommissie dat alle tekorten (wiskunde, Frans, Nederlands en Historisch bewustzijn) mee in de beoordeling opgenomen worden. De leden van de beroepscommissie oor- delen op basis van bovengenoemde argumenten dat de slaagkansen in het beoogde vervolgonderwijs onvoldoende zijn. De beroepscommissie verwijst naar de basisvorming van de dubbele fina- liteit, de meer algemene vakken die moeten aangeboden worden. De de- creetgever heeft er bewust voor gekozen om vakken op te nemen in de ba- sisvorming om deze zo breed mogelijk te houden in richtingen die kunnen leiden tot het hoger onderwijs, dus ook deze van de dubbele finaliteit in het kunstonderwijs. Een gebrek aan realisatie van de leerplandoelstellingen die het fundament vormen voor de basisvorming in de hogere jaren, is een voldoende reden om de dubbele finaliteit te clausuleren. Het beroep tracht zich toe te spitsen op één bepaalde studierichting Beel- dende en Audiovisuele Kunsten optie Beeldende kunsten in de dubbele fi- naliteit, maar weerlegt niet dat het tweede leerjaar A ook dient ter voorbe- reiding van deze richting en de basis die wordt aangeboden dus ook voor deze richting van toepassing is.” Kortom, de beroepscommissie stelt vast dat zij met de voorlig- gende resultaten een voldoende beeld heeft van de kennis en vaardigheden van verzoeker zodat bijkomende proeven niet nodig zijn om te kunnen evalueren. Zij wijst op de plaats van de vakken waarop verzoeker jaartekorten heeft voor de ver- volgopleidingen – waaronder BAK, zij somt zelfs de niet behaalde leerdoelstellin- gen op en zij oordeelt dat de basiskennis, die verzoeker niet heeft bewezen, essen- tieel is voor zowel de vakken algemene vorming als de richtingspecifieke vakken en waarom dit gebrek aan fundament een clausulering voor alle richtingen met doorstroomfinaliteit verantwoordt. Om rekening te houden met het vorige schor- singsarrest preciseert zij thans waarom zij óók met de resultaten voor het vak ‘his- torisch bewustzijn’ rekening mag houden – óók voor de richting BAK – en legt zij specifiek uit waarom het aantal lesuren voor de betrokken vakken haar clausulering niet beïnvloedt. IX-10.741-9/14 Het is in de huidige stand van de rechtspleging voor de Raad van State een raadsel hoe verzoeker deze op zijn situatie toegeschreven beoordeling verwijt slechts “algemeenheden” te bevatten en niet prospectief te zijn. Mogelijk zijn die gegeven antwoorden voor verzoeker onvoldoende, had hij graag nog méér uitleg gekregen of is hij het er niet mee eens. Dat neemt niet weg dat in de huidige stand van de procedure niet is aangetoond dat de formelemotiveringsplicht is mis- kend. 7.
- Een schending van de materiëlemotiveringsplicht dan weer, wordt door verzoeker niet toegelicht in het verzoekschrift.
- Ten overvloede merkt de Raad nog op, dat verzoeker zich op het eerste gezicht vergist als hij van een beroepscommissie die een clausulering oplegt eist dat zij “bewijst” dat de leerling “geen enkele kans tot slagen heeft” in de ge- clausuleerde richtingen. Verzoeker toont zijnerzijds dan weer niet aan waarom de beroepscommissie, met de gegevens van zijn leerlingendossier, onzorgvuldig han- delt als zij daaruit afleidt dat hij in die richtingen met doorstroomfinaliteit of dub- bele finaliteit geen redelijke kans op slagen heeft. De commissie lijkt die conclusie alleszins te steunen op de hiervóór aangehaalde concrete, objectieve en vooralsnog niet weerlegde gegevens van het leerlingendossier. 9.
- Verzoeker verwijt de verwerende partij ook onzorgvuldigheid, in zoverre dat zij geen rekening heeft gehouden met zijn leerbeperking. 9.
- De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de beroepscommissie niet aan deze grief is voorbijgegaan. In de bestreden beslissing schrijft zij daarover wat volgt: “Verzoeker argumenteert dat de school onvoldoende rekening heeft gehou- den met de specifieke situatie van de leerling, waardoor er onvoldoende begeleidende maatregelen werden genomen. De beroepscommissie heeft kennis genomen van de specifieke situatie (o.m. ADHD en concentratieproblemen). Er is geen enkele indicatie dat de leerkrachten of de klassenraad hier niet van op de hoogte waren. IX-10.741-10/14 De beroepscommissie distilleerde uit het leerlingendossier de gerappor- teerde maatregelen die de school nam ter ondersteuning van de leerling (zie bijlage 3). De beroepscommissie oordeelt dat er afdoende begeleidende maatregelen genomen zijn en dat deze al aanvang namen bij het begin van het schooljaar i.e. oktober. De beroepscommissie neemt akte dat de ouders de begeleiding onvol- doende vinden, maar is het hier niet mee eens. De beroepscommissie acht het geenszins bewezen dat de tekorten hun oor- zaak vinden in de hoeveelheid en/of de kwaliteit van de begeleiding. De beroepscommissie oordeelt dat de maatregelen verder gaan dan de gebrui- kelijke ondersteuning en verwijst hierbij onder meer naar de mogelijkheid die geboden werd om de examens thuis af te leggen. De leden van de com- missie evalueren de genomen maatregelen als voldoende en passend binnen de draagkracht van de school. Dat de leerkrachten waken over een correcte toepassing van deze maatre- gelen en misbruik aanpakken (zoals de 0/15 voor een spreekbeurt die louter werd afgelezen) is geen tegenindicatie van deze deskundigheid. De leerling en zijn ouders behoren de afspraken te kennen die zijn gemaakt met de vak- leerkracht indien zij gebruik willen maken van een zeer uitzonderlijke eva- luatiemethode. De bewaking dat het evaluatiemoment representatief blijft, behoort tot de bekwaamheid van de leerkracht. In het dossier leest de beroepscommissie daarenboven volgende passage in de weergave van een gesprek: oktober 2024: mama laat weten dat ze [verzoeker] volledig zelfstan- dig laat werken om hem tegen een muur te laten lopen zodat hij harder zou werken. Hij deed thuis niets. Hij weigert thuis hulp, ad- vies, ondersteuning, gebruik hulpkaarten, sprint woorden mama ‘ondanks je duidelijke feedback, op het einde van het schooljaar vorig jaar, gaat het niet goed. We hebben hem als ouders dus bewust losgelaten om hem tegen een muur te laten knal- len om zo gedragsverandering te verkrijgen. Hij heeft duidelijk de leerstof niet mee in de klas. Hij maakte de oefeningen niet in de klas, dit zou hij thuis doen.’ Zonder de minimumdoelen aan te tasten, werden voor verzoeker stukken leerstof geschrapt en vrijstellingen verleend, leerhulpmiddelen aangeboden en optimale omstandigheden gecreëerd om proefwerken af te leggen. Conclusie inzake ondersteunende maatregelen De beroepscommissie oordeelt dat de ondersteunende maatregelen door de school voldoende in aantal en tijd waren, maar concludeert dat het gewenste resultaat desondanks uitbleef. Dit gegeven is van aard de attestering te on- dersteunen.” De leden van de beroepscommissie “evalueren de genomen maatregelen als voldoende en passend binnen de draagkracht van de school” en leggen uit, mede ook met verwijzing naar een meer omvangrijke bijlage, waarom zij tot die conclusie komen. De commissie heeft ook, als gezien, bijkomende IX-10.741-11/14 proeven afgewezen omdat zij de voorliggende gegevens waarheidsgetrouw vindt. Dat verzoeker het anders ziet, heeft met de formelemotiveringsplicht geen uitstaan. 9.
- Wat voorts verzoekers commentaar betreft op de ondersteunende maatregelen, mag eraan worden herinnerd, zoals de Raad al in zovele arresten heeft uitgelegd, dat, daargelaten de vraag of het argument over tekortschietend onder- wijsaanbod in feite juist is, het in rechte faalt. Wat ter staving ervan door verzoeker wordt aangewend, kan mogelijk aantonen dat de school mede aansprakelijk is voor het minder gunstig resultaat, maar vermag niet aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Immers, één zaak is of een exami- nandus bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een an- dere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die hem op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zulks betekent dat, indien een leerling de school terecht verwijt in de onderwijsorganisatie te zijn tekortgeschoten of geen passende begeleidingsmaatregelen te hebben voorgesteld, dat op zijn hoogst kan betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt. De Raad van State ziet met andere woorden niet dadelijk hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding tijdens het schooljaar ertoe moet leiden het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is geleverd. 9.
- Om uitzondering te genieten op het beginsel dat falende begelei- ding inroepen geen nuttig rechtsmiddel is moet een verzoekende partij, met de no- dige precisie, aantonen dat de school tekortgeschoten is in welbepaalde vooraf in- dividueel gemaakte afspraken, waarbij dat feilen daarenboven door de aard van die afspraken in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht kan worden met de wet- tigheid van de bestreden beslissing. Uit het dossier blijkt dat verzoeker in de loop van het schooljaar hulpmiddelen mocht gebruiken, zonder dat voor elk ervan dui- delijk is uiteengezet in het verzoekschrift of die individueel werd afgesproken in het kader van een leerbehoefte van verzoeker, of een algemeen didactisch hulp- middel is dat alle leerlingen ter beschikking staat. Verzoeker voert op het eerste IX-10.741-12/14 gezicht evenwel géén specifieke afspraken aan die tussen hem en de school zijn gemaakt, die niet zijn nageleefd én waarvan de miskenning een rechtstreekse weer- slag heeft gehad op de bestreden beslissing. Verzoeker weerlegt in die zin dus evenmin de vaststelling van de beroepscommissie dat zij over waarheidsgetrouwe resultaten beschikken, zodat een bijkomende proef niet nodig is om te kunnen evalueren.
- Aan de aangevoerde schending van de artikelen 60 en 61 van het organisatiebesluit geeft verzoeker geen afzonderlijke of specifieke aandacht in de toelichting bij het middel, die na en naast wat voorafgaat nog een bijkomende be- oordeling zou vereisten. In dat verband zij nog opgemerkt dat verzoeker de keuze heeft om zonder verlies van een schooljaar zijn studies voort te zetten in de ar- beidsgerichte finaliteit of, mits overdoen van zijn schooljaar met een eventueel aangepast individueel studietraject, zijn oorspronkelijke studiekeuze kan gestand houden. In de concrete omstandigheden van de zaak, inzonderheid de behaalde studieresultaten en tekorten, lijkt die clausulering geen buitenmatige verenging van verzoekers studiekeuze.
- De aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel, voor zover dit nuttig kan gebeuren in één en hetzelfde middel waarin de schending van de motiveringsplicht wordt aangevoerd, krijgt geen toelichting zodat het middel in die mate niet ontvankelijk is.
- Het enige middel is niet ernstig. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van IX-10.741-13/14 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig september tweeduizend vijf- entwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.741-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.329 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div