id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.330 Rolnummer: A. 245063/IX-10683 Zaak: Arrest 264330 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/09/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-10-03 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-14 04:15 Fiche Arrest nr 264.330 van 26 september 2025 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 264.330 van 26 september 2025 in de zaak A. 245.063/IX-10.683 In zake: J.J. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE OUD-HEVERLEE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Jelle Snauwaert kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 juni 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Heverlee van 24 april 2025 tot goedkeuring van de verlenging van het opleggen van een ordemaatregel aan verzoeker. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikkingen van 20 juni 2025 en van 1 september 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. IX-10.683-1/12 Eerste auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2025, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Silke Mijnendonckx, die loco advocaat Kristien Van- derheiden verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Wouter De Rycke, die loco advocaten Sven Boullart en Jelle Snauwaert verschijnt voor de verwerende, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is vast benoemd directeur van de gemeentelijke aca- demie voor muziek en woord ‘De Vonk’ te Oud-Heverlee, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
- Verzoeker is van 1 oktober 2021 tot 15 juni 2023 afwezig we- gens ziekte – uitgezonderd een periode van net geen twee maanden vanaf midden augustus
- 3.
- Naar aanleiding van zijn (halftijdse) werkhervatting vanaf 15 juni 2023, vindt op 6 juni 2023 een gesprek plaats tussen verzoeker en de IX-10.683-2/12 verwerende partij over zijn re-integratie. Daarbij komt onder de noemer “belem- meringen/moeilijkheden” “[v]anuit schoolbestuur” ter sprake: “Begeleiding hervatten op werkvloer – capteren verwachtingen leraren, eventueel de bekommernissen.” Als maatregel wordt genoteerd: “Idewe traject hervatten laten begeleiden.” 3.
- Op de personeelsvergadering van de academie van 30 augustus 2023 wordt een “traject rond welzijn op het werk, begeleid door Idewe, externe dienst voor bescherming en preventie op het werk” aangekondigd. Dat traject re- sulteert in een verslag van de vzw Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk (Idewe) van 8 december
- 3.
- Op 19 december 2023 vindt over dat verslag een gesprek plaats tussen verzoeker en de verwerende partij. Om verzoeker “de tijd [te] gunnen om [hierover] te reflecteren”, wordt hem dienstvrijstelling verleend. 3.
- Verzoeker en de verwerende partij zitten op 23 januari 2024 op- nieuw samen om de “verdere taakinvulling” van verzoeker te bespreken. Het ge- sprek leidt ertoe dat opdracht wordt gegeven tot het opstellen van een dading over de tewerkstelling van verzoeker. 3.
- Op 26 maart 2024 beslist het college van burgemeester en sche- penen van de gemeente Oud-Heverlee om verzoeker uit te nodigen om te worden gehoord over het voornemen om een ordemaatregel op te leggen. Als ordemaatre- gel wordt overwogen om verzoeker “administratieve taken te laten uitvoeren op het gemeentehuis als arbeidsplaats en dit vanaf 22 april 2024”. 3.
- Verzoeker gehoord, beslist het college van burgemeester en schepenen op 16 april 2024 om aan verzoeker de ordemaatregel op te leggen tot IX-10.683-3/12 het “uitvoeren van taken in functie van de Academie voor Muziek en Woord De Vonk, zoals bijvoorbeeld in verband met overheidsopdrachten, archief, andere ad- ministratieve taken onder leiding van de algemeen directeur” (artikel 1) in het ge- meentehuis (artikel 4), voor de periode van 2 mei tot 2 november 2024, waarbij de maatregel kan worden geëvalueerd en desgevallend verlengd (artikel 3). Van deze beslissing vordert verzoeker de nietigverklaring met een beroep, bij de Raad van State bekend onder rolnummer A. 241.788/IX-10.
- Een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van dezelfde beslissing is door de Raad verworpen bij arrest nr. 259.701 van 7 mei
- 3.
- Op 29 oktober 2024 beslist het college van burgemeester en schepenen, verzoeker gehoord, om de hem opgelegde ordemaatregel met zes maan- den te verlengen tot 3 mei
- Ook van deze beslissing vordert verzoeker de nietigverklaring met een beroep bekend onder rolnummer A 243.786/IX-10.
- 3.
- Met de thans bestreden beslissing verlengt het college van bur- gemeester en schepenen andermaal met zes maanden de aan verzoeker opgelegde ordemaatregel, ditmaal tot 4 november
- IV. Vertrouwelijke stukken 4.
- De verwerende partij heeft voor sommige stukken van het admi- nistratief dossier de vertrouwelijke behandeling gevraagd. 4.
- Of die vertrouwelijkheid moet worden gelicht, zoals verzoeker vraagt, moet thans niet worden onderzocht aangezien de Raad in die stukken geen steun moet zoeken om de huidige vordering te beoordelen. IX-10.683-4/12 V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet- ten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een be- handeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima fa- cie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
- In het inleidend verzoekschrift betoogt verzoeker over de spoed- eisendheid wat volgt (voetnoten weggelaten): “
- […] De verzoekende partij werd in het kader van een ordemaatregel tijdelijk een andere functie en takenpakket toegewezen in functie van de Academie voor Muziek en Woord De Vonk onder leiding van de algemeen directeur. Deze ordemaatregel werd reeds tweemaal verlengd voor zes maanden, namelijk op 29 oktober 2024 en 24 april
- Indien de huidige procedure door uw Raad zou behandeld worden binnen de normale behandelingstermijn van een vordering tot schorsing, zal de be- slissing ongetwijfeld laattijdig zijn gezien de bestreden beslissing een ini- tiële uitvoeringsduur van zes maanden heeft. De verzoekende partij kan het resultaat van de procedure ten gronde niet afwachten om haar beslissing te verkrijgen, ‘op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’. De verzoekende partij verwijst voorts naar de argumentatie zoals uiteenge- zet infra randnummer
- […] Uw Raad stelde reeds dat het niet volstaat om te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annu- latieprocedure niet kan worden afgewacht. De doorlooptijd van de gewone vernietigingsprocedure kan niet afgewacht worden. De verzoekende partij ondervindt zeer negatieve gevolgen ten gevolge van de bestreden beslissing. De verzoekende partij oefent reeds sinds 2 mei IX-10.683-5/12 2024 een volledig andere job uit dan dewelke hij al tientallen jaren pro- bleemloos uitoefent in de academie. De aanhoudende verlengingen van de ‘ordemaatregel’ heeft inmiddels zeer grote en schadelijke gevolgen voor het welbevinden van verzoekende partij. - Het gezichtsverlies is enorm. Verzoekende partij mag niet langer op zijn vertrouwde werkplaats werken maar moet op het gemeentehuis gaan wer- ken. Daar kent iedereen hem als directeur en wordt het publiek dat hij die functie niet meer mag uitoefenen, maar slechts een fractie van zijn taken- pakket mag doen, namelijk administratief werk. Dit geeft hem het imago dat hij gestraft is, of niet langer bekwaam zou zijn om de functie die hij meer dan 30 jaar uitoefende verder te zetten. De verzoekende partij wil dit gezichtsverlies niet lijden. Aan het begin van de ordemaatregel is verzoe- kende partij enkele weken met ziekteverlof gezet. Nadien diende hij aan de slag te gaan als administratief hulpje terwijl hij eigenlijk de directeur van de Academie is. Zelfs als men stelt dat de ordemaatregel niet als een sanctie bedoeld is, moet minstens erkend worden dat een dermate grote maatschap- pelijke degradatie door eenieder (verzoekende partij, zijn voormalige col- lega’s en zijn gehele entourage) zal beschouwd worden als een sanctie. Door de ordemaatregel ‘tijdelijk te maken’ probeert de verwerende partij de rechtsmiddelen van verzoeker te beperken. Zoals aangehaalde in de uit- eenzetting van de middelen, miskent men bewust alle voorschriften inzake tucht, ontslag, re-integratie, … en schuift men de verzoekende partij ge- woon opzij zonder zijn rechten van verdediging te garanderen. De ‘orde- maatregel’ werd reeds tweemaal zonder meer verlengd, waardoor de maat- regel de facto niet meer tijdelijk is. - De verzoekende partij moet en job uitvoeren dewelke lager is dan zijn scholingsgraad en dan dewelke hij al jaren in de school – probleemloos – uitvoert. De verzoekende partij zal hierdoor reputatieverlies lijden daar hij van zijn directeursfunctie plotsklaps administratieve taken moet gaan doen, zonder ooit maar één negatieve evaluatie te hebben gehad. Vervolgens wordt de ‘ordemaatregel’ keer op keer verlengd zonder enige concrete overweging, aanleiding of evaluatie. Hierdoor wordt steeds meer de indruk gewekt dat verzoekende partij een fout heeft begaan en hiervoor gestraft wordt. Overige personeelsleden zullen zich hier dan ook vragen bij gaan stellen. Dit gezichtsverlies kan worden tegengegaan middels huidige pro- cedure; om de schade te beperken, dient er snel gehandeld te worden. Hoe meer tijd hierover gaat, hoe meer de personeelsleden van de academie en persoonsleden van de gemeentelijke basisschool de Hazensprong (die in hetzelfde gebouw huist). De status van de verzoekende partij als directeur zal door de ordemaatregel en de verlenging ervan in twijfel getrokken wor- den door collega’s. Hij verliest bijgevolg de kans om ooit nog aan de slag te gaan als directeur gezien hij slechts op één jaar van zijn pensioen staat. - Bovendien verliest verzoekende partij steeds meer aanzien en autoriteit ten aanzien van de collega’s van de muziekacademie. Hij oefende jaren de functie uit als directeur, waarbij hij de leiding had over een groot aantal personeelsleden. Daarentegen dient hij nu louter administratieve opdrach- ten uit te voeren. Gelet op de aanhoudende verlenging van de ‘ordemaatre- gel’ wordt het bovenvermelde gezichtsverlies steeds groter. Verzoekende IX-10.683-6/12 partij kan onmogelijk terugkeren naar zijn vorige functie van directeur als de bestreden beslissing verder wordt aangehouden. Het gezagsverlies zou te groot zijn om de functie van directeur deugdelijk uit te voeren. Bijgevolg zou ook de procedure tot vernietiging die verzoekende partij reeds opstartte tegen de oorspronkelijke ordemaatregel volledig uitgehold worden. Verzoekende partij ondervindt door de aanhoudende verlengingen van de ‘ordemaatregel’ onherroepelijke schade, aangezien hem de mogelijkheid wordt ontnomen om ooit nog terug te keren naar zijn functie als directeur van de muziekacademie. - De verzoekende partij wilt daarenboven zijn werk met plezier blijven uit- voeren en niet weer in een ‘burn-out’ belanden, waar hij net voor het op- leggen van de initiële ordemaatregel bovenop was gekomen. Hij kreeg handvaten aangereikt en samen met zijn co-directeur werden goede afspra- ken gemaakt. Er is geen reden om aan te nemen dat deze afspraken niet kunnen verder gezet worden. In de nieuw uit te voeren functie belandt verzoekende partij in een ‘bore- out’, daar hij onvoldoende en al zeker geen motiverende taken krijgt. Waar hij voorheen volle toegang had tot informatie en procedures, moet hij nu telkens aan anderen vragen hem om die nodige info te bekomen. Hij moet andere, minder intellectueel verregaande taken uitoefenen onder leiding van iemand. Dit voelt voor de verzoekende partij logischerwijze als het moeten nemen van enkele stappen terug. - Naast de ‘bore-out’ heeft de nieuwe functie van verzoekende partij een zeer negatief effect op het mentaal welzijn van verzoekende partij. Hij is sinds het opleggen van de ordemaatregel regelmatig afwezig geweest we- gens ziekte, omdat deze ordemaatregel te zwaar op hem weegt. Hij onder- vindt een negatieve sfeer op zijn nieuwe werkplaats, een grote onduidelijk- heid over de manier waarop zijn taken uitgevoerd dienen te worden en haalt geen voldoening uit zijn nieuw takenpakket. Daarnaast heeft verzoekende partij ook geen uitzicht op enige andere taken. Het is duidelijk dat verwe- rende partij de ‘ordemaatregel’ zal blijven verlengen, zoals zij reeds twee- maal deed, tot op het punt dat verzoekende partij met pensioen gaat. Bijgevolg eist de nieuwe functie en het gebrek aan perspectief een zeer hoge tol voor het mentaal welbevinden van verzoekende partij. Bij het aan- houden van de bestreden beslissing loopt verzoekende partij het risico dat hij mentaal helemaal niet meer in staat is om eender welke tewerkstelling uit te voeren. Verzoekende partij is zo reeds meermaals afwezig moeten zijn van zijn tewerkstelling wegens ziekte. (stuk 23) - De oorspronkelijke ‘ordemaatregel’ is beperkt in de tijd, doch wordt steeds verlengd voor zes maanden. Verzoekende partij voelt zich kansloos, aangezien verwerende partij op geen enkele manier aangeeft wat hij zou kunnen doen om terug als directeur aan het werk te mogen gaan. Hij is nu meer dan een jaar afgekoppeld is van ‘de dienst’ of de werking van de aca- demie. Ongeveer één derde van de personeelsleden is intussen vervangen, wat zeker een wijziging in de dienst te weeg gebracht heeft. Verwerende partij biedt geen kansen aan verzoeker tot re-integratie, terwijl dit net het originele doel was van het onderzoek van IDEWE in de herfst IX-10.683-7/12 van 2023: ‘De samenwerking met IDEWE werd opgezet naar aanleiding van uw werkhervatting, zoals afgesproken in het kader van uw reïntegra- tietraject.’ (stuk 5B) Verzoekende partij heeft zo de facto geen uitzicht op enige verbetering. De bestreden beslissing verlengt de oorspronkelijke ordemaatregel zonder enige verdere evaluatie van de situatie op heden. Verzoekende partij heeft dan ook zeer weinig hoop op een eventuele stopzetting van de ‘ordemaat- regel’ voordat hij met pensioen gaat. Dit gebrek aan uitzicht en perspectief brengt het mentaal welzijn van verzoekende partij verder in gedrang. Een uitspraak tot schorsing door uw Raad dringt zich op. De verzoekende partij kan het resultaat van de procedure ten gronde niet afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, ‘op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’. Bovendien is het handelen van de verwerende partij manifest onwettig en in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat het gepast voorkomt dat hierop dadelijk gereageerd wordt.” Beoordeling
- Verzoeker heeft al voorheen de schorsing gevorderd van de ten- uitvoerlegging van de initieel opgelegde ordemaatregel. Wat verzoeker aanvoert om van de spoedeisendheid te overtui- gen, valt voor een zeer groot gedeelte samen met zijn toenmalige uiteenzetting: enorm gezichtsverlies, maatschappelijke degradatie, manifeste onwettigheden, minderwaardige administratieve taken, nakend pensioen, risico op bore-out. Nieuw is nu, dat het om een (tweede) verlenging gaat en dat de tijd uiteraard niet stilstond. De weerslag van die nieuwe gegevens worden hierna onderzocht. Los daarvan evenwel, blijft met betrekking tot de aangevoerde nadelen ook nu niet minder dan al het geval was ten tijde van ’s Raads arrest nr. 259.701 van 7 mei 2024 overeind: - dat de voorwaarde van (thans) spoedeisendheid en de voorwaarde van een ernstig middel, twee afzonderlijke schorsingsvoorwaarden zijn die vervuld moeten zijn en die in beginsel los van elkaar onderzocht moeten worden. De – zelfs bij veronder- stelling manifeste – onwettigheden die tegen de bestreden beslissing worden aan- gevoerd, kunnen op zich dan ook geen reden zijn om het bestaan van de spoedei- sendheid te aanvaarden; - dat het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring het onvermijdelijke lot uitmaakt van élke verzoekende IX-10.683-8/12 partij en dat een schorsingsprocedure er niet toe dient om élk nadeel te ondervan- gen; - dat evenmin het gegeven volstaat dat de bestreden beslissing mogelijk haar vol- ledige uitwerking zal hebben gekend op het ogenblik van een uitspraak ten gronde, om de spoedeisendheid ipso facto aan te tonen; - dat het daarom aan verzoeker staat om aan te tonen dat hij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toe- stand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen; - dat een moreel nadeel in beginsel wordt hersteld door de morele voldoening die een annulatiearrest zal verschaffen en dat het aan een verzoekende partij toevalt om ervan te overtuigen dat het in haar concrete geval anders is; dat inzonderheid aangenomen wordt dat een ordemaatregel op zich geen aantasting inhoudt van de reputatie en de goede naam en in beginsel geen nadeel kan veroorzaken dat niet naar behoren hersteld kan worden door de morele genoegdoening van een vernie- tigingsarrest dat, met terugwerkende kracht, de ordemaatregel ongedaan maakt; - dat voor zover verzoeker aanvoert dat hij door de bestreden beslissing gezichts- verlies leidt, het imago krijgt gestraft te zijn en “niet langer bekwaam” wordt ge- acht om de functie van directeur uit te oefenen, eraan wordt herinnerd dat bij een ordemaatregel de vraag naar de schuld van verzoeker buiten beschouwing wordt gelaten. De mogelijk andere perceptie door derden van de betekenis en draagwijdte van de bestreden beslissing toont op zich niet aan dat verzoeker een zodanige mo- rele schade ondervindt dat hij de afloop ten gronde niet kan afwachten en dat hij geen genoegen moet nemen met de morele genoegdoening die een nietigverklaring oplevert. Door dezelfde argumenten in het nu voorliggende verzoekschrift te herhalen, overtuigt verzoeker nog steeds niet dat hij de afloop van de procedure ten gronde niet kan afwachten.
- Een verschil met de initiële beslissing is gelegen in de verlenging van de maatregel en het daarmee gepaard gaande tijdsverloop. IX-10.683-9/12 Hierover wenst de Raad in de eerste plaats op te merken dat het feit dat de bestreden beslissing een tweede verlenging vormt van een tijdelijke or- demaatregel op zich niet de spoedeisendheid aantoont, zelfs niet als met verzoeker zou worden aangenomen dat de verwerende partij hiermee blijk zou geven het tij- delijke karakter te willen omzeilen door ze telkenmale te verlengen en dat “de maatregel de facto niet meer tijdelijk is”. Wat hiervóór is opgemerkt over de nade- len die verzoeker aanvoert, zou immers door de Raad net zo goed zijn tegengewor- pen indien de aanvankelijke ordemaatregel voor onbepaalde duur was opgelegd en niet voor een duur van zes maanden. Een vordering tot schorsing kan “op elk ogenblik” worden inge- steld. Dat verzoeker nu een tweede verlenging bestrijdt, is voor de beoordeling van de spoedeisendheid dus hetzelfde alsof hij van een ordemaatregel voor onbepaalde duur de schorsing zou vorderen na één jaar: enkel de gevolgen van het tijdsverloop op de spoedeisendheid lijken relevant, niet het enkele feit van de verlenging zelf.
- Over die impact van het tijdsverloop stelt verzoeker wat volgt. Het vóórtduren van de ordemaatregel verhoogt volgens verzoeker bij derden de indruk dat hij een fout heeft begaan en hij verliest steeds meer aanzien. Het blijvend moeten verrichten van minderwaardige taken dreigt tot bore-out te leiden en de afstand tot zijn pensioen is ondertussen korter geworden. Als de bestreden beslis- sing wordt “aangehouden”, kan hij “onmogelijk terugkeren naar zijn vorige functie van directeur”. Hij krijgt geen kansen tot re-integratie en heeft geen perspectief.
- Dat verzoeker “plotsklaps” minderwaardige taken moet uitvoe- ren, lijkt niet te stroken met de feiten. Ook een directeur van een muziekschool voert administratieve taken uit. De opsomming die de verwerende partij in de be- streden beslissing geeft van die opdrachten nuanceert ook dat ze minderwaardig zijn en een hoge tol op het mentale welbevinden eisen: “Betrokkene stelt dat hij enkel ingeschakeld wordt voor ‘louter administra- tief werk’, maar dit is niet correct. Spijts het feit dat het gemeentebestuur van Oud-Heverlee een relatief kleine entiteit is, wordt er maximaal over gewaakt dat betrokkene zijn competenties, zij het dan niet langer als IX-10.683-10/12 leidinggevende, ook echt kan inzetten. Zo werd betrokkene bijvoorbeeld gevraagd om een akoestisch onderzoek uit te voeren van de Kerk van Blan- den, waar heel wat optredens door gaan en waar er een problematiek van overmatige galm was. Daarnaast werd de betrokkene ook gevraagd om een inhoudelijke beoordeling en analyse te maken van de bibliotheek. Daarbij was het dan bijvoorbeeld de bedoeling om per werk te evalueren voor welke vakken dit geschikt is, voor hoeveel personen dit gebruikt kan worden, voor welk niveau (in functie van de graden in de Academie) dit werk geschikt is, … . Dit zijn taken die inspelen op specifieke competenties die de betrok- kene heeft. Ook de taken die de betrokkene sinds de verlenging van oktober 2025 heeft gekregen, spelen specifiek in op zijn competenties. Zo werd betrokkene bijvoorbeeld gevraagd om een nota op te stellen met beleidsadviezen in het kader van een nieuw meerjarenplan. Daarbij werd gevraagd om ook de sub- sidiëring van schoolgebouwen te onderzoeken en de eventuele uitbreiding van de Academie met een nieuwe afdeling. De betrokkene werd eveneens gevraagd om te onderzoeken of fietsleasing mogelijk is voor het personeel van de Academie en het project verder op te volgen met betrekking tot een concrete contractsluiting. Ook dit betrof een groot dossier dat aansluit bij de ervaring en de competenties van de betrokkene. Dit zijn taken die ge- lijkaardig zijn aan degene die de betrokkene als directeur van de Academie heeft uitgevoerd.”
- Dat verzoeker de kans ziet verdwijnen om ooit vóór zijn pensi- oen nog opnieuw aan de slag te kunnen gaan als directeur en dat hij zijn reputatie door de duurtijd van de maatregel steeds meer aangetast ziet, kan de Raad, gelet op de concrete omstandigheden, ook relativeren – nog daargelaten dat de reputatie- schade nog steeds slechts een ongestaafde bewering is. In de twee andere hiervóór vermelde beroepen van verzoeker zijn ondertussen immers de auditoraatsverslagen én de laatste memories neergelegd, zodat die zaken “in staat van wijzen” zijn en ze weldra opgeroepen zullen worden. Bij een eventuele nietigverklaring van de initi- ele ordemaatregel en van de eerste verlenging ervan, zal de verwerende partij de nodige gevolgtrekkingen moeten maken over de wettigheid van de thans bestreden verlenging. Een nietigverklaring of intrekking heeft tot gevolg dat verzoeker – zelfs retroactief – geacht moet worden directeur in functie te zijn, wat de verwe- rende partij in principe verplicht om hem te reïntegreren.
- Gelet op wat voorafgaat, overtuigt verzoeker nog steeds niet er- van dat hij de procedure ten gronde niet kan afwachten. IX-10.683-11/12 De eerste schorsingsvoorwaarde is niet vervuld. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig september tweeduizend vijf- entwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.683-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.330 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.801 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.